Nieuwe Van Beijnum over zinloos geweld
PROZA.Het monster van Schotelcity

Jeroen Vullings

Ze wonen in Slotermeer, de buurt in Amsterdam-West waar allochtone jongeren vorig jaar de politie op de vlucht joegen. Hun namen zijn Rachid, Otman, Jamal en Berry. Ze komen bijeen in de snackbar van Fast Eddie, zijn gek op merkkleding, snuiven graag coke of slikken een pilletje. Maar tegen een pilsje of een felgekleurde cocktail zeggen ze ook geen nee - als het maar véél is en effect heeft: de verveling doorbreken, lol hebben. Voor een crimineel akkefietje schrikken ze beslist niet terug. Zijn zulke jongens kansarme verschoppelingen van deze maatschappij of is het gewoon tuig van de richel?


Kees van Beijnum spreekt zich daarover niet uit in zijn vijfde roman De oesters van Nam Kee . Binnen de literatuur hoeft dat ook niet. Liever niet zelfs: een tendensroman is per slot van rekening doorgaans iets van een lagere literaire orde. Maar omdat Van Beijnums proza in zijn keuze voor maatschappelijk brandbare onderwerpen en zijn werkelijkheidsgetrouwe uitwerking vaak doet denken aan een vaardige journalistieke reportage van binnenuit, valt zijn gebrek aan moralisme in deze juist op. Menig journalist zou dergelijk straatrumoer niet publiceren zonder een politiek-correct sausje, een goedpraterijtje over het gedrag van de onderklasse.

Zo niet Van Beijnum. Hij toont hoe zulke jonge criminelen denken, hoe ze een met subsidie- en gemeenschapsgelden smijtende welzijnswerker - hij heet niet voor niets Freek Feek - voor hun karretje spannen, met wat voor akelige bezigheden ze hun tijd doorbrengen. Nederlandse meisjes behandelen ze als hoeren, die nieuwe Armani- en Gucci-hebbedingetjes sméken er natuurlijk om gejat te worden, en als je je klote voelt geef je zomaar iemand een beuk tegen z'n smoel. Net zo makkelijk. Nee, lieverdjes zijn het niet en juist Van Beijnums droge, van oordeel ontdane weergave ervaar ik toch, paradoxaal genoeg, als een impliciete stellingname. Al is het maar die van de partijloze schrijver die de wereld wil kunnen beschrijven zoals hij die realistisch ervaart.

Het gaat bij de gewezen journalist Van Beijnum in laatste instantie om het vertellen van het verborgen verhaal . In retrospectief blijkt de geliefde methode bij zijn personages van meet af aan: door reconstructie het verborgen verhaal onthullen. De journalist uit zijn ,,true crime story'' Over het IJ (1991) is op zoek naar het ,,Totale Verhaal'' over een ranzige moordpartij in Amsterdam-Noord. Dat wil zeggen het échte relaas, de informatie over de sociale achtergronden, een andere, meer op de menselijke beweegredenen gerichte versie dan de zo summiere, strikt feitelijke officiële lezing. Van Beijnums literaire debuut Hier zijn leeuwen (1994) is een pijnlijke reconstructie door een psychotische Nederlandse bejaarde: hoe de vriendschap uit zijn jeugd met de nobele Afrikaanse neger Nkongo hem niet vrijwaarde van (toentertijd maatschappelijk geaccepteerd) racisme. Zijn derde semi-autobiografische, pathetisch-nostalgische roman Dichter op de Zeedijk (1995) laat zien hoe de omgang met (semi)criminele types in de van oudsher veelgesmade rosse buurt van Amsterdam niettemin een puike leerschool-van-het-leven is voor de dromerige gymnasiast Constant Wegman. Ook in De ordening (1998) is de jeugdige hoofdpersoon Stella Verstarre bezig een volledig levensverhaal te reconstrueren: dat van ,,de zwarte weduwe'' Lotte de Heus Verolmen, de echtgenote van een vlak na de Tweede Wereldoorlog tijdens gevangenschap omgekomen NSB-voorman. Het in een terugblik gestelde De oesters van Nam Kee reconstrueert het ware verhaal van de achttienjarige Berry Kooijman. Berry alias het monster van ,,Schotelcity'' pleegde een aanslag op de Amsterdamse burgemeester toen die zijn goodwill wou tonen door een bezoek aan de verschotelde (naar de bij niet-geïntegreerde allochtonen zo geliefde schotelantennes) achterstandswijk.

Net als in zijn vorige roman is het uitgangspunt in De oesters van Nam Kee voor Van Beijnum de historisch-maatschappelijke werkelijkheid: de problematiek van jongeren in de onderlaag van de samenleving en het fenomeen ,,zinloos geweld''. Het portret dat hij in De ordening schetst van de spraakmakende ,,zwarte weduwe'' die vanuit haar Gooise villa haar rotsvaste denkbeelden over het oorlogsverleden blijft verkondigen, is in de historische levensfeiten grotendeels gelijk aan dat van Florrie Heubel, de weduwe van Meinoud Rost van Tonningen. De verteller Van Beijnum bedient zich hier van een geraffineerde verteltruc om juist door Stella's onbevangen blik zicht te krijgen op de vrouw die in Nederland voor de personificatie van het Kwaad doorgaat. Even geslepen is zijn keuze om zijn nieuwe hoofdpersoon Berry Kooijman iemand te laten zijn die tussen beschaving en onbeschaving koerst. Als gesjeesd scholier aan het prestigieuze Barlaeus-gymnasium en bewoner van een van de vijf villa's in die verpauperde Amsterdamse buurt, hoort hij eigenlijk nergens bij. Zeker niet bij de primitieve allochtone jongens wier gezelschap hij verkiest. Een lepe zet van Van Beijnum, want deelt de lezer van De oesters van Nam Kee niet Berry's positie van tussenstaander? Ook hij daalt (echter tijdelijk) af in de nagenoeg ongeletterde, rauw-realistische onderwereld (waar vast geen Van Beijnum-lezers rondlopen). Degene met wie hij zich dus noodgedwongen moet identificeren is Berry. Met wie anders? Met de modieuze psychopaat Rachid alias De Laatste Mode soms? Of met een andere gewelddadige fuck -roeper? Berry dan maar.

Moet dat, identificatie? Nee, maar het helpt wel om de romanrit zonder averij uit te zitten. Bovendien geeft Berry's adolescente bravoure nog een komische toon aan dit trieste verhaal, dus ook daarom is het raadzamer eventuele weerzin voor die bende naarlingen op te schorten. Van Beijnum maakt het de lezer ook op een andere manier makkelijk: De oesters van Nam Kee is niet alleen het verhaal van een mentaal gedesoriënteerde drop-out , die ergens bij wil horen maar treurig genoeg nergens zijn plek vindt, die daarom zijn verleden romantiseert, op jacht naar authenticiteit het heden verabsoluteert, en zich staande houdt door voortdurend rollen te spelen en te liegen. Tevens is het een verhaal over een tot mislukken gedoemde liefde. Berry raakt verliefd op de achttienjarige, vroegwijze epileptica Thera, die als lapdancer in groezelige vertrekken voor nog groezeliger mannen danst. Zijn liefde is totaal: hij verafschuwt bijvoorbeeld oesters, maar Thera eet ze dagelijks in het Chinese eettentje Nam Kee en daarom doet hij dat ook. Ze genieten een intense periode, maar Berry kan het niet accepteren als ze hem nadien afwijst. Hij had, uit op absolute zekerheden als hij is, een obsessieve begeerte voor haar opgevat en nu die niet beantwoord wordt, raakt hij daadwerkelijk ziek van liefde.

Voor goede raad is hij doof. Zijn broer Rein wijst hem erop dat hij de werkelijkheid romantiseert, dingen ziet die er niet zijn. Van zijn gestorven vader maakt hij in zijn reconstructie een heilige, iemand die als hij nog geleefd had alles goed had kunnen maken. Iemand die hem tenminste begreep. Berry sluit de ogen voor het feit dat z'n vader een alcoholist was die zijn gezin wilde verlaten. Aan het eind van De oesters van Nam Kee is Berry psychiatrisch gezien nog steeds een patiënt. Toen hij een eland in Amsterdam gezien meende te hebben, gaf zijn vader hem een camera om zoiets exceptioneels voortaan direct vast te leggen. Daarmee maakt hij slechts foto's van wolken, die een heel onschuldige aanblik kunnen bieden. De dromer Berry, in alle opzichten een anomalie in zijn omgeving, ziet wat hij wil zien. Dat hij niet anders kán, maakt hem tragisch.

Van Beijnum brengt Berry's misdaad - de spontane aanslag op de burgemeester - terug tot een louter persoonlijk bepaald motief. Zoals hij van de door de media gedemoniseerde Berry de niet-deugende, al te menselijke adolescent maakt die hij nu eenmaal is. Tezamen met de maatschappelijke urgentie die de ambitieuze roman De oesters van Nam Kee aankleeft, is dat niet mis. Zo bezien is Van Beijnums vijfde roman een groot boek. Maar is het ook groots?

Actie, techniek en goedbekkende dialogen zijn Van Beijnum, die ook scenario's schrijft, wel toevertrouwd. De taal van de straat is waarachtig in zijn boek en ook dat is geen geringe prestatie. Maar het besef dat zijn proza Literatuur (met een grote L) moet zijn, speelt hem parten. Af en toe wil hij, bij monde van zijn hoofdpersoon, filosoferen en dat lukt voor geen meter. Vooral als het over het Leven Zelf gaat, komt hij in de gevarenzone: ,,We need a bigger boat , zegt Robert Shaw benauwd als hij voor het eerst de gigantische haai in Jaws boven water ziet komen. Dat is de pest in dit leven, dat je boot uiteindelijk altijd te klein is. Op een dag steekt een monster zijn kop boven water en terwijl je in zijn enorme, geopende kaken tuurt weet je dat het foute boel is, dat jouw boot te klein is.''

Ben ik te streng? Moet ik niet domweg tevreden zijn dat zo'n talentvolle schrijver in staat is een wereld op te roepen, je mee te voeren met een spannende vertelling? Is het zo erg dat tegen het slot de intrige het verhaal in een verlammende omhelzing neemt? Is het zo'n halszaak dat zijn weefgetouw dan zichtbaar wordt?

Natuurlijk niet. Van Beijnums roman past uitstekend in een literair klimaat waar de volgens de decreten van creative writing gefabriceerde romans van de Karels Glastra van Loon, de Anna's Enquist en Paulines Slot ongekend populair zijn. Goed geschreven literatuur op maat die gebrek aan weerbarstigheid als deugd presenteert.

Van Beijnums doorbraak bij het publiek kwam met Dichter op de Zeedijk , wat mij betreft zijn gemakzuchtigste boek. Op grond van zijn laatste twee romans is duidelijk dat Van Beijnum echter niet uit is op goedkoop succes. Een waarlijk groots schrijver kan van niks de hele wereld maken. Het is aan Van Beijnum of hij die hoge gooi gaat wagen.

  • KEES VAN BEIJNUM, De oesters van Nam Kee , Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam, 320 blz., 750 fr.

    Terug

    Siteplan
    Colofon
    © Copyright | De Standaard Online 2000
    Design en realisatie door Icon
  • Hosted by www.Geocities.ws

    1