Russell Artus
: Onpersoonlijkheid
Meulenhoff, f 49,90
Met de roman Zonder wijzers, waarmee hij in 1995 debuteerde, en de verhalenbundel Een onbeschreven dag (1997) liet Russell Artus (pseudoniem, 1969) zien dat hij een van de veelbelovendste jonge schrijvers is in onze literatuur: iemand die kan schrijven (in composities vol bravoure) en het ergens over wil hebben. Over existentieel ongemak ('mentale jeuk'), ontsnapping aan de leegte van het bestaan, de zoektocht naar een zingeving, het verlangen naar een onbeschreven dag, naar een vorm van onschuld. In zijn net verschenen roman Onpersoonlijkheid, met zijn 468 pagina's omvangrijker dan de eerdere boeken samen, komen we een aantal typische Artus-obsessies tegen: de mythe van het harmonische gezin, de onkenbaarheid van mensen, de leegte van de dagelijkse routine en, vooral, de fascinatie voor de dood.
In de proloog maken we kennis met de ongeveer twintigjarige Joris Roozen die in een sekte-achtige therapiegroep onder leiding van goeroe Gerard werkt aan het ideaal van de 'Onpersoonlijkheid'. Doel is het overwinnen van de levenswil, het loslaten van alles wat je aan het leven bindt, het bereiken van 'totale onverschilligheid', met als sluitstuk de zelfdoding, 'de uiteindelijke bevrijding uit de woekering van verpakt ongeluk en gemaskerde ellende'. Joris is daar terechtgekomen na de zelfmoord van zijn zusje Maud, met wie hij een seksuele relatie had. Nu wil hij 'naar Maud'. Ook maken we kennis met Liedewij (Lied), zijn kersverse vriendin die hij volgens de goeroe moet gebruiken om zijn doel te realiseren.
In het eerste deel waarin Evelien (Lien), het zusje van Lied, als verteller optreedt, worden we meteen geconfronteerd met het gegeven dat Lied zich van het dak van de flat heeft gestort. Zelfmoord is een bekend fenomeen in het gezin. De vader heeft als lid van de plaatselijke brandweer menige zelfmoordenaar in de gruwelijkste omstandigheden moeten opruimen. Lien is al jaren gefascineerd door zijn verhalen. Ze experimenteert met de dood - ze gaat op de treinrails liggen om pas op het allerlaatste moment voor een aanstormende trein op de vlucht te slaan. Het is háár manier om de spanning en de kicks te zoeken die ze mist in het voorspelbare en ogenschijnlijk zo soepel verlopende gezinsleven. De omstanders zijn ontzet om wat zij zien als een flirt met de dood, terwijl het voor Lien alleen maar nieuwsgierigheid is.
En dan pleegt degene van wie niemand het had gedacht, Lied met haar niet kapot te krijgen levenslust, zelfmoord. Lien, die zich verraden voelt door de zus met wie ze alle hartsgeheimen dacht te delen, is geobsedeerd door het raadsel. Over haar motief heeft Lied alleen een mysterieuze sleutelzin achtergelaten: 'Omdat jij het niet deed, heb ik het gedaan.' De vraag is: slaat dat op Lien (met haar experimenten) of op Joris, die tien maanden lang haar vriendje is geweest en het een maand voor de zelfmoord 'uit' heeft gemaakt - zonder dat Lied daar overigens op het oog kapot van was. De avond voorafgaand aan haar kennelijk weloverwogen zelfmoord is ze nog uit haar dak gegaan op een feest. Lien heeft haar midden in de nacht zelfs nog gesproken. De volgende ochtend was ze dood. Vanaf dat moment is Lien voortdurend bezig met een vruchteloze poging tot reconstructie. Wat heeft haar zusje bezield? Welke signalen heeft ze in haar puberale egoïsme over het hoofd gezien? Ze ondervraagt iedereen uit Lieds omgeving, inclusief Joris. Ze reageert haar machteloze verdriet in een paar dramatische scènes af op haar ouders, die vanuit de verte hulpeloos toekijken ('Waarom ken ik m'n eigen kinderen niet?'). Dit deel, waarin we Lien zien worstelen met de verwerking van de zelfmoord, is het meest overtuigende deel van de roman. Artus weet de onmacht, verdriet en schuldgevoel van zijn personage indringend voelbaar te maken.
In het tweede deel krijgen we de hele geschiedenis voorgeschoteld vanuit het perspectief van Joris, die we dan pas goed leren kennen als een ijskoude, liefdeloze psychopaat. We komen te weten dat Maud eigenlijk zijn geadopteerde halfzusje was, een goed bewaard familiegeheim; hoe hun relatie (voor Joris een kwestie van pure lustbevrediging, die zij gelaten over zich heen liet gaan omdat ze werkelijk van hem hield) werd aangevreten door haar schaamte en angst voor ontdekking, en uiteindelijk bezweek onder hun dispuut over haar zwangerschap (abortus of niet?). Als Joris het familiegeheim had onthuld, had dat een bevrijdend licht op hun relatie kunnen werpen, maar daar heeft hij 'in ieders belang' van afgezien. Dat Maud tot zelfmoord in staat zou zijn, was nooit bij hem opgekomen. De relatie die hij met Liedewij aangaat, is van zijn kant van meet af aan een leugen. Hij heeft haar alleen maar nodig als 'ticket naar Maud'.
Helaas is Artus er niet in geslaagd mij duidelijk te maken welke rol Joris nu precies voor Liedewij in gedachten had. Joris, die braaf de instructies van zijn goeroe opvolgt, is zelf op een gegeven moment ook de grip kwijt op de uitgestippelde strategie (een ingewikkeld rollenspel waarin hij in de huid van Maud moet kruipen). Laat staan dat de lezer er nog iets van begrijpt.
De roman krijgt naar het einde toe een steeds grimmiger karakter. Joris probeert Liedewij te hersenspoelen met zijn inktzwarte levensvisie ('het leven is een stationsplee: smerig, druk en verstopt'). Hij stelt haar voor er samen uit te stappen. Als hij hoort dat ze dood is, reageert hij euforisch, al speelt hij naar buiten toe de verslagene. Het slaat je kil om het hart.
Zo krijgen we vanuit het perspectief van de twee meest nabije achterblijvers het verhaal over twee zelfmoordenaars, zonder dat het raadsel van hun suïcide wordt ontsluierd. Ook blijf je met de vraag zitten wat die Joris in godsnaam bezielt. Hij is een pathologische leugenaar, een manipulator, die zijn zelfhaat en walging projecteert in huiveringwekkende apocalyptische visioenen. Net als eerdere personages in het werk van Artus verlangt hij naar 'een schone lei'. Ook de lezer snakt daar naar.
Onpersoonlijkheid laat je verbijsterd achter. Wat moet je met deze bizarre, macabere geschiedenis? Ongetwijfeld heeft Artus het beste gedaan wat een schrijver kan doen: hij heeft de donkerste krochten van zijn bewustzijn opgezocht. Maar hij is er vervolgens hopeloos in verdwaald. Zijn roman is een volkomen uit z'n voegen barstend werkstuk. Ik geef toe: de ongemeen antipathieke Joris Roozen is niet bepaald bevorderlijk voor de appreciatie van de roman. Maar uiteindelijk is het toch vanwege de vormgeving dat ik het boek een mislukking vind. Artus wil veel te veel vertellen en doet dat wijdlopig en ongestructureerd. Het is niet mijn gewoonte om een boek te bespreken aan de hand van de bladspiegel, maar in dit geval is het verhelderend. De vele van linksboven tot rechtsonder dichtgemetselde pagina's bieden een ontmoedigende aanblik. Er zit nauwelijks lucht in de tekst. Je zou kunnen zeggen dat de vorm inherent is aan de obsessies van de schrijver, maar het blijft een bombardement, een dreunende housebeat die op je neerdaalt en je murw maakt. En die je, als je niet uitkijkt, het zicht ontneemt op de mooie, sterke, beeldende scènes die ook in dit boek staan. Onpersoonlijkheid is een ongebreidelde eruptie van persoonlijke obsessies die ongetwijfeld authentiek zijn, maar hier helaas het raffinement van Artus' eerdere werk moeten ontberen.
Alle Lansu, 24-9-1999