|
Rogier van der Tholen - Vis (SF verhaal) |
06/12/1996.
Aantal woorden: 668.
VIS
Het was een grijze nacht. De lucht was nog droog van de hete dag, enkele
weken geleden. De wind suisde langs de rotsvlaktes, kleine steentjes met zich
meevoerend.
In de verte bewoog iets. Een man huppelde over de heuvels. Hij sprong en kwam
neer, zakte door zijn knieën en sprong weer, achter elkaar, zonder ophouden.
Hij schaterde het uit. "Ik heb honger, sheizamadura...!" Het kwijl
stond op z'n lippen. Hij sprong weer, maar toen hij enkele meters boven de grond
zweefde zag hij iets. Hij kwam weer neer op de grond. Hij tuurde in de verte.
Toen keek hij achterom; niemand anders had het gezien. "Het is van mij!"
schreeuwde hij tegen de wind en hij rende als een gek de rotshelling af.
Enkele uren later lag Hogg Burley aan de oever van een grote zee. Zijn hoofd
lag in het water en zijn keel maakte slokbewegingen. De golven klotsten tegen de
blonde kruin van de gehavende man en liepen langs zijn nek zijn jas in. Wederom
had Hogg de barre omstandigheden van dit gebied getrotseerd. Wat een triomf was
het geweest, als de mensen hadden geweten dat hij bestond. Hij had het aan z'n
kleinkinderen kunnen vertellen, ware het niet dat die al heel lang boven waren
en hij zou ze nooit meer terugzien.
Hogg tilde zijn hoofd uit het water op en kroop het strand op. Hij opende zijn
ogen. Hij zag een wit strand, zo wit als waspoeder, een grote, zwarte zee die de
lucht weerspiegelde en de rotshelling waar hij vandaan gekomen was.
Uit z'n zak haalde Hogg een boekje en krabbelde er met een potlood woorden in.
Toen ging hij liggen en viel in een diepe slaap.
Enkele uren later werd Hogg weer wakker een krijsend geluid. Enkele meters
van hem vandaan zat een aap te knagen aan een taai stuk vlees. Hogg keek naar de
aap en toen direct om hem heen, want overal op het strand lagen vissen!
Duizenden, nee, miljoenen paarse visjes staarden hem met hun glimmende ogen aan.
In een ondoordeelbaar ogenblik sprong Hogg op, greep een vis beet en vrat hem
op. Het smaakte naar zalm, maar dan zouter. Hij pakte er nog een en nog meer.
Hij merkte dat er geen graden in de vis zaten, de vis was zo zacht als boter.
Zoiets had hij nog nooit gezien! Was het dan eigenlijk wel vis? In ieder geval
zag het er wel zo uit en het kon hem eigenlijk weinig schelen.
Nadat Hogg zich helemaal vol gegeten had begon hij zich af te vragen waar de vis
vandaan was gekomen. Van boven? Nee, dat was onmogelijk. Was het op land
gespoeld? Nee, hoe kon het dan ooit zover gekomen zijn zonder dat Hogg wakker
was geworden van de vloed. Terwijl hij over het probleem zat na te denken kreeg
hij opeens vreselijke kramp in z'n maag. Het leek wel alsof er iets in z'n maag
bonkte. Toen voelde hij het tegen z'n maagwand bonken. Hij keek naar z'n buik en
zag een bult kloppen als een hart. Plotseling was daar weer de aap, die als een
bezetene over het strand rende en toen opeens ging liggen. Hij sloeg met z'n
poten op z'n buik en even later klapte de maag van het beest met een grote knal
open. De bloedspetters kwamen helemaal bij Hogg's voeten terecht. "Shit"
dacht hij bij zichzelf en hij pakte z'n boekje. "Vaarwel." schreef hij
als laatste op en hij stak een pin door z'n hart.
Enkele maanden later raasde een jachtboot over de blauwe zee. De bemanning
bestond uit vijf vissers, die met hun harpoenen in de aanslag aan de voorsteven
van de boot stonden. "We hebben hem bijna te pakken" schreeuwde
iemand. "Alle mensen, wat een snel beest!" riep een ander. "Nu!"
riep de leider van het groepje en een kanon schoot een projectiel dwars door een
walvisachtig beest heen. "We hebben hem".
Minuten later was het spartelende beest de boot opgehezen. De mannen hadden deze
vissoort nog nooit gevangen.
© Copyright Rogier van der Tholen - 06/12/1996. Alle rechten voorbehouden.