Rogier van der Tholen - Earthscape (SF verhaal)

Home

31/03/00-03/07/00.

Aantal woorden: 7862.
 
 

Earthscape

 

1

In het jaar 905 na Christus werd de Aarde getroffen door een komeet ergens in Centraal-Amerika. Met de vernietigende kracht van tientallen atoombommen zaaide de inslag van de komeet en haar gevolgen dood en verderf onder de Inca’s en indianenstammen van Amerika. De Aarde werd gehuld in een grauw kleed van asdeeltjes die in de atmosfeer zweefden en de ijstijd inluidden. Delen van het grotendeels feodaal georganiseerde Europa werd getroffen door de uit de hemel neerstortende brokstukken van de duizenden kilometers verderop ingeslagen komeet. Een allesvernietigende tsunami die over de Atlantische Oceaan was geraasd sloeg de steden aan de kust van de Noordzee weg. De overlevenden zagen zich genoodzaakt te schuilen voor de verstikkende atmosfeer in de spelonken van de gebergten en hooglanden die Europa kende.

De overlevenden van de kloosterorde van het Pelagiaanse Broederschap hadden hun toevlucht gezocht in spelonken ergens in de Franse Alpen. Daar verbouwden ze gewassen als tarwe en gerst, groenten van allerlei soort, die werden beschenen met fakkels. Terwijl de Aarde in duister gehuld werd, bouwden de monniken een nieuw bestaan op in de vochtige en kille grotten van het Alpen-gebergte. Enkele koeien, schapen en geiten werden in leven gehouden met hooi en spaarzaam gras. Water was aanwezig in de grotten. De buitenwereld was na enkele maanden onder een dikke laag as bedekt. De gewassen waren een langzame dood gestorven door het gebrek aan zonlicht. Tussen de rotte compost lagen de karkassen van landdieren en vogels die aan verstikking en verhongering waren gestorven. Het zou nog vele jaren duren eer de mensen naar hun huizen konden terugkeren.

Eeuwen van erosie hadden in de grot een imponerend gangenstelsel geformeerd. Een open ruimte ter grootte van een markthal vormde de levensruimte van de Pelagiaanse Broeders, vierenzeventig in getal, die van hout, touw en bladeren hutjes en een klein kerkje hadden gebouwd, waarin de monniken bijeen kwamen om te mediteren en zich te verdiepen in de Heilige Schrift.

Een van de Pelagiaanse Broeders was Frater Malsotte, 33 jaar, geboren in Nantes. Hij was 904, een jaar voor de Duisternis inviel, in de gemeenschap van de Pelagianen opgenomen, op de vlucht voor zijn schuldeisers. Hij zag er avontuurlijk gezond en sterk uit, donkere gelaatstrekken bevestigden dat. Een man van gemiddelde lengte, een mediterrane Noorman. Voor hij hier kwam had hij lang haar gehad, maar in het klooster was dat afgeknipt tot vlak boven zijn oren. Getooid in bruine pij van groffe stof was hij meer tot zichzelf gekomen. De rust deed hem goed – de gebeden, de werkzaamheden om en rond het klooster, maar vooral het isolement van de buitenwereld. Hij had hier zelfs leren schrijven en hield een dagboek bij, dat hij voor iedereen verborgen hield. Af en toe vluchtte hij van de leefgemeenschap weg in een van de zijgangen van de grot om te zoeken naar nieuwe mogelijkheden, maar vooral naar rust om zijn gedachten goed te kunnen verwoorden. Tijdens die ‘expedities’, zoals hij ze noemde, voelde hij zich alsof hij de laatste overgeblevene was op de wereld. Maar tegelijkertijd was hij op zoek naar een paradijselijke wereld waar geen catastrofe had plaatsgevonden, waar de natuur nog intact was, ergens aan het lichtende uiteinde van een van de gangen in de grot. Hij wist dat die andere wereld er niet was, maar het verlangen bleef.

In de formaties van stalactieten en stalagmieten nam hij soms de meest wonderlijke en sprookjesachtige vormen waar. Het was alsof ze de vorm aannamen van de mensen die ooit langs hen waren gelopen, alsof ze het uiterlijk van de mensen mimicreerden, nabootsten. Alsof het water dat de vormen uitbeitelde en opstapelde een collectief was dat contact probeerde te leggen met haar gebruikers. In tegenstelling tot de buitenwereld waren de natuurlijke processen die hier zichtbaar waren voor het menselijk oog op een hand te tellen. Hier gaf de natuur haar ware aard prijs, leek het wel.

Op de vierhonderdnegenentwintigste dag van de Duisternis betrad Malsotte wederom het grillige pad van een van de zijgangen van hun overlevingsoord. Hij had zich voorgenomen zo ver mogelijk door te dringen in de diepten van het gebergte. Dikke kleding aan en voedsel voor ongeveer een week in een geimproviseerde buidel moesten dit mogelijk maken, want je kwam niet snel vooruit in de benauwde catacomben van het paleis dat hen onderdak bood tegen de allesverstikkende duisternis die buiten alles vernietigde wat ooit door God was geschapen. Met een fakkel in de hand en nog een aantal in de buidel voor later maakte hij zijn eenzame tocht. Misschien was het beter geweest als hij werd vergezeld door een van zijn broeders, maar hij wilde niet opgehouden worden door conditioneel zwakkere fraters.

Na twee dagen gelopen te hebben ontdekte hij in de voet van een reusachtige stalagmiet iets glinsterends. Hij hurkte op de grond en hield er zijn fakkel bij. Het leek metaal te zijn. IJzer, dacht Malsotte bij zichzelf. Maar het was niet bedekt met roest. Hij wreef er met zijn rechterwijsvinger over. Het voelde koud en vochtig aan. Hij haalde uit zijn buidel een houweel tevoorschijn en begon de erosielaag op het metaal om de open plek weg te hakken. Dit kostte hem enige moeite, aangezien hij in zijn andere hand de fakkel beethield. Na enige tijd kwam een schroef tevoorschijn. Malsotte tuurde er aandachtig naar. Een ronde vorm met een speels scheef staande groef erin, iets uitstekend buiten het metalen oppervlak. Dit had hij nog nooit gezien: ijzer dat niet roestte en een met koelbloedige precisie gemaakte versiering daarop.

Die avond was Malsotte druk bezig met het blootleggen van de metalen constructie binnenin de stalagmiet. Af en toe was de erosielaag dun, maar soms ook enkele decimeters dik. De in de breedte uitgerekte, ietwat spits toelopende pilaar moest een metalen bouwwerk in zich bergen dat de grootste was die Malsotte ooit had gezien. Na enkele uren werk begon de onderkant van het apparaat vorm te krijgen. Hij was nog negen schroeven tegengekomen die van hetzelfde soort waren. Ze waren in een rechthoek van drie bij vier gegroepeerd en sloten een plaat aan de romp van het gevaarte vast. Daarboven zat een identieke plaat, en daarboven nog een. Links en rechts van de langwerpige platen zaten kleinere, vierkante platen.

"Dat schiet al aardig op!" brulde de machine.

Malsotte deinsde achteruit en hield zijn houweel in de aanslag terwijl hij naar de deels ontmantelde machine bleef kijken, alsof het hem kon bespringen. "Wie zei dat?" vroeg hij aarzelend en beangstigd.

De stem van de machine was blikkerig, bulderend en wat gekunsteld. "Wees niet bang, waterman. Mijn makers hebben mij een stem gegeven om met ze te kunnen spreken. Ik ben Escalator. Wie bent u, waterman?"

Malsotte zag geen dreiging in die vraag en antwoordde: "Frater Malsotte, van het Pelagiaanse Broederschap, twee dagen lopen hier vandaan."

"Er zijn er nog meer van u in deze oorden, Frater Malsotte?"

"We zijn met vierenzeventig broeders. We leven hier omdat dat buiten onmogelijk is geworden door de duisternis en vervuiling die een neergestorte vuurbal heeft veroorzaakt."

"Een grote tegenslag voor de mensheid als geheel. Complete beschavingen in een ogenblik vernietigd…" zei Escalator.

"Wie heeft u gebouwd, eerwaarde Escalator?" onderbrak Malsotte nieuwsgierig.

"Waar bevinden we ons?" vroeg Escalator. "Als u me dat niet verteld kan ik u niet antwoorden."

"Het Frankische Rijk in het jaar Onzes Heren 906."

"Hoeveel dagen is het nadat de Duisternis inviel?"

"Vierhonderdeenendertig, bijna vierhonderdtweeendertig."

"De kern van de Aarde is waar ik gemaakt ben."

Dit antwoord bracht Malsotte niet veel verder. "U komt van de duivel vandaan. Om ons tot zonden te verleiden." Hij schrok door zijn eigen gedachten over Escalator. De duivel vond altijd een weg om mensen van God vandaan te houden, en hij zag de duivelse verleiding die het ontmantelen van Escalator zou kunnen betekenen.

"U begrijpt niet wat u ziet. Had u mij geloofd als ik een van u was geweest?" vroeg Escalator.

"Wat bent u dan? Ik zie een bouwwerk van ijzer dat niet roest en niet gegoten is. Toch praat u tegen mij. Kan ik u vertrouwen?"

"Ik ben hier om u te helpen. Bevrijdt mij uit mijn ketenen van materie en tijd."

Malsotte werkte de hele nacht door aan het ontmantelen van Escalator. Het was een grote stalen kubus van twee meter lengte, een meter breedte en een meter diepte, met wielen eronder, zodat Escalator zich kon voortbewegen. Met Malsotte keerde hij terug naar de andere Broeders van de monnikengemeenschap.

Onderweg hadden ze lange conversaties met elkaar.

"Broeder Malsotte, als u mij toestaat u zo te noemen, weet u waar de vernietigende vuurbal is terecht gekomen op Aarde?"

Malsotte haalde zijn schouders op. "Wat doet het ertoe."

"U weet toch dat de Aarde bol is, nu? Dat moet wel, anders had ze de Aarde wel gemist, nietwaar? En dat er een kracht is die u op deze bol houdt? Of bent u daarmee niet bekend? Het zou natuurlijk kunnen dat u…"

"Ik denk dat u gelijk heeft. Immers – de vuurbal stortte neer toen ze onder de horizon was verdwenen. Dat moet haast wel betekenen dat de Aarde een bol oppervlak heeft. Ik en mijn compaan Algarde wilden ooit nog eens een reis om de wereld maken. Wij weten niet wat zich aan de andere kant van de wereld bevindt. Er is nu toch niets meer dat ons hier houdt. Dat klinkt misschien vreemd, aangezien we nergens anders zouden overleven. We zijn van elkaar afhankelijk om te kunnen overleven, in deze benauwde tijden."

"Wie is die vriend van u, Algarde was zijn naam – is hij een schipper?"

"Hij is kapitein, ja. Maar voor ons plan hadden we een zeewaardig schip nodig, om de Zeven Zeeen te kunnen bevaren. Ik hoop dat hij niet door de inslag is omgekomen."

"Waar leefde hij?"

"Nantes. Waar de Loire uitkomt in de zee. Kent u de Loire?"

"Ik weet waar ze stroomt. Ik ken alle plaatsen op deze wereld."

"Dus u weet wat er aan de andere kant van de wereld ligt?"

"Hetzelfde als hier. As en ravage en duisternis. Een massagraf van een van de machtigste beschavingen die ooit op deze planeet hebben geleefd."

"Dat dit niet de Apocalypse is geweest stelt ons voor een moeilijk vooruitzicht. We hebben weinig meer om mee verder te gaan." Malsotte was er vaak genoeg wanhopig van geworden.

"Het water is na de zondvloed ook in de grond weggezakt. De as maakt de grond vruchtbaarder dan ze ooit geweest is. Hebben jullie al gezien wat er op dit moment uit de grond omhoog komt steken?"

"Om de zoveel dagen gaat er een groepje buiten kijken. Het is te donker om leven buiten de grot een kans te geven om te ontkiemen."

"Er vindt te weinig fotosynthese plaats. Maar er zijn planten die geen fotosynthese nodig hebben om te overleven. Meegenomen door de neergestorte meteoriet, of vuurbal, zo u wilt."

"Hoe weet u deze dingen allemaal?" vroeg Malsotte. "Waar komen die planten vandaan?"

"Het enige dat ik over mezelf weet is wat mijn makers mij hebben meegegeven. Mijn kennis zit in mij opgeslagen omdat het daarin is geplaatst door mijn makers. Die planten komen uit de ruimte. Ze kunnen de overleving van het menselijk ras betekenen. Dat is wat ze mij hebben meegegeven, onder andere. Het is maar een van de weinige manieren om te overleven, waar ik weet van heb. Ik ben hier om u te helpen, dat heb ik u al toegezegd."

In het kamp waren de monniken massaal om Escalator heengedromd. Ze raakten het glimmende metaal aan en luisterden naar Malsottes verhaal. Escalator en hij hadden afgesproken dat hij pas zou gaan praten als het psychische draagvlak aanwezig zou zijn onder de rest van de broeders. Malsotte zou ze er op tactische wijze op attenderen dat Escalator intelligent was.

De Overste van de kloostergemeenschap, Lobardo, had Malsotte in zijn woning uitgenodigd om te praten over de machine die hij had meegenomen en die hij – heel zorgelijk – een naam had gegeven.

"Het klinkt misschien ongelooflijk, maar Escalator is een wezen dat met ons kan communiceren. Hij wil ons helpen met zijn kennis."

Nadat Malsotte het hele verhaal uit de doeken had gedaan tegenover Overste Lobardo zond Lobardo vijf broeders om buiten te gaan kijken naar de planten waarover Escalator het had gehad. Die avond zou Escalator de groep van vierenzeventig man toespreken om ze waar mogelijk een hart onder de riem te steken. Escalator wist wel dingen over het geloof, maar veel van wat hij daarover te vertellen had was ketterij, zo had Malsotte al gemerkt.

"Hoe komt dat metalen blok aan zoveel kennis?" wilde Lobardo weten. "Hoe komen zijn makers aan al die kennis?"

Malsotte haalde zijn schouders op. "Een zinvollere vraag is wat we ermee gaan doen. Hij weet hoe we voedsel moeten bereiden en bewaren – conserveren, zoals hij het noemde – en hoe we in de buitenlucht kunnen ademen zonder te stikken, hoe we metaal kunnen bewerken en ons kunnen verplaatsen met grote snelheid. Oftewel: hoe we hier weg kunnen komen. Escalator is een geschenk uit de hemel, dat kan haast niet anders."

"En wat verlangt Escalator van ons in ruil voor zijn diensten? Of is het feit dat hij uit het gesteente bevrijd is voldoende beloning voor zijn verlichtende hulp?"

Malsotte liet deze vraag onbeantwoord. Hij had er nog niet over nagedacht dat Escalator op zijn eigen belang uit kon zijn. Tot nu toe was daar niets van gebleken.

Die avond waren de overgebleven monniken bijeen om Escalator aan te horen. Ze hadden zich in een halve cirkel om hem heen gegroepeerd en er heerste een opgewonden sfeer die ietwat werd getemperd door het schaarse fakkellicht.

Escalator nam het woord. Zijn gesmoorde altstem weerkaatste tegen de wanden van de grond en de echo verspreidde zich door het gehele gebergte. "Gegroet, aardlingen. Het is mijn taak u te dienen. Zonder deze taak was ik er niet geweest. Mijn makers hebben mij voorzien van een immense schat aan kennis. Het is mijn intentie deze kennis tot uw nut aan te wenden. Vroeg of laat zult u dit toevluchtsoord moeten verlaten. De leefomstandigheden zijn erbarmelijk: het is donker, kil en vochtig. Er heerst schaarste en ziekte. Uw heilige geschriften zijn aan ontbinding onderhevig. Uw kleding is versleten en uw gereedschap is hoognodig aan vervanging toe. Er is geen engel neergedaald om u te redden en geen van de uitlopers van deze grot leidt naar het paradijs. Maar uw broeder Malsotte heeft mij gevonden, twee dagen reizen hier vandaan. Mijn oorsprong is de kern van de Aarde. Mensen, uw Aarde is een bolvormige planeet die om de zon draait. Vanuit de hemel – niet het hiernamaals, maar de leegte die wij ruimte noemen – is een enorm rotsblok op onze Aarde neergestort. De inslag heeft een catastrofe veroorzaakt die deze planeet en het leven dat ze herbergde grotendeels heeft vernietigd. Het mag een wonder heten dat u nog leeft. Maar nu dan: uw eerwaarde broeder Malsotte heeft een vriend in Nantes, Algarde geheten, die ons op eerlijke wijze een zeewaardig schip kan leveren dat ons naar betere oorden moet varen. Als Nantes niet door een vloedgolf van de oceaan is weggevaagd vormt het een voorname bestemming voor ons overlevenden. We zullen van alle middelen die ons ter beschikking staan goed gebruik moeten maken om de volgende zaken te construeren: gasmaskers om de verontreinigde buitenlucht te filteren."

Escalator draaide zich om naar de rotswand en projecteerde holografische afbeeldingen van de dingen die hij opnoemde. De monniken slaakten zachte kreten van ontzag en keken aandachtig naar de veelkleurige animaties die uit een van Esca’s projectoren kwamen.

"Een vervoermiddel, bus geheten, dat wordt aangedreven door een stoomturbine. Enkelen van u zullen zich moeten bekwamen in metaalbewerking om de onderdelen van de stoomturbine te vormen. Wanneer we eenmaal in Nantes zijn aangekomen kan deze bus als ruilmiddel dienen voor het schip. Indien we tijd overhebben kunnen we wellicht overgaan tot de fabricatie van elektrische verlichtingen en aanverwante zaken."

Een van de monniken vroeg: "Waar halen we het metaal vandaan?"

"Van het gereedschap dat we niet meer nodig zullen hebben en de rest zal ikzelf bijdragen. Een deel van mijn behuizing is slechts voor de vorm toegevoegd en kan gemist worden."

Na een maand van intensieve arbeid waren de bus en de gasmaskers gereed voor gebruik. Een deel van het vee was geslacht en tot voedsel verwerkt, net als de tarwe en groente, bestemd voor consumptie onderweg.

Een test onder de broeders had ene Paulus Carbone als chauffeur naar voren geschoven. Hij was het verst gekomen met een van een heuvel afgeduwde kar van hout met stuur. Dat moest betekenen dat hij in noodsituaties het koelbloedigst en meest bekwaam zou zijn. Hij was nu bezig de kunst van het autorijden onder de knie te krijgen. Met volle concentratie en overgave aan zijn gezicht en houding af te lezen trachtte hij zwetend de automobiel in bedwang te houden terwijl deze donkergrijze rookwolken uitpuffend tegen een lichte helling opklom.

De bus was in feite een trein met verstuurbare wielen die niet bepaald wendbaar was. Het zou dan ook nog redelijk veel moeite kosten om de bus (helaas had Esca geen manier gevonden om luchttransport mogelijk te maken) vanuit het gebergte, gedemonteerd, per lastvee, naar normale hoogte te vervoeren. Om nog maar te zwijgen van de brandstof (zouden er nog bomen over zijn om in de stoomketel te verbranden?) die de bus nodig had om vooruit te komen.

Iedere broeder mocht zijn pij met kleding daaronder, een staf en een plunjezak met meest dierbare bezittingen meenemen. Malsotte had in zijn baal in ieder geval een bijbel. Daarbij kon zijn dagboek ook niet ontbreken. Afgezien van inkt had hij verder weinig nodig, of het moest natuurlijk voedsel zijn om in leven te blijven en een gasmasker om de aslucht te filteren. Maar die werden als vanzelfsprekend meegenomen.

Terwijl de monniken met Esca aan boord naar het westen varen, komen ze in een andere wereld. Daar waren algen die in de zee leven en zich supersnel voortplanten. Bijna even snel als celdeling.

Het begon allemaal ‘s nachts, als de broeders sliepen. Hun dromen werden steeds vreemder. Malsottes dromen gingen over andere werelden. De werelden van de algen. De algen die met de neergestorte komeet zijn meegekomen. Onsterfelijke algen die zich in zout water razendsnel kunnen voortplanten. Telepatisch met elkaar kunnen communiceren. Electriciteit kunnen uitzenden via het goed geleidende zeewater. Algen die de geesten van de monniken aan boord benevelen.

Malsottes eerste droom was er een in omgekeerde volgorde. Hij zag zich met een immense snelheid omhoog stijgen in de lucht en op een gegeven moment aan een gloeiende felwitte komeet vastklampen die door de dampkring van de Aarde de ruimte in steeg. (Dit was een reeks van gebeurtenissen die een van de algen daadwerkelijk had meegemaakt, maar dan in omgekeerde volgorde).

De volgende ochtend werd Malsotte wakker door de zee die tegen het schip aanklotste. Er stond een fikse noorderwind, die dwars door Malsottes pij heen raasde. Daarbij was zijn pij ook nog eens doorweekt van het angstzweet.

Er is wellicht een moord gepleegd, dacht Malsotte bij zichzelf. ‘Moord’ is het omgekeerde van ‘drooM’ – en dat heb ik gehad, een omgekeerde droom. De afzender van de droom moest van de neergestorte meteoor afkomstig zijn, en in de Atlantische Oceaan gevallen zijn.

Het verschil tussen dag en nacht was dat de nacht pikdonker was, terwijl de dag antraciet was, door het zware wolkendek van as dat de wereldbol omsloot en slechts een fractie van de zonnestralen doorliet. De branden op Aarde konden nog wel even doorgaan en het percentage zuurstof in de atmosfeer zou tot een kritiek peil kunnen dalen, door de branden en de vernietiging van vele wouden.

Nooit zou Malsotte kunnen trouwen. Vrouwen had hij sinds hij zich bij het Pelagiaanse Broederschap had aangesloten niet meer gezien. De kans op nageslacht was op deze verdoemde wereld sowieso verkeken. Alleen kleine dieren van insecten tot kruipend gedierte dat in holen leefde konden in de getroffen gebieden overleven.

Esca had hun al meerdere malen verteld dat er een eiland moest zijn dat niet door brand getroffen zou zijn, waar zij konden overleven. Ze waren op weg naar een andere wereld waar nog geen Europeaan was geweest. Malsotte geloofde niet dat ze het eiland ooit zouden vinden. Andere monniken stonden nogal sceptisch tegenover Esca’s theorie van de bolle Aarde. Een van hen was Pugley Insula, een scharminkel met een versnelde levensloop. Hij zou nooit oud worden. Een speling der natuur was verantwoordelijk voor zijn bestaan. Hij schreeuwde somtijds over het scheepsdek dat Esca een demoon was, die ze in het verderf stortte. Waarschijnlijk zouden ze op een gegeven moment met z’n allen van de Aarde af duvelen, naar de hel. Dat waren zijn woorden. Zijn woorden waren op een gegeven moment op. Zijn tabula was volgeschreven en uitgewist: nu was hij een tabula rasa. Hij zou niet meer in het verhaal terugkomen.

De botanicus, Archil Krijgsman, was een ex-dorpsgek. Bij de Pelagiaanse Broeders verzorgde hij de planten. Hij beweerde dat twee planten zich verloofd hadden. Hij zou ze zelf in de echt verbinden en hem was ook beloofd dat hij de huwelijksvrucht die uit de kruisbestuiving zou voortspruiten mocht dopen. Volgens Archil hadden zijn planten een ziel. In zijn dromen communiceerden ze met hem. Zo lang Archil goed voor ze zorgde vond de rest van de Broederschap het best.

Enkele broeders probeerden vis te vangen met een visnet van enkele meters breed en lang. Ook werd er met hengels getracht voedsel aan de oceaan te ontfutselen. De voedselvoorraden slonken gestaag met een bemanning van vierenzeventig man aan boord. Esca had er in Nantes (dat trouwens tot een bescheiden dorpsgemeenschap was geslonken) op gehamerd dat er veel vitamine C meegenomen moest worden, in de vorm van fruit en groente. Anders zouden hun tanden uit hun monden vallen, en dat maakte het eten een stuk lastiger.

Wat een genot waren de vrouwen van Nantes geweest. Dat was een zin die steeds in Malsottes hoofd rondspookte. Hij had ze van een afstand kunnen gadeslaan. Franse dames met donkere manen en ogen die de gevangen vis bereidden. Het zweet dat hun voorhoofden deed glimmen in het zwakke daglicht, hun gekwelde gelaatsuitdrukkingen die hun schoonheid oprecht maakten. Uitgemergelde, tandeloze viswijven waren het geweest - maar wat een genot om te zien na zo een lange tijd van isolatie van alle vrouwen behalve de Heilige Maria.

Maar wat bleef er over voor de broeders dan te lezen in boeken, te bidden of te schrijven? Hoe meer hallucinaties zich aan de bemanning opdrongen, hoe meer angstige gebeden ten hemel rezen.

Velen wisten niet dat de algen het waren die hun geesten benevelden. Miniscule, eencellige organismen die weelderig voortwoekerden in de Atlantische Oceaan, maar van een dermate superieure orde dat ze magische organen hadden waarmee ze hallucinaties en visioenen konden produceren. Hiermee hielden ze potentiele vijanden, zoals vissen, op een afstand. Het was dan ook niet verwonderlijk dat de monniken die hun netten hadden uitgeworpen goede vangsten deden. De vissen waren psychisch helemaal doorgedraaid door de dingen die ze waarnamen.

De hallucinaties die Malsotte had tekende hij meestal op in zijn dagboek. Soms waren het gigantische kwibussen, gehuld in gehaakte spreien van regenbooggoudkleurig licht, die over de mistbanken zweefden als rookwolken, elkaar achterna. Een soort paringsritueel, waarbij ook wel giften werden uitgewisseld in de vorm van laserflitsen aan informatie en beelden, die in de mist werden geprojecteerd. Stuiterende bolbliksems gaven een ophitsend ritme aan, waarop kronkelende slierten van parelmoer wild dansten. De mist, die eeuwige mist, die veranderde in een poollandschap met immense steden en gebergten, helemaal rondom het schip. Een rode gloed die overal om het schip heen vanachter de horizon opkwam en het arctische landschap omtoverde tot een Marslandschap. Waarschijnlijk was dit de thuisplaneet van de Indringers, zoals de Pelagianen hun belagers noemden.

Als Esca de verhalen hoorde (hijzelf kon de hallucinaties vanwege zijn machinale aard niet ervaren) wist hij zich meestal geen raad. Hij was simpelweg niet gekwalificeerd te achterhalen wat ze betekenden. De vreemde dromen gingen ook aan hem voorbij. Daarom concentreerde hij zich op de navigatie, aangezien hij de enige was aan boord die nergens last van had. Krijgsman bracht steeds meer tijd door met zijn planten die in zijn hoofd een eigen leven gingen leiden. De rest van de broeders zat zwijgend in de schaduw voor zich uit te staren of probeerde vis te vangen.

Het was een frisse lentemorgen met een kalme zee toen Esca in de verte land kon zien. Hij riep met blikkerig metalen stem: "Land!"

Malsotte was half wakker en dacht na over Esca’s kreet. Hij probeerde zich een voorstelling te maken van het begrip ‘land’. De hallucinaties maakten er een bol zand van, die in een duister vacuum zweefde, als een spat vloeistof in de ruimte. Daarom stond hij maar op om het goede nieuws met eigen ogen te aanschouwen. Hij gooide zijn deken van zich af, trok zijn pij aan en slenterde de trap op naar boven. Het was een schitterende dag, er was geen wolkje aan de lichtblauwe lucht. Hij zag Esca helemaal vooraan het dek staan en voegde zich bij hem. Hij tuurde aandachtig in de verte, maar kon niets onderscheiden. "Waar is het land dan, Esca?"

"Wacht maar af, jij zult het straks ook wel kunnen waarnemen. Mijn ogen kunnen veel verder kijken dan de jouwe."

2

Het schip met de broeders en Esca aan boord ging voor anker vlak bij de dichtbegroeide kustlijn. Met de sloep werd de bemanning en zijn bagage naar het land gevaren.

Toen alle mannen en goederen op het tropische strand waren liep Malsotte naar een hologram dat ongeveer anderhalve meter boven het zand in de lucht zweefde en nergens vandaan leek te komen dan vanuit zichzelf. De Pelagiaanse broeders hadden zoiets nog nooit gezien en ze keken er gefascineerd naar.

Het was een geel vlak met daarop donkerrode letters. De tekst luidde als volgt:

Welkom in Earthscape!

Het grootste amusementspark ooit.

Hier vindt u het beste van allerlei werelden.

Toegang kost een maandloon.

Er wordt zo snel mogelijk met u afgerekend.

De directie wenst u veel plezier in Earthscape!

Het hologram schitterde en blonk als parelmoer. Aarzelend stak Malsotte er een vinger naar uit. Meteen veranderde de tekst in een kaart, vermoedelijk een plattegrond van het park.

Een reusachtig oercontinent met honderden rode stipjes met beschrijvingen.

"We zijn in een andere wereld beland," zei pater Lobardo.

"Esca," zei Malsotte, "wat is een amusementspark?"

Esca verhief zijn metalige stem enigszins, zodat iedereen hem zou verstaan. "Een amusementspark is een economisch bedrijf dat tot doel heeft haar klanten te vermaken en te doen ontspannen. Een soort van kerstmis, maar dan met het formaat van het Aardse oercontinent."

"Het Aardse oercontinent?" vroeg een van de broeders.

"Van de kaart valt af te leiden dat we zijn beland op het Aardse oercontinent. De aardplaten zijn nog niet uit elkaar gedreven op deze wereld. We bevinden ons aan de kust van een gigantisch eiland, dat is ingericht als amusementspark. Ieder stipje op de kaart is een attractie, een plaats om te bezoeken. Volgens mijn sensoren zijn het er niet minder dan tweeduizend, verspreid over deze hele Aarde. En dat is de reden dat ieder van ons een geldsom zal moeten afdragen om niet teruggestuurd te worden naar waar we vandaan komen."

"Maar we hebben helemaal geen geld!" sprak Malsotte verontwaardigd uit. "We zijn immers monniken. Wij doen ons werk voor elkaar, voor de kloostergemeenschap, niet voor geld." Malsotte wendde zich tot pater Lobardo. "Wat nu?"

Lobardo kreeg geen tijd om te antwoorden, want iedereen richtte zijn aandacht op een schaars geklede vrouw die uit het oerwoud kwam aanlopen. Ze had glinsterend zwart haar en donkere gelaatstrekken. Haar buik was ontbloot en haar blauwe kleding zat zeer strak. Alle broeders keken er gebiologeerd naar.

In haar linkerhand hield ze een map vast. Haar laklaarsjes lieten bescheiden afdrukken achter in het zand. "Welkom in Earthscape, smeltoven van vele werelden!" riep ze hen toe.

"Laat je niet foppen," zei Esca. "Ze is niet echt, het is een machine net als ik."

"Is het werkelijk?" stamelde Archil vol ontzag. Ze was de mooiste vrouw die hij ooit had gezien.

De gastvrouw sprak de hele menigte van monniken toe. "Ik kom de entreegelden in beslag nemen," zei ze met zakelijke toon. "U komt van een nieuwe, ons onbekende wereld, dus de toegangsprijs bedraagt niet meer dan tweeduizend kredietpunten. Kunt u aan de betalingsverplichting voldoen?"

"Nee," zei Lobardo. "We hebben geen geld."

"U wilt niet teruggaan?"

"Onze wereld is een ravage. We kunnen niet terug," zei Lobardo met om begrip smekende toon.

"Dan ziet er niets anders op," zei de androide. Ze nam een apparaatje van haar gordel en drukte op een knop.

Allemaal, behalve zijzelf en Esca, vielen ze bewusteloos ineen in het rulle zand.

"Wat is hier de bedoeling van?" wilde Esca weten.

"Ik neem jullie mee naar de Grote U, een groot en beroemd hotel. U hoeft niet ongerust te zijn over de gezondheid van uw vrienden. Dit is standaardprocedure voor bezoekers die niet kunnen betalen. Jullie zullen een maand moeten werken om op Earthscape te mogen blijven. Tenzij u liever terugkeert naar waar u vandaan bent gekomen. U mag het zeggen."

"We kunnen niet terug. Onze wereld is verwoest door een meteorietinslag."

De androide maakte aantekeningen van Esca’s woorden. "Ik begrijp het volkomen," zei ze op klantvriendelijke toon.

Van achter de bomen werd een lage bromtoon steeds luider. Het was een passagiersschip dat de Pelagianen en Esca kwam ophalen. "Komt u alstublieft mee," sprak de androide.

De volgende morgen werd Malsotte wakker in een fris ruikend bed in een moderne eenpersoonskamer. Toen hij zijn ogen opende keek hij recht naar een kleurig hologram dat boven hem in de lucht zweefde. Het liet het gezicht van de androide die hen gisteren had meegenomen naar de Grote U zien. "Goedemorgen, Malsotte. U bevindt zich in de medewerkersvertrekken van hotel de Grote U. Rechts van u, in de muur, bevindt zich uw ontbijt. Over een half uur wordt u opgehaald door een van onze medewerkers om u in te werken."

"Hoe bedoelt u ‘in te werken’?" vroeg Malsotte.

"Om in Earthscape te mogen verblijven dient u te betalen door een maand werkzaamheden te verrichten in de keuken van de Grote U. Dit is standaardprocedure voor bezoekers die niet kunnen betalen. Ik wens u veel succes met uw arbeid." Het hologram verdween in een flits.

Uit de muur rechts haalde Malsotte twee verpakte broodjes en een tube oploskoffie of iets dergelijks. In een beker van metaal goot hij warm water dat net van de kook af was en een beetje oploskoffieklei uit de tube. Aan de muur boven zijn voeteneinde hing een lichtkrant, die bij nader onderzoek defect bleek te zijn. Geen nieuwsbulletin voor hem vandaag. Zijn kamer had geen uitkijkramen en dus zou hij straks in de diepten van Earthscape geworpen worden. Hij wist niet eens hoe ze in Earthscape terecht gekomen waren.

Misschien had de meteorietinslag ermee te maken. Of de oorzaak lag niet zozeer bij hun wereld in puin, maar de unieke multitemporale eigenschappen van Earthscape. Een slimme econoom had er wel geld in gezien, in deze wereldpoort die naar vele werelden leidde. Een uitstekende locatie om een bedrijf op te zetten. Een doorvoerhaven, vrijplaats voor kansloze mensen, broeinest van culturen en verzamelplaats van kennis.

Het half uur was voorbij toen er op de deur geklopt werd. "Het is tijd," sprak een norse stem.

Toen Malsotte naar buiten kwam zag hij een kleine, fatsige man voor de deur staan, met achter hem een aantal medewerkers, waaronder Archil Krijgsman de botanicus, een knappe vrouw, Pugley Insula die haar bewonderde, Esca de robot, Lucas Sylvio de schriftgeleerde en Gregorius de musicus. Allen hadden ze lichtblauwe kleding aan.

De fatsige man gaf hem een hand en stelde zich voor: "Ik ben Pablo Nautico, je baas. Hier is je werkkleding," zei hij en duwde Malsotte een tweedelig lichtblauw pak in de armen.

Malsotte deed de broek en het jasje aan en sloot zich aan bij zijn collega’s.

Nog twee monniken werden opgehaald. Met z’n tienen liepen ze achter Pablo aan naar de keuken van de Grote U.

Onderweg wijdde Pablo ze in in de wereld van de Grote U. "Hotel De Grote U is wellicht het bekendste hotel van ES, zoals wij doorgaans Earthscape afkorten. Mensen uit vele werelden, met eigen smaak en cultuur, doen ons hotel aan en genieten van onze faciliteiten. Wij staan vooral bekend om onze uitstekende eersteklas keuken, verzorgd door de beste koks van het continent. Jullie zullen hier werkzaam zijn als keukenhulpen. Jullie houden de keuken schoon en doen de afwas. Het is geen moeilijk werk, maar wel zwaar. Er wordt van jullie verwacht dat jullie elkaar steunen en inspringen voor diegenen die het moeilijk hebben."

Met de lift daalden ze af naar de begane grond. Via een zijgang van het restaurant kwamen ze in de immense keuken van de Grote U terecht. Pablo gaf ieder van hen orders over wat ze moesten doen. Malsotte en de knappe vrouw, Louise Fary geheten, kwamen in de keuken terecht, waar ze de gerechten voorbereidden. Louise was een jonge vrouw van vijfentwintig. Ze kwam van een Aarde waar een Derde Wereldoorlog gaande was tussen China en de Verenigde Staten, in 2033. Daar was ze als pilote actief geweest. Ze was ergens boven een grote oceaan neergestort en zich aan een reddingsboei vastklampend aan de kust van ES gestrand. Zij had niet de benodigde kredietpunten kunnen betalen en moest dus ook werken om in ES te mogen blijven.

De arbeidsomstandigheden in de keuken van de Grote U (de vorm van het hotel laat zich raden) waren gelukkig niet slecht. Het was er warmer dan buiten door alle gerechten die werden gekookt, gebraden of gebakken (misschien ook wel opgewarmd), en vochtiger. De arme zielen die er al langer werkten hadden er niet veel last meer van, maar raadden de nieuwelingen wel aan veel vocht in te nemen, want het was zweten geblazen in de ‘haute cuisine’ van de Grote U.

Malsotte was zijn werk na drie dagen wel zat. Het was dat hij samen met de mooie Louise mocht werken, anders was hij allang er tussen uit geglipt op een voor hem kenmerkende manier. Waarschijnlijk waren zij allen, alle Pelagiaanse broeders, werkzaam in de Grote U.

In het weekend hadden ze vrij en mochten ze doen wat ze wilden. Ze spraken dan met elkaar af in de gigantische ontvangsthal van de U. Ze waren het er over eens dat ze in een nieuwe Aarde opnieuw een klooster moesten beginnen. Ze lieten zich in het ES-Toeristengebouw inlichten over de verschillende werelden waarnaar ze konden afreizen. Een van die werelden was een idyllische planeet die veel weg had van een paradijs. Het werd dan ook ‘Paradijs’ genoemd en alleen de naam al deed de monniken veel goed. Dit moest hun nieuwe thuis worden.

Louise was niet van plan de eerste non te worden van het klooster, maar vond het ook moeilijk om Malsotte, aan wie ze in de loop der tijd zeer gehecht was geraakt - en het gevoel was geheel wederzijds wat Malsotte betrof - te laten gaan. Malsotte was daarom van zins Louise te trouwen en naar de dichtstbijzijnde stad of dorp in het Paradijs te verhuizen.

Het Paradijs lag, zo werd hen door een medewerker verteld, achter het domein van Taldor de Verschrikkelijke. Deze geweldenaar maakte heel Earthscape onveilig met zijn hordes van kannibalen op paarden. Naast hun fysieke kracht kwam de beheersing van telekinese de geweldenaars prima van pas. Ze geleiden hun pijlen doorgaans recht naar het beoogde doelwit, zodat ze nooit mis schoten. Ze waren een geduchte bedreiging voor de attracties van ES. De barbaren waren van zins om de hele planeet in hun macht te krijgen en zo voor levensruimte te zorgen, die ze in hun eigen wereld door een ingevallen ijstijd niet hadden. Taldor was een groot strateeg die onverslaanbaar leek en volgens velen precognitieve gaven had, wat betekende dat hij in de toekomst kon zien.

En als je het over de duivel hebt...

Vrijdagavond werd Old Las Vegas, en ook de Grote U, overvallen door een van Taldor?s bendes. Ze kwamen aangevlogen op hun paarden, de geweldenaars met telekinetische gaven kregen dit moeiteloos voor elkaar, en staken huizen in brand. Het dak van de Grote U werd in brand gestoken en de bovenste verdieping (penthouses en zwembaden) brandde volledig af. Veel kostbare zaken werden weggeroofd. De directie van ES had er schoon genoeg van. Gevestigd in het immense ES-kantoor dachten ze plan na plan uit om Taldor te verslaan.

Na een maand van werken was de dag aangebroken om een deal te sluiten met de ordepolitie van ES. De botanicus Archil Krijgsman had namelijk een monster van de zee meegenomen van het schip. Hierin zaten de hallucinerende algen. Deze konden gekweekt worden om als biologisch wapen te dienen, waarmee Taldor?s hordes verslagen konden worden. In ruil voor dit wapen zou de directie van ES ze een veilige doortocht naar het Paradijs verschaffen.

Maandag kwamen ze bij de receptie van het Hoofdkantoor van de directie van Earthscape. Door een vrouw in sjiek kostuum werden ze meegenomen naar de bovenste verdieping, waar ze terecht kwamen via de supersnelle lift. De toren van ESHQ (Earthscape Head Quarters) was honderd etages hoog en volledig van weerspiegelend materiaal gemaakt. De letters ESHQ waren in de vorm van een hologram zichtbaar op het dak, naast een platform voor helicopters om te landen. Hologrammen kwamen overal voor in ES, zelfs in de meest afgelegen gebieden. De directie vergaderde vandaag over de rendabiliteit van de meer dan tweeduizend mega-attracties die over het hele oercontinent verspreid lagen.

Lance Clarke was een nazaat van de oprichter van Earthscape en de voornaamste bobo van het bedrijf. Een bedrijf dat altijd had kunnen rekenen op een enorme clientele, maar haar inkomsten fors had zien dalen door de verstorende akties van Taldor de Barbaar.

Malsotte liep voorop de vergaderzaal binnen, waar een dozijn directeuren zich had verzameld. Archil Krijgsman volgde hem met het waardeloze watermonster in doeken gewindeld in zijn armen gedragen als een baby. Verder waren Louise Fary en Esca ook meegegaan, de rest van hun groepje zat in de bezoekerslounge op de begane grond.

Lance Clarke zat aan het hoofd van de tafel. Hij stond op en riep: "Goedemorgen, dames en heren."

Malsotte voorop kregen ze allevier een warme hand van de man, die waarschijnlijk nog geen veertig jaren oud was en licht grijzend zeker geen lelijk figuur sloeg. "Neemt u plaats."

Alzo deden ze.

"U zegt afkomstig te zijn van een Aarde in de tiende eeuw na Christus. Christus, wie of wat is dat?"

Malsotte keek naar Esca en Esca ratelde: "De eniggeboren Zoon van God, geboren uit de maagd Maria, om te betalen voor onze zonden is Hij gekruisigd, gestorven en begraven, neergedaald ter helle en op de derde dag weer opgestaan, opgevaren naar de hemel om te zitten aan de rechterhand van God om voor ons voorspraak te doen."

Lance keek Esca ontgoocheld aan. "Hoe komt het dat wij deze Zoon van God niet kennen?"

Malsotte zei: "U kent Hem nu. Onze geschriften die we van onze wereld hebben meegenomen worden op dit moment verveelvoudigd in de vorm van gedrukte Bijbels."

"Deze wereld is waarschijnlijk geen echte wereld in onze definitie van het begrip," zei Louise.

"Dat weet ik zo net nog niet," zei Malsotte. "Misschien is dit de Aarde in een zeer vroeg stadium. Dat roept bij mij de volgende vraag op, aan u, meneer Clarke: hoe is uw overgrootvader hier ooit terecht gekomen?"

"Ik begrijp dat u veel vragen hebt. De meeste daarvan worden beantwoord in een promotiefilm die we hebben gemaakt, oorspronkelijk bedoeld voor onze financiers. Wilt u deze film bekijken?"

Malsotte voerde het woord. "We zouden vereerd zijn."

Het licht dimde zachtjes uit en een projectie kwam tot zijn volle schijnsel op de wand tegenover Lance. De vier bezoekers draaiden zich ernaartoe en gaven hun ogen en oren de kost.

Een aangename stem vertelde: "Earthscape is opgericht door Lawrence Clarke in het jaar achtenveertig na Ontdekking. Over de Ontdekking is slechts bekend dat zij werd gedaan door mensen onder leiding van ene Gregory Smith. Earthscape, kortweg ES, heeft toegang tot vele parallelle werelden, waaronder de uwe. Deze mogelijkheid is geschapen door een ingenieus staaltje techniek. Deze planeet wordt omcirkeld door een netwerk van satellieten die onderlinge verbinding met elkaar hebben. Dit netwerk wordt het Vangnet genoemd. De satellieten vormen portalen naar de parallelle werelden, waaronder de uwe. De meeste van deze parallelle werelden beschikken net als ES over een Vangnet. Vele duizenden Aardes zijn inmiddels opgenomen in het Netwerk."

Deze tekst ging gepaard met holografische animatieprojecties die uit elkaar voortvloeiden of zich samenmengden. Voor de ongeoefende ogen van de monniken was het een duizelingwekkend schouwspel.

"Earthscape is een initiatief van meneer Clarke, voorvader van haar huidige hoofddirecteur, meneer Lance Clarke. De eerste attractie die werd gebouwd was het Natuurreservaat, verspreid over grote delen van het continent. Hier vindt u duizenden diersoorten in de volle vrijheid die ze verdienen. Met allerlei vervoermiddelen kunt u ze een voor een bezoeken."

"Machines," onderbrak Esca koeltjes. Niemand schonk er enige aandacht aan, daarvoor zei hij het te zacht.

"Nog vele attracties zouden volgen, zoals de Duizendbaan en de Tweeduizendrit. Supersnelle achtbanen die u meevoeren door ruimte en tijd. Verder is er nog het Plezierritje, dat u rondleid door ES. Old Las Vegas is onze nummer een gokstad, vernoemd naar het legendarische Las Vegas van de eenentwintigste eeuw. Old Paris verzorgt voor u een immer fascinerende cultuurschok door een uitgebreid arrangement van theater, kunst en kleinkunst. De befaamde Lenteshow werd hier geboren."

"Etcetera, etcetera," zei Lance Clarke. "Genoeg gezien?"

De vier bezoekers knipperden met hun ogen tegen het licht dat aangloeide.

"Mooi zo. Laten we nu terzake komen. U komt hier met een verzoek. Steek van wal, zou ik zeggen."

Malsotte nam het woord. "Mijn vriend hier, Archil Krijgsman, heeft een monster van de oceaan die we per schip zijn overgestoken hier naartoe. In het monster zit een buitenaardse algensoort, die zich zeer snel vermenigvuldigt en vergaande uitwerkingen op de menselijke geest heeft. De algen zorgden bij ons voor hallucinaties en visioenen en in onze slaap droomden we over de meest waanzinnige werelden, de thuisplaneten van de algen. Op deze wijze communiceren de algen met mensen. We weten zeker dat het door het zeewater kwam, want toen we hier aan land kwamen hadden we nergens meer last van."

"Buitenaardse algen?"

"Op onze Aarde neergestort met de meteoriet die onze wereld onbewoonbaar heeft gemaakt. Terechtgekomen in de oceanen, waar ze al het andere oceaanleven om de tuin leiden met verraderlijke hallucinaties die zo echt lijken dat ze door geen enkel dier worden opgegeten. Mede daarom zijn ze het afgelopen jaar zo talrijk geworden. Ze hebben geen potentiele vijanden." Malsotte liet deze informatie bezinken bij zijn toehoorders.

"Interessant. Ga door," spoorde Clarke hem aan.

Krijgsman nam het woord. "De algen kunnen een geschikt wapen zijn in de strijd tegen Taldor en zijn ruiters. Als we de algen in grote hoeveelheden kweken en het algenwater onder de ordepolitie distribueren hebben we een wapen dat de tegenstander doet hallucineren. Hoe groter de concentratie van algen in het water, des te groter het effect op het slachtoffer. De zintuiglijke waarneming van het slachtoffer wordt zodanig ontregeld dat ze volledig uitgeschakeld wordt. Althans, dat is de theorie. Met uw toestemming kan ik de werking van het algenwapen aan u demonstreren."

Lance Clarke knikte nieuwsgierig. "Gaat uw gang."

Archil haalde een doorzichtig flesje met algenwater tevoorschijn. Voorzichtig verwijderde hij de kurk van de opening en hield het geopende flesje voor het gezicht van een van de directeuren. "Wat ziet u?" vroeg hij na een tijdje.

De directeur begon heftig te zweten en kreeg kotsneigingen. "Ik zie jullie veranderen in olievlekken van ontzagwekkend formaat, ronddraaiend in de lucht. Mijn eigen stem is vervormd tot hysterisch gegil dat voortdurend van toon verandert. Ik ruik de walgelijke geur van rottend vlees. Ik zie geraamtes smelten tot een borrelende groengrijze smurrie. Het is werkelijk verschrikkelijk. De kamer is bol geworden en jullie ogen draaien razendsnel rond in hun oogkassen, bloed spuit alle kanten op vanuit uw harten. Een rode waas zweeft door de ruimte heen. De bolle muren lossen op in de olievlekken en ik zie sterren ontploffen." Hij hief zijn handen omhoog. "Mijn handen zijn wortels die razendsnel uitgroeien en zich in de vloer boren..."

Archil deed de kurk weer op het flesje.

Lance Clarke keek tevreden naar het flesje. "Werkelijk fenomenaal wat u daar in dat flesje heeft."

"Kunt u zich voorstellen wat er gebeurt als iemand het goedje binnen krijgt? Totale verlamming is het gevolg. Aan boord van het schip hebben we er vaak genoeg last van gehad. Een mens is nergens meer toe in staat als hij in direct contact komt met het spul."

"Wat verlangt u in ruil voor dit algenwapen?" vroeg Lance.

"Een veilige doortocht naar het Paradijs."

"Het Paradijs bevindt zich achter het territorium van Taldor. U wilt dat wij u meenemen met ons leger en u veilig naar het Paradijs geleiden?"

"Inderdaad," zei Malsotte.

"Ik denk dat wij een deal hebben, meneer Malsotte en Krijgsman."

De algen werden in grote watertanks verder gekweekt. Om de zoveel uren werden meer liters aan de algen blootgesteld. De algen produceerden zich zo snel voort dat ze in een jaar tijd de zeven wereldzeeen hadden ‘veroverd’, op de thuiswereld van Malsotte en de zijnen.

Er moesten vliegtuigen ingezet worden die water konden vervoeren en laten vallen op de geweldenaars en barbaren van Taldor. Raketten en andere vernietigingswapens waren niet voorhanden. Die waren in het ganse continent bij wet verboden. Het algenwapen moest bij de hordes zorgen voor grote paniek en chaos. Men hoopte dat ze direct rechtsomkeerd zouden maken als de algen hun uitwerking op hen hadden. Het moest maar eens afgelopen zijn met hun tirannie.

Op zekere dag vertrok een luchtvloot van achthonderd vliegtuigen met algenwater in strooitanks richting Armageddon, waar de barbaren hun kamp hadden opgeslagen.

Malsotte en de zijnen die in een passagiersvliegtuig werden vervoerd, een Boeing 747, hadden nog nooit het wonder van vliegen, loskomen van de grond, meegemaakt. Dit was hun vuurdoop, die hen veel ontzag deed ontboezemen.

Toen ze boven Armageddon zaten beleefden Taldor en de zijnen een hele andere doop: die met het algenwapen. De algen waren inmiddels verder geevolueerd tot miniscule monstertjes, ook die werden naar beneden gestort en zorgden voor veel verwarring en verstrooiing bij de barbaren. Enkele vliegtuigen sneuvelden doordat ze door brandende pijlen geraakt waren. Maar het algenwapen had het gewenste effect: de stammen vluchtten weg naar hun eigen wereld - ze wilden niets meer met Earthscape te maken hebben.

De Boeing 747 maakte een noodlanding in het Paradijs, op een hoogvlakte vlakbij de stad Eden, een naam die velen tot de verbeelding sprak, al was het wel de plaats waar de zonde in de wereld was geholpen. In Eden stichtten Malsotte en Louise een gezinnetje. Ze bezochten de Pelagiaanse broeders in hun nieuwe klooster regelmatig, om ze in te lichten over de toestand in het Paradijs. Hun nageslacht zou ooit nog eens de komst van de Messias meemaken, al was dat nog vele eeuwen van hen vandaan.


Home

© Copyright Rogier van der Tholen - 03/07/2000. Alle rechten voorbehouden.

Hosted by www.Geocities.ws

1