|
Rogier van der Tholen - Slaap zacht, nachtvlinder (SF verhaal) |
29/03/1997.
Aantal woorden: 1522.
SLAAP ZACHT, NACHTVLINDER
Met een glibberige knal belandde een slonzige man van rond de dertig op het
gitzwarte asfalt van een matig verlichte autoweg ergens in het midden van de
lieftallige, Amerikaanse staat Alabama. De man had een verwilderde
gelaatsuitdrukking op zijn gezicht, zijn rastahaar stond alle kanten op en er
kwam rook vanaf, alsof de man een tijdje onder stroom had gestaan. Zijn ogen
tolden in hun oogkassen en peilden ieder plekje in hun gezichtsveld.
Onder het hoofd van de man zat zijn romp, die was bedekt met een wit hemd,
daarover een voor de helft afgeschroeide stropdas met de kleur van een
zonsondergang. Bretels hingen over zijn schouders, met de futloosheid van een
veter. De benen staken in de beige pijpen van een gekreukelde pantalon. Aan zijn
voeten had de man een paar schoenen waarvoor een rund was gestorven. De hakken
klakten over het lauwe asfalt, afkoelend van de hete zomerdag.
Klak...klak...klak...klak. Met tussenpozen van ongeveer tien seconden.
Wat was het een warme dag geweest. Nee. Wat was het een hete dag geweest. Ja,
het weer was al maanden supertropisch geweest, met gemiddelde temperaturen van
veertig graden. Het had al drie maanden niet meer geregend en het zou vast nog
wel langer droog blijven. Verdorde bomen ritselden, aangeslagen door de laatste
geselingen van de zwoele zomerwind. Vogels zuchtten, krekels kreunden.
Zweetdruppeltjes vormden glinsterende patronen op het voorhoofd van de man, die
de maan in veelvoud weerspiegelden.
Na dertig klaks begon de man zich af te vragen hoe hij heette. Hij kon er met
geen mogelijkheid opkomen. Toen begon hij zich af te vragen waar hij vandaan
kwam en wat hij hier deed. Toen hoe laat het was. Hij bekeek zijn linkerpols:
niets. Zijn rechterpols: vijf uur, des nachts. Grappig, dacht hij bij zichzelf.
De eerste zonnestralen hadden al zichtbaar moeten zijn. Hij tuurde naar de
horizon: duisternis. Hij keek hij naar achteren: duisternis. Hier was iets mis.
Een klap maakte zich van hem meester en velde hem op de grond. Als een gekapte
boom kantelde hij achterover en plofte op een matras van takjes, stenen en
afval.
Daar lag de man dan. Hij was van de autoweg afgedwaald terwijl hij achterom keek
en de eerste de beste boom had hem op het voorhoofd getroffen. Een gerimpeld en
verschrompeld beukenboompje, lulliger kon het haast niet. De man, uniek in zijn
soort, geveld door een klomp organisch materiaal. Hij zakte steeds verder in een
neerwaartse spiraal van beelden en zijn voeten kwamen los van de grond.
Lang, lang geleden was de man een mens, een individu met een naam, leeftijd
en een schoenmaat. Een sofi-nummer, de zoveelste inwoner van een dorp, het
zoveelste kind van een zoveelste moeder. Een verwend kreng, een dwarse puber,
een strakke yuppie. Een man met een missie, een man met een verhaal.
Toen hij vijf was verdween zijn pleegmoeder in het afvoerputje van de gootsteen
in de keuken. Zijn vader keerde nooit meer terug uit Vietnam - hij vond het weer
daar zo aangenaam dat hij er bleef wonen. Sindsdien had de man een hekel gehad
aan water en zon en hij meed ze waar hij kon.
Hij kwam terecht in een weeshuis, waar hij het vak van crimineel leerde. Zodra
het hem gelukt was te ontsnappen uit het gesticht, waar hij later terecht was
gekomen, begon hij aan een carrière als maffiabaas. Hij vermoordde mensen,
verhandelde drugs, pleegde bankovervallen en at spaghetti. Binnen enkele jaren
stond hij bekend als 'Il Dulce'. Hij werd door de president uitgenodigd voor een
bezoek aan het Witte Huis, kreeg een standbeeld bij Madame Tussaud en had een
eigen talkshow. In Hollywood was hij een rijzende ster als regisseur van
kinderfilms en musicals. Zijn biografie werd een wereldwijd succes en ontving
vele literaire prijzen. Toen hij besloot zijn criminele verleden achter zich te
laten werd hij genomineerd voor de Nobelprijs voor de Vrede. Hij trouwde
ondertussen ook nog eens met acht vrouwen, die hij allemaal bij name kende, maar
bleef kinderloos. De man was verzot op weddenschappen en gokken, na vijf jaar
van verblijf in een casino had hij al zijn geld en bezittingen verspild. Hij
kwam op de straat terecht, raakte verslaafd aan drugs en werd steeds zieker en
zwakker. Op zekere dag herkende een beroemde TV-persoon hem en interviewde hem
voor tienduizend dollar. Met dit geld liet de man zich invriezen in een muffe en
dof verlichte kelder, waar hij voor lange tijd zou blijven liggen in een
vrieskist...
Er was blijkbaar iets misgegaan tijdens zijn winterslaap. Iets of iemand had
hem gewekt en hem hier gedumpt. Of zoiets...
Hoe dan ook, dit was het hier en nu, het hic et nunc, de ontnuchterende
realiteit van een leugenachtige droom. Of andersom.
De man opende zijn ogen en bekeek de sterren. Wat leken ze klein, maar wat waren
ze groot. Hij hief zijn hand omhoog en hield hem boven zijn ogen. Bloeddruppels
dropten op zijn voorhoofd en vermengden zich met zweet tot een roze gelei.
Plotseling hoorde hij gekraak, rechts van hem. Tussen de struiken staarden twee
bolle ogen hem aan. "Hé, wat moet dat daar?" riep de man.
Een bosjesman liep voorzichtig vanuit het struikgewas naar de man toe. De
bosjesman was beschilderd met rode en witte strepen. Door zijn neus was een tand
van een of ander roofdier geboord en hij was gekleed in een rieten rokje. Hij
was beladen met kettingen van tanden en kralen die ritselden terwijl hij
naderde. "Hallo. Ik ben Lawrence Lapouzou."
De bosjesman sprak perfect Engels. Hij stond aan het voeteneinde van de man en
stak zijn hand uit.
"Ben je correspondent van CNN of zo..." gromde de man terwijl hij
opstond.
"Sie-en-en?"
"Laat maar. Ik ben..." De man was bezig de bosjesman een hand te geven
maar liet niet los, diep nadenkend over zijn naam. Hij was even vergeten dat hij
zijn naam was vergeten.
"Maar meneer, u bent een van de beroemdste mensen op de wereld... U weet uw
naam toch wel?" De bosjesman had een spottende glimlach op zijn donkere
gezicht.
"Is het werkelijk? Nee maar..."
De bosjesman rukte z'n hand los uit de man zijn greep en leunde tegen een boom.
De man staarde versuft voor zich uit en mompelde onverstaanbaar.
"Ja, het is echt waar. Gisteren was u over de hele wereld in het nieuws
vanwege uw begrafenis. We dachten dat u dood was."
"Dood, dood - dat is zo'n groot woord."
"Maar eh... U bent dus niet dood?" vroeg de bosjesman met een
weifelende stem.
De man twijfelde. "Ne-e-e-ee... Maar zeg eens, hoe heet ik dan?"
"Waarom wilt u dat weten?"
"Zeg het nou maar gewoon!"
"Okee dan. U heet David 'Dulce' Coldstone."
"Dulce?"
"Ja, dat was uw bijnaam. U bent zo ongeveer alles geweest wat een
beroemdheid wezen kan: crimineel, TV-man, regisseur, schrijver, zwerver,
verslaafde... Noem maar op."
"Zozo... Ben ik dan ook rijk?"
"Vast wel."
De man zuchtte en keek om zich heen. "Waar ben ik hier?"
"Honderd kilometer van Mbandaka verwijderd."
"En dat ligt in...?"
"Zaïre, Afrika. U weet echt niets meer, hè?"
"Afrika?! Shit!"
De man veegde het bloed/zweet van zijn voorhoofd en veegde zijn handen schoon
aan zijn overhemd. Vreemd, de zon was nog steeds niet opgekomen. Hij keek op
zijn horloge - elf uur des avonds.
"Heb ik achttien uur buiten westen gelegen?"
"Pardon?"
"Voor ik tegen deze boom opliep was het vijf uur in de ochtend en nu... is
het elf uur 's avonds."
De ogen van de bosjesman kregen een harde glans en knepen zich samen. "Ik
denk dat je horloge stuk is. Of je hebt je gewoon vergist. Wie zal het zeggen?"
De man bekeek zijn gouden Rolex en tikte met zijn nagel op het glas. "Dit
horloge kan niet stuk, Lawrence..." De man sprak de naam van de bosjesman
vol verachting uit.
De bosjesman maakte een verstarde indruk. "En nu wil je zeker weten wie ik
echt ben...?"
"Om te beginnen..."
De bosjesman stormde op de man af en haalde een dolk vanachter zijn rug vandaan. De man greep de hand met de dolk vast en sloeg de arm tegen de beukenboom, waardoor de dolk op de grond slingerde. Hij greep de andere hand ook vast en gaf de bosjesman een keiharde kopstoot, zodat zijn nek brak. Het geluid van een brekend bot was het laatste dat de man hoorde. Het lijk zakte in elkaar en lag levenloos op de grond. De man voelde een koude rilling over zijn rug lopen. Hij keek om zich heen en zag dat het nog steeds donker was. De stilte was teruggekeerd en de man vervolgde zijn weg over het duistere lint van asfalt. Het werd langzaam donkerder tot de man niets meer kon zien. Hij voelde zich weer in een diepe, koude slaap zakken...
Er ging een schok door het lichaam van de voodoo-man. Zijn bovenlichaam
trilde even en bleef vervolgens verstard stilzitten in de stoel. De mannen die
om hem heen stonden keken verschrikt naar het levenloze lichaam en toen naar
elkaar. "Shit! Mislukt..." zei iemand.
Een gezicht in een rookwolk van zware shag zuchtte. "Dan trekken we
desnoods de stekker eruit. Il Dulce moet hoe dan ook dood..."
© Copyright Rogier van der Tholen - 29/03/1997. Alle rechten voorbehouden.