|
Dit is een uitgave van de
Hermitatische Synodale Kerk voor vrije verspreiding. |
Het Eeuwig Evangelie VI
De Steen van Chawila
1.
1. En Jezus daalde tot de
onderwereld waar Hij uiteindelijk kwam tot Chawila. En Jezus brak stukken van
de steen af, en kwam tot de plaats waar het tweede beest was, diep in de afgrond.
En Christus sprak tot het tweede beest, en omklemde de nek van het beest met
een bereklauw. En Christus kwam tot de canon en brak het in stukken. En
Christus kwam tot Chawila als tot een vrouw. En Christus sprak woorden tot de
zee, en de zee trachtte Hem te verslinden. En de slangen en de wormen der zee
trachten Hem te omknellen, maar Chawila beschermde Hem. En Chawila nam Hem mee
tot een grot waar Hij veilig was. En Chawila noemde Hem de Indiaan en schonk
Hem een veer. En zij bekleedde Hem met de wonderbaarlijkste sieraden en
edelstenen en met dat wat leeft onder de aarde. En Christus sprak tot haar en
zeide : Uw zand zal tot goud zijn van het goede, en het zal zich
vermenigvuldigen.
2.
1. Er was eens een meisje dat
heel diep onder de grond opgesloten leefde om voor een draak te koken. Het
meisje heette Rozinde. Altijd als ze niet snel genoeg was met koken dan werden
de vlammen onder haar grote ketel woester en woester. Ook wilde de draak altijd
veel verschillende soorten vreemd vlees, en daarom moest Rozinde vaak op jacht.
Als ze niet snel genoeg was met jagen dan werd haar boog ineens vuurheet en dan
viel ze altijd op de grond van de pijn. Op een dag schoot een prins een pijl op
de draak af en bevrijdde Rozinde. Hij nam haar mee naar zijn kasteel. Om tegen
de draak beschermd te zijn moest ze elke dag baden in een bad vol met melk
onder het kasteel. En elke dag moesten er wilde bloemen in geworpen worden. De
prins hield veel van het meisje en op een dag trouwde hij met haar. Maar toen
eens de prinses vergat in het bad van melk te baden sloeg de draak toe, en nam
haar weer naar de diepe plaats onder de grond. Nu moest Rozinde nog harder
werken, en was de draak woester dan ooit. Op een dag kwam de prins om zijn
Rozinde te halen, maar de draak sloot hem op achter tralies van vuur. Rozinde
werd elke dag steeds verdrietiger. Op een dag was ze weer op jacht voor de
draak en vond een hert in het struikgewas. ‘Heus, schiet me niet,’ zei het
hert, ‘dan zal ik je al mijn melk geven.’ En toen herinnerde Rozinde het weer
dat de draak niet tegen melk kon. Ook vroeg Rozinde aan het hert waar wilde
bloemen waren. Het hert had heel veel melk te geven, en al gauw was er een heel
bad vol. Toen gooide Rozinde de wilde bloemen erin. Snel nam Rozinde een bad in
de melk en ging met natte kleren terug. Toen ze bij de vuurtralies aankwam
wreef ze met haar melknatte kleren er tegenaan terwijl de tralies kapot
sprongen. Snel greep ze haar prins bij de hand en samen renden ze naar het bad.
Hier waren ze veilig tussen de wilde bloemen. Maar al gauw kwam de draak een
kijkje nemen. Hij wist dat hij niks tegen hen kon beginnen zolang ze iedere dag
een bad zouden nemen in de melk. Maar hij wachtte en wachtte, en vandaag wacht
hij nog steeds.
3.
1. En uiteindelijk kwam Christus
tot de draak, en had Chawila als zijn boog. En hij doorboorde het hart van de
draak met een pijl, en de draak kreeg varkenskoppen. En Chawila sprak dat na
het zilveren tijdperk de draak geheel als een mak varken zou zijn. En Christus
keerde om en ging heen van de draak, terwijl engelen Hem volgden. En Chawila
sprak dat het goud der aarde de draak verder zou doorboren om een weg te vinden
door zijn hart, tot het doen ontwaken van het zilver. En vele soldaten die door
de draak waren opgeslokt zouden zo vrijkomen, en zij zouden de engelen van
Christus volgen over het pad van Chawila. En Chawila nam haar fluit om die te
bespelen, en bloemen begonnen voort te komen uit de draak, en zij droegen de
gouden glazen wanden. En ziet, zij waren als de tegels van de nieuwe stad. En
Chawila zag en sprak dat het goed was. Zo keerde zij terug tot Christus, en
Christus kwam tot haar als tot een vrouw.
4.
1. Eens in de tijd dat er
nog geen bloemen waren leefde er eens een meisje dat zo mooi was dat iedereen haar
‘Zwanenpracht’ noemde. Op de hele wereld was er geen liever meisje te vinden
dan haar, met een hart van goud en stralend licht. Haar vader, een koopman was
erg trots op haar, en er was niemand met wie zij het beter kon vinden dan met
haar vader. Maar op een dag was de vader erg ziek. Het meisje was erg bedroefd
en na korte tijd stierf haar vader. Haar moeder was een edele vrouw en
hertrouwde. Maar al gauw bleek dat het meisje niet met haar nieuwe vader kon
opschieten. De stiefvader was erg ruw naar haar, en het meisje begon erg te
veranderen. Na een aantal jaren was ze zo’n kreng geworden dat iedereen haar
Zwanenplaag noemde.
2. Maar op een dag was er
een koopman met een carrousel in het land. De kinderen waren dol op de
carrousel en ook het meisje vond het fijn er ritjes in te maken. De koopman was
direkt erg gecharmeerd door het meisje, omdat ze zo mooi was als een zwaan. Na
de ritjes wenkte de koopman het meisje, en nam haar apart. ‘Heus,’ zei de
koopman, ‘ik heb in het hele land geen mooier meisje gezien dan jij, met een
hart zo vol van goud en stralend licht.’
3. ‘Iedereen noemt mij
zwanenplaag,’ zei het meisje, ‘omdat ik zo’n kreng ben. Vanwaar uw
belangstelling ?’
4. ‘Oh, maar ik zou jou
Zwanenpracht noemen,’ zei de man. Ineens moest het meisje aan haar vader
denken.
5. En toen vertelde de man
haar dat wanneer het midden in de nacht is, en alle kinderen slapen, dan wordt
de zwaan van de carrousel wakker, en wie dan op haar rug zit maakt met haar een
ritje in de lucht. Als je het aan niemand vertelt, en naar de carrousel komt
wanneer je de eerste sterretjes van de nacht ziet, dan is het aan jou de eer
een ritje te maken, sprak de man.
6. De eerste nacht toen het
meisje een ritje mocht maken op de vliegende zwaan van de carrousel kon ze alle
lichtjes van de stad zien, en vertelde aan de man van de carrousel dat haar
echte naam Linana was. Omdat het het meisje zo beviel mocht ze ook de volgende
nacht komen. Ditmaal bracht de zwaan haar nog verder weg, en vertelde ze de man
van de carrousel dat haar vader was overleden, en dat ze een boze stiefvader
had. En de man nodigde haar nog een keer uit. Ditmaal bracht de zwaan haar naar
een land zo ver weg dat ze het niet kende. Toen ze een voet op de grond had gezet
vloog de zwaan weg. Ze riep de zwaan nog na, maar al snel was de zwaan helemaal
uit het zicht verdwenen. Ze stond vlakbij een meertje waar een heleboel echte
zwanen waren.
7. Linana mocht op één van
de grotere zwanen een ritje maken over het meer, en ineens steeg de zwaan op.
‘Oh, kun jij me even naar mijn land terugbrengen,’ zei het meisje. ‘De zwaan
van de carrousel is mij vast vergeten.’
8. Toen het meisje weer bij
de man van de carrousel was aangekomen, vertelde de man haar dat de zwaan van
de carrousel altijd op tijd terug moest zijn, anders zou hij in de lucht ineens
weer van metaal worden en neerstorten. Toen begreep het meisje het. Maar ook de
zwaan van het andere land wilde wel een plaats op de carrousel hebben. Voor de
man met de carrousel was dat niet zo moeilijk, omdat hij immers toverkrachten
bezat. En steeds kwam het meisje terug in de nacht om ritjes te maken op de
zwanen, en ze nam telkens nieuwe zwanen mee. Na een tijdje was de carrousel vol
met zwanen, en op een nacht steeg de hele carrousel op, en vloog naar het land
van de zwanen.
9. Dus als je een keer in
de nacht een carrousel door de lucht ziet vliegen, dan weet je dat het Linana
met haar zwanen is. Op een keer vertelde de koopman dat er drie vlammetjes in
het binnenste van de carrousel waren. Zodra het eerste vlammetje uitging ging
er op aarde iemand dood. Altijd als het tweede vlammetje uitging werd er op
aarde iemand geboren, en als het derde vlammetje uitging werd er iemand blij.
Linana vond het een prachtig gezicht om naar de knipperende vlammetjes te
kijken. Maar op een dag werd ook de man van de carrousel ernstig ziek, en
stierf. Linana was nu bedroefder dan ooit, en sindsdien gingen de vlammetjes
niet meer aan. Ook de carrousel draaide niet meer, en de zwanen kwamen niet
meer tot leven. Niemand wilde een carrousel in het land hebben die het niet
meer deed. Ze besloten de carrousel in een diep gat in de aarde te werpen.
Linana was ontroostbaar. Maar op een dag kwam er een zwaan van het andere land,
en nam haar mee. Het meisje wilde niet meer terug en besloot in een huisje te
leven aan het meertje van de zwanen. Maar op een dag gebeurde er iets
wonderlijks, vanuit het meertje kwam de oude carrousel opzetten. De carrousel
was nu groter dan ooit, en er waren ook veel meer zwanen op. De zwanen
vertelden het meisje dat in het diepe gat in de aarde een oude vrouw leefde die
zoveel toverkracht bezat dat ze kon maken dat de zwanen altijd konden leven.
Zelf had ze ook een heleboel zwanen, en die konden sindsdien ook in de
carrousel zijn. En in het binnenste van de carrousel waren nu zoveel
knipperende vlammetjes en was het er zo groot, dat Linana er voor altijd zou
kunnen wonen.
10. En zo maakte Linana
vanaf nu ook ritjes door het water en onder de grond. En als je haar eens
tegenkomt, vraag dan maar of je met haar mee mag.
5.
1. En zo hing de Heere zeven
dagen in de onderwereld aan de strop, toen hij engel geworden was, om zo vele
engelen tot zaligheid te brengen. Ja, want enkelen onder hen waren door de
vloek van de zwarte appel weggenomen, en leden in het verborgene, in
gebondenheid. En de Heere hing daar, gemaskerd als de ekster. En zo is de Heere
dan in het dodenrijk der engelen geweest, en in het dodenrijk der mensen, om
velen tot zaligheid te brengen, zowel mens als engel. En sommigen hebben gepredikt
dat engelen niet sterven, maar zij weten niets af van het verborgene des
Heeren. Want ook als engel heeft de Heere de dood gezocht, en de dood heeft Hem
gegrepen, opdat Hij velen zaligen zou. Weet gij dan niet van de verboden
appelen der mensen en engelen, waardoor zij zouden sterven ? En in hun val
namen zij velen mee, hun generaties, hun geslacht, hun ras, hun legioenen, en
iedere vorm van bloedband, en de Heere sprak dat Hij niet schuldig zou houden
hen die door toedoen van anderen stierven. Maar ik zal u een geheimenis
vertellen : dood en leven is enkel taalgebruik, want de doden leven, en de
levenden zijn dood. En zo kwamen dan de engelen die gezondigd hadden, en die
zij in hun val meesleurden op wat voor manier dan ook, terecht in het dodenrijk
der engelen. Nu is de vraag : waar is het dodenrijk der engelen ? Zij vielen
van de berg der goden, de berg van Eeden, en kwamen in de wildernissen van
Eeden terecht, in de vierde dermensie, terwijl zij van de vijfde dermensie
waren, en de goden van de zesde dermensie, hoger op de berg van Eeden. En zo
reikt de top van de berg van Eeden in de zevende dermensie, waar de Godslangen
wonen die het wezen van God zijn, en de oude ekster woont in de achtste
dermensie. Is het dan zo dat zij die sterven een dermensie lager komen ?
2. Als een mens, die van de
derde dermensie is, sterft, waar komt hij dan ? Toen Adam en Eva uit de hof van
Eeden werden gejaagd kwamen zij tot de derde dermensie, en de cherubs werden
tussen de derde en de vierde dermensie gezet op de weg tot de boom des levens
te bewaken. Maar de cherubs zelf zijn van de vijfde dermensie. Zo zien we dat
er raakvlakken zijn tussen de dermensies. Ook is het mogelijk in het dodenrijk
te sterven, om zo van dood tot dood te gaan. Dit zijn de krachten van de goden
en de engelen, en zij worden er niet door geraakt. Nu was Christus tot de
dodenrijken der mensen en de dodenrijken der engelen gekomen, om daar weer te
sterven, en velen doorgang te geven. Zo heeft Hij dan de evangelieen der mensen
en de evangelieen der engelen verkondigd. En Hij heeft hen de wegen door de
dodenrijken en door de poelen des vuurs laten zien, en Hij heeft aangetoond dat
deze dingen ter zuivering en testing waren. En zo kwamen vele engelen en vele
mensen tot verlichting. Het doel van Christus is dus tweevoudig geweest : het
verlichten van engelen en mensen. En zo is Hij dan tweemaal Verlosser. De
ekster was dit voor de Godwezens en de goden. Istus was de verleider der
Godwezens, en Maktus de verleider van de goden, die ooit Virtus verleidde tot
het nemen van het verboden vlees. Virtus was de verleider van engelen, en
verleidde satan toen die nog een aartsengel en zoon Gods was. In vele opzichten
is Christus voortgekomen vanuit de ekster, en werd ook zo genoemd. Hij heeft
zowel de dodenrijken van mensen als die van de engelen bezocht, en is aan zowel
mensen als engelen gelijk geworden. En zo bezocht Christus de eerste tot en met
de vierde dood, en ging over de rivieren die deze vier gebieden van elkaar
gescheiden hielden. En de rivier tussen de eerste dood en de tweede dood was de
Makasto, en zij hield het dodenrijk van de hel gescheiden. En de Kamsto was de
rivier die de tweede dood van de derde dood gescheiden hield, als de hel van de
slaap.
3. En de Vlamo was de rivier die
de derde dood van de vierde dood gescheiden hield, tussen slaap en
vergetelheid. En de Heere verloste velen uit de zielenslaap. En de derde dood
had als naam Fakaro en hij hield vele zielen in slaap, zowel mens als engelen,
en de Heere dreef hem terug. En de vierde dood had als naam Zamisto, en hij
hield velen in de greep, en de Heere dreef hem terug. En de Heere zelf had
macht, als door het bloed van de ekster. Ook kocht de Heere velen vrij uit
Gehenna en het tweede Gehenna, en ook uit Tartarus, die gebieden waren van de
tweede dood. En de tweede dood had als naam Alsma, en de Heere dreef hem terug.
En de Heere ging de berg van Eeden op, en nam vele mensen en engelen mee die
Hij verlost had, en Hij sprak tot de berg, en die opende zich, en nam allen die
door het bloed des Heeren waren gezuiverd aan. En de eerste tot en met de
vierde dood kwamen klagen bij de oude ekster en bij de Heere, en Alsma, de
tweede dood, trok zijn zwaard, maar de Heere wierp hen allen in de poel des
Heeren. En de Heere maakte een eind aan het gehandel tussen de eerste tot en
met de vierde dood, en liet de rivieren tussen hen overstromen, en aldus was de
vloed des Heeren. En de Heere bracht de Zijnen tot een schuilplaats in het
binnenste van de berg van Eeden, en liet hen aldaar Zijn dieptes zien. En allen
waren verwonderd over de mysterieen van de berg van Eeden.
6.
1. Er waren eens twee zusters
die water moesten putten bij een waterput. Op de put zat een mannetje die hen
te drinken vroeg. ‘Ga zelf water halen,’ zeiden de twee zusters.
2. ‘Maar ik heb geen emmer,’ zei
het mannetje.
3. ‘Ga dan maar eerst een emmer
halen,’ zeiden de twee zusters.
4. ‘Kan ik niet gewoon in jullie
emmer naar beneden, dan kan ik daar wat water drinken en zorgen dat jullie
emmer volkomt. Ik zal jullie er rijkelijk voor belonen,’ zei het mannetje. Hij
liet de twee zusters wat goudstukken zien, en de zusters stemden in. Ze lieten
het mannetje aan de emmer aan een touw helemaal naar beneden gaan. Het mannetje
stapte uit de emmer ging op een klein platform staan, en legde een schorpioen
in de emmer. Toen de twee zusters de emmer terug hadden met de schorpioen erin
waren ze woedend. ‘Wacht maar, mannetje,’ zei één van de zusters, stapte in de
emmer en liet haar zuster het touw vieren om zo beneden te komen. Maar het
mannetje was in geen velden of wegen te bekennen. De twee zusters hadden ook
nog een jongere zuster, en de volgende keer lieten ze haar naar de waterput
gaan. Het mannetje zat er weer, en vroeg ook aan dit meisje of ze hem wat te
drinken wilde geven. Het meisje gaf hem direkt te drinken. ‘Omdat je zo
behulpzaam bent geweest,’ zei het mannetje, ‘zal je emmer altijd vol blijven.’
Het meisje ging weer naar huis en vertelde alles aan haar zusters. En
inderdaad, zodra de emmer bijna leeg was raakte de emmer weer vol. Direkt
zochten haar zusters een andere emmer op en gingen terug naar de waterput. Weer
zagen ze daar het mannetje. ‘Zo,’ zeiden ze. ‘Zullen we jou eens goed te
drinken geven ?’ Het mannetje knikte, en ze gaven hem goed te drinken. Het
mannetje dronk de hele emmer leeg. Maar toen ze voor de tweede keer de emmer
omhoog haalde zat de emmer vol met vieze modder en spatte al hun klederen vies.
‘Omdat jullie mij alleen te drinken hebben gegeven om jullie eigen hebberigheid
zal vanaf nu jullie emmer altijd vol zijn met vieze modder, en zullen jullie
klederen altijd vies zijn. Huilend gingen de twee zusters naar huis om hun
klederen te wassen, maar hoe meer ze hun klederen probeerden te wassen, hoe
viezer deze werden.
7.
1. En Christus sprak tot Chawila
en tot haar steen, en blies leven in de steen, en leven in haar hart. En
Chawila zegende Christus en balsemde hem. Nu dan was Christus tot diep in het
dodenrijk afgedaald om velen van de draak vrij te zetten. En ook kwam Hij tot
de ouders van de draak, het ijzeren beest en de panter. En Hij wierp hen beiden
in de zee zoals men stenen slingert. En hun lichamen zonken beiden tot op de
bodem, terwijl hun zielen werden verbrijzeld. En Chawila nam rust voor zes
dagen, en na die dagen legde zij zich aan de voeten van Christus die op Zijn
troon zat. En Chawila smeekte Christus om de Vokolkus en de Takalan te openen,
de twee verborgen boeken voor Gods Troon. Zij dan waren bedekt met leer en met
leren sluitsels afgesloten. En Chawila weende voor de troon, veertig dagen en
nachten, maar niemand was bij machte deze twee boeken te openen. ‘Rust nog een
tijd, Chawila,’ sprak Christus, want deze twee boeken zullen pas aan het einde
der tijden worden geopend. En ik zag een ster uit de hemel dalen om Chawila
rust te geven, en zij werd vertroost. En Christus sprak : ‘Ga dan, Chawila,
naar uw stad, want uw stad zal vol worden, en er zullen lichten in haar
binnenste zijn. Gij dan zijt een voedster. Ga daarom, Chawila, want de Heere is
met u.’ En zo vluchtte Chawila door de bossen zeven lange dagen en zeven lange
nachten, totdat zij eindelijk in haar stad aankwam, en de ster kwam over haar.
En de ster sprak tot Chawila : ‘Ziet dan, de panter is neergedaald tot de
dieptes der zee, en zal weldra tot de zeerotsen gaan. Ook het ijzeren beest is
van zijn plaats uit de hemelen gevallen, en zal worden tot het groen der aarde.
Ja, tot tere bloesem zal hij worden, want hij heeft grote en harde dingen
gedaan.’ En Chawila legde haar hoofd ten ruste en bereidde haarzelf voor op het
voeden.
2. En ook engelen kwamen tot de
Heere en smeekten : ‘Is er dan niemand die de zegelen van de Vokolkus en de
Takalan kan verbreken ? Zend dan uw profeet tot het einde der dagen om het te
openen.’ En zij kregen een gewaad van de Heere, om nog enige tijd te rusten.
8.
1. Er was eens een meisje dat
achter sluiertjes woonde. Haar vader had die sluiertjes gemaakt, en die sluiers
waren heel lang. Tussen de sluiertjes leefden de gevaarlijkste roofdieren die
het meisje moesten beschermen. Haar vader was kleermaker. Hij had voor haar een
huisje gemaakt als een poppenhuisje, ook met veel sluiertjes binnenin en met de
prachtigste meubeltjes. Ook was er een prachtig keukentje binnenin, en door het
huisje hingen de prachtigste gordijntjes. Vele ridders zouden wel met het
meisje willen trouwen, maar zodra ze door de sluiertjes op zoek gingen naar het
poppenhuisje werden ze door een gevaarlijk roofdier verslonden. Omdat de vader
van het meisje ook schoenmaker was maakte hij op een dag de prachtigste
schoenen die zo betoverend mooi waren dat ze met gemak bij het poppenhuisje
konden komen. Zo bezocht haar vader haar elke dag eventjes. Maar op een dag had
hij de schoenen voor de sluiertjes laten liggen, en de eerste de beste ridder
die langskwam trok die schoenen aan, om zo met gemak bij het poppenhuisje aan
te komen. Het meisje was erg verbaasd. ‘Maar wie bent u ?’ vroeg het meisje.
‘Dat zijn de schoenen van mijn vader ?’
2. ‘Oh, neem me niet kwalijk,’
zei de ridder. ‘Ik zag ze voor de sluiertjes liggen en ze waren zo betoverend
mooi dat ik het niet kon nalaten ze aan te trekken.’ De ridder mocht even wat
bij haar drinken, maar toen moest hij weer terug. Netjes bracht hij de schoenen
weer bij de vader van het meisje terug. De vader was de ridder erg dankbaar,
want de ridder had de schoenen ook gewoon kunnen houden, en dan zou de vader
van het meisje nooit meer bij haar kunnen komen. En daarom zei de vader van het
meisje : ‘Omdat je zo eerlijk bent geweest om de schoenen terug te brengen zal
ik ook een paar toverschoenen voor jou maken. De schoenen die ik zelf heb kan
ik niet meer namaken, maar zeg me maar wat voor een toverschoenen je wil
hebben.’
3. ‘Ach,’ zei de ridder, ‘ik zou
graag schoenen willen hebben die de sleutel dragen tot het hart van uw
dochter.’ En zo maakte de vader van het meisje de prachtigste schoenen voor de
ridder die haar hart zouden kunnen betoveren. Maar toen de ridder bij de
sluiertjes aankwam lieten de roofdieren hem er niet langs. De ridder begon het
meisje heel hard te roepen en na vele lange uren kwam ze eindelijk door de
sluiertjes heen. Ze stond direkt als betoverd toen ze de schoenen van de ridder
zag, en bracht hem naar het poppenhuisje. En daar zijn ze beiden voor altijd
blijven wonen.
9.
1. Susanna was een heel
bijzonder meisje. In de nacht kreeg ze altijd vleugels, en vloog ze naar verre
landen. Maar als de ochtend viel verloor ze haar vleugels altijd weer, en
daarom moest ze altijd op tijd terug zijn, voordat de zon opkwam. Op een nacht
nam een heks haar gave van haar af. In ruil daarvoor kreeg Susanna
vlindervleugels en een kroon van veren, maar ze kon nooit meer naar huis. De
heks bracht haar naar een plaats waar het altijd nacht was. Hier waren een
heleboel meisjes zoals haar, maar de nachten duurden er heel lang, en als een
nacht was afgelopen dan kwam direkt de volgende nacht. Wel kregen ze allemaal
na elke nacht een steentje aan hun halskettingen erbij. Die steentjes waren
helemaal wit en werden morgenstenen genoemd. Als hun halskettingkjes helemaal vol
waren met steentjes dan mochten ze de reis maken naar de plaats waar het altijd
dag was. Daarvoor moesten ze door een hele lange donkere tunnel heen waar de
oudste mannetjes woonden die bestonden. Na een hele lange tijd mocht Susanna de
reis gaan maken. Toen ze in de tunnel met de oudste mannetjes die bestonden
kwam klampten sommige mannetjes haar direkt aan. ‘Help ons,’ zeiden ze. ‘We
kunnen niet lopen. Draag ons naar het morgenland.’
2. ‘Maar natuurlijk,’ zei
Susanna, en droeg zoveel mannetjes met haar mee als ze kon. Maar de andere
meisjes die met haar waren zeiden tegen de mannetjes die hen aanklampten :
‘Zorg zelf maar dat je in het morgenland aankomt.’
3. Verderop kwamen ze bij een
grote waterbron aan. ‘Kun je ons wat water geven,’ vroegen de mannetjes aan
Susanna. ‘Onze handen zijn te slap om water te scheppen.’
4. ‘Maar natuurlijk,’ zei
Susanna, en gaf hen allemaal te drinken. Maar de andere meisjes namen alleen
maar water voor henzelf. Na een hele lange tijd lopen kwamen ze eindelijk aan
bij de rots die de ingang naar het morgenland blokkeerde. Een klein mannetje
zat op de rots en vroeg aan hen allen waar ze de mannetjes hadden. Aan
Suzanna’s rug hingen er een heleboel, maar de andere meisjes zeiden lachend dat
de mannetjes zelf maar moesten lopen. ‘Dat is nogal erg dom van jullie,’ zei
het kleine mannetje op de rots. Zodadelijk schuift de rots namelijk van de
ingang weg, en zal het vuurgordijn dat de ingang nog verspert door de tunnel
heengaan. De mannetjes zullen hun dragers hiertegen beschermen. ‘Geef die
mannetjes hier,’ riepen de meisjes naar Susanna.
5. ‘Ga ze zelf maar halen,’ zei
Susanna. En toen zetten de meisjes het op een lopen naar het begin van de
tunnel waar de oude mannetjes zaten. ‘Spring snel op onze ruggen,’ zeiden de
meisjes, ‘dan brengen we jullie naar het morgenland.’
6. ‘Vanwaar jullie bereidheid
ineens ?’ vroeg één van de oude mannetjes.
7. ‘We hebben ons bedacht,’ zei
één van de meisjes. ‘En we zullen jullie ook te drinken geven bij de bron.’
8. ‘Zo zo,’ zeiden de mannetjes,
en stapten op de ruggen van de meisjes. Toen ze bij de bron aankwamen gaven de
meisjes hen te drinken, en na een lange tocht kwamen ze eindelijk bij de ingang
naar het morgenland aan. De rots was inmiddels al weggeschoven, en het
vuurgordijn staarde hen aan. Ze hadden allemaal zoveel mogelijk mannetjes op
hun rug genomen, zodat ze goed tegen het vuur beschermd zouden worden, maar
ineens sprongen de mannetjes van hun ruggen af en liepen door het vuur naar
binnen. Direkt begon het vuurgordijn op hen af te komen, en zo moesten de
meisjes zo hard mogelijk terugrennen als ze konden.
10.
1. Arachundel groeide op in een
donkere kerker onder de grond. Nooit kwam er een straaltje zonlicht door. Vaak lag
het meisje huilend op de grond. Op een dag kwam er een prins langs de kerkers,
en vroeg aan de baas van de kerkers of hij het meisje mocht kopen. De prins
betaalde er vele goudstukken voor, want dat had hij er wel voor over.
Arachundel was het mooiste meisje wat hij ooit had gezien. Het meisje was erg
blij dat ze vrij was, maar toen ze in het paleis van de prins kwam moest ze in
de keuken werken. En waar ze sliep was het nog wel viezer als in de kerker. Het
meisje begreep het niet, maar op een dag liet de prins haar bij zich roepen.
‘Majesteit, ik dacht dat u mij vergeten was,’ sprak het meisje. Maar de prins
riep haar alleen maar voor een vreemde opdracht : ‘Ga naar de grot achter het
bos, waar een waterput is waaruit je met een emmer goud water moet halen. Kook
voortaan alles in het gouden water.’ Het meisje vond het een vreemde opdracht,
maar ging al gauw op pad. Toen ze eindelijk bij de waterput kwam zat daar een
klein mannetje. ‘Zo zo,’ zei het mannetje, ‘dus je bent door de prins op pad
gestuurd. Hij laat je wel hard werken zeg, en je hebt het nu zelfs slechter als
waar je vandaan kwam.’
2. ‘Dat is waar,’ zei
Arachundel, ‘maar hoe weet u dat allemaal ?’
3. ‘Ach, zie je,’ zei het
mannetje, ‘ik ben een tovermannetje, en als ik jou was, dan zou ik hier gewoon
blijven. Ik kan je alles geven wat je hartje begeert. Er is hier volop gouden
voedsel zodat je nooit meer hoeft te werken.’
4. ‘Nou, dat lijkt me wel wat,’
zei het meisje.
5. ‘Maar,’ zei het mannetje. ‘Je
moet me wat beloven. Je eerste kindje zal je aan mij moeten geven.’
6. Het meisje vond dat allemaal
best. Ze dacht toch niet aan kinderen krijgen. Het mannetje opende een deur, en
er stond inderdaad een berg van gouden voedsel. Het meisje begon direkt te
eten. ‘Zeg,’ zei het meisje. ‘Kan ik de prins vertellen van deze plaats ? Dan
wil hij misschien wel met me trouwen.’
7. ‘Wat je maar wil,’ zei het
mannetje. Het meisje nam wat van het gouden voedsel mee, en gouden water in een
emmer en ging terug naar de prins. De prins was erg verbaasd, en vooral toen ze
hem vertelde dat er nog meer van het gouden voedsel was. De prins was zo onder
de indruk en was het meisje zo dankbaar dat hij wel met haar wilde trouwen. Een
jaar later kreeg het meisje dat nu een prinses was geworden haar eerste kindje.
Ze was haar belofte aan het mannetje allang vergeten, maar op een dag kwam hij
aan het paleis. ‘Tja,’ zei de prins, ‘als je het aan het mannetje beloofd hebt,
dan moet je het ook doen.’ Maar het meisje begon heel hard te huilen, zo hard
dat het mannetje medelijden met haar kreeg. ‘Okay,’ zei het mannetje, ‘je hoeft
je kindje niet aan mij te verliezen, maar vanaf nu zal alles wat je eet vies en
slierterig zijn.’ Toen vertrok het mannetje boos. Sindsdien was er in het hele
paleis alleen maar vies voedsel te vinden, zo vies dat niemand er meer wilde
werken. Het meisje moest zelf weer gaan koken, en huilde iedere dag als ze weer
naar de keuken ging. Het eten was zo vies dat op een dag de prins, de prinses
en hun kleine prinsje uit het paleis vertrokken en toen zijn ze voor altijd bij
het mannetje in de grot gaan wonen.
11.
Het
Gelaarsde Meisje
1. Er was eens een indiaans
meisje dat opgesloten zat op een heel klein eilandje in een vuurzee. Hoewel het
vuur erg laag stond kon ze onmogelijk ontsnappen. Op een dag kwam er een oude
vrouw vanuit de hemel neerdalen die haar hele lange laarzen gaf die tegen het
vuur bestand zouden zijn. Het waren prachtige bruine kaplaarzen. Het was een
hele lange wandeltocht door de vuurzee, maar uiteindelijk bereikte ze toch de
overkant waar een prachtig bruin paard stond met lange manen. ‘Het paard is
voor jou,’ zei de oude vrouw, maar je kunt hem alleen berijden als je je
kaplaarzen aanhebt.’ Het meisje was de oude vrouw erg dankbaar. Toen vertrok de
oude vrouw, en het meisje reed op het paard door velden en wegen. Na een tijdje
kwam ze aan bij een huisje. Het was een soort hotel of herberg, en de eigenaar
had een hele grote witte baard. Er zaten wat rovers aan een tafeltje. Het
meisje vroeg om een kamer, maar liet haar laarzen voor de deur staan. De volgende
dag waren haar laarzen weg en ook het paard. Het meisje vroeg aan de eigenaar
of hij wist waar haar laarzen waren en haar paard. Maar de eigenaar wist het
niet. Het meisje begon hard te huilen, want die laarzen hadden haar leven
gered. ‘Ach,’ zei de eigenaar van het hotel, ‘ik heb nog wel een paar laarzen
voor je en die bezitten zoveel toverkracht dat je er de gevaarlijkste rovers
mee aankan.’ De eigenaar gaf ze als een geschenk omdat hij zoveel medelijden
met het meisje had. De dag daarop vertrok het meisje met de laarzen. Ze voelde
zich nu zo sterk als een leeuw. Na een tijdje kwamen er wat roversmannen die
haar wilden beroven, maar ze deelde een paar goede trappen uit, en al gauw
renden ze gillend weg. Maar na een tijdje viel ze bij een boom in slaap, en
toen ze wakker werd waren haar laarzen weer gestolen. Huilend stond ze op, niet
wetende wat ze nu moest doen. Ze leunde tegen de boom aan omdat ze al haar
kracht was verloren. ‘Ach meisje,’ zei de boom, ‘huil maar niet, want als je
een vrucht van me neemt, dan ben je al je zorgen kwijt. Geen vuur zal je meer
kunnen raken, en je zal iedereen de baas blijven. Bovendien zal wijsheid je
leiden de rest van je leven.’ Voorzichtig nam het meisje een vrucht en nam een
hapje. Direkt viel ze in een diepe slaap, en toen ze later opstond was ze niet
meer dezelfde. Op blote voeten ging ze het pad weer op, en kwam even later bij
een huisje aan waar ze haar beide paar laarzen zag staan, en haar paard. Het
was een rovershuisje. Het meisje ging er naar binnen en zei : ‘Ach, die laarzen
en dat paard hebben jullie niet meer nodig. Ik weet een boom wiens vruchten
jullie alles kan geven wat jullie nodig hebben.’ Hebberig liepen de rovers naar
buiten en volgden haar naar de boom. Direkt begonnen ze gulzig van de boom te eten.
Maar de boom sprak hen toe en zei : ‘Omdat jullie van iemand die niets had ook
het laatste hebben afgenomen zal alles wat jullie aan je voeten dragen jullie
als een vuur branden, en alles wat jullie zullen berijden zal jullie de
verkeerde kant opleiden.’ Sindsdien bleven de rovers van andermans laarzen en
paarden af.
12.
1. Eens had een boze heks een
sprookjesvolkje versteend. Alleen als de zon volop straalde, als het regende,
en bij volle maan konden de stenen sprookjeswezens bewegen. Dan renden ze
altijd naar het bos waar een vrouw woonde die straalde als de zon. Langs haar
huisje stroomde een gouden rivier, en als de wezens die rivier zouden bereiken
om zich daarin te wassen en daarvan te drinken, dan zouden ze nooit meer van steen
zijn. Maar altijd als ze die rivier bijna hadden bereikt, dan kwamen de honden
van de heks hen achterna, om hen terug te slepen uit het bos. De honden van de
heks konden zelf wel van de rivier drinken, en veranderden dan altijd in
leeuwen en arenden. Op een dag had de heks er genoeg van en liet grote hekken
met een gouden gesloten poort rondom het volkje bouwen, zodat ze niet meer naar
het bos konden. De vrouw die straalde als de zon had erg veel medelijden met
het volkje. Ze hoopte altijd dat ze eens de rivier zouden bereiken. Op een dag
besloot ze naar de tovenaar te gaan, maar dan moest ze eerst door de velden van
toverbloemen heen. Dat zou een hele lange tijd gaan duren, want daar viel ze
telkens in slaap. Na vele jaren kwam ze eindelijk bij de tovenaar aan die
achter de velden van toverbloemen woonde. Toen hij het verhaal hoorde vertelde
hij dat ze op zoek moest gaan naar het veld van de gouden sleutels. Dan moest
ze eerst weer door een veld van toverbloemen heen. Maar de toverbloemen zouden
haar er alleen maar doorlaten als ze bij elke stap een toverbloem zou plukken.
Bij elke geplukte toverbloem zou ze tien jaar slapen. Ze moest er alleen voor
zorgen dat ze niet de toverbloem van de dood zou plukken, want dan zou ze
sterven. Gelukkig waren er miljoenen toverbloemen op het veld, waarvan er maar
één de toverbloem van de dood was. De vrouw die straalde als de zon werkte zich
er gelukkig goed doorheen, maar toen aan de andere kant van het veld kwam waren
er al vele en vele jaren voorbij gegaan. Nu stond ze voor het veld van de
gouden sleutels. Ineens verscheen de koningin van het veld van de gouden
sleutels voor haar. Die vertelde haar dat van de miljoenen gouden sleutels die
hier groeiden er maar één de toversleutel was. De vrouw mocht maar één gouden sleutel
kiezen, maar toen het geen toversleutel bleek te zijn die ze had gekozen kreeg
de koningin medelijden met haar. ‘Ik zie dat je niet voor jezelf bent gekomen,’
zei de koningin, ‘maar voor anderen. Kies daarom nog een keer.’ Maar de vrouw
durfde niet nog eens te kiezen, omdat ze bang was weer de verkeerde te kiezen.
Hoe kon ze nu de juiste sleutel kiezen uit miljoenen sleutels ? En zo wachtte
de vrouw de hele nacht, terwijl de koningin weer was vertrokken. Ineens zag ze
een lichtje komen van bovenaf die op het veld daalde. Het was een klein elfje
dat de juiste sleutel aanwees. De vrouw liep op de sleutel af en plukte het. En
ja hoor, het was de toversleutel. Maar nu moest ze nog helemaal terug. Weer was
ze erg bang om de toverbloem van de dood te plukken, vooral omdat ze nu de
toversleutel had. Maar het elfje wees de toverbloem van de dood aan, en daar
moest ze gewoon ver van uit de buurt blijven. ‘Zeg,’ zei het elfje. ‘Ik weet
ook welke toverbloemen je moet plukken om wakker te blijven.’ En zo volgde de
vrouw die straalde als de zon gewoon het elfje door het toverbloemenveld. Toen
ze bij de gouden poort van het sprookjesvolk aankwam had ze die door de
toversleutel snel open. Het was gelukkig volle maan, en de vrouw straalde zelf
nu ook volop. Snel volgden de wezens de vrouw naar de rivier, terwijl het elfje
de honden van de heks tegenhield. Snel gingen de wezens de rivier in, terwijl
het gesteente begon weg te smelten. Sindsdien zijn ze allemaal achter de gouden
rivier gaan wonen.
13.
1. En Chawila verzamelde alle
woorden die Christus tot haar had gesproken, en zij tekende ze op en bracht ze
tot een open plek in een rots. En zij noemde de rots haar steen. En zij
herinnerde Christus als de gekruisigde en de opgestane, als degene die zij had
bekleed met haar sieraden en edelstenen en met dat wat onder de aarde leefde.
En haar steen was als zuiver chrysopraas bekleed met goud, en de tegels van
haar stad waren als het goud, en hierin bewaarde zij de goede dromen. En
Chawila kocht een ezel waarmee zij tot de zilveren zee kwam, en een kameel om
zo tot de gouden zee te komen. En paarden kwamen tot haar vanuit de hemelen met
strijdkrachten, en zij streden voor haar. En Chawila verzamelde moed om weer
voor Christus te verschijnen, en zij was Hem dierbaar. En Hij nam haar tot Zich
en kwam tot haar als tot een vrouw. Zo is dan Chawila het zuivere en het goede
van het paradijs, dragende de woorden van Christus in haar binnenste als het
zoet des honings. En ook Christus draagt haar eeuwige woorden binnenin Zich,
als het teken van de gekomen melk en de zaligheid der hemelen. Aldus was dan de
steen van de Bruid van Christus, en haar ogen waren als de ogen der reeen. En
zij opende boeken schoner dan het hooglied, en schoner dan melk, zoeter dan
honing, en zij was als de Heerlijkheid van Christus in Zijn binnenste.
14.
1. Er was een meisje dat in de
nacht altijd in een paard veranderde. Dan ging ze altijd naar de velden en de
bossen maar dan moest ze wel altijd op tijd terug zijn, voordat de zon opkwam.
Want altijd als de ochtend viel dan was ze weer een meisje. Op een nacht nam
een heks haar gave van haar af. In ruil daarvoor kreeg het meisje een paar
laarzen, die zo prachtig waren dat ze er prinsen mee kon betoveren. Al gauw
wist iedereen van het meisje met de betoverde laarzen, en wilden vele prinsen
met haar trouwen. Sindsdien wilde het meisje alleen nog maar met koeien werken.
Ze werd een herdersmeisje, zodat haar laarzen zo vies zouden worden dat de
prinsen haar zouden vergeten. Ook zocht ze vaak de paarden op, en ging diep in
het bos wonen. Maar nog steeds zochten prinsen haar op, en lieten haar niet met
rust. Het meisje smeekte de heks haar laarzen weer van haar weg te nemen. Op
een dag kreeg de heks medelijden met haar, en zei : ‘Als je je laarzen opgeeft
dan zul je nooit meer terug kunnen naar het bos en de velden. Je zal dan onder
de aarde moeten wonen, bang voor het zonlicht.’
2. ‘Zo zij het,’ zei het meisje.
3. Toen nam de heks de laarzen
van het meisje weg, en het meisje moest vanaf toen diep onder de aarde leven,
in de modder en in angst voor het zonlicht. Hier konden de prinsen haar niet
vinden. Onder de grond leefden de wilde paarden, en het meisje voelde zich
alsof ze thuisgekomen was. Ze miste de wereld boven de grond niet eens. Maar
één van de prinsen vond op een dag in het bos een gat die diep onder de aarde
leidde. Toen hij er doorging vond hij daar het meisje. Maar hij herkende haar
niet, omdat ze haar laarzen niet meer had, en ze was helemaal verwilderd. ‘Meisje,’
zei hij. ‘Heb je het hier niet koud. Je hebt vast honger. Zal ik je meenemen
naar mijn paleis ?’
4. ‘Nee,’ zei het meisje. ‘Ik
kan niet tegen het zonlicht.’
5. ‘Oh, maar het is heel donker
in mijn paleis hoor. En ik heb een kamer voor je zonder ramen, heel diep in het
paleis,’ zei de prins.
6. Toen stemde het meisje in, en
de prins bracht haar naar haar nieuwe kamer. Elke dag kwam hij even kijken. Al
snel was het meisje op temperatuur en bijgevoed, maar ze kon nog steeds niet
tegen zonlicht. ‘Je doet me aan iemand denken,’ zei de prins. ‘Aan een meisje
met betoverde laarzen. Sinds ik haar niet meer kon zien heb ik die laarzen
laten namaken. Zou jij die willen hebben ?’
7. Het meisje knikte, en kreeg
twee prachtige laarzen van de prins. Het meisje ging sindsdien vaak paardrijden
met de prins, en kon steeds beter het zonlicht weer verdragen. Maar op een
nacht begon het meisje weer in een paard te veranderen. Snel ging ze het paleis
uit en zocht de velden en bossen op. Maar ditmaal bleef ze een paard. Slenterend
ging ze terug naar het paleis, en toen de prins haar vond vond hij het het
prachtigste paard dat hij ooit had gezien. De prins hield direkt van het paard
als geen ander, maar voor hem bleef het gewoon een paard. De prins wist niet
dat het paard eigenlijk het meisje was waarvan hij hield. Hij reed sindsdien
meer op dit paard dan op enig ander paard, en zorgde goed voor het paard als
voor geen ander paard, maar het paard mocht niet in zijn paleis komen. Elke
keer na de rit moest het paard weer terug naar de stal. Het meisje was daar erg
droevig over, want ze probeerde de prins telkens weer duidelijk te maken dat
zij het meisje was waarvan hij hield. Maar de prins begreep het niet. Een paard
kon nu eenmaal niet praten. Het meisje had een goed leven gehad, en vooral nu
ze bij zo’n lieve en zorgzame prins was, maar daar zou het bij blijven. Al haar
verdere dromen moest ze opgeven.
15.
De Boze
Zon
1. De zon van het boze
toverrijk zond zijn vlammetjes elke dag naar het volkje, zodat de wezens van
het volkje elke dag zouden dansen. Dansen moesten ze, voor een boze heks. Er
was een indiaans meisje die daarom nooit uit haar grot durfde te komen. Ze was
bang voor de boze zon. Op een dag stond er een degen gestoken in het zand van
haar grot, dichtbij de opening. Maar omdat het dicht bij de opening was durfde
ze de degen niet te grijpen. Ze moest wachten tot het nacht was. In de nacht
ging ze met de degen naar buiten. ‘Ach maan,’ sprak ze. ‘Kun jij er niet voor
zorgen dat morgen gewoon de zon niet meer opkomt ?’
2. ‘Als je mij je degen
geeft, dan zal ik een gevecht met de boze zon aangaan,’ zei de maan. De
volgende dag kwam de zon niet op, maar de maan. Het meisje was erg blij en kwam
naar buiten. Er waren die dag geen dansers buiten, en het meisje was voor het
eerst gelukkig. Maar na de nacht erna kwam de zon weer gewoon op, en bleef het
meisje in haar grot. Maar de dag dat de zon niet opkwam is altijd in haar
herinnering gebleven.
16.
Het Land
van de Sprookjesprinsen
en
Sprookjesprinsessen
1. Er was eens een heks die
heel jaloers was op prinsen en prinsessen. De heks was zo jaloers dat ze op een
kwade dag boze geesten zond naar alle getrouwde prinsen en prinsessen van de
sprookjesrijken. Die boze geesten zouden hen zoveel nare dingen over elkaar
influisteren dat ze ruzie zouden krijgen en elkaar niet meer wilden zien. En zo
gingen vele sprookjesrijken ten onder, totdat een sprookjesprins in de gaten
kreeg wat er aan de hand was. Met zijn sprookjesprinses vertrok hij uit het
kasteel, en ze deden hele arme, oude en versleten klederen aan om zo onder de
mensen van het sprookjesrijk te wonen. De sprookjesprins ging aan de ene kant
van het rijk wonen in een heel arm en oud huisje, en de sprookjesprinses ging
aan de andere kant van het rijk wonen, ook in een heel arm en oud huisje. Ze
spraken af dat ze elkaar elke nacht bij het maanlicht even zouden ontmoeten in
het bos. Dan trokken ze weer even hun prinselijke klederen aan, en kwamen op
hun vorstelijke paarden.
2. ‘Oh, prins, wat ben je toch
mooi en lief,’ zei de prinses toen ze elkaar voor het eerst daar in het bos
tegenkwamen. ‘En jij bent nog mooier en liever geworden dan je al was,
prinses,’ zei de prins tegen zijn prinses. Maar toen moesten ze weer gaan, want
ze waren natuurlijk bang dat de boze geesten van de heks hen hier zouden
vinden. En zo ging dat iedere nacht, totdat de heks in de gaten kreeg wat er
aan de hand was. Ze zond haar boze geesten naar de plek, en ook wat van haar
wachters. Ze was inmiddels in het kasteel gaan wonen omdat het toch leeg stond,
en liet de prins en de prinses in een diepe kerker opsluiten. Omdat ze in
dezelfde kerker waren vastgeketend en de boze geesten hen nare dingen over
elkaar influisterden maakten ze al snel ruzie. En die ruzie liep zo hoog op dat
de mensen het buiten konden horen. ‘Hey, heks,’ riep iemand. ‘Dat zijn de
stemmen van de prins en de prinses.’ En al snel kwam het sprookjesvolk erachter
dat hun sprookjesprins en sprookjesprinses in een kerker waren opgesloten. Al
gauw hadden de mensen van het sprookjesrijk de heks uit het kasteel verdreven,
en maakten de prins en de prinses vrij. De heks werd het land uitgezet en de
prins liet hoge en zwaar bewaakte muren om het land heenbouwen. Binnen de
kortste keren hoorden alle omliggende sprookjesrijken van het verhaal, en de
prins nodigde alle sprookjesprinsen en sprookjesprinsessen die niet meer bij
elkaar woonden uit om in zijn land te komen wonen. Al gauw werd het het land
van de sprookjesprinsen en sprookjesprinsessen, en de heks, haar wachters en
haar boze geesten werden nooit meer teruggezien.
17.
1. Er was eens een meisje dat op
de grote zolder van het paleis van gestolen klederen goud moest spinnen. De
koning had daarvoor allerlei dieven die ’s nachts die klederen stalen. Het
meisje had voor het goudspinnen een verfje dat uit haar handjes scheen te
komen. De koning had een heleboel prinsjes en die moesten altijd goed gekleed
te zijn. Toen de prinsen ouder waren gingen ze zelf ook op dievenpad. Uit de
voetjes van Goudspinstertje kwam altijd een poedertje waardoor iedereen in
slaap viel. De prinsen moesten daarom altijd dat poeder meenemen als ze op
dievenpad gingen. Maar op een dag werd Goudspinstertje ernstig ziek, en er kwam
geen verfje meer uit haar handjes en geen poedertje meer uit haar voetjes. En
daarom zond de koning zijn prinsen naar de heks in het woud. De heks had tonnen
vol van die verf en dat poeder en het was nog wel veel krachtiger als dat van
Goudspinstertje. Maar ze mochten die tonnen alleen meenemen in ruil voor
Goudspinstertje. Goudspinstertje moest vanaf toen bij de heks in het woud
wonen. De heks had haar door allerlei zalfjes en poedertjes snel genezen, en al
snel bracht Goudspinstertje een betere verf en poeder voort dan ooit te voren
en ook veel meer. De heks mat al snel nieuwe klederen aan voor Goudspinstertje
en zond haar terug naar de koning. De koning herkende Goudspinstertje niet
meer, omdat ze zo gegroeid was en zo veranderd. ‘Koning, ik ben het,
Goudspinstertje,’ zei ze. Uiteindelijk herkende de koning haar weer, vanwege
haar lieve stem, en Goudspinstertje mocht weer bij de koning werken. Maar omdat
ze nu wat ouder was geworden mocht ze nu ook weleens mee op dievenpad. Maar na
een tijdje werd Goudspinsterje weer ernstig ziek, en weer moest ze naar de heks
in het woud. Dit keer kon geen zalfje of poedertje van de heks haar genezen.
‘Goudspinstertje,’ zei de heks. ‘Dit keer zul je naar de goudbronnen in de
aarde moeten gaan. Als je in die bronnen baadt, dan zul je nooit meer ziek
worden.’ En zo begon Goudspinstertje aan haar lange reis naar het binnenste van
de aarde waar de goudbronnen waren. De heks had haar de weg gewezen, dus na
niet al te lange tijd kwam ze daar. Nadat ze daar gebaad had en gedanst ging ze
terug naar de koning. De koning was zo van haar onder de indruk dat hij geen koning
meer wilde zijn, maar haar koningin liet zijn. En zo werd Goudspinstertje de
koningin. En de koning en de prinsen ? Die zijn vanaf toen naar de goudbronnen
in de aarde gegaan, en zijn daar altijd gebleven.
18.
1. Er was eens een koopman die
aan de deuren vleugels verkocht. Er waren nogal wat mensen die wilden vliegen,
maar er bleek ook heel wat aan de vleugels te mankeren, zodat velen na een
geweldige tochtje naar beneden stortten. De mensen waren al snel woedend op de
koopman, en de koopman moest diep in het bos vluchten om aan de woedende massa
te ontkomen. Ze hadden speren meegenomen, zwaarden, messen en bogen om de
koopman eens goed mores te leren. Na een lange vluchttocht kwam hij aan bij een
huisje waar een levensgrote aap woonde. De aap nam hem direkt onder zijn hoede
en ging op het balkon staan om de koopman te verdedigen. Maar na een tijdje
werd de aap er erg moe van en hij bloedde vanwege de vele pijlen. Hij ging naar
binnen en zei tegen de koopman : ‘Je moet naar de fee gaan, want ik kan je niet
meer goed verdedigen.’ En zo ging de koopman door een achterdeurtje en rende
hard naar het huisje van de fee verder in het bos. De fee was direkt erg
vriendelijk naar de man en gaf hem direkt een heleboel vleugeltjes die nooit
zouden neerstorten. Die zou hij dan kunnen verkopen aan de mensen in het
vervolg. De vleugeltjes leken vol van vuurvlammetjes en toen de koopman daar
even later bij de mensen mee aankwam werden ze direkt stil. Nog steeds wilden
ze heel graag vliegen, en ze besloten de koopman een nieuwe kans te geven. En
ja hoor, het werkte. De vleugels deden het goed, en de mensen waren zo blij en
dankbaar dat ze de koopman koning maakten van hun volk. De koopman kreeg
daarvoor een prachtig paleis. Maar omdat de fee de koopman zo goed had geholpen
werd zij de koningin, en de aap werd de wachter van het paleis. Maar omdat het
voor de aap wel moeilijk was om zo’n groot paleis in zijn eentje te bewaken
toverde de fee er op een dag een heleboel apen bij.
19.
1. Er was eens een
varkenshoedstertje die buiten de stad woonde om voor de varkens te zorgen. Ze
gaf niet om de rijkdom van de stad, het rijke leven. Ze sliep altijd tussen de
varkens, en at hetzelfde voedsel als zij aten. Verder zag er niemand naar haar
om, en was ze niet welkom. Op een dag was ze uitgenodigd om op het paleis van
de prins te komen. Dat vond ze wel wat vreemd, maar ze ging toch. Toen ze bij
de prins aankwam vertelde de prins over het feest dat zou komen. De prins had
alleen niet genoeg varkens, en vroeg daarom de varkens van het
varkenshoedstertje. ‘Sinds wanneer ben ik en mijn varkens uitgenodigd op het
feest ?’ vroeg het varkenshoedstertje.
2. ‘Nee, je begrijpt het
verkeerd,’ zei de prins. ‘Jullie zijn niet uitgenodigd. Het is voor het feestmaal.’
3. ‘Mijn varkens hebben genoeg
te eten bij mij,’ zei het varkenshoedstertje. ‘Daar hebben ze uw feestmaal niet
bij nodig.’
4. ‘Nee, dat bedoel ik niet,’
zei de prins. ‘We krijgen hoge gasten, en dan moet er genoeg varkensvlees
aanwezig zijn.’
5. Toen boog het
varkenshoedstertje haar hoofd en sprak : ‘U gaat mij toch niet het laatste wat
ik heb afnemen ?’
6. ‘Morgen zal ik komen,’ zei de
prins. ‘En dan neem ik je varkens mee.’
7. Verdrietig ging het
varkenshoedstertje het paleis weer uit. Ze zou vluchten met haar varkens, maar
waar moest ze naartoe ? Diep in de nacht dwaalde ze door het bos. Na lang lopen
kwam ze bij een huisje aan waar een oud vrouwtje woonde. Huilend vertelde ze
het verhaal. ‘Je hebt een goed hart,’ zei het vrouwtje, ‘en ik zal je ervoor
belonen. Boven liggen prinsessenklederen. Die kun je aandoen om naar het
komende feest te kunnen. Ik zal hier op de varkens passen.’
8. ‘Maar ik wil helemaal niet
naar dat feest. Ik wil bij mijn varkens blijven,’ zei het meisje.
9. ‘Ga nu maar,’ zei het
vrouwtje, ‘je zult er geen spijt van krijgen.’
10. Toen het meisje even later
in de prinsessenklederen aanhad streek het oude vrouwtje even met een
toverstafje over haar heen, zodat ze als een echte prinses was. De volgende
avond ging ze naar het feest, terwijl het oude vrouwtje op haar varkens paste.
De prins was erg vrolijk, terwijl hij de varkens niet had kunnen vinden. Het
meisje paste zich goed aan, en danste die avond de sterren van de hemel. Na een
tijdje begon het oog van de prins op haar te vallen. ‘Wie is dat mooie,
lievelijke meisje ?’ vroeg de prins aan zijn bedienden. ‘Ze lijkt me uit een
ver land te komen, en ze is een echte prinses.’ Het meisje had een geweldige
avond, en aan het einde van de avond kwam de prins naar haar toe om haar te
vragen met hem te dansen. Het meisje stemde toe, en danste als een echte
koningin. ‘Wie bent u eigenlijk als ik vragen mag ?’ fluisterde de prins naar
haar tijdens het dansen. Maar het meisje glimlachte alleen maar. Iedereen keek
vol verwondering naar de dansende prins en het meisje. ‘Je doet me aan iemand
denken,’ fluisterde de prins, ‘maar ik weet niet wie. Iedereen zou wel met je
willen dansen. Kijk ze eens kijken.’ Het meisje glimlachte. Ze had de avond van
haar leven. ‘Zie ik je volgend jaar weer ?’ vroeg de prins. Het meisje knikte,
en liep toen van het feest weg. Midden in de nacht kwam ze bij het oude
vrouwtje. ‘En hoe was het ?’ vroeg het oude vrouwtje.
11. ‘Oh, het was geweldig,’ zei
het meisje. ‘Vooral omdat ik wist dat mijn varkens veilig waren bij u.’
12. Het jaar daarop ging ze weer
naar het feest en was dit keer mooier dan ooit. De prins had er pijn van in
zijn hart, zo mooi was ze. En weer moest hij haar aan het einde van de avond
laten gaan. Het jaar daarop greep de prins zijn kans en vroeg haar met hem te
trouwen. Het meisje schrok, en rende weg. Toen ze het later het oude vrouwtje
vertelde zei deze : ‘Ga terug, en zeg dat je dat wel wil.’
13. ‘Ja, maar dat wil ik
helemaal niet,’ zei het meisje.
14. ‘Je zult er geen spijt van
hebben,’ zei het vrouwtje. ‘Ik pas wel op de varkens.’
15. ‘Ja, maar dan moet ik op het
paleis wonen,’ zei het meisje, ‘en dan zie ik u nooit meer.’
16. ‘Ga nu maar,’ zei het oude
vrouwtje. ‘Alles zal goedkomen.’
17. Snel ging het meisje weer
terug. ‘Waar was je gebleven ?’ vroeg de prins met pijn in zijn hart. ‘Trouw
met me.’
18. ‘Natuurlijk lieveling,’ zei
het meisje, en kuste hem.
19. De dag erna was er bruiloft.
Het meisje woonde sindsdien met haar prins op het paleis. ‘Nu je mijn vrouw
bent mag je je wensen doen,’ zei de prins.
20. ‘Er woont een oud vrouwtje
in het bos met varkens,’ zei het meisje. ‘Ik wil dat ze hier op het paleis komt
wonen, en dat haar varkens prinselijk behandeld worden.’
21. De prins vond dat wel een
beetje een vreemde wens, maar liet haar wens toch uitkomen.
20.
1. En Christus kwam tot de draak zeggende : ‘Kalum Hartiti’, hetgeen in hemelse taal betekent : ‘Zwijg, gij verachtelijke.’ En de draak dan bewaakte drie putten, en deze waren de putten van geluid, van visioen en van reuk. En Christus had een lange worsteling met de draak van drie dagen waarin Hij niet sliep. En velen waren geworpen in de put van visioen en zij droegen ondragelijke lasten, en werden door de draak bewaakt. En zij werden door hem opgeroepen tot slavernij en tot strijd tegen Christus. En ik zag een licht komen uit de put van reuk, en ik zag vele martelaren. En zij hingen in de put van reuk, maar het was alsof een wind van onderen en een druk hen tegenhield dieper in de put te dalen. En zij zweefden boven een leegte die krioelde van leeuwen en slangen. En ik zag wormen komen vanuit de diepten van de put van reuk, en rook kwam met hen mee. En zij begonnen de martelaren aan te vreten. En de martelaren weenden tot Christus, en zij riepen tot Hem, maar toen kwam er een grote stilte. En ik zag hoe Christus het hart van de draak greep en in de put van reuk afdaalde. En Christus deelde uit van het hart, en gaf de heiligen rode gewaden. En de heiligen moesten nog enige tijd rusten. Nu dan had de draak een tweede hart, een zwart hart die was als zijn lever, en ook had hij een derde hart, een zwart hart die was als zijn maag. En Christus nam die twee harten en wierp ze in de put van geluid en van visioen. En een luid gekrijs steeg op van de put, en de draak begon in een varken te veranderen. En zo streed Christus zes dagen met het varken dat als een roofvarken was, en Hij sliep in die dagen niet. En het varken begon een rood hart voort te brengen, als het hart der nieren, en dit hart streed tegen de heiligen. En weer sprak Christus : ‘Kalum Hartiti,’ hetgeen betekent : ‘Zwijg, gij verachtelijke.’ En het varken begon een wezen voort te brengen als een rood beest, en na een lange worsteling met het rode beest bereed Christus het dier en gaf het aan de heiligen. En uit de mond van Christus kwam een speer, een rode, om het varken te doorsteken, en Christus wierp het varken in de put van reuk. En vele stemmen begonnen van de put voort te komen, en bliksem met veel rook. En een gelach steeg van de put op, en ging uit om de heiligen aan te klagen. En er was niemand die de geest van het varken kon vernietigen, want de geest was als een lam en een draak. Weent dan gij aarde, want de rooflammeren zijn tot u gekomen, en zij zullen velen misleiden. En het rooflam kwam tot Christus, zij en haar legermachten, en zij voerde een strijd van zeventig dagen met Christus. En zou zij de macht hebben dan zou zij Christus verslinden en verleiden, maar aan het einde van die zeventig dagen voerde Christus haar met een zwart zaad, want het lam was erg hongerig geworden en niets kon haar honger stillen. En zij bewaakte een put van geluid, en een luid gekrijs was in die put. En zie, ik zag vele slaven in die put, en zij stierven aan brandende kruizen. En zie ik zag een bok komen met een hele lange hoorn, en doorstak het lam, terwijl de aarde in verbazing de bok achterna ging. En zij allen zeiden : ‘Wie is aan de bok gelijk, hij die het rooflam heeft doorstoken. Want zij heeft ons gekweld, en zij heeft ons geknecht gehouden in lange dagen.’ En ik zag een groot oordeel komen over het rooflam, en haar harten werden verslonden. En zie, deze harten waren zwart. En het rooflam bracht een hart voort zoals er nog nooit een hart was voortgekomen, en het hart was blauw, en het begon woorden te spreken van grote godslasteringen tegen de allerhoogste. En het blauwe hart keerde zich tegen Christus, en Christus verslond het hart. En Christus greep het lam en wierp het in de put van geluid. En vele stemmen begonnen voort te komen en klanken, ja, schone klanken. En zo was dan het oordeel over de beesten. En Christus greep de bok die groot was geworden tot aan het zuiden der aarde, en Christus verscheurde de bok als een kleed. Zij komen dan allen voort uit de draak, en varen ten verderve. En allen die op de aarde waren zeiden : Ja, God is groot en machtig, Hij die deze dingen heeft laten geschieden. En ik zag een harig beest voortkomen met ijzeren klauwen, en hij richtte zich op tegen Christus, en zie, het beest werd als een rund gelijk. En Christus wierp het rund in de put der visioenen, en een lieflijke geur begon zich te verspreiden. Ja, het zoet der aarde begon voort te komen als een harem van Christus zingende : Christus heeft de draak verslagen. En de vrouwen droegen schalen. Aldus was de Bruid van Christus. En de vrouwen kwamen tot de aarde vanuit een diepe put, en zij dienden Christus. Na deze dingen die ik zag begon een zwarte wolk de aarde te bedekken. En de vrouwen begonnen hun schalen uit te gieten in de rivieren en de waterbronnen, en dezen werden als bloed. Aldus waren de vrouwen van het verbond. En zo versloeg Christus de draak om de harten van velen te verzachten. En ik zag een verzachting over de aarde komen zoals er nog nooit was geweest. En de voeten van Christus stonden op de berg der heerlijkheid. En nieuwe rivieren begonnen te stromen, als de rivieren des hemels. Zo was dan het oordeel over de grote aarde, en zie, dit oordeel was goed.
21.
1. En één der discipelen vroeg aan Christus : Wie zijn dan de vader en moeder van de draak ? En Christus richtte Zich dan tot hem en zeide : Weet gij dat dan niet ? Is het niet de grote beer die de draak voort heeft gebracht, de beer voor wie geen hart veilig was ? En was deze beer niet samen met een panter ? Zo kon het niet anders dan dat hun vrucht een draak zou zijn. Hebt gij dan niet gehoord van de leeuw en het beest die op de loer stonden om zodra het kind was geboren de vrucht te verslinden ? Waar waart gij toen dit gebeurde, want het heeft het hart van God voorzeker verzegeld, zeventig maal zeventig maal, en gij hebt het niet geweten. En een andere discipel vroeg : Och Heere, hoe lang zal het nog duren voordat zij verslagen zijn, en wie kan hen verslaan ? En Christus dan zeide : Kijk naar de zon, de maan en hun sterren. Voeden zij niet al deze geslachten. Ziet dan, wanneer zij neer zullen vallen, dan is het einde daar. En Christus richtte zich tot de zon en zei : Kaditam Asbalit, hetgeen betekent : weest gesloten. En vanaf die dag gaf de zon geen licht meer, maar een zwart vuur. En de zon kwam tot Christus als gebrul en als het gelach van de draak, en Christus deed haar manschappen neer vallen. En Christus richtte zich tot de beer en sprak : veel vlees hebt gij gegeten, en veel bloed gedronken. Gij hebt grote woorden gesproken tot de allerhoogste, en uw zwaard tot het laatste toe bewaard. Toch bent gij gevallen, en velen hebben het gezien. Mogen uw woorden u dan meenemen tot het vuur der eeuwigheden, en moge uw hart in duizend delen uiteen vallen. En de discipelen waren verschrikt toen zij de grote beer zagen vallen, en een grote kou viel op hen. Christus nu nam van de huid van de beer en maakte vellen voor zijn discipelen om hen te warmen. Ook bond hij huiden aaneen voor laarzen. En de grote leeuw van het oude Babylon kwam tot Christus, en Christus sprak : ‘Eet dan niet van het berenvlees, opdat het u niet zal vergiftigen. Maar zijn huid zal u warmen tot in alle eeuwigheden. Omdat velen van het berenvlees hebben gegeten heeft hun geloof schipbreuk geleden, en zijn velen van mij weggegleden. Hun glans zal vergaan wanneer de engelen der voortijden zullen opstaan.’ En ik zag de maan haar glans verliezen, en grote sterren vielen neer, en de leeuw stond zeventig dagen en nachten voor het aangezicht des Heeren, en een grote schrik was op de discipelen. En de leeuw at van het berenvlees nu zijn wond was genezen, en de leeuw werd tot een rund. En een ijzeren beest bekleed met koper en goud streed met de rund om het vlees van de beer, en de discipelen maakten holen in de aarde waarin zij verscholen. En ik zag de grote zon op de aardbodem vallen om haar te verslinden, en het rund was als een dronken leeuw. En Christus voerde het ijzeren beest dat bekleed was met koper en goud dronken, en bracht het in een diepe slaap. En Hij leidde het ijzeren beest tot een diepe zee, en liet het daarin wegzinken. En Christus was bekleed met de donder en met bliksemstralen, en hij was als de rode speer. En ik zag de maan vallen in de zee, en zij bracht grote golven voort en het zilver. En Christus ging tot de grot waar de oude panter woonde. En de panter sprong voort uit de grot, en maakte jacht op het dronken rund en verslond het. Toen sloop de panter langzaam terug tot Christus, en Christus voerde de panter tot dronkenschap. Ook de panter leidde hij tot de zee, en liet haar in slaap daarin wegzinken. En het goud kwam over Christus, en de zee werd als goud. Nu waren daar sterren aan de hemel die de sterren der Filistijnen werden genoemd, en zij pronkten. En zij waren als roofvarkens en joegen op de heiligen. En Christus richtte Zich tot de sterren en liet ze door een boog één voor één uit de hemelen vallen. En zij hadden een beeld gemaakt voor Dagon, hun god, en zij zwoeren dat ze de heiligen te gronde zouden richten. Ook maakten zij een beeld van de oude draak, een beeld van het oude Babylon en van het oude rooflam, en zij pleegden afgoderij met deze beelden en zelfs hoererij. En zij zeiden : Laat ons een beeld maken van de oude panter en het oude ijzeren beest, want waren zij niet de ouders van de draak ? En laat ons beelden maken van de zon, de maan en de sterren, want waren zij niet de nakomelingen van de draak ? En zo trachtten ze een wond van de draak te genezen, en de gehele aarde ging het beeld van de draak achterna, en zijn genezen wond. In verbazing aanbaden zij hem. En in die dagen werd het beeld van de draak groot en het beeld werd een stem gegeven. En zij noemden het beeld Moloch. En ook het beeld van het rooflam werd groter, omdat het beeld als de profetes van de draak was. En het beeld was gegeven grote wonderen en tekenen te doen om zo velen te verleiden. En zij maakte dat hun armen en nekken verzegeld moesten worden, en dat er een zegel op hun voorhoofden zou rusten, en dat allen die dit zegel niet droegen niet konden spreken en eten. En in die dagen riepen de volgelingen van dit beeld : ‘Is er iemand groter dan het beeld van het rooflam ? Want zij heeft haar tienduizenden verslagen, ja honderdduizend maal.’ En ik zag het beeld vol van het bloed van de profeten en de apostelen, maar zij kwijlde en werd geleid tot een gat in de aarde. En het beeld van de oude panter en het beeld van het ijzeren beest werden groot en vervulden de aarde, en deze beelden werden dronken van het bloed der heiligen. Maar zij voeren naar de afgronden der zee. En het lijk van de oude slang was er om de zeebodem te voeden. En na deze dingen zag ik heiligen bekleed met slangenhuiden, en zij waren de overwinnaars der beelden. En ik zag hen rijden op sierlijke paarden, die woest waren, omdat zij wonden hadden. En zij moesten bereden worden en genezen worden tot aan de eeuwige slaap. En zo zag ik de Heere zitten op een troon temidden van de koorden der sprookjes, en ik zag velen opkomen om tot de afgronden te varen, omdat zij het sprookje niet gewild hadden. Weest daarom sprookjesachtig, beminden, want als de Heere komt om te bazuinen tezamen met Zijn karsuiken, dan zullen de sprookjes de heiligen bezegelen, en zij die die zegels niet dragen zullen tot de eeuwige slaap geleid worden tot in alle eeuwigheden. Rusten zullen zij van hun werken, want dezen waren boos. Maar zij wiens werken sprookjesachtig waren zullen geen rust hebben, dag noch nacht, want zij zullen de Heere voor eeuwig dienen tot in alle eeuwigheden. Ja, de liefde zal hen wakker houden, en zij zullen nuchter zijn. Laat daarom uw harten niet door dronkenschap ten verderve geleid worden, want de Heere Heere haat hen die in brasserijen verkeren.
|
Terug naar het begin-overzicht van de Hermitatische
Synodale Kerk. |