| Schrijver |
Andreus, Hans |
| Titel |
Vertel hoeveel ik van je hou: vijfendertig
liefdesgedichten / gekozen door Menno Wigman |
| Jaar van uitgave |
1998 |
| Bron |
Haarlems Dagblad |
| Publicatiedatum |
16-04-1998 |
| Recensent |
Hans Warren |
| Recensietitel |
Gniffelen om gebundelde liefdespoëzie van Andreus
|
Poëzie is een marginaal literair genre geworden. Ooit is
dat anders geweest en misschien zal het ooit weer anders worden. Want mensen
kunnen niet helemaal buiten de dichtkunst. Wanneer een naaste sterft, kan niets
zoveel troost bieden als een gedicht. En nergens wordt zo indringend over de
liefde getuigd als in de poëzie. Dat laatste kan het succes verklaren van de
reeks bundeltjes met liefdesgedichten van befaamde dichters uit binnen- en
buitenland die door uitgeverij Bert Bakker op de markt wordt gebracht. De
nieuwste aflevering in de serie is getiteld Vertel hoeveel ik van je hou en
bevat 35 liefdesgedichten van Hans Andreus (1926 - 1997). Het boekje werd
samengesteld door Haarlemmer Menno Wigman, die vorig jaar als dichter zijn
debuut maakte. Het is met Andreus een vreemd geval: bij de kritiek is hij
waarschijnlijk de minst geliefde Vijftiger en bij het publiek juist de meest
populaire. Er is vrijwel niemand meer die bijvoorbeeld het werk van Lucebert
voor z'n plezier leest, maar voor Andreus blijft de belangstelling groot. En dan
vooral voor de liefdeslyriek die hij schreef. Wigman heeft daarvoor een
aannemelijke verklaring: 'Zijn liefdesgedichten zinderen van heftige emoties en
weten door hun even oprechte als fijnzinnige toon onmiddellijk te overtuigen.'
Natuurlijk ontbreken Andreus' beroemdste liefdesgedichten niet. Dat zijn het
vers dat begint met de regels: 'Ik heb je liever dan brood, / al zegt men ook
dat het niet kan', en Voor een dag van morgen dat aldus inzet: 'Wanneer ik
morgen doodga, / vertel dan aan de bomen / hoeveel ik van je hield. Het zijn
gedichten die naar Wigmans zeggen 'door hun overrompelende eenvoud hele
generaties lezers (wisten) te ontroeren.' Andreus beste verzen spreken de lezer
direct aan, ze geven zich meteen prijs zonder dat ze hun geheim verliezen. Mooi
is dat, maar lang niet al zijn werk is zo mooi. Zelfs in deze strenge selectie
zijn gedichten te vinden die snel tegen gaan staan. Vrouwen, zo weet hij te
vertellen, 'willen slechts één ding: alles van liefde.' En zo slijmt hij een
heel gedicht door over de geheimzinnige wezens die vrouwen zijn: 'Zij smeken hun
god: houd ons, houd ons warm.' Hij vereert het vrouwelijk lichaam, schrijft hij
in niet minder ongelukkige bewoordingen: 'Ik weet niet waarom ik steeds kniel /
voor de beroemde driehoek / en de twee gezusters gelieven daarboven, / twee
halve aardes vleselijk.'Er is soms zoveel gevoeligheid in deze poëzie dat je er
onbedoeld om moet gniffelen. Steeds is hij op zoek naar een antwoord op de vraag
wat liefde is. Hij wist: 'Liefde is / anders, is een bestaan dat verandert, /
dat door lagen van nacht en van licht / daalt of stijgt naar het langzaamste
muziekmaken van de tijd.' Het liefdesleven van Andreus zelf is vol drama's
geweest, in zijn gedichten is dat allemaal fraai bijgeslepen. Zo is misschien
altijd de verhouding tussen realiteit en poëzie: gedichten zijn een meer nobele,
meer intense, meer grootse vorm van leven. Misschien dat we daarom op bepaalde
momenten toch naar dat moeilijk vindbare plankje in de boekhandels worden
gedreven. Om woorden te vinden voor wat we niet kunnen zeggen.