| Schrijver |
Brakman, Willem |
| Titel |
Ante diluvium |
| Jaar van uitgave |
1998 |
| Bron |
Haarlems Dagblad |
| Publicatiedatum |
09-04-1998 |
| Recensent |
Wim Vogel |
| Recensietitel |
Ante Diluvium: een labyrint van de geest |
Dat schrijvers de werkelijkheid zouden (moeten)
beschrijven, is een hardnekkig misverstand. Hun personages worden daardoor te
gemakkelijk gekoppeld aan reële mensen, hun vertellingen alleen nog maar gelezen
als spiegels van de werkelijkheid. In zijn nieuwe essaybundel De losse pols
beschrijft J. Bernlef de gruwelijke consequenties van dit soort misverstanden.
Wat Russische auteurs onder het communistische regiem hebben ervaren, ervaart
Salman Rushdie tot op de dag van vandaag. De roep om realistische literatuur is
in wezen een uiting van onverdraagzaamheid, is het afwijzen van het alternatief.
In het uitgebreide oeuvre van Willem Brakman - alleen al in dit decennium twaalf
romans en novellen - is nooit veel aandacht voor dat makkelijk herkenbare
realisme geweest. Zijn mompelende, in zichzelf verdwaalde personages zijn
steevast op zoek naar verlossing, naar vage, zich terugtrekkende vader- en
moederfiguren. Hun werkelijkheid is zelden eenduidig en omdat ook voor Brakman
vorm en inhoud één zijn, is zijn taal soeverein en onafhankelijk van de
werkelijkheid. Ante Diluvium, zijn jongste roman, mag wat deze ontwikkeling
betreft gezien worden als een hoogtepunt. Met als vervelend gevolg natuurlijk
dat de lezer wel een bijzonder raadselachtige maaltijd voorgeschoteld krijgt. In
een eerste fragment, welbeschouwd een proloog waarin de auteur zijn
schrijversopvatting motiveert, wordt al gesproken over de merkwaardige tijd die
'is en blijft hoewel hij vergaat', maar die wel in de rug aangevallen moet
worden. Ante Diluvium, vóór de zondvloed dus, dat wil zeggen: terug naar een
tijd waarvan we ons nauwelijks meer iets concreets kunnen herinneren. Er is dan
ook sprake van herdenkingen 'in de schatkamer van mijn interieur', waarbij de
verteller zich veroorlooft 'niet ouder te worden.' Wat na die proloog volgt, is
een buitengewoon ingewikkeld sprookje over jeugdervaringen van een ik die
moeiteloos binnendringt in de breinen van plaats- en tijdgenoten om vanuit hun
gedachtenwereld verschillende visies over dezelfde gebeurtenissen en personages
te verspreiden. Er is sprake van de slordige rafels van een industriestad. ''t
Fabriek' staat er. Er gaapt een ravijn en in het centrum prijkt het standbeeld
van Ariëns, de kapelaan die het eind vorige, begin deze eeuw opnam voor de
Twentse textielarbeiders. In de buurt van het ravijn bevindt zich het hol van
een jongensclub. Old Shatterhand heten ze en Winnetoe en precies op het moment
dat je dreigt erachter te komen waar zij zich mee bezighouden, verspringt het
perspectief, draai je door het hypnotiserende proza rond in een ander hoofd en
blijkt iedere 'waarheid' fantasie te zijn.' Zoals zo vaak bij Brakman spelen ook
in deze roman dezelfde grondfiguren een dubieuze rol vol achterklap, dreiging en
seksuele frustraties. Er is de verrader, de geliefde, de meester, de vrouw, de
dood en, alles overheersend, de taal die ook werkelijk als taal optreedt en dus
niet verwijst naar iets anders. Ik betwijfel of een grondige analyse van deze
roman, die zich uitsluitend afspeelt in de verbeelding van een personage mij
meer zal opleveren dan een wat vage herinnering aan een bizarre, beklemmende
geschiedenis. Brakmans taal is prachtig, maar je obsessies en fantasieën zo los
van iedere ons bekende werkelijkheid vorm geven is wel erg stoutmoedig. Wie het
motto leest, weet echter dat de auteur ook met dat oordeel rekening heeft
gehouden.