Schrijver Beckman, Thea
Titel Geef me de ruimte!

Jaar van uitgave 1976
Bron NRC Handelsblad
Publicatiedatum 02-04-1976
Recensent Mischa de Vreede
Recensietitel Ondernemend meisje uit de 14e eeuw
Er is weer zo'n
dikke turf verschenen van Thea Beckman:
Geef me de ruimte! (300) bladzijden, Lemniscaat, fl 23.90).
Marije Wartelsdochter uit Brugge
moet van haar vader trouwen met een jongen die ze helemaal niet aardig vindt en
ze doet iets wat zeer uitzonderlijk is voor een meisje uit de 14de eeuw: ze
loopt weg. Als jongen verkleed gaat ze er te paard
vandoor. Ze wil naar Frankrijk en wel het liefst naar Bretagne,
het land waar die Tristan vandaan kwarn
waarover ze zo'n mooi liefdeslied had gehoord. Ze komt
een heel eind, maar dan opeens stuit ze op vluchtelingen. Het blijkt oorlog te
zijn en in het grote woud achter Crécy heeft een
hevige veldslag gewoed, Overal liggen geplunderde lijken, het stinkt er naar
verrotting en als ze in een boshut bescherming zoekt vindt ze daar een gewonde
jongeling. Geen soldaat, maar een muzikant die op de hoorn moest blazen tijdens
de strijd. Hij vertelt haar dat de Fransen de Engelsen wilden verjagen, maar
dat die sinds kort het buskruit hadden uitgevonden zodat er van hun zijde niet
alleen met pijl en boog, maar ook met stenen kogels geschoten werd, vandaar dat
het zo'n bloedige nederlaag was geworden. Ze verpleegt
hem en al gauw komt uit dat ze een meisje is. Dan worden ze gevonden door
monniken van een naburige abdij die de doden komen
begraven. De muzikant, die Berton de Fleur heet,
geneest, ze ontmoeten een echte adellijke "trouvère", Jean d'Ailly,
en met hem trekken ze verder. Breton is intussen getrouwd met Marije die zich voortaan Marie-Claire
laat noemen.
Zingend en spelend trekken ze in een huifkar
het land door, waar behalve oorlog ook nog de Pest woedt. In Amiens bijvoorbeeld raakt de kleine Mathis
Cuvelier zijn ouders en zusjes kwijt aan deze
ellendige ziekte en als hij vertwijfeld wegloopt, al zingend om zijn angst te
verdrijven, stuit hij op het kamperende stelletje muzikanten. Marie-Claire ontfermt zich omniddellijk
over dit engeltje dat voortaan met zijn gouden stem een belangrijke bijdrage
zal leveren aan het succes van de groep.
Na een tijdlang in
Parijs te hebben gewoond gaan ze dan eindelijk naar Bretagne,
waar ze onmiddellijk in een burgeroorlog terechtkomen. Twee hoge edelen menen
recht te hebben op de titel "Hertog van Bretagne".
De een krijgt veel steun van Engeland, de ander wordt geholpen door Koning Jean van Frankrijk. De held van die oorlog is de
ongeletterde partisaan Bertrand
du Guesclin, die voor Frankrijk vecht met behulp van
boeren en burgers die voordien niet gewapend mochten zijn van de adel.
We zijn nu op bladzijde 100 en de rest van
het boek gaat voornamelijk over de verschillende gevechten tussen Bertrand of andere Fransen tegen elkaar of tegen de
Engelsen. Kastelen worden belegerd en ingenomen; de adel laat zich kennen en
hoe! Koning Jean dreigt te worden verraden en dan
volgt er een zeer realistisch verslag van een openbare onthoofding. De vroegere
huwelijkskandidaat van Marie-Claire blijkt ook een
verrader. Jean d'Ailly
sterft in zijn bed en de mismaakte dwerg en nar Moro
offert zijn leven om de gevangen Berton de Fleur te
helpen ontvluchten. Berton echter had zijn erewoord
als edele gegeven dat hij niet zou ontvluchten en in zijn eigen Franse kamp
valt hij daarom in ongenade.
Aan het eind van het boek besluiten hij en Marie-Claire zich voorlopig even rustig te houden en de
liederen van de overleden Jean d'Ailly
te gaan kopiëren. Mathis heeft inmiddels
gemerkt dat hij toch niet de vechtersbaas is die hij altijd had willen zijn,
maar hij gaat zich toch bij zijn held Bertrand du Guesclin voegen: als muzikant. Hier eindigt het boek; er
komen nog twee delen en dat is maar goed ook want je hebt het gevoel dat er nog
veel meer moet gebeuren met dat ondernemende meisje uit Brugge, haar man en
haar pleegzoon.
Het ligt voor de hand dit boek te vergelijken
met die andere historische jeugdroman van Thea Beckman, het terecht bejubelde en bekroonde boek Kruistocht
in Spijkerbroek. Ik vond dat boek beter: evenwichtiger van opbouw, zorgvuldiger
van taalgebruik en dank zij de truc met de tijdmachine makkelijker inleefbaar
voor een kind van deze tijd. Ik had het gevoel dat ik Dolf Wega
kende, maar met Marije/Marie-Claire
heb ik eigenlijk erg weinig contact. Ik lees dat ze mooi gevonden wordt
sierlijk, intelligent, ik weet dat ze veel ondermemingslust
bezit, maar met dat al blijft ze te braaf om waar te zijn. Van haar man worden
alleen wat uiterlijkheden vermeld. Eerlijke, goudgrijze ogen heeft hij...
Eigenlijk komt de kleine Mathis die we in dit boek
vanaf zijn achtste tot zijn 15e jaar volgen het best uit de verf. Die groeit
waar we bij zijn, naar lichaam en naar geest,
Niettemin een goed en degelijk boek.
Spannend, de aandacht vestigend op allerlei niet eens overleefde wantoestanden
als oorlog en verschillende vormen van discriminatie. Zeer leerzaam, vooral
voor vwo-Icinderen van veertien jaar: juist als ze
oud genoeg zijn om van dit boek te kunnen genieten, krijgen ze op school de
honderdjarige oorlog als leerstof te verwerken, en hoe echt het allemaal is
kunnen ze achterin zien bij een overzicht van de historische achtergronden van
het verhaal en bij de literatuurlijst!