|
Rogier van der Tholen - Van oude mensen, de dingen die komen gaan (SF verhaal) |
02/02/1997.
Aantal woorden: 815.
VAN OUDE MENSEN, DE DINGEN DIE KOMEN GAAN
Ik verzamelde al mijn moed bij elkaar, ik zoog een flinke hoeveelheid lucht
in mijn longen en aarzelde niet langer. Kom op, zei ik tegen mezelf. Eens moet
de eerste keer zijn. Ik baande me een weg door de feestende menigte...
Het was nu 7:14. Om ongeveer twee uur 's nachts had ik drie Delirium-pillen
ingenomen en was ik op bed gaan liggen. Ik zonk meteen in een diepe,
geestverruimende slaap.
Om ongeveer zeven uur werd ik wakker. Ik keek in de spiegel, mijn ogen waren nog
steeds geel van de drugs. Ik ging bij het raam staan. Ik zag een baksteen in
mijn richting vliegen en het glas voor me barstte. Ik vloekte in mezelf. Ik zag
het glas in slow-motion op de grond vallen en verplaatste m'n blote linkervoet
om het tegen het vallende glas te beschermen. Het was nu al een tijdje aan de
gang, bendes die de straten onveilig maakten. Dat was waarschijnlijk de reden
dat in deze straat alle huizen behalve de mijne verlaten waren. Mensenmassa's
waren massaal uit deze stad gevlucht.
Ik slenterde naar de deur, althans, voor m'n gevoel. In het echt rende ik. Ik
deed de klink met een trage beweging naar beneden. Ik knipperde met m'n ogen
vanwege het felle licht van de nieuwe zomerochtend.
In de straat was een slachting aan de gang. Bejaarden, gekleed in rode overalls
met een BRC-logo erop gestikt en gewapend met stokken, bekogelden ramen met
bakstenen en vochten met elkaar. Wat een hilariteit, dacht ik bij mezelf. Dit
waren duidelijk geen mensen, dit waren monsters.
Er kwam een ouwe opa van rond de negentig in een rolstoel naar me toe rijden.
"Wat mot jij hier?" vroeg hij met een brak, brutaal stemmetje.
"Ik woon hier" zei ik. Ik keek naar m'n tuin. Daar zaten bejaarde
dames met lichtblauw haar te bridgen, zittend op een rood-wit geblokt kleed.
Mijn blik dwaalde af naar m'n auto. Die werd omringd door grijze en kale mannen
die hun wandelstokken op de kofferbak stuksloegen en op het dak sprongen,
schreeuwend van blijdschap.
De oude man in de rolstoel porde met een wandelstok in m'n maagstreek. "Jouw
gezicht staat me niet aan. Je hebt gele ogen."
Ik haalde mijn rol Delirium-pillen te voorschijn. "Wil je ook wat?"
"Cool!" riep de man met een kinderlijk stemmetje uit en pakte met zijn
bibberende handen een pilletje uit de rol. Hij zoog er even op en na enkele
seconden was hij weg van de wereld.
"Da's één" mompelde ik en ik liep weer naar binnen.
Waar heb ik nu dat dynamiet gelaten? dacht ik bij mezelf en ik besteeg de trap
naar de zolder. Onderweg naar boven keek ik op de kalender. Daarop stonden
notities van de vorige bewoners, die een week geleden plotseling vertrokken
waren en van wie ik dit huis voor een appel en een ei had overgenomen. Een van
de met rode merkstift geschreven kreten was 'They will take over', een andere 'Resist
or vanish', nog een andere 'Stop the BRC!'. Ik keek op m'n horloge. Het was 31
december, 'New year's day'. Tijd om een einde te maken aan dit uit de hand
gelopen experiment.
Na wat minuten zoeken had ik een geweer in m'n handen en explosieven en kogels
in een rugzak. Ik ging naar beneden.
Nu moest ik niet langer aarzelen. Deze narigheden hadden al lang genoeg
geduurd. "Het wordt tijd voor wat vuurwerk" zei ik en ik liep de
straat op. Ik duwde springende bejaarden van me af en liep naar m'n groene
pick-up die in de straat geparkeerd stond. Ik verwijderde vechtende opa's uit m'n
auto, veegde de glassplinters van de stoel en stapte in. Ik schoot met grote
snelheid de straat uit.
Niet tot mijn verbazing zag ik dat het in andere straten niet veel beter was.
Overal om me heen zag ik bejaarden keet trappen, wild krijsen en overgeven.
Ik reed met honderd vijftig kilometer per uur door de straten en maaide
verscheidene bejaarden van de weg. Ik zou dit probleem bij de kern aanpakken
door het controlecentrum van de bejaarde zombies op te blazen...
Ik stopte in een brede straat, waarlangs een grote wolkenkrabber stond. Ik sloop
naar een steegje aan de zijkant van het gebouw, bevestigde enkele staven
dynamiet aan de muur en zocht dekking. Met een hels geluid ontploften de
onderste etages van het gebouw en de etages daarboven daalden in de vlammenzee
neer.
De hitte van het vuur verschroeide mijn wenkbrauwen en ik sloot mijn ogen voor
de intensiteit van de hitte.
Ik liep weer terug naar mijn auto. Ik luisterde: ik hoorde geen enkel gekrijs
meer, geen enkele ruit hoorde ik meer barsten. De stad was tot rust gekomen. Ik
keek nog even naar de vlammenzee waar vroeger het Body Recycling Centre
gevestigd was, startte de motor en reed langs weer levenloos geworden lijken
naar huis.
© Copyright Rogier van der Tholen - 02/02/1997. Alle rechten voorbehouden.