Memorabele liefdesroman van Kees van Beijnum

Gymnasiast tussen de criminelen

Pieter Steinz

Net als popsterren en filmmakers krijgen schrijvers nooit genoeg van ‘weer een deuntje over de liefde'. Gelukkig maar, want het onbeantwoorde smachten of de verzengende passie is een te mooi thema om over te laten aan de producenten van stuiversromans. Er is altijd behoefte aan een nieuwe Turks Fruit, zoals ook het Nederlandse liefdeslied na ‘Sinds 1 dag of 2' of ‘Dromen zijn bedrog' geen afgelikte boterham is.

In De oesters van Nam Kee toont Kees van Beijnum (1954) zich een waardig opvolger van Jan Wolkers, die niet toevallig samen met Homerus en The Kinks door de hoofdpersoon wordt genoemd als een van de pijlers van de beschaving. Van Beijnums vijfde boek is in de eerste plaats een plastisch en met veel vaart geschreven verhaal over een liefde die door blijft branden als één van de geliefden er allang genoeg van heeft. Tegelijkertijd is het een speelse studie in ontsporing: hoe een gymnasiumjochie met een gelukkige jeugd terecht is gekomen in het ‘parallelle universum' van kruimelcriminelen in de grote stad.

Dat die grote stad Amsterdam is, zal voor de bewonderaars van Van Beijnum geen verrassing zijn. Sinds hij in 1991 debuteerde met de ‘true crime'-roman Over het IJ, een reconstructie van de zogeheten brievenbusmoord in Amsterdam-Noord, staat Van Beijnum bekend als een chroniqueur van het leven in de hoofdstad. Zijn autobiografische roman over een jeugd in de rosse buurt, Dichter op de Zeedijk (verschenen in 1996 en genomineerd voor de AKO-prijs), maakte hem tot een interessante gesprekspartner voor media als Het Parool, AT5 en Ons Amsterdam; het interview dat dit laatste tijdschrift vorig jaar met hem had, is nu zelfs integraal herdrukt in de reclamefolder ‘Maak kennis met Kees van Beijnum' van uitgeverij Nijgh & Van Ditmar.

Na Noord, de Wallen en de Pijp (in zijn vorige roman De ordening) schrijft Van Beijnum nu over Amsterdam-West al doet het restaurant uit de titel van zijn nieuwe boek opnieuw een locatie op de Zeedijk vermoeden. Berry Kooijman, de 18-jarige verteller van De oesters van Nam Kee, is opgegroeid in Slotermeer, in één van de weinige stadsvilla's die na de oorlog tussen de flats werden neergezet. Als hij zijn verhaal begint, liggen zijn gelukkigste jaren, zijn tijd als brave zoon van een cameraman en een ambtenaar van de reclassering, al ver achter hem. Vanuit de Bijlmerbajes, waar hij zit voor een misdaad die heel lang een geheim blijft, doet hij verslag van zijn dubbelleven als hangjongere en misdadiger-uit-verveling. Voor zijn allochtone vrienden, ‘Schotelcity'-bewoners met bijnamen als Otman en De Laatste Mode, houdt hij zijn middenklasseverleden verborgen; tegenover zijn alleenstaande moeder houdt hij vol dat hij zijn school heeft afgemaakt en keurig aan een studie is begonnen. Geen eenvoudige opgave, constateert Berry: ‘Wat ik aan liegen haat, los van het feit dat je zo verdomd goed moet onthouden wat je verteld hebt, is dat de eerste leugen altijd een hele keten van nieuwe leugens oproept. Voor je er erg in hebt ben je zo ver dat je je kapotschrikt als je jezelf betrapt op het vertellen van de waarheid.'

Niet dat Berry zich bekommert over een leugentje meer of minder. Hij lijkt de moraal voorbij, en hij heeft ook geen enkele boodschap aan de sekte van hulpverleners die hem (en zijn collega-criminelen) probeert te duiden en te stichten: ‘ze praten dezelfde taal, dragen dezelfde kleren, zien dezelfde tv-programma's, lezen dezelfde kranten, en ze geloven in dezelfde dingen. ‘‘Het ligt aan de postcode, het ligt aan de jeugd, het ligt aan de ouders''.' Berry is naar eigen zeggen het bewijs dat hun geloof vals is. ‘Liever een vorst in de onderwereld dan een dagloner op aarde' luidt zijn met Homerus spottende motto. Dat hij in de wereld van drugs en perversiteiten terecht is gekomen, komt doordat hij een uitgesproken hekel heeft aan mensen die het goed met hem voorhebben, en doordat hij niet vindt ‘dat zwakte iets is om tegen te vechten'. Dat hij in de gevangenis is beland, ligt aan Thera, de liefde van zijn leven die hem zonder pardon inruilde voor de sokloze maar steenrijke patser Ben.

De paar maanden die Berry's relatie met Thera duurt (De oesters van Nam Kee gaat niet alleen over Amsterdam maar ook over 1999, met verwijzingen naar de hete zomer, bioscoophits en de gsm-campagne van Ben) vormen het hart van zijn verhaal. Ze lijken voor elkaar gemaakt, de blanke pit die optrekt met de ruwe bolsters en de stijlvolle ‘wiebeldanseres' op de Wallen die niets liever eet dan de gestoomde oesters van Nam Kee op de Zeedijk. Thera brengt het beste in Berry naar boven, van eerlijkheid tot trouw en van passie tot compassie. Maar als ze na een zware epileptische aanval in het ziekenhuis belandt en vervolgens niets meer van hem wil weten, slaat zijn liefde om in wanhoop en obsessief gedrag. Berry blijft Thera achtervolgen en draait uiteindelijk door.

Een lekkere jongen is Berry niet, maar je vergeeft hem veel. Alleen al omdat hij zo aanstekelijk en geestig zijn verhaal doet. Zonder blikken of blozen schakelt hij van gespierde straattaal, vol fucks en kuts en ongezouten sarcasmen, naar origineel geformuleerde levenswijsheden, en naar poëtisch beschreven herinneringen aan zijn o zo gelukkige jonge jaren. Hij karakteriseert een stel dronken Engelse toeristen als ‘van die hompen dood vlees met tatoeages tot aan hun keel en een vierkante kop met Madame Tussaud-blik', en een pokdalig meisje in de disco ‘alsof ze gratis zwemles had gehad in Fast Eddies frituurbad'. Maar als hij in de ogen van Thera kijkt wanneer zij hem na weken van ontwijkend gedrag weer eens te woord staat, dan ziet hij ‘de schuld en de schaamte, die in haar lichtgevende irissen een goed heenkomen zochten.' En als hij vol erbarmen een wesp beschrijft die vergeefs probeert uit een lokglas met ranja te ontsnappen, wordt in één keer duidelijk hoe hopeloos hij zijn eigen situatie ziet.

Ook voor Berry, het zelfverklaarde ‘monster uit West', gelden verzachtende omstandigheden dat is de ironie van De oesters van Nam Kee. En het knappe van de roman is dat je, net als de verteller zelf overigens, alleen stukje bij beetje te weten komt wat voor tragisch figuur Berry Kooijman eigenlijk is. Telkens keert in zijn verhaal de indrukwekkendste gebeurtenis uit zijn jeugd terug: de dood van zijn pony. De onttakeling van het kadaver door de kraaien in de wei is voor Berry niet alleen de les ‘dat hetgeen waar je om geeft voor je ogen kapot gemaakt kan worden zonder dat je er iets tegen kunt doen', maar is door het verdriet dat zijn vroeg overleden vader met hem deelde ook gestold tot een van zijn dierbaarste herinneringen. Als veel later blijkt dat zijn vader om hele andere dingen ontroerd was, storten ook de laatste ruïnes van Berry's wereldbeeld in.

Tot de mooiste passages van het boek behoren ook die waarin Berry de moeizame verhouding met zijn goedbedoelende moeder en zijn wereldvreemde oudere broer beschrijft. Want in de beste Hollandse traditie is De oesters van Nam Kee net zo goed een familieroman als een liefdesverhaal.

Alleen harten van steen zullen niet geraakt worden door de manier waarop Van Beijnum vorm heeft gegeven aan de wanhoopsbravoure van zijn hoofdpersoon. Hoe stoer en gemeen ook, Berry is sympathiek als een Huckleberry Finn die zijn onschuld heeft verloren, aandoenlijk als een Werther Nieland op leeftijd. Hij is meer dan zo maar een aanwinst voor de Nederlandse literatuur. Het is of hij er altijd al geweest is.

Hosted by www.Geocities.ws

1