Schrijver Beckman, Thea
Titel Triomf van de verschroeide aarde
Jaar van uitgave 1977
Bron De Standaard
Publicatiedatum 15-06-1978
Recensent T. Stuckens
Recensietitel Op kruistocht voor de historische jeugdroman
In 1976 kreeg de Nederlandse schrijfster Thea Beckman voor haar » Kruistocht in spijkerbroek «, de Europese prijs voor het beste historische jeugdboek. Het jaar tevoren had Nederland er haar al een Gouden Griffel voor geschonken. De schrijfster had op die dubbele bekroning niet gewacht om te beginnen aan een nieuwe historische jeugdroman - een trilogie nog wel - bestaande uit drie boeken van elk ruim 300 pagina's. Het laatste deel is zopas van de pers gekomen, zodat we thans de drie dikke boeken in al hun kleurige glorie (omslagtekening van Jan Wessefing) voor ons hebben liggen. Ze heten: Geef me de ruimte. Triomf van de verschroeide aarde. Het rad van fortuin. (Het eerste deel was in 1977 al aan een vijfde druk toe; het tweede, ook in dat jaar, aan een derde druk. Uitgeverij is Lenuüscaat, Rotterdam). Het lang uitgesponnen, vakkundig geschreven verhaal geeft een korte periode uit de honderdjarige oorlog weer: van 1346 tot 1370. De historische hoofdfiguur is Bertrand du Guesclin, telg van de lagere Bretoense landadel, die na vele jaren verbeten vechten tegen de Engelsen, en spijts de tegenwerking van de hogere adel, door de koning benoemd werd tot opperbevelhebber van alle Franse strijdkrachten. In een epiloog schrijft Thea Beckman dat alle in haar trilogie beschreven feiten, historisch zijn en dat dit ook geldt voor de erin voorkomende personages. Behalve dan voor drie van de hoofdpersonen die aan haar fantazie ontsproten zijn: de » trouvères « Marie-Claire, Berton de Fleur en Kleine Bertrand. Maar deze vertegenwoordigen, volgens de schrijfster, » het kunstenaarstype uit die tijd, de reizende trouvères (Noordfrans woord voor troubadour of minstreel) en jongieurs die nieuws verspreidden en een groot aandeel hadden in de bewustwording van het gewone volk «. Als lezer reis je met deze minstreels door het Frankrijk van de veertiende eeuw. De » gefantazeerde « trouvères behoren tot een groep van vijf: twee onder hen hebben écht bestaan. Het zijn Matthis Cuvelier, de zanger en dichter die » La vie de Bertrand du Guesclin « schreef, en Jean d'Ailly, zoon van een verarmde edelman van Picardië, die dichtend en zingend van kasteel tot kasteel trok. GEEF ME DE RUIMTE Het eerste boek begint in Brugge, waar de 15-jarige koopmansdochter Marije, thuis wegloopt omdat haar ouders haar willen uithuwelijken aan een jongen die zij haat. In Frankrijk ontmoet ze de jonge minstreel Berton de Fleur. Hij noemt haar Marie-Claire en leert haar zingen. Ze trouwen en sluiten zich aan bij de beroemde trouvère d'Ailly. Dat is het begin van een fascinerende zwerftocht die de drie zangers aanvankelijk louter roem en geld oplevert. Het wordt nog mooier als Matthis Cuvelier, een jonge wees met een gouden stem, zich bij hen voegt. Na een suksesrijke winter in Parijs, trekt het viertal naar Bretanje, waar ze de legendarische partizanenleider du Guesclin ontmoeten.
Vanaf dat ogenblik wordt het leven van de vier trouvères beheerst door dat van de vrijheidsheld . Met hem geraken ze verwikkeld in de gevaarlijkste avonturen: gevechten tegen Engelse troepen, de onderlinge twisten tussen de koning van Navarra en de Franse koning en kroonprins, de smartelijke nederlaag van het Franse ridderleger bij Politiers en de gevangenneming van Jean II door de Engelsen. TRIOMF VAN DE VERSCHROEIDE AARDE In het tweede boek wordt de inmiddels opgegroeide Matthis Cuvelier naar Parijs gestuurd om er geld te halen voor de verzetstrijders tegen de Engelsen. Hij geraakt er in de ban van de eerste burgerlijke revolutie, georganizeed door Etienne Marcel. Een korte, maar boeiende episode waarin de al lang gistende drang naar onafhankelijkheid bij de burgers vorm krijgt. De revolutie mislukt. Matthis en zijn pleegouders willen weer naar Bretanje, maar vallen in de handen van de Engelsen. Ze blijven gevangen tot tussen Frankrijk en Engeland een vredesakkoord gesloten wordt. Omdat plunderende benden het land onveilig blijven maken, krijgt du Guesclin van de koning de opdracht, daar een einde aan te stellen. HET RAD VAN FORTUIN In het derde boek leest men hoe du Guesclin dat doet. Hij trommelt met schitterende beloften, de aanvoerders van de plunderbenden samen en lokt ze mee naar Spanje om er Pedro de Wrede, koning van Castilië van de troon te stoten, zodat zijn halfbroer Don Henri er kan op gaan zitten. De Franse koning, Charies V, ziet daarin niet alleen een middel om van de moord- en brandstichtende benden verlost te geraken, maar ook om van Don Henri zijn bondgenoot te maken in de strijd tegen Engeland. Marie-Claire zal samen met Matthis en haar tweede pleegzoon Robert - maar zonder haar man Berton (die gedood werd) en zonder d'Ailly (die aan een ziekte bezweek) - du Guesclin naar Spanje vergezellen. Als de opdracht daar volbracht is, keren ze allen naar Bretanje terug. Matthis en Robert zullen in dienst blijven van du Guesclin. Maar Marie-Claire die teveel wreedheid heeft gezien en niet meer kan geloven in de zogeheten ridderlijke idealen, keert als gewone trouvère terug naar het volk, om er op markten en bruiloften te zingen over liefde en vrede. EPOS Totdaar, ruwweg het verhaal. Zowat duizend pagina's kompakte tekst, een opeenvolging van historische feiten, het ene al bloediger dan het andere. Men verwacht zich daar natuurlijk wel aan: de honderdjarige oorlog was geen kinderspel. Maar toch weet Thea Beckman je te schokken door haar indringende beschrijvingen. Haar trilogie heeft iets van een imposante kleurenfilm waar je adenldoos naar kijkt. Die meeslepende verteltrant en de overvloed van schitterend weergeven biezonderheden uit het dagelijkse leven van toen, vonnen de aantrekkelijkste kernnerken van haar trilogie. Belangrijk is ook dat, hoewel de drie boeken bol staan van romantiek, de schrijfster zich angstvallig hoedt voor bedriegelijke heldenverering. In de mond van haar hoofdpersonages legt ze haar eigen afkeer voor geweld en voor cynische koelbloedigheid waarmee door koningen en edelen politieke beslissingen worden genomen die betaald worden met het bloed van de kleine lieden. Daardoor wordt dit verhaal één groot pleidooi voor vrede en verdraagzaamheid. Toch komt die boodschap uiteindelijk een beetje oppervlakkig over, doordat de figuren die haar verkondigen, te weinig mensen van vlees en bloed zijn. Ze zitten in een nobel korset, dat weinig plaats overlaat voor autentieke, menselijke trekken. Wat niet betekent dat Thea Beckman niet weet te ontroeren Integendeel. Als geheel is haar epos zeer aangrijpend. Het heeft soms iets van een ballade, met een niet aflatende en diep uit het hart komende roep naar vrede en liefde.