Welzijn staat voor zorg dragen zodat mensen (de burgers) welvaart (en welzijn) kunnen ervaren. Welzijn houdt in: zorgen dat mensen kansen krijgen en zich goed voelen in de samenleving.
Een beleid is sociaal als iedereen een redelijk inkomen kan verwerven, gezond is en kan blijven, in een behoorlijke woning kan wonen, kansen heeft tot ontspanning en cultuur, zijn of haar kinderen kansen kan geven op een degelijk onderwijs.
Deze taak is weggelegd voor de overheid en is niet een bekommernis van de individuele burger. Om haar taak op een goede manier te kunnen volbrengen heeft de overheid financiële middelen nodig. Met andere woorden zorgen voor welzijn betekent voor de overheid dat er lasten te dragen zijn.
Door wie moeten die lasten gedragen worden? De burgers via de sociale zekerheid. Met andere woorden door de actieve bevolking in België via het betalen van belastingen.
De ruggengraat van een federaal sociaal beleid vormt dus de sociale zekerheid.
Welzijn raakt meer dan één domein. Omdat er zoveel diverse beleidsdomeinen hun steentje bijdragen tot een maatschappij waarin iedere burger welzijn kan beleven, wordt het beleid van de federale overheid ter zake opgesplitst in een verticaal en horizontaal beleid.
Het horizontale beleid staat voor alle domeinen die hun steentje bijdragen tot welzijn. Die hebben te maken met de 4 W’s : wonen; werken, weten en welzijn. Dit toont aan dat een sociaal beleid als rode draad doorheen alle beleidsterreinen loopt. Een bijzonder onderdeel van de horizontale aanpak vormt de armoedebestrijding. Hier wil men de achterstelling van mensen extra bestrijden. Want armoede is vaak het resultaat van een combinatie van achterstelling op diverse domeinen (werk, wonen, onderwijs, gezondheid).
Het verticale beleid staat voor de sector van de zorg. Dit betreft alle maatregelen die specifiek op een doelgroep zijn gericht omdat deze meer steun nodig hebben, zoals gehandicapten, ouderen, mensen met psychische of relationele problemen, … Het horizontale en verticale domein speelt een rol op alle niveaus, (zowel federaal als Vlaams als lokaal).
Wanneer de diverse beleidsdomeinen samenwerken dan pas kan de sociaal zwakkere in onze samenleving kansen krijgen. Hierdoor ontstaat de noodzaak om op lokaal niveau, namelijk in de gemeente, de verschillende diensten samen te laten werken. Bijvoorbeeld : de schepen van tewerkstelling die gaat spreken met de schepen van economie. Deze stellen hun doelstellingen en probleemgebieden aan elkaar voor en er wordt getracht om samen naar een algemeen doel toe te werken.
Sinds enkele jaren is er een evolutie merkbaar. Steeds meer gaat er vanuit de steden en gemeenten een tendens uit naar intensere interactie met de burgers. Dit dankzij het feit dat het lokale bestuur meer ruimte kreeg vanwege de federale en Vlaamse overheid.
Hiernaast is het lokaal sociaal beleid een verfijnd afstellen van nationale en Vlaamse maatregelen op lokale situaties.
Het lokale bestuur heeft een betere kijk op de lokale diensten. De gemeente heeft belangrijke troeven, namelijk kennis van de mensen, de wijken, de probleemsituaties, een betere kijk op het aanbod op de markt van welzijn en geluk.
Hierdoor kan het lokale bestuur de diensten meer op elkaar afstemmen dan voorheen. (= geïntegreerd werken en programma’s op maat). Taken en verantwoordelijkheden worden gelegd bij het beleidsdomein waar het het beste hoort. Tussen de diverse actoren op het lokale niveau wordt er overleg gepleegd. Via samenspraak worden er steeds meer verantwoordelijkheden bij een lager bestuursniveau gelegd. (= Decentralisatie).
Er doen zich twee bewegingen tegelijkertijd voor, namelijk een schaalvergrotingstendens en een schaalverkleiningtendens. Op organisatieniveau speelt er zich een schaalvergroting af. Organisaties worden meer en meer gestimuleerd om samen te werken. Met andere woorden organisaties worden steeds groter. Er is een schaalverkleiningtendens op het gebied van het contact tussen politiek en burger. De politiek komt steeds dichter bij de burger te staan. Ook organisaties dienen deze trend te volgen en dienen drempelverlagend te werken.
De gemeente speelt een mix van rollen: eigen initiatieven ontwikkelen, coördineren van dienstverlening en de regie van sociale programma’s (hierbij richt de gemeente de samenspraak tussen diensten en besturen op de beleidsdoelen).
Er zijn dus drie rollen te spelen, namelijk de regie, de coördinatie en/of de uitvoering.
In de praktijk stellen we vast dat het meestal een samenspel van deze drie rollen zal zijn.
Voorheen nam het federale niveau de regierol op zich. Sinds de paarse regering is de regie meer bij de lokale besturen komen te liggen. De meeste gemeenten in België echter beperken zich nog steeds het meeste tot de rol van uitvoerder.
Een lokaal sociaal beleid is niet noodzakelijk synoniem voor de gemeente. Een lokaal sociaal beleid houdt in dat er samenwerking nodig is tussen gemeenten en private diensten op niveau van de regio of op niveau van de buurt/wijk. Voor een lokaal sociaal beleid is het nodig dat er een afstemming is van acties op zowel een grotere als een kleinere schaal dan de gemeente zelf.
Een lokaal sociaal beleid wil niet zeggen dat de gemeente alles zelf doet.
Op lokaal niveau is samenwerking een sleutelwoord geworden. Zodat het mogelijk werd om de krachten te bundelen, de middelen op elkaar af te stemmen en de taken te verdelen.
Er kunnen verschillende formules bestaan tussen de diverse actoren. Er kan een samenwerking op basis van een contract geschieden. (Ik betaal jou, jij moet iets terug doen) Of er kan worden samengewerkt op basis van afspraken.
De centrale doelstelling van een lokaal sociaal beleid zijn het waarborgen van de sociale grondrechten (1994). De sociale grondrechten bevatten: arbeid, sociale zekerheid, bescherming van gezondheid, een behoorlijke huisvesting, een gezond leefmilieu, culturele ontwikkeling.
Verder vinden we doelstellingen van een lokaal sociaal beleid terug in de bepalingen in artikel 1 van de OCMW-wet. Artikel 1 van deze wet bepaalt dat de maatschappelijke dienstverlening tot doel heeft eenieder in de mogelijkheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid.
Dit houdt in: De mogelijkheid bieden tot een menswaardig bestaan, gekaderd binnen de erkende grondrechten in onze samenleving, en uitgewerkt op basis van een regelmatig bijgesteld inzicht in de basisbehoeften door een coherent lokaal beleid, dat gebruik maakt van de meest aangepaste methodes en met het oog voor de kerntaken van alle betrokken actoren.
Om het lokale sociale beleid op een construerende manier in te vullen ontstond er een partnerschap tussen de gemeenten, het OCMW en het burgerinitiatief. Het burgerinitiatief staat voor het particuliere initiatief, dit is een verzamelterm van alle niet-openbare initiatieven (dus alle vzw’s, feitelijke verenigingen).
De OCMW’s zijn een belangrijke hefboom om de sociale grondrechten te vrijwaren. De opdracht van het OCMW bestaat uit maatschappelijke dienstverlening, zorgen dat iedereen een menswaardig bestaan heeft. Deze opdracht is heel ruim geformuleerd maar niet vrijblijvend. Het OCMW kan hier zowel regisseur, als coördinator, als uitvoerder zijn.
Uit de ruime opdracht vloeien diverse taken. Ten eerste dient het OCMW op zoek te gaan naar de noden en behoeften van de doelgroep, van de bevolking in haar gemeente. Dit gebeurt aan de hand van een inventarisatie van de noden en het aanbod. (Wie is met wat bezig ?) Het betreft hier het opstellen van de sociale kaart van de gemeente. Ten tweede neemt het OCMW de regierol en de coördinatierol op zich. (Coördineren staat voor het zorgen dat initiatieven elkaar aanvullen, registreren gaat verder dan dat, dit houdt in dat het OCMW actief samenwerkingsverbanden tracht tot stand te brengen). Ten derde oefent het OCMW haar signaalfunctie (naar het beleid) uit.
Voor het uitvoeren van de diverse taken kan het OCMW op enkele troeven rekenen. Zoals : laagdrempelig, bruikbaarheid, bereikbaarheid, toegankelijkheid, integrale dienstverlening, in principe kosteloos, pluralistisch. De taken worden gestuurd door de federale overheid, de Vlaamse overheid en door het OCMW zelf.
Het gemeentebestuur is niet verplicht om mensen te helpen en om een sociale dienst in te richten. Het OCMW is daar wel toe verplicht. (Dit vormt het horizontale beleid).
De gemeente is de eerste toezichthoudende overheid op het OCMW. Dit wil zeggen dat het OCMW een lager beleidsniveau vormt dan de gemeente. De OCMW-voorzitter maakt wel deel uit van het college in verband met sociale materies. Wanneer het OCMW tekorten heeft dan moet de gemeente deze aanvullen. De relatie tussen het OCMW en de gemeente is een georganiseerde verhouding met een zekere hiërarchie. Aan dit probeert men tegenwoordig te sleutelen. Maar hoe? Door te werken aan het vertrouwen tussen OCMW en gemeente. Aan de hand van beleidsplanning dient dit wantrouwen verholpen te worden. Want er wordt getracht om het beleid te objectiveren door het stellen van doelstellingen, aan de hand van feiten, cijfers, en noem maar op.
Er is een verschil tussen de gemeente en het OCMW. Het OCMW is gericht op het individuele en het curatieve, terwijl de gemeente gericht is op het algemene en preventieve. Dit kan voor spanningen zorgen op praktisch gebied.
Naast de samenwerking tussen gemeente en OCMW ontstond er de laatste jaren een intensere samenwerking tussen gemeente en het particulier initiatief. Het particuliere initiatief is een onderaannemer van de overheid geworden. Er wordt gewerkt op basis van een contract. Hierdoor dienen de particuliere initiatieven op een beleidsmatige manier te werken.
De achterliggende filosofie van de vernauwde samenwerking is een open beleid. Dit wordt in praktijk gebracht door middel van overleg. Vanuit de overheid ontstond de wens om op elk niveau een open communicatie te voeren. In het kader van de beleidsplanning is het noodzakelijk dat er breed overleg komt: samen plannen brengt meer inzichten bij, vergoot het draagvlak, verruimt de openbaarheid en laat de kans toenemen op meer effectieve en meer afgestemde aanpak.
Een lokaal sociaal beleid kan enkel succes ervaren wanneer er een aantal principes gerespecteerd worden.
De context van een sociaal beleid is complex. Het sociale beslaat meerdere domeinen en niet enkel het sociale domein. Er dient rekening gehouden te worden met diverse actoren (zowel openbaar, als privé, als semi-publiek, als de burger).
De socio- economische kaart is per gemeente verschillend. De socio-economische kaart dient dus uitgebreid bestudeerd te worden alvorens er activiteiten gepland kunnen worden.
Bij het uitstippelen van een lokaal sociaal beleid dient de doelgroep benaderd en bevraagd te worden. Dus een lokaal sociaal beleid geschiedt aan de hand van burgerparticipatie.
Wat zijn de criteria?
Burgers zijn gebruiker, consument en cliënt en hebben omwille van dit ervaringskennis. De burger ondervindt aan den lijve de effecten van beleidsmaatregelen, dus lijkt het mij volkomen logisch dat de burger rechtstreeks wordt aangesproken.
Net als bij het algemene sociale beleid van de overheid, heeft de bijzondere jeugdbijstand meerdere domeinen die ermee verband houden, die bijdragen tot het welzijn van de doelgroep.
Minister Vogels ziet haar rol inzake welzijn als een regisseur en coördinator zodat Vlaanderen naar een harmonisch beleid kan evolueren. Slechts in laatste instantie zal haar ministerie als uitvoerder optreden en dit in die domeinen waarvoor het ministerie zelf instrumenten ter beschikking heeft.
In het algemeen werden er vijf grote doelen gesteld.
Deze vijf doelstellingen zouden elk in vijf gebieden dienen geconcretiseerd worden.
De vijf doelstellingen die elk in de vijf deelgebieden gerealiseerd dienen te worden, zouden tot een goed einde gebracht dienen te worden door middel van meerdere partnerschappen. Tussen de Vlaamse regering en het Vlaamse parlement. Tussen het ministerie van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen en de Vlaamse openbare instellingen. Tussen werkgevers en werknemers in de socialprofitsector. Tussen de verschillende posities van de formele structuur van het ministerie (met andere woorden: interne samenwerking van diverse afdelingen en diensten).
Het voorgaande kan pas van start gaan na een grondige doorlichting van de deelgebieden, van het cliënteel, van de problematiek, ... Minister Vogels wil een grondige analyse van het Vlaamse Welzijnslandschap zodat haar ministerie in staat is om de bestaande hulpverlening beter te organiseren (in plaats van meer hulpverlening te creëren).
Het grote sleutelbegrip doorheen het beleid van minister Vogels is preventie. Om aan algemene preventie te kunnen beginnen, ontstaat de noodzaak tot een integraal (of inclusief) beleid (of aanpak).
Vlaams minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen, Mieke Vogels, tracht de uitgangspunten uit de maatschappelijke beleidsnota bijzondere jeugdzorg van het Vlaams parlement en haar eigen beleidsnota te verwezenlijken aan de hand van een integrale aanpak van de jeugdzorg. De Vlaamse regering wenst dat het hoofdzakelijk sectoraal georganiseerde hulpverlening aan minderjarigen omgebouwd wordt tot een integrale hulpverlening. Hoe deze integrale aanpak eruit dient te zien, werd uitvoerig neergeschreven in de basisnota integrale jeugdhulpverlening. Minister Vogels is er zich terdege van bewust dat alle relevante domeinen dienen samen te werken alvorens er sprake kan zijn van een hulpverlening op maat van de minderjarige cliënt.
De integrale jeugdhulpverlening bestrijkt het gehele domein van het breed maatschappelijk aanbod voor minderjarigen gaande van informatie- en adviesverstrekking tot en met de residentiële hulpverlening. Met andere woorden bestrijkt een integrale jeugdhulpverlening zowel de vrijwillige hulpverlening als de gedwongen hulpverlening ten aanzien van jongeren alsook ten aanzien van de ouders of de omgeving van deze jongeren. De integrale jeugdhulpverlening betreft niet de herstelgerichte afhandeling van minderjarige delictplegers.
Enerzijds zou moeten getracht worden om een algemene welzijnspreventie aangaande de jeugd uit te bouwen en anderzijds is er de integrale jeugdhulpverlening. Preventie wordt toegespitst op het thema ‘onderwijs en welzijn’. Integraal betekent hier: sectoroverschrijdend. Dit is een jeugdhulpverlening die georganiseerd wordt over de grenzen van de bestaande sectoren heen.
De zes hoofdpijlers, die naar voor kwamen uit de basisnota van minister Vogels, zijn: integraliteit, modulering, vrij toegankelijk versus niet vrij toegankelijke hulp, toegangssluis, diagnose en indicatiestelling versus toewijzing, trajectbegeleiding en dwang als modaliteit.
Minister Vogels deelt mee dat er zes noodzakelijke partners zijn, die de integrale jeugdhulpverlening kunnen realiseren of verwerpen, namelijk: de Bijzondere Jeugdzorg, Algemeen Welzijnswerk, Vlaams Fonds voor Sociale Integratie van Personen met een Handicap, Kind en Gezin, Geestelijke Gezondheidszorg en Onderwijs. Naast de noodzakelijke sectoren zijn andere sectoren meer dan welkom om deel te nemen.
Deze sectoren dienen volgens minister Vogels al hun activiteiten voor jongeren (tussen 0 jaar en 17 jaar) grondig op elkaar af te stemmen zodat het mogelijk wordt om hulpmodellen intra- en intersectoraal met elkaar te combineren in functie van de vraag of behoefte van het cliënteel.
Minister Vogels wenst te evolueren naar een situatie waar iedereen duidelijk weet welke instelling/dienst wat doet. (Modulering) Overlappingen zouden naar de toekomst toe moeten uitgesloten worden. De hulpverlening dient voor de cliënt overzichtelijker te worden.
De integrale jeugdhulpverlening dient in de toekomst nog steeds twee domeinen te bestrijken, namelijk de vrij toegankelijke (of de vrijwillige) en de niet vrij toegankelijke (of de gedwongen) hulpverlening. Deze laatste zou enkel in laatste instantie dienen ingeschakeld te worden. Dus nadat men een toegangsluis gepasseerd heeft. Deze toegangsluis houdt in dat er eerst een duidelijke indicatiestelling is. Cliënt noch hulpverlener kunnen rechtstreeks een beroep doen op de niet vrijwillige hulpverlening.
Om de integrale jeugdhulpverlening te realiseren werden zes strategieën uitgedokterd.
Het uitbouwen van een signaalfunctie en de vrij toegankelijk hulp.
Het uitbouwen van een toegang tot de niet vrij toegankelijke hulp, via de toegangssluis.
Het uitbouwen van een jeugdhulpverlening.
Het invoeren van trajectbegeleiding.
Het kantelen van aanbodgestuurde naar vraaggestuurde werken.
Uitwerken van een inhoudelijke dwarsverbinding tussen de hulpbieders uit al de sectoren om alle overlappingen, lacunes en verkokering weg te werken en te komen tot een institutionele harmonisering van het aanbod.
Om deze strategieën uit te werken werd er een operationeel plan uitgewerkt. Waarbij de aandacht uitgaat naar het installeren van thematische werkgroepen en het werken met pilootregio’s. Elke werkgroep zou dienen te bestaan uit: zes vertegenwoordigers uit de zes sectoren, zes ambtenaren van de betrokken administraties, de experts ter zake en de raadgevers van de kabinetten Welzijn, Gezondheid en Onderwijs. Dit houdt dus de samenwerking in van diverse domeinen, van het hoogste niveau tot de lagere niveaus.
Er lopen twee krachtlijnen doorheen het beleid van minister Vogels inzake bijzondere jeugdbijstand.
Ten eerste dient zoveel als mogelijk voorkomen te worden dat jongeren in de bijzondere jeugdbijstand terechtkomen. Hoe wordt dit bewerkstelligd? Door middel van preventie en door hervormingen.
Ten tweede een inclusief jeugd- en gezinshulpverlening ontwikkelen waarvan het sluitstuk een integrale jeugdhulpverlening vormt.
Naar preventie ging de aandacht van reeds meerdere Vlaamse ministers ter zake. Na reeds twee jaar is er van het preventieve luik nog niet opmerkelijk veel resultaat geboekt. Dit ligt waarschijnlijk niet aan de aanpak van minister Vogels maar eerder aan de aard van een preventieve campagne. Je kan van een preventiecampagne niet verwachten dat zij na enkele maanden reeds opmerkelijke verbetering van de probleemsituatie teweegbrengt. Het preventieluik dient trouwens door meer dan één domein behandelt te worden. Wanneer zou aangenomen worden dat één of meer van de beleidsdomeinen (bijvoorbeeld onderwijs, tewerkstelling, huisvesting, …) haar steentje minder of niet bijdraagt dan wordt het bijna een logisch gevolg dat de preventie-inspanningen van andere actoren tenietgedaan worden of minder snel gemeten kunnen worden.
Volgens minister Vogels dienen er meerdere hervormingen plaats te vinden ter optimalisering van de bijzondere jeugdbijstand. Ten eerste dient de aanpak van als delinquent omschreven jongeren afgestemd te worden op het federaal justitieel beleid ter zake. (Door middel van een protocolakkoord tussen minister Vogels en minister Verwilghen werd hieraan reeds deels tegemoet gekomen). Ten tweede zou er een elektronisch dossier dienen opgesteld te worden, zodat er bijvoorbeeld aan onderzoek kan gedaan worden (Wie is de doelgroep van de bijzondere jeugdbijstand? Hoe ziet de omgeving van de jongeren eruit?). Ten derde zou er een herstructurering van de bijzondere jeugdbijstand bekomen moeten worden na vier jaar paarse regering.
Minister Vogels wil de hulpverleningsorganisaties binnen de bijzondere jeugdbijstand herorganiseren zodat de hulpverlening geoptimaliseerd kan worden. Dit brengt mijns inziens echter enkele risico’s met zich mee.
Het elektronische dossier zou heel waardevol kunnen blijken om aan onderzoek te doen. Maar aan de andere kant kan het elektronische dossier een serieuze inbreuk op de privacywet inhouden. Welke gegevens worden er allemaal geregistreerd? Worden er persoonsgegevens geregistreerd?
Ik weet vanuit mijn stageplaats ‘de sociale dienst van de Vlaamse Gemeenschap bij de jeugdrechtbank' dat er vrij veel identificatiegegevens dienden ingevuld te worden.
Er werd dacht ik niet vermeld tot welke periode die gegevens werden opgeslagen. Wanneer minderjarigen een als misdrijf omschreven pleegden dan is het hun recht van zodra ze meerderjarig zijn dat al hun gegevens verwijderd worden uit bestanden van politiediensten, van rechtbanken en van sociale diensten. Wanneer de gegevens van het elektronische tientallen jaren zouden worden bijgehouden dan worden de rechten van onze cliënten geschaad.
Bij het elektronische dossier dienden eveneens gegevens ingevuld te worden omtrent de financiële situatie van de ouders van de minderjarigen. Het klassenverschil wordt hierdoor duidelijk en dit kan misbruikt worden volgens mij?
De privacywet van 1998 zegt duidelijk dat een persoon op de hoogte dient gebracht te worden wanneer zijn persoonsgegevens worden verwerkt en dat de persoon in kwestie eveneens zijn uitdrukkelijke goedkeuring dient te geven. Ik heb op mijn stageplaats niet gezien of gehoord dat de consulenten de toestemming vroegen aan hun minderjarige cliënteel en aan diens omgeving. Dit is dus een serieuze inbreuk op de privacywet en zou eigenlijk gesanctioneerd moeten worden (wanneer we de letter van de wet volgen).
De hervormingen binnen de bijzondere jeugdbijstand zijn mijns inziens hoogdringend nodig. Maar ik vraag me af of dit wel zo simpel is om te realiseren? De sector is een vrij bureaucratisch ingestelde organisatievorm, met alle ongemakken van dien. Naast de bureaucratie binnen de sector, vrees ik dat een tweede hindernis de mentaliteit van de professionelen kan zijn. De professionele hulpverleners worden niet graag op de vingers gekeken. Zij genieten een vrij grote autonomie tijdens hun handelen en ik denk dat het moeilijk zal zijn voor hen om hier afstand van de doen.
AFDELING BIJZONDERE JEUGDBIJSTAND, Beleidsbrief Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen 2002. Brussel, 2002, 6 p. (Interne briefwisseling vanwege Van Keymeulen H., afdelingshoofd Bijzondere Jeugdbijstand, aan de sociale dienst van de Vlaamse Gemeenschap bij de jeugdrechtbank te Brussel).
AFDELING BIJZONDERE JEUGDBIJSTAND, Ontwerptekst van de ‘toekomstvisie inzake hulpverlening en preventie. Brussel, 2000, 5 p.. (Interne briefwisseling vanwege Van Keymeulen H., Afdelingshoofd Bijzondere Jeugdbijstand, aan de sociale dienst van de Vlaamse Gemeenschap bij de jeugdrechtbank te Brussel).
COMMISSIE AD HOC BIJZONDERE JEUGDZORG, Krachtlijnen voor een toekomstig beleid inzake jeugdzorg. Ontwerp van maatschappelijke beleidsnota. 17 februari 1999. In: Stuk 1354 (1998-1999) – Nr.1 – Bijlagen.
MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP, WVC Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur in beeld. Van Muysewinkel, Enschedé, 1999,1-31 p.
PROTOCOLAKKOORD van 26 maart 2001 tussen de federale minister van Justitie Marc Verwilghen, en de Vlaamse minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen, Mieke Vogels, houdende de krachtlijnen van de verdere samenwerking op het grensgebied welzijnjustitie.
ROOSE, R., Integrale jeugdhulpverlening. Synthesenota Integrale Jeugdhulpverlening. Tijdschrift voor Jeugdrecht en Kinderrechtenn jrg. 1, nr. 4, november 2000, 164-169 p.
VOGELS, M., Beleidsnota 2000-2004. Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen. Die Keure, Brugge, 2000, 79 p.