Rogier van der Tholen - De Evoluator (SF verhaal)

Home

16/04/1995.

Aantal woorden: 2686.
 

DE EVOLUATOR

Tientegeneen, of, zoals zijn familieleden hem noemden, Yuk, kroop met zijn slijmklieren over de modderachtige grond van de oceaanplaneet Aarde. Hij had sinds enkele weken slijmklieren op zijn romp en daardoor kon hij nu ook op het land lopen. Daarvoor moest hij dan wel zijn zwembenen op zijn rug vouwen, want anders zaten die alleen maar in de weg.
Echt zien kon hij niet, want in het water was dat ook niet nodig, want hij zat altijd maar op dezelfde lavarots onder het water, altijd in dezelfde houding en altijd met dezelfde bezigheden.
Maar nu hij voor het eerst op het land was gekomen moest hij toch eens een keer gaan oefenen met kijken.
Hij had zijn ogen niet echt nodig, omdat hij in zijn gedachten de dingen om hem heen kon zien. Zijn natuurlijke intuïtie vertelde hem gewoon dat links van hem een rots was en rechts van hem een plant. En meestal waren zijn voorgevoelens correct. En hoe dat kwam kon hij zelf ook niet bevatten, want hij wíst het gewoon.
Maar zijn verstand werd groter. Binnenkort zou hij meer begrijpen, meer beginnen te snappen van het leven. Hij had al ontdekt dat hij de gedachten van zijn familieleden kon lezen. Hij kon zijn geest richten naar iemand anders geest en weten wat de ander dacht. Maar hij wist niet of de anderen dat ook konden. Dat moest haast wel, want hoe moesten ze anders onder water met elkaar communiceren? Yuk kon het niet zo gauw bedenken.
Zijn verstand vertelde hem dat hij nu voedsel moest gaan zoeken. En die ingeving kwam altijd op hetzelfde tijdstip. Nu was er in een wereld die altijd donker is niet echt een tijd, want er was geen zonsopgang die elke dag markeerde. Maar hij had er wat op gevonden. Want hij had een dagelijkse routine en in die routine was een moment dat hij langs een grote, ijzeren kubus zwom. En die kubus viel zo op de bodem van de oceaan, dat hij de kubus niet uit het oog kon verliezen. En als hij langs die kubus zwom, wist hij: het is Tijd. Tijd betekende voor hem: eten gaan zoeken. En op de terugweg kwam hij de kubus weer tegen en dan was het weer Tijd. Yuk had een kunstmatige zonsopgang en -ondergang uitgevonden. Daarna had hij de Heenweg en de Terugweg uitgevonden. De Heenweg was een kunstmatige ochtend, de Terugweg een kunstmatige middag. En de tijd die overbleef was Slaaptijd, een kunstmatige nacht. En die dagelijkse routine ging hem niet vervelen, integendeel, Tijd fascineerde hem.
Tot die dag dat hij voor het eerst op het land kwam. Door een onbekende macht was hij het land op gedwongen. Hij voelde zich bedreigd want de Tijd was verstoord. De Tijd stond even stil, zolang zijn dagelijkse routine onderbroken was.
Maar na een week was hij eraan gewend en noemde hij de tijd op het land Tussentijd, een kunstmatige pauze. Echt genoemd had hij het niet, hij beschouwde het. Daardoor werd de dag (Heenweg, Tussentijd en Terugweg) langer en de nacht (Slaaptijd) korter, omdat de Tussentijd bij de dag was gekomen.
Vorige week was ook zijn familie meegegaan naar het land en ze hadden ook de kubus opgemerkt. Yuk introduceerde het begrip Tijd en de anderen waren dolenthousiast over zijn uitvinding. Sindsdien dachten ze in de begrippen Heenweg, Tussentijd en Terugweg. Maar om dat niet een al te grote abstractie te laten zijn moesten ze natuurlijk wel iedere keer de routine volgen die Yuk in Tijd had omgezet. Als ze dat niet deden zouden ze er niet zeker van zijn of het nu dag was of nacht. Of dat het nu bijna dag was of bijna nacht. Hoewel, 's nachts sliepen ze alleen maar dus daar hoefden ze zich geen zorgen over te maken. Maar de dag kreeg steeds meer tijdsaanduidingen: de vrouwtjes van Yuk's soort bedachten Voertijd, en dat was ongeveer hetzelfde als bij de mannetjes, zoals Yuk, de Tussentijd was. De vrouwtjes zorgden ervoor dat ze niet iedere keer Yuk's routine hoefden te volgen en vervingen de Heenweg voor Voortijd en de Terugweg voor Natijd. In de Voortijd was er halverwege Zoektijd, de tijd dat er eten gezocht werd, in de Natijd was er aan het einde nog eens Zoektijd, gevolgd door Etenstijd. Maar er waren enkele beperkingen aan de Tijd. Want, als ze van de routine afweken, hoe moesten ze dan de Tijd weer oppakken? Als ze door een grote zeemonster waren achtervolgd, hadden ze van de routine afgeweken en waren ze de Tijd kwijt.
Ze besloten dat het onder water te donker was. Want de mannetjes, die nog steeds Tussentijd hadden, hadden tijdens hun tijd op het land ontdekt dat het de ene keer lichter was dan de andere keer. En aan die veranderingen in licht konden ze veel beter Tijd afmeten dan aan een routine.
De mannetjes besloten voorgoed op het land te blijven en namen de vrouwtjes mee. Hun slijmvliezen die slijm produceerden waardoor ze zich konden voortbewegen over land waren kleine pootjes geworden. Hun zwembenen verloren de zwemvliezen en ze gebruikten ze om zich af te zetten.

Zo kwam het dat Yuk en zijn familie als de eersten van zijn soort op het land waren geklommen en zich er voorgoed vestigden.
Yuk had ontdekt dat de verschillen in licht langer duurden dan Tijd en verving de oude Tijd voor een nieuwe Tijd. Ze sproken af dat iedere keer dat het licht verdween ze Slaaptijd zouden hebben. En als het licht op hen scheen en hen wekte begon Heenweg. Als het licht op zijn hoogste punt stond zou het Tussentijd zijn. Dan zouden ze hun opgezochte eten opeten. Daarna begon Terugweg. Nu was het geen probleem meer als ze van een routine afweken, want de routine van het licht bleef constant. Zijzelf waren niet meer de routine, maar het licht.
Om tegen de zon bestand te zijn veranderde hun broze huid in een ruwere huid. Er vormde zich een soort pantser die de zonnestralen gedeeltelijk opnamen en terugkaatste. Er vormde zich een blokkenpatroon van zilver en zwart op hun huid. Wanneer het lichaam te warm was werden de zwarte blokken zilver en wanneer ze het koud hadden werden de zilveren blokken zwart.
Helaas werd hun natuurlijke intuïtie minder sterk. Yuk en zijn familie kon niet goed meer voelen wat zich om hen heen bevond en ze waren genoodzaakt hun ogen te openen. Voor het eerst voelden ze niet licht, maar zagen ze licht. De eerste paar dagen deed het licht pijn aan hun ogen, maar ze wenden er langzaam aan. Hun netvlies werd dikker.
De gave om gedachten te lezen bleef. En dat ondervond Yuk maar al te goed.

Want op een dag, toen Heenweg nog maar net begonnen was, liep Yuk op zijn korte pootjes over de groene vlaktes van de Aarde. Hij was op zoek naar een geschikte leefomgeving voor hem en zijn familie, omdat het gebied waar ze nu leefden was kaalgevreten.
Het begon winter te worden op het land en er hing constant een dikke mist ongeveer een meter boven de grond. Yuk was een kruiper, dus veel last had hij niet van de mist. Het was koud: alle blokken op Yuk's huid waren pikzwart.
Plotseling zag hij in de verte, door de mist heen een felle lichtflits, gevolgd door een kreet van pijn. Zijn natuurinstincten vertelden hem dat hier iets niet pluis was. Hij keek om en vroeg zich af of hij hulp zou halen. Nee, hij was te ver van huis.
Hij hoorde het brullen van wat op een monster moest lijken. En het werd sterker. Het kwam zijn kant op!
Hij keek om zich heen naar een rotsblok om zich achter te verschuilen. Maar de lichtflits scheen al op hem. De lichtflits was afkomstig van een blinkend gevaarte, die kon zweven. Er opende zich een luik in de buik van het gevaarte.
Zou hij de benen nemen? Hij was te nieuwsgierig. Hij kon niet voelen wat sterker was: zijn instinct om te vluchten of zijn instinct te ontdekken. Onder water zou hij nooit getwijfeld hebben: hij was in een nanoseconde weggevlucht. Maar hier boven de grond dacht hij anders en hoe dat kon wist hij zelf ook niet. Hij was ook nog maar net een amfibie en hij was log op het land, iets minder log dan een zeeschildpad. Hij had onmogelijk kunnen vluchten.
Dus besloot hij af te wachten wat er zou gebeuren.
Er kwam een gedaante uit de buik van het gevaarte, gehuld in een zilver met bloedrood pak en een koperen helm met groene inscripties. De gedaante was omgeven door witte en zwarte buizen, die van kop/hoofd naar buik liepen. Op zijn rug had hij twee dikkere buizen die aluminium van kleur waren.
Yuk had nog nooit een wezen gezien dat op twee benen liep.
Het wezen kwam nu naar hem toe lopen en hield een zwarte koker op hem gericht. Yuk las zijn gedachten en zag dat hij bang was. Blijf daar zitten, beestje, dacht het. Blijf daar zitten en als je rustig blijft zal er niets gebeuren.
Yuk lachte zich slap. Hij kón niet eens bewegen. Hij vroeg zich af wat de gedaante met hem van plan was.
De gedaante had zojuist iets te horen gekregen door zijn koptelefoon. Hoe bedoel je onvoorzichtig. Dat beest doet niks. Hij is zeker bang dat het een listig beest is, dat opeens een angel te voorschijn haalt en je doodsteekt. De gedaante bleef naar Yuk toe lopen.
Yuk betreurde het dat hij geen wapens had om zijn belager mee af te weren. In het water moest hij het van zijn snelheid hebben. Hij was een slachtoffer van de evolutie geworden, doordat hij in zijn nieuwe leefomgeving niet veel kon doen.
Dit is een mooi exemplaar voor het Koloniemuseum, dacht de gedaante met een grijns op zijn gezicht.

De gedaante wierp een schaduw over hem heen. Nu begon hij boos te worden. Het zinde hem niet dat een vijand hem zo dichtbij naderde. Yuk kreeg plotseling een idee. Hij zou met zijn scherpe klauwtanden in de voet van de gedaante bijten en hem daarna met zijn zwembenen omver trappen als een paard. En dat was ook het enige wat hij kon doen.
Hij vroeg zich af wat het wezen op deze planeet überhaupt deed. Het hoorde hier helemaal niet, leefde hier helemaal niet en had geen baat bij de planeet. Veel van de woorden van het wezen begreep Yuk niet, maar de abstracties die hij dacht leken hem kwaadaardig. Yuk bleef de gedachten van het wezen aftappen. Hij hoorde woorden, maar zag ook beelden. Hij zag een kubus, die glinsterde in een vijftal lampen. Het had veel weg van de kubus die hij onder water altijd passeerde, die zo opviel in het onderzeese landschap. Dus het wezen moest die kubus hebben, of in ieder geval kende het wezen de kubus.
Yuk dacht na terwijl het wezen bleef naderen. Hij moest tijd rekken en begon zich om te keren en weg te lopen. Maar het wezen ging nu ook sneller lopen. Wat zou hij doen? De kubus aan het wezen laten zien in de hoop dat hij niet meer lastig gevallen zou worden? Of zou hij hun zwakke geesten manipuleren en ze weg laten gaan? Hij kon ook beide doen. Want hij had alweer een plan.
Yuk voelde zich machtig, ook al werd hij achterna gezeten door een wezen in een vreemde huid. Hij was machtig omdat zijn verstand zo gegroeid was dat hij zelfstandig plannen kon maken. Een plan was voor hem heel ongewoon en hij bleef erover nadenken wat het was en hoe hij er op was gekomen. Een van zijn wel gerespecteerde instincten had hem verteld: maak een plan voor het te laat is. Hij had nog nooit een plan gehad en nu had hij er al twee gehad: de eerste de defensieve aanval en de tweede het voor de gek houden van het wezen.
Het wezen begon op hem te schieten, maar telkens wanneer een straal zijn huid raakte werden de geraakte blokken zuiver zilver en weerkaatste de straal. Maar dat kon niet de hele tijd goed gaan. Hij moest zo snel mogelijk een rotsblok vinden. Zijn huid werd nu wel erg heet en net toen het eigenlijk te veel werd stond voor hen beiden een rotsblok.
Yuk zond naar de geest van het wezen: Hier is de kubus. Neem hem mee en verdwijn van deze planeet.
Het wezen concentreerde zich niet meer op Yuk maar op de kubus die voor hem leek te staan. Hij liep naar het rotsblok toe en probeerde hem op te tillen. Dat lukte gelukkig. Laat dat rotbeest maar, dit is belangrijker, dacht het en sleepte het mee naar het gevaarte. Yuk manipuleerde ook de geest van de bestuurder van het gevaarte en samen hesen ze het rotsblok, dat zij als een kubus zagen in het schip.
Yuk kon het niet laten te grinniken. Hij vroeg zich af waar de kubus eigenlijk voor diende. Vroeg of laat zou hij er nog wel eens achter komen.

Luitenant Arsell nam contact op met Admiraal Begcenn. "Dit is Luitenant Arsell. Geef me Admiraal Begcenn." Zijn eis werd ingewilligd.
"Hier is Begcenn. Luitenant, hoe staat het met de missie? Is de kubus binnen?"
Luitenant Arsell knikte trots. "Helemaal en zonder een schrammetje. Maar het duurde wel erg lang voor we de juiste planeet hadden. Gelukkig was een of ander wezen zo vriendelijk mij de weg te wijzen. Trouwens, de Regering had gelijk. De kubus was inderdaad op de verkeerde planeet terechtgekomen. Op de planeet waar de kubus lag zou hij geen zin hebben gehad. Dan zouden we er alleen maar een extra vijand bij kunnen krijgen."
Begcenn knikte. "Weet je nu zeker waar je hem moet droppen?"
Arsell knikte. "Ik heb zojuist bericht binnen gekregen dat Gverdani, een van de planeet van het Alsaro-stelsel dat we pas hebben veroverd, een bevolking heeft die niet aan de intelligentiestandaards voldoet. Ze hebben me bevel gegeven hem daar te droppen. Gverdani kan onmogelijk een potentiële vijand worden, want het is een oceaanplaneet. En als dat wel het geval is stoppen we het ontwikkelingsproces gewoon."
Begcenn fronste zijn voorhoofd. "Hoe weet je zo zeker dat het over een aantal jaren nog steeds een waterplaneet is? Onze grootste vijand, de Felmatih, kwamen ook van een oceaanplaneet. Maar dankzij de vervorming van de atmosfeer, door onze voorouders op gang gezet, is het water voor een groot deel verdwenen en zijn de wezens op het land gekropen. En dat was alleen mogelijk geweest door onze ontwikkelingsprocessen."
"U hebt gelijk, Admiraal. Maar ik verzeker u, dat zal nooit meer kunnen gebeuren," zei Arsell hoopvoller dan het was.
"Heb je nog iets gevangen voor het Koloniemuseum?" vroeg Begcenn hoopvol.

"Een vogel zonder vleugels, een zeedraak en salamanders met natuurlijke krachtvelden om zich heen. Voordat ik de kubus vond zag ik nog een log monster met verschrompelde benen aan de achterkant van zijn lijf en een blokkenpatroon op zijn huid. Maar dat leg ik later nog wel uit. We gaan nu naar Gverdani."
Begcenn verbrak het contact en beluisterde het laatste nieuws over de Kolonieoorlogen.
Een paar uur later viel er een rotsblok door de atmosfeer van Gverdani. Als een meteoor raasde het door de lucht en bleef liggen op de bodem van een oceaan.

Yuk vertelde het gebeuren aan zijn familie en toen hij dat had gedaan sprong hij het water in en bezocht hij de kubus. Hij begreep niet wat de kubus was, maar dat zou nog wel een keer komen.
De kubus ontwikkelde de geest van Yuk en zijn familie en later werden nog meer van zijn soortgenoten er door aangetrokken. Ook zij klommen op het land en hun intelligentie werd alsmaar groter.
Het droppen van de kubus was weer een van de vele fouten van de mens geweest, maar voor Yuk en zijn soortgenoten was het een geschenk uit de hemel. Misschien zouden ze over een aantal eeuwen op twee benen lopen en misschien over een millennium een echte, intelligente levensvorm zijn. En misschien zat er ook nog wel een oorlog met de mensen in...

 


Home

© Copyright Rogier van der Tholen - 16/04/1995. Alle rechten voorbehouden.

Hosted by www.Geocities.ws

1