NRC Handelsblad, 11 januari 2001
Tijdmachine
op wielen
Jaco Alberts

Of er ooit een
kinderkruistocht is geweest, zoals Thea Beckman beschrijft in Kruistocht in Spijkerbroek, is de
vraag. Maar in de auto, met het boek op schoot en wat fantasie kun je best een
eigentijdse kruistocht naar Zuid-Italië maken.
Als kind was ik dol op
avonturenboeken. In de winkel keek ik eerst of er in het boek een landkaart
stond. Want dan was het avontuur al half geslaagd: je kon de gemaakte tochten
op de voet volgen, maar ook nieuwe avonturen bedenken voor Tiuri
uit Brief voor de Koning van Tonke Dragt of voor de Hobbits van
Tolkien. Zo was het ook bij Kruistocht in Spijkerbroek van Thea
Beckman. De 15-jarige Dolf Wega
uit Amstelveen wordt tijdens een experiment met een materie-transmitter
- een tijdmachine - vlakbij het Spiers van het jaar
1212 gedropt. Acht eeuwen is Dolf in de tijd teruggegaan. Met onze materie-transmitter op wielen doen wij er vier uur over om Speyer - zoals de Duitse stad nu heet - vanuit Amsterdam te
bereiken.
Om de kruistocht, van midden-Duitsland naar de hiel van Italië, te kunnen
`verifiëren' hebben we stafkaarten gekocht. Aan de hand van onze `reisgids',
waaruit we elkaar onderweg voorlezen, zoeken we naar een holle weg over een
heuvel met uitzicht op Spiers in het dal van de Rijn.
We komen tot de conclusie dat het uitzichtpunt van de berg Kalmit
ten westen van de stad veel te ver van Speyer ligt om
daar even naar toe te kunnen lopen, zoals de Dolf van het boek van plan is.
Lager in het Rijndal, dichter bij Speyer, ligt als `droppingsplaats' meer voor de hand, maar daar belemmert
dichte bebossing in betoverende herfstkleuren het uitzicht op de stad. Volgens
ons duikt Dolf op bij de op de kaart aangeduide hohle
weg. Daar komt hij tot zijn verbijstering midden in een
kinderkruistocht terecht en mist hij zijn terugvlucht omdat er een van de
achtduizend kinderen op zíjn plek staat. De onverharde weg slingert
fraai tussen de glooiende wijngaarden. Overal worden pompoenen en `neue wein' aangeboden. We komen,
in lijn met het boek, met onze eigen materie-transmitter
bijna vast te zitten in de modder.
Thea Beckman heeft de tocht
zevenentwintig jaar geleden samen met haar man gereden. ,,Ook
zoveel mogelijk op kleine weggetjes', vertelt ze over de telefoon. De route van
de kinderkruistocht is onbekend. ,,De historici
spreken elkaar tegen, die raden er ook maar naar.' En aan tijdgenoten hebben we
niets: ,,Die zeiden dat de duivel hem had
georganiseerd.' Toen Beckman de reis maakte, bestond
hoofdpersoon Dolf Wega nog niet. ,,Dolf
kwam pas later', is de onthutsende mededeling.
De hongerende kinderen die
onder leiding van de herdersjongen Nicolaas dromen
het Heilige Land van de Saracenen te bevrijden, staan
in 1212 voor de muren van Speyer, dat hardvochtig de
poorten sluit. De stad, die daarvoor wordt gestraft met een hevige brand, is
thans een toonbeeld van gastvrijheid. De waard van Gasthaus
zum Domnapf aan het
Domplein toont zich geïnteresseerd in het verhaal over `Kreuzzug
in Nietenhose'. Er zou eigenlijk een exemplaar van
het boek in het stadsarchief moeten liggen, vindt hij.
De imposante Dom van Speyer uit de elfde eeuw heeft de tijd glansrijk doorstaan.
Het interieur van de grootste Romaanse kathedraal van Europa is overdonderend
van eenvoud, zij het dat het geluid van stofzuigers op deze maandagochtend een
religieuze beleving enigzins in de weg staat.
We trekken langs de Rijn naar
het zuiden om in de buurt van Straatsburg het dal van een oostelijke zijrivier,
de Kinzig, te kiezen. Terwijl `Rudolf
van Amstelveen' zoals Dolf gaat heten, zich bezighoudt met het aanbrengen van
enige organisatie in de chaotische meute (jagers, vissersploegen en
ordetroepen), gaan wij op zoek naar een rustig picknickplekje aan het water.
Dolf vindt smalle paadjes, forellen in schoon water en wilde zwijnen, wij doen
het met een stukje groen tussen drie asfaltwegen en een spoorlijn.
Verderop in
het dal wordt de natuur wel wat ongerepter en rijden we door oude stadjes als Gengenbach en Schiltag. Daar biedt het marktpleintje vele vakwerkgeveltjes en
op de gevel van het raadhuis ook `totalitaire kunst' uit 1942, met blonde
vrouwen en sterke kerels met hamers of vaandels, voorzien van het opschrift: `Jeder Stand hat
seine Ehre'. Dat credo
heeft wel iets weg van de middeleeuwse mentaliteit zoals die door Thea Beckman wordt beschreven en
waarover Dolf zich blijft verbazen. De kinderen schikken zich aanvankelijk in
hun rol van verschoppelingetje en standsverschillen blijven ook in het kinderleger
vaak onoverbrugbaar. Gaandeweg ontwikkelen veel kinderen onder leiding van Dolf
echter onvermoede talenten.
Ook Rottweil
aan de Neckar sluit in 1212 zijn poorten voor de
hongerende kinderschare. Maar Dolf weet een geldwisselaar te misleiden met zijn
guldens en rijksdaalders uit de twintigste eeuw. Hij laat 's nachts bij een
bakker achthonderd broden bakken. Het kan bijna geen toeval zijn dat het nu in Rottweil wemelt van de bakkers en dat in de oude
hoofdstraat ter ere van de festiviteiten rond `Rottweil,
die ersten 2000 Jahre' een
replica van de middeleeuwse Brotlaube wordt gebouwd,
een overdekte marktplaats waar de leden van het bakkersgilde hun koopwaar
konden uitstallen. 's Avonds in de Weinstube
bestellen we forel en wildzwijn.
Over de lichtglooiende
heuvels van Beieren rijden we naar het Bodenmeer en
trekken verder naar het oosten. Daar moeten we de plek zoeken waar het
kinderleger de bergen oversteekt. Dolf heeft de leiding van de kruistocht
kunnen overtuigen niet de levensgevaarlijke Zwitserse
passen te nemen. Dit tot woede van de malicieuze monnik Don Anselmus,
die zo snel mogelijk naar Genua wil om de kinderen aan slavenhandelaren te
verkopen, zoals later zal blijken.
Maar ook de omweg via de Brennerpas gaat gepaard met problemen. Hier loopt een oude
route, die al in de Romeinse tijd gebruikt werd. De kloof, die doorgang biedt
langs het Karwendel-gebergte, kost tientallen
kinderen het leven. Thans is het dal via de skiplaats Garmisch
Partenkirchen en Scharnitz
voorzien van een veilige asfaltweg.
Net als de kinderen slaan we
ons kamp op in het smalle dal van Mittenwald. Hotel Alpenrose, al vanaf de dertiende eeuw een herberg,
overtreft onze verwachtingen. Niet vaak zal men er in geslaagd zijn zoveel
Beierse clichés bijeen te brengen: de serveersters hebben blote schouders en
pofmouwtjes, aan de muur verdringen de geweien en gekruisigde Christussen
elkaar en de potige dame die 's ochtends het ontbijt organiseert, blijkt 's
avonds een lieflijk jodeltalent.
De Karwendeltoppen
zelf kunnen we niet op omdat de paden al vanaf half oktober gesloten zijn. Maar
de daarnaast gelegen Kranzberg (1391 meter), met
uitzicht op het Karwendelmassief, is nog wel te
bereiken. Op de paden naar de top worden we ingehaald door een hedendaagse
kinderkruistocht, een schoolklas onder leiding van meester en juf. De kinderen zijn getooid met afritsbroeken en Adidas-petjes en maken onchristelijk veel lawaai.
Ons doel is Scharnitz, net over de grens in Oostenrijk. Daar moet de
afschrikwekkende burcht staan van Graaf Romhild die
op een ochtend de vijftig sterkste kinderen rooft om zijn door pokken
gedecimeerde horigenleger aan te vullen. Natuurlijk worden ze uiteindelijk
dankzij de slimheid van onze onverschrokken Dolf bevrijd.
Graaf Romhild
is bedacht, vertelt Thea Beckmann.
Toen zij door het dal van Scharnitz reed, inspireerde
een ruïne aldaar haar tot het verhaal van de
kinderroof. En inderdaad, bij Scharnitz ligt een
ruïne tegen de bergwand geplakt. Het blijken de resten van een vesting die Tirol in de Dertigjarige Oorlog, meer dan vier eeuwen
later, tegen de Zweden opwierp. Rond `Porta Claudia' werd tijdens de Tiroler
vrijheidstrijd tegen Beieren in 1805 en 1809 zwaar strijd geleverd, vertelt een
plakkaat aan een afgebrokkelde poort.
Via Innsbruck
en een oude kronkelweg over de Brenner verlaten we de
Alpen, rijden langs het Gardameer en stuiten op de Appennijnen. Bij de kinderen leidt dat bijna tot een
opstand omdat ze na de verschrikkingen van de Alpen niet nog een keer de bergen
in willen. Slechts met moeite weet Don Anselmus de
opstandelingen te overtuigen dat het slechts heuvels zijn waarachter Genua
ligt. Daar zal de zee wijken, net als bij Mozes, en
kunnen de kinderen naar Jeruzalem hollen.
Wij hadden al zo onze
twijfels over het verhaal van de zee, maar dat van die heuvels blijkt echt
leugenachtig. Het zijn volwassen bergen, waar het duister snel invalt, en
vermoeidheid en slingerwegen de tocht tot een hachelijke onderneming maken.
Deze bij daglicht wonderschone streek lijkt bijna geheel verlaten, hier en daar
staat een huis met dichte luiken en sporadisch zien we een brandend lampje.
Het drukke verkeer drijft ons
Genua uit. Het strand is een troosteloze keivlakte. Het werfje Circulo Nautico Stula probeert vergeefs bootjes te verhuren en aan de kade
staan wat vissers met werphengel. Hier moet in 1212 de herdersjongen Nicolaas, aanvoerder van de kruistocht, wanhopig hebben
staan zwaaien met zijn staf, maar de zee wilde hem niet gehoorzamen. Achter hem
stonden duizenden steeds bozer wordende kinderen. En hier ergens moet Don Anselmus volgens plan met een aantal schippers op de
proppen zijn gekomen, om ze zogenaamd met boten naar Jeruzalem te brengen. Maar
de nep-monnik wordt ter plekke door de kinderen
gelyncht, Dolf heeft ze voor het bedrog gewaarschuwd. In werkelijkheid kwam het
kinderleger te laat aan, vertelt Thea Beckman. De schepen waren al vertrokken.
Toch trekt de stoet verder,
omdat Nicolaas zijn wonder nu wil verrichten bij de
juiste zee, aan de oostkust van Italië. Omdat ze voor zichzelf hebben leren
zorgen, haken steeds meer kinderen af, zeker als ze door het prachtige Toscane
lopen. Maar een aanzienlijke groep gaat verder. Bij het Lago
di Trasimeno in Umbrië slaat het noodlot toe. De kinderen worden
uitgenodigd rond het kasteel van Graaf Ludovico hun
kamp op te slaan - ook nu staan er wat campers tussen de bomen - maar blijken
door de graaf te worden gebruikt als buffer tegen belegeraars uit de stad Perugia.
Een bezoek aan het op een
landtong in het meer gelegen vestingstadje Castiglione
del Lago is zeer de moeite waard. Wie het kasteel wil
bezoeken, wordt eerst via een koppelverkoop van toegangskaartjes geleid door
het Palazzo Ducale. Dat is
in 1563 gebouwd door een Umbrische vechtjas die het
tot markies bracht. Helaas heeft hij zijn heldendaden op de muren laten
afbeelden door derderangs schilders. Het kasteel daarentegen is wel indrukwekkend, al werd ook dit slot
gebouwd na de kinderkruistocht.
Tussen paleis en kasteel
loopt de bezoeker eerst door een lange schuttersgang, waarna je stuit op een
onaangename kerker, ongetwijfeld de plek waar kruistochtaanvoerder Nicolaas op last van graaf Ludovico
is omgebracht. De rondwandeling over de muren is een belevenis. Drie zijden van
de burcht kijken uit over het reusachtige meer, waarin de slechte graaf zal
verdrinken.
Zonder Nicolaas
trekken de kinderen verder. Dolf gaat mee, en wij dus ook. Weken doen ze er
over om via de oostkust de havenplaats Bari te
bereiken. Via de tolweg rijden wij het binnen een dag. De oude binnenstad is
een nauw netwerk van armoedige steegjes die overal door volle waslijnen worden
gekruist, en die ook overal de geur van hetzelfde waspoeder verspreiden. En
tussen deze kleine, vervallen woningen staat op bijna elke hoek een kerk. De
kathedraal van de Heilige Sint-Nicolaas is de meest bijzondere. Ook de
ongelovige Dolf bezoekt dit godshuis en raakt als kruisvaarder ontroerd door
het verhaal van de kindervriend.
Binnen wijzen bordjes nu
`Naar de tombe van de Sint'. De legende zegt dat het gebeente van Sinterklaas
uit Myra is geroofd en in Bari
bijgezet. En ondanks het feit dat het Vaticaan de Goedheiligman wegens zijn historische onbetrouwbaarheid
onlangs van de officiële lijst van heiligen schrapte, is de Zuid-Italiaanse
stad een bedevaartplaats gebleven. In de crypte is dat te merken. Een vrouw is
zowaar in de open tombe zelf gekropen. Ze ligt biddend met haar gezicht boven
op de zilveren deksel die het graf afsluit.
Nog zuidelijker gaat het.
Eens moet de Adriatische kust hier prachtig zijn
geweest. Nu is het een aaneengesloten strook van bouwvallige
`vakantieparadijzen' die, zeker buiten het seizoen, een troosteloze indruk
maken. En voor het `beschermde natuurgebied' ten zuiden van Brindisi
met zijn vervuilde duinen zouden wij ons in Nederland schamen. Brindisi zelf heeft met zijn mondaine winkelstraat wel een
zekere allure. Het plein van de plaatselijke Dom steekt daar schril bij af en
is veel kleiner dan je aan de hand van het boek zou verwachten. Dit is de plek
waar de geleerden uit onze tijd Dolf eindelijk weten terug te vinden.
De kerk heeft ondanks
elfde-eeuwse fundamenten het uiterlijk uit die tijd geheel verloren. In de
achttiende eeuw werd de Dom in barokke stijl herbouwd. Alleen aan de
linkerflank van de kerk staat nog een middeleeuws gebouw dat van de Orde der
Tempeliers geweest moet zijn en waar nu het archeologisch
museum gevestigd is. Bij de ingang van een zijstraatje vinden we een tegel op
de grond die we uitroepen als `de plek' waar Dolf op het laatste nippertje
wordt teruggeflitst, vlak voordat een processie met bisschop hem opnieuw van de
enige juiste plek zou hebben verdreven. `Rudolf van
Amstelveen was teruggekeerd in zijn eigen eeuw', lezen we als laatste zin van
Kruistocht in Spijkerbroek op het Domplein in Brindisi.
Wij moeten nog ruim tweeduizend kilometer terugrijden.