Mijn interesse voor het wegloopverschijnsel onder Turkse meisjes werd gewekt via een gesprek dat ik had met Sabine Flamand. Deze persoon is werkzaam als maatschappelijk werker bij de politie van Schaarbeek. Ik had met haar een gesprek, daar ik mijn stage zal doorlopen op de jeugddienst van de politie van Schaarbeek in de Roodebeeklaan nr. 66/68.
Bij het uitwerken van mijn probleemstelling, heb ik niet beoogd het probleem in de diepte uit te werken. Dit is trouwens niet mogelijk in een werk dat hoogstens vijfentwintig bladzijden mag bedragen.
Ik dien te vermelden dat hoe dieper je in een situatie graaft, hoe meer de individuele verschillen een rol zullen spelen. Daarom is het belangrijk dat de lezer van dit werk steeds in gedachte houdt, dat de aangehaalde conclusies enkel een algemeen beeld proberen te schetsen van de situatie.
Ik wil ook vermelden dat ik nogal wat moeilijkheden heb ondervonden om aan de nodige literatuur te komen, in verband met het weglopen bij Turkse meisjes. In de bibliotheek van de Vrije Universiteit Brussel had ik enkele interessante licentiaatverhandelingen besteld die over mijn thema leken te gaan. Toen ik de licentiaatverhandelingen mocht gaan inkijken, bleken deze geheel onvindbaar te zijn in hun archief.
Ik denk dat er nog mensen bezig waren met het schrijven van een werk rond mijn thema want als ik boeken vond in de bibliotheekgidsen waren deze vaak uitgeleend. Ik reserveerde deze dan maar de uitleners brachten deze boeken niet tijdig binnen. Hierdoor zijn er een aantal waardevolle gegevens vreemd gebleven voor mij.
Ik kwam trouwens tot de conclusie dat er nog niet zo veel geschreven is over het weglopen onder Turkse meisjes. Dit vind ik een spijtige zaak. Ten eerste uit ego�stische reden omdat ik dan misschien een integralere probleembehandeling had kunnen indienen. Ten tweede is het spijtig omdat dit een heel boeiend onderwerp is en meer aandacht verdient.
Om het weglopen bij Turkse meisjes uit te werken, diende ik me te verdiepen in de leefwereld van deze meisjes. Hierbij bekeek ik diverse facetten waarmee deze meisjes te maken hebben, zoals hun cultuur, identiteit, familiaal leven, � In mijn tweede hoofdstuk ging ik na wat weglopen inhoudt en welke de redenen en de gevolgen kunnen zijn.
Als iemand wegloopt dan wordt die op termijn geconfronteerd met hulpverleners. Als het Turkse meisjes zijn dan dient de hulpverlener anders te reageren dan bij Westerse meisjes. Ik ben de autochtone en de allochtone hulpverlener van naderbij gaan bekijken. Hierbij heb ik me ook ingelaten met communicatie bij de hulpverlener en zijn cli�nt.
Pinto beschrijft cultuur als een evoluerend systeem van waarden, normen en leefregels. Cultuur wordt van generatie op generatie doorgeven en zo ge�nternaliseerd. Voor mensen in een groep is hun cultuur vaak onbewust richtinggevend voor hun gedrag en voor hun kijk op de wereld.
Het gedrag van een individu wordt niet uitsluitend bepaald door zijn cultuur, maar ook door zijn persoonlijkheid en zijn aangeboren mogelijkheden. Niemand denkt over zijn cultuur na, tot hij of zij geconfronteerd wordt met andere culturen.
Jaffar vermeldt dat de Turkse en Marokkaanse gemeenschappen belangrijke elementen van de cultuur vanuit het moederland handhaven, maar dat in een context doen van immigratie, met alle spanningen dat dat meebrengt voor het individu en het collectief.
De Turkse en Marokkaanse gemeenschappen zijn een vrij homogene groep en kennen weinig beweging, terwijl in het moederland de situatie veel heterogener is en meer beweging kent. Hierdoor is het uiterst moeilijk voor personen in de Turkse en Marokkaanse gemeenschappen in Belgi�, die afwijken van het gemiddelde en toch willen vasthouden aan hun Turkse of Marokkaanse identiteit om de eigen plaats te bepalen.
De identiteit van een persoon legt de relatie tussen het individu en zijn sociale omgeving, het gaat om unieke kenmerken van een persoon en om herkenbare kenmerken die de persoon deelt met anderen, zijn groep.
Bij Van der Werf staat te lezen dat de identiteit van allochtone jongeren wordt gevormd door een viertal ervaringsgebieden:
de cultuur en traditie uit het land van herkomst (van henzelf of van hun ouders) en van de betreffende allochtone gemeenschap in Belgi�;
de shock van de migratie (van henzelf of van hun ouders);
de band met het land van herkomst (van henzelf of van hun ouders);
de autochtone cultuur.
Banning breidt deze ervaringsgebieden uit met een aantal aspecten:
de aantrekkingskracht van de Belgische groep en cultuur en de mate van inpassing in de Belgische samenleving;
de beleving van dominantie en uitbuiting door de westerse samenleving;
de gehechtheid aan en de solidariteit met de eigen groep, zowel ten aanzien van de belangen als de cultuur van de groep;
de eigen levensgeschiedenis, gezins- en schoolsocialisatie, de eigen strijd om zich te handhaven.
Er zijn zes dimensies waarop culturen kunnen verschillen: mensbeeld (goed, goed en slecht, slecht); hoe ziet men de wereld en natuur (de mens is dominant over, in harmonie met, of onderworpen aan natuur en wereld); persoonlijke relaties (individu of collectiviteit); activiteiten (doen, controleren, zijn); tijd (geori�nteerd op het verleden, heden of de toekomst); ruimte (priv�, priv� en publiek, of publiek).
Pinto onderscheidt twee verschillende onderliggende structuren van culturen, die leiden tot het onderscheid tussen moderne en traditionele, of westerse en niet- westerse culturen. Pinto benoemt deze structuren van culturen als G- culturen en F- culturen. In G- culturen dient ieder individu zelf de algemene regels te vertalen naar gedragsregels voor zijn specifieke situatie. In F- culturen bestaan er voor vrijwel iedere situatie gedetailleerde gedragsregels, en het individu hoeft deze slechts na te leven.
In F- culturen functioneert de groep of de mening van de groep als een externe rem op het gedrag. In F- culturen leeft men met de angst betrapt te worden wanneer men de regels overtreedt en zich vervolgens moet schamen voor dit gedrag. In G- culturen leeft men meer met de angst voor daden die op zichzelf slecht zijn, voor de zonde. Door deze verboden handelingen te doen, voelt men zich schuldig.
Islam als religie is een systeem, van gebruiken en opvattingen, dat maatschappelijk onontkoombaar is.
De regels van de islam worden per land en per groep anders ge�nterpreteerd. In Turkije behoort men tot de hanafitische school.
'Islaam' is een technische term, waarmee het geloof en de riten, die gebaseerd zijn op de koran worden bedoeld.
'Moeslim' is een zelfstandig naamwoord, dat degene aanduidt die de islam belijdt en getrouw naleeft.
De islam is een stuk van de identiteit van de Turkse meisjes, een groepsbevestiging. De godsdienst geeft hen een stuk zekerheid en houvast. Een religieuze identificatie is vaak eigen aan om het even welke minderheid of nationaliteit die in een defensieve positie gedrongen is.
Vooral de sociale aspecten van de islam worden beleefd: de ramadan waarbij gezamenlijk vasten en feesten de samenhang van de groep versterkt.
De sociaal- economische situatie van Turkse migranten is gekenmerkt door een hoge graad van werkloosheid en onstabiliteit. Op de arbeidsmarkt worden ze geconfronteerd door verscheidene wijzen van vooroordelen en discriminatie. Als reactie hierop gaan ze meer nadruk leggen op hun etniciteit.
Ook al vindt een sociale interactie plaats tussen migranten en de Belgische populatie, er blijven culturele verschillen bestaan (maar enkel die verschillen die de migranten als sociaal relevant vinden). Hierbij kan men denken aan de duidelijke verschillen zoals de taal. De continu�teit van de etnische groep is afhankelijk van het behoud van deze grenzen.
Door het benadrukken van sommige symbolen kunnen Turkse migranten zichzelf onderscheiden van de dominante Belgische groep. De Turkse ouders vinden dat hun islamitisch geloof hun een moraal referentiekader biedt en ze beschouwen dit als ��n van de grootste verschillen tussen hen en de Belgen. De ouders vinden dat de moslimwaarden over seksualiteit, eer, maagdelijkheid, respect, gehoorzaamheid en huwelijk geschonden worden door de dominante Westerse norm.
Moslimfamilies worden gekarakteriseerd door hi�rarchische machtsrelaties waarbij de vader de formele autoriteit is.
Er zijn echter verscheidene factoren die het gezag van de vader ondermijnen of op zijn minst problematisch maken. Veel vaders proberen door het strikt vasthouden aan de tradities hun eigen status te verstevigen of te behouden.
Door de migratie hebben de kinderen een statuut verworven, zij zijn in zekere zin de opvoeders van hun ouders geworden. Door school, leeftijdsgenoten en kennis van de taal zijn zij veel beter op de hoogte van het reilen en zeilen in de maatschappij. Hierdoor zorgen de kinderen voor de administratie en de boodschappen of spelen ze tolk.
In de opvoeding zijn de ouders erop gericht dat hun kinderen zichzelf en hen niet te schande maken en zorgen ervoor dat ze zich aan de regels houden. De kinderen worden op de toekomstige man- en vrouwrollen voorbereid. Jongens worden geleerd hoe buitenshuis opgetreden moet worden, ze mogen hierdoor meer naar buiten en genieten een grote vrijheid. Meisjes worden al vroeg voorbereid op hun taken om later als maagd te trouwen, kinderen voort te brengen en op te voeden. Vanaf de leeftijd van de eerste menstruatie wordt er meer op de meisjes gelet en mogen ze minder naar buiten, tenzij in vertrouwd gezelschap of onder begeleiding, om te beletten dat de meisjes hun maagdelijkheid verliezen.
Er geldt een dubbele moraal: een man stijgt vaak bij seksegenoten in aanzien als hij beschikt over een ruime seksuele ervaring en een vrouw die hierover beschikt daalt in aanzien. Omdat er zoveel op het spel staat bij Turkse meisjes, worden ze in hun opvoeding eigenlijk bang gemaakt voor mannen en seksualiteit.
Dit geldt ook nog steeds in de Belgische samenleving: een vrouw met een uitgebreide seksuele ervaring wordt gestigmatiseerd, terwijl een man hierover complimenten zal ontvangen in zijn kennissenkring.
De vrouwelijke maagdelijkheid, dat vaak geassocieerd wordt met vrouwelijke zuiverheid, moet beschouwd worden als het sleutelaspect van seksualiteit. De zuiverheid van de groep is afhankelijk van de zuiverheid van haar vrouwen. Bij Turkse migranten is de maagdelijkheid van een meisje niet haar eigen zaak maar het is de aangelegenheid van heel haar familie. Hierdoor voelt de familie het als een noodzaak aan om een hoge graad van sociale controle toe te passen, om het gedrag van het pubermeisje te controleren.
Turkse ouders vrezen om hun dochters te verliezen aan de Westerse maatschappij of dat hun dochters vervreemden van hun eigen culturele achtergrond. In de Belgische context, dienen Turkse meisjes als etnisch kenteken van hun gemeenschap.
Tijdens de opvoeding van de meisjes wordt de nadruk gelegd op het feit dat ze maagd moeten blijven tot hun huwelijk, hiermee wordt bedoeld dat het maagdenvlies intact moet blijven.
Eer vormt de identiteit van een persoon en fungeert als een brug tussen het zelf en de samenleving. Het leven is geordend in collectieven -gezin, familie, dorp- waarin de hi�rarchie een heel belangrijke rol speelt. De eer van de man is de eer van de groep, waarvan men deel uitmaakt. De eer is niet alleen afhankelijk van iemands eigen gedrag maar ook van dat van andere leden van de groep waartoe men behoort.
De eer is de waarde van een persoon in zijn of haar positie in eigen ogen, maar vooral in de ogen van de samenleving. Bij Van der Werf staat te lezen dat de eer wordt bepaald door het zich houden aan de regels, door macht (economische positie) en seksuele zuiverheid van de vrouwen (moeder, zus, vrouw, dochter).
Eer heeft te maken met relaties tussen mensen: mensen geven de eer (status) en krijgen de eer (respect) die hen toekomt in hun positie. Bij een inbreuk op de eer zal de man moeten reageren, anders is hij een lafaard en wordt zijn status blijvend verlaagd; hij lijdt gezichtsverlies.
De eindverantwoordelijke voor het gedrag van de zoons, dochters en de vrouw is de oudste man. Maar dit geldt niet wanneer ��n van de zoons buiten de familie een veel hogere status heeft dan zijn vader, in zo een geval vertegenwoordigt de 'beste' de familie naar buiten toe.
Bij Jaffar staat te lezen dat men een aantal kenmerken kan onderkennen voor het grootste deel van de Turkse of Marokkaanse cli�nten:
Zij komen uit rurale streken, of hebben ouders daarvandaan.
Zij spreken niet graag over zichzelf.
Zij beschouwen problemen niet als individuele problemen.
Het nucleaire gezin is voor hen niet het belangrijkste ori�ntatiepunt, maar zij zien zichzelf binnen het verband van een (grote) familie, zelf als die niet in het immigratieland woont.
De eigen groep is toonaangevend.
Zij maken weinig onderscheid tussen materi�le en immateri�le problemen.
Zij maken weinig onderscheid tussen lichamelijke en geestelijke ziektes, of leggen accenten anders.
Bij Turken zien we dat familiebanden zwaar door wegen, familieleden hebben steeds verplichtingen ten opzichte van elkaar.
De familie met vrienden, die men via familieleden heeft leren kennen, vormt de in- groep. Dit is de groep waar men zich veilig voelt, waar men steun en hulp kan verwachten en waar men zich bij voelt horen.
Een meisje heeft weinig inspraak in familiezaken, de vader is de gezagdrager en er wordt aangenomen dat hij weet wat het beste is voor zijn dochter.
Mannen nemen de verantwoordelijkheid op zich om de eer van de familie te vrijwaren en proberen 'slecht' gedrag van de dochters te ontmoedigen. Kwesties als eer en schande zijn cruciaal voor zowel de familie als het individu want als een individu iets verkeerds doet, brengt dit schande over heel de familie en niet enkel over het individu. Dit is ��n van de redenen waarom de sociale controle voor een meisje zo groot is en dat er wordt aangedrongen dat meisjes op jonge leeftijd huwen, voornamelijk bij de Turkse gemeenschap is dit zo.
Een 'goed' meisje mag geen jongens ontmoeten in het openbaar want zo krijgt ze een slechte reputatie en brengt ze schande over de familie.
Aangezien maagdelijkheid de eerste vereiste is voor een huwelijk, beschouwen vaders en broers het als hun verantwoordelijkheid om de seksualiteit van de jonge vrouwelijke familieleden streng te bewaken.
Mannen en vrouwen leven een gescheiden leven. Mannen onderhouden contact met de buitenwereld door te werken en op caf� te gaan. Dit heeft ook met de strikte rolverdeling te maken. De traditionele vrouwenrol speelt zich voornamelijk af binnenshuis. Zij zijn de meesteressen, zij bepalen hoe alles verloopt in huis. Vrouwen onderhouden contact met andere vrouwelijke familieleden en de naaste buren. Mannen onderhouden contact met de mannelijke familieleden en vrienden.
Op school komen moslimmeisjes in contact met andere waarden dan die ze thuis hebben meegekregen. Sommige waarden van hun ouders gaan ze niet meer vanzelfsprekend vinden.
Op school vinden migrantenkinderen maar weinig terug van hun thuiswereld. Op school wordt er een andere taal gesproken en komen de thuiservaringen niet aan bod. Op school worden er andere normen en waarden meegedeeld, namelijk: jongens en meisjes zijn gelijkwaardig, individualiteit en zelfstandigheid worden aangemoedigd.
Via de school heeft de andere cultuur de grootste impact: niet enkel door de leerstof en de manier van werken, ook door contact met leeftijdgenoten.
Turkse meisjes worden opgevoed volgens de Turkse traditie maar ze worden ook sterk be�nvloed door wat ze op school leren en door het contact met hun leeftijdsgenoten.
Hierdoor worden migrantenkinderen geconfronteerd met uiteenlopende fragmenten wereldbeeld en met verscheidene ervaringen grootgebracht, ze dienen zelf een leefbare synthese te cre�ren die bruikbaar is voor het leven van alledag.
Deze verschillende referentiekaders hoeven niet noodzakelijk problematisch te zijn. Op school zijn ze anders dan thuis bijvoorbeeld.
Allochtone jongeren leven voor een deel in twee culturen, hierdoor dienen ze een weg te vinden tussen verschillende, soms tegenstrijdige impulsen. Dit hoeft niet slecht te zijn, ze kunnen van beide culturen belangrijke waarden en normen opdoen.
De meisjes zoeken een modus vivendi tussen de traditionele normen en de Westerse. Er gebeurt een kosten- batenanalyse. Aan de batenzijde liggen zelfontplooiing, zelfrealisering, het individuele nut en aan de kostenzijde ligt de breuk met de familie, het zich afsluiten uit een heel netwerk, dat ondersteunend werkt.
De werkdefinitie van het jeugdbeschermingcomit� van Brussel luidt als volgt: ' minderjarigen vanaf 12 jaar die, door uit hun leefsituatie weg te gaan, zich trachten te onttrekken aan een door hen ervaren ongunstige situatie'.
Scholte definieert weglopen als 'die vorm van probleemgedrag waarbij minderjarigen minstens ��n nacht zonder toestemming van en/ of overleg met de verantwoordelijke opvoeders het huis, waar zij regulier verblijven, verlaten hebben'.
Er kunnen drie soorten van weggelopen minderjarigen onderkend worden:
Minderjarigen die weglopen en die op zichzelf onderdak en steun vinden.
Minderjarigen die materieel onvoorbereid thuis weglopen en dan hulp zoeken bij professionele hulpverleners.
Minderjarigen die voor ��n dag of een paar dagen weglopen en dan terugkeren naar huis.
Vaak is er niet ��n welbepaalde reden waarom iemand wegloopt van huis. Meestal is weglopen het resultaat van vele ruzies over de jaren heen.
De reden waarom de minderjarige de situatie thuis niet langer aankan, is vrijwel altijd de aanwezigheid van een relatie- en communicatiestoornis binnen het gezin. Dit is niet uitsluitend geldig voor Turkse meisjes, deze oorzaken komen ook voor bij Westerse meisjes en jongens, die van huis weglopen.
Brouwer heeft het over drie grote conflicthaarden waardoor de Turkse meisjes weglopen. Deze conflicthaarden betreffen hun opleiding, hun omgang met jongens en hun huwelijksvooruitzichten.
Erkenning van de belangrijkheid van een opleiding voor vrouwen is vaak verbonden met het opleidingsniveau van de ouders. Migrantenfamilies zijn meestal afkomstig uit rurale, vaak afgelegen gebieden; waar het opleidingsniveau niet zo hoog is.
Naast deze factoren speelt ook het feit mee dat sommige ouders de Westerse cultuur als een bedreiging zien. Wat nog een rol kan spelen is dat elk bijkomend onderwijsniveau de kans op een huwelijk voor de leeftijd van twintig verlaagd.
In gezinnen waar een opleiding voor meisjes niet belangrijk geacht wordt, worden meisjes vaak thuis gehouden of mogen ze niet langer naar school gaan als ze de minimumleeftijd om de school te verlaten hebben bereikt.
De meisjes dienen zorg te dragen voor de jongere kinderen in het huisgezin en ze moeten meehelpen in het huishouden. Dit komt ook doordat ze op deze wijze goed voorbereid worden op hun leven als toekomstige vrouw en moeder.
In gezinnen waar er wel belang wordt gehecht aan een opleiding voor meisjes, hebben de meisjes weinig in te brengen in de keuze van het onderwijsprogramma of van de school.
Turkse meisjes belandden vaak in de traditionele opleidingkeuzes voor meisjes, zoals haartooi. Deze opleidingen bevinden zich ook vrijwel uitsluitend in het beroepsonderwijs. Deze keuze hangt ook samen met het feit dat de meisjes voorbereid worden op hun latere levenswijze als getrouwde vrouw.
De traditie van uithuwelijking en het verbod op de omgang met jongens komt voort uit de betekenis die ouders hechten aan maagdelijkheid.
Moslimhuwelijken worden beschouwd als de verantwoordelijkheid van de familie en niet van de betrokken individuen. Over het algemeen wordt er een huwelijk voltrokken binnen de etnische gemeenschap (in Belgi� en in het land van herkomst). In de islamitische wet staat geschreven dat het meisje steeds haar goedkeuring moet geven over de gekozen huwelijkskandidaat.
Maar de realiteit kan wel eens verschillen. Soms worden meisjes helemaal niet betrokken bij de voorbereiding van hun eigen huwelijk. Wanneer ze wel betrokken worden, kan de sociale druk zo hoog zijn dat de meisjes niet anders durven dan toe te stemmen.
De meisjes betwisten de betekenis van belangrijke etnische symbolen zoals maagdelijkheid en hoe een goed meisje zich moet gedragen. Het is weliswaar niet hun intentie om het culturele referentiekader te betwisten. Bijvoorbeeld bij het symbool maagdelijkheid zijn vele meisjes het eens met hun ouders als het betekent dat het maagdenvlies intact moet blijven. Maar bij de interpretatie dat dit ook elk contact tussen meisjes en jongens uitsluit, zijn de meeste meisjes het niet eens. Als de moslimmeisjes hun situatie willen veranderen hebben ze de volgende opties:
-Ze kunnen proberen te onderhandelen met hun ouders;
-Ze kunnen een geheim leven opbouwen;
-Ze kunnen proberen steun en hulp te vinden bij anderen;
-Ze kunnen weglopen van huis.
Door weg te lopen krijgen de meisjes een slechte reputatie en een lage status binnen hun gemeenschap. Binnen hun eigen gemeenschap worden de meisjes aanzien als hoeren. Dit kunnen ze compenseren door een goede opleiding te lopen met in de toekomst een baan met een hoge status.
Meisjes die alleen wonen of samenwonen zonder getrouwd te zijn, worden gestigmatiseerd door hun etnische groep.
Naast het verlies van haar status en haar eer riskeert een Turks meisje om uitgestoten te worden door haar familie. Door het weglopen van de dochter wordt ook de vader gestigmatiseerd. Hij heeft zijn gezin niet onder controle en moet een duidelijk signaal geven dat er met hem niet te sollen valt zodat zijn eer en status niet (nog) meer verloren gaan.
De islamitische cultuur is een 'schaamte- cultuur', hierin dient elk lid zijn passende rol te vervullen. Onaangepast gedrag leidt tot schande en schaamte omdat eerverlies optreedt voor de hele groep.
De Westerse cultuur is een 'schuld- cultuur', die gebaseerd is op de persoonlijke internalisering van normen en waarden. Als de normen en waarden overtreden worden dan treedt er een schuldgevoel bij het individu op.
Voor islamitische meisjes weegt de stap om weg te lopen veel zwaarder dan voor de (vrijere) westerse meisjes. Voor hen betekent het huis verlaten dat ze ook het sociaal- culturele systeem verlaten. Voor het gezin is het weglopen van een meisje dramatisch want haar maagdelijkheid en de eer van de familie worden erdoor bedreigd.
De meeste meisjes waarmee Brouwer gewerkt heeft, hadden een moderne kijk op het leven, welk niet past bij het stereotiepe beeld van Westerlingen over de traditionele Turkse vrouw.
Terwijl de relatie met hun eigen etnische groep dubbelzinnig is, blijken ze meer Turks te zijn dan ze oorspronkelijk dachten. Bij de interactie met Belgen worden de meisjes zich bewust van hun eigen culturele waarden (die ze voordien als vanzelfsprekend beschouwden). Ze blijken een andere waarde te hechten aan familie en gastvrijheid.
Bij de dagelijkse omgang met de Belgen benadrukken ze hun etniciteit boven alles, terwijl ze ook aanvaard willen worden als individu. De meisjes komen erachter dat niet alles zo positief is in de Westerse cultuur.
Mensen communiceren niet enkel via woorden (verbaal) maar ook met gebaren, mimiek en lichaamshouding (non-verbaal).
In de westerse cultuur wordt vooral direct gecommuniceerd, bij Turken wordt er echter vooral indirect gecommuniceerd. Men kan ook spreken van een 'beperkte taalcode', hiermee wordt een manier van praten aangeduid waarbij men slechts aanduidingen hoeft te geven, weinig expliciet hoeft te zeggen wat men bedoelt en nauwelijks een eigen mening hoeft te geven.
Bij indirecte communicatie is de hulpverlener verplicht te raden naar gevoelens en meningen.
Welzijnswerkers beschikken over een 'uitgebreide taalcode'. Dit is nodig omdat zij goed onder woorden moeten brengen wat ze willen of voelen.
De gesprekpartners in de Turkse cultuur maken veel gebruik van vaste uitdrukkingen, spreekwoorden en standaardfrasen daar er duidelijke normen, regels en voorschriften gelden voor wat er gezegd dient te worden en hoe men zich dient te gedragen.
In de F- culturen wordt het gebruikelijk geacht dat men communiceert overeenkomstig de rol die men op een bepaald moment vervult. Hierdoor beoordelen mensen in een F- cultuur de bron van een bewering of voorstel minstens met evenveel aandacht als de inhoud.
Kritiek mag nooit rechtstreeks en in het bijzijn van anderen geuit worden. Maar door de boodschap impliciet door te geven, wordt het contact tussen mensen niet bemoeilijkt, want het respect voor de positie wordt niet aangetast en zo is de ander ook niet verplicht een tegenreactie te geven.
De houding in F- culturen ten opzichte van conflicten kan beschreven worden als ontwijkend en niet- confronterend. Een bewuste portie vaagheid en indirectheid worden ingezet wanneer spanning en ongerustheid toenemen.
Het gebruik van een tussenpersoon om contacten gemakkelijker te laten verlopen en mogelijk pijnlijke confrontaties te voorkomen is heel gewoon in F- culturen.
Bij Pinto staat te lezen dat er drie struikelblokken zijn voor een effectieve interculturele communicatie: iedereen ziet, beleeft en interpreteert alles om zich heen vanuit het denkraam van de eigen normen en waarden; de deelnemers aan het interculturele contact schrijven en kennen de ander de eigen normen en waarden toe; men maakt de eigen wensen, beperkingen en grenzen onvoldoende aan elkaar duidelijk, juist vanwege de onbekendheid van eigen en andermans communicatiecodes en culturele waarden.
Door de taal van de hulpverlener leren we zijn normen en waarden, zijn cultuur, kennen. De welzijnstaal maakt gebruik van woorden, die de mens in zijn individualiteit aanspreken. De welzijnswerker stapt de migrant tegemoet met een cultuurbeeld van de mens die zich vrij, op basis van gelijkwaardigheid met anderen kan uitspreken om met die anderen zo goed mogelijk te kunnen (en moeten) communiceren.
Weglopen is zowel bij migrantenmeisjes en westerse meisjes een noodkreet. Een hulpverlener moet de juiste betekenis van het wegloopgedrag achterhalen. Weglopen kan een definitieve breuk zijn, maar als dit niet zo is, moet er zo snel mogelijk contact opgenomen worden met de ouders.
Niet alle hulpverleners zijn er zich van bewust dat men problemen niet rechtstreeks ter sprake kan brengen bij ouders (en veel jongeren) of openlijk kan bespreken. De hulpverlener moet de autoritaire figuur in de waan laten dat zijn eer en gezag niet aangetast wordt.
Wat de probleemformulering betreft, schatten hulpverleners de aanpassing van jongeren verkeerd in. Omdat heel wat jongeren vlot Nederlands praten, zich Westers kleden en zich ook zo gedragen, interpreteren hulpverleners de problemen van jongeren alsof ze Belgische jongeren zijn in een Turks gezin. Achteraf blijkt dat vele jongeren de Westerse oplossing van de hulpverlener niet aankunnen. Het denkkader en het gevoelsleven leunen meer aan bij de Turkse cultuur dan op het eerste zicht leek.
Door een verkeerde aanpak van de problemen, kunnen deze escaleren. De hulpverleners hebben onvoldoende zicht op de geldende communicatiecodes en het belang van rollen. Zo kunnen ze problemen ten berde brengen die in het gezin niet rechtstreeks ter sprake kunnen gebracht worden en dit op een manier die voor de ouders als eerbedreigend en/ of onverstaanbaar is.
Uit onderzoek in Nederland bleek dat 'voor zover allochtone hulpverleners bij algemene instellingen aanwezig zijn, zij een marginale positie lijken in te nemen en er van deskundigheidsbevordering weinig sprake is'.
Jaffar legt uit dat de allochtone hulpverleenster vecht bij haar autochtone collega's voor begrip voor het feit dat migranten vaak anders benaderd moeten worden om de hulpverlening effectief te maken. Allochtone hulpverleners hebben een beter begrip van de verbale en non- verbale communicatie van allochtone cli�nten.
Door dit betere begrip zullen zij minder communicatieve fouten maken dan hun autochtone collega's. Een pluspunt voor allochtone hulpverleners is dat zij kunnen rekenen op hun ervaringsdeskundigheid.
Tijdens de opvoeding wordt aan Turkse meisjes vooral geleerd hoe ze zich als toekomstig echtgenote en moeder moet gedragen. Meisjes worden vanaf de eerste menstruatie meer binnenshuis gehouden en op straat heerst er een strikte sociale controle op de meisjes. Dit is om de maagdelijkheid en de zuiverheid van de dochters te bewaken. Mocht deze zuiverheid en maagdelijkheid aangetast worden dan is het niet enkel het meisje dat haar eer en status verliest maar heel haar familie.
Veelal zijn Turkse meisjes het eens met hun ouders wat betreft de betekenis van maagdelijkheid als het intact houden van het maagdenvlies. Ze zijn het echter niet eens als dit betekent dat ze onder geen beding contact met jongens mogen hebben.
Een opleiding voor meisjes wordt als minder belangrijk aanschouwt hierdoor zullen Turkse meisjes eerder in het beroepsonderwijs belanden, daar deze opleiding meer in het verlengde ligt van het toekomstige leven als echtgenote.
Wanneer een Turks meisje verandering wil brengen in haar situatie heeft ze vier opties. Ten eerste kan ze onderhandelen met haar ouders, ten tweede kan ze proberen steun en hulp te zoeken bij anderen, vervolgens kan ze een geheim leven opbouwen en als laatste optie kan ze weglopen.
Wanneer een Turks meisje wegloopt van huis dreigt ze, in de ogen van haar familie, haar maagdelijkheid en zuiverheid te verliezen. Als reactie op het weglopen kan ze door haar familie verstoten worden. Hiernaast zal ze veelal gestigmatiseerd worden en uitgescholden worden voor hoer. Dit is echter niet alles: ze verliest het sociaal- culturele systeem, dat ze kende sinds haar geboorte.
Na het weglopen ontdekken de meisjes dat ze meer Turks zijn dan ze voordien dachten en dat de Westerse cultuur ook zijn nadelen heeft. Door de interactie met de Belgische maatschappij ontdekken ze hun eigen culturele waarden.
Weglopen is een noodkreet daarom dient een hulpverlener de juiste reden van het wegloopgedrag te achterhalen. Bij de ouders kunnen problemen niet rechtstreeks besproken worden. De autoritaire figuur moet in de waan gelaten worden dat zijn eer en gezag niet aangetast worden. De hulpverlener heeft een grote verantwoordelijkheid omdat door zijn verkeerde aanpak de problemen kunnen escaleren.
Een allochtone hulpverlener heeft een voorsprong op zijn autochtone collega want hij of zij kan rekenen op zijn of haar ervaringsdeskundigheid en deze persoon is beter op de hoogte van de verbale en non- verbale communicatiecodes bij het Turkse cli�nteel.
BANNING, H., Welzijnswerk ten dienste van migranten. Een terreinverkenning. In PM reeks, Baarn, Nelissen, 1986, 141 pp.
DESLE, E., LESTHAEGHE, R. en WITTE, E., (red.), Denken over migranten in Europa. Brussel, VUBPRESS, 1993, 230 pp.
EPPINK, A., Cultuurverschillen en communicatie. Problemen bij hulpverlening aan migranten in Nederland. In: Sociale en culturele reeks: Sociale methoden en technieken. Hilversum, Samsom, 1981, 310 pp.
JAFFAR, L., Tweestrijd. De kwetsbare positie van Turkse en Marokkaanse hulpverleensters. Amsterdam, Stichting de Maan, 1992, 71 pp.
JENKINS, R., Social Anthropological models of inter-ethnic relations. In: Rex, J., MASON, D., (red.), Theories of Race and Ethnic Relations. Cambridge, Cambridge University Press, 1986, pp. 170-187.
JEUGDBESCHERMINGSCIMITE BRUSSEL, Weglopers� Onderzoek naar weggelopen minderjarigen die met het jeugdbeschermingscomit� van Brussel in aanraking kwamen. Brussel, Mr. Ost, 1978, 20 pp.
JEUGDBESCHERMINGSCOMITE BRUSSEL, Weglopers� Een experiment van groepsbegeleiding. Brussel, Mr. Ost, 1979, 34 pp.
LESTHAEGHE, R., (red.), Diversiteit in sociale verandering. Turkse en Marokkaanse vrouwen in Belgi�. Brussel, VUBPRESS, 1997, 349 pp.
LYUCKX, K., (red.), Liefst een gewoon huwelijk? Creatie en conflict in levensverhalen van jonge migrantenvrouwen. Leuven, Acco, 2000, 196 pp.
PEIRONE, F., De islam. Ontstaan, ontwikkeling, verspreiding, invloeden. Utrecht, Het Spectrum, 1983, 96 pp.
PETERS, R., (red.), Van vreemde herkomst. Achtergronden van Turkse en Marokkaanse landgenoten. In: Nabije- Oostenreeks. Bussum, Het Wereldvenster, 1982, 333 pp.
PINXTEN, R., VERSTRAETE, G., (red.), Cultuur en macht. Over identiteit en conflict in een multiculturele wereld. Antwerpen, Houtekiet, 1998, 304 pp.
RENSEN, B., Kindermishandeling: voor het leven beschadigd. Utrecht, A.W. Bruna, 1990, 192 pp.
ROOIJENDIJK, L., VAN DER MEULEN- WIERINGA, F., e.a., Turken en Marokkanen in Hollands welzijnsland. Over kultuurverschillen en de positie van immigranten. In PM reeks, Baarn, Nelissen, 1988, 142 pp.
SCHOLTE, E., Jeugd, politie en hulpverlening. Leuven, Acco, 1988, 245 pp.
VERLEYEN, M., Groepsportret met vrouw. Knack, 30 juni 1993.
BROUWER, L., Good Girls, Bad Girls. Moroccan and Turkish runaway girls in the Netherlands. Op internet. (http://casnws.scw.vu.nl/publicaties/brouwer-goodgirls.html)
PINTO, D., Interculturele communicatie. Dubbel perspectief door de drie- stappenmethode voor het doeltreffend overbruggen van cultuurverschillen. Houtem/ Zaventem, Bohn Stafleu Van Loghum, 1994, p.39.
( ) Ibid., p.39.
VAN DER WERF, S., Allochtonen: een inleiding. Muiderberg, Coutinho, 1991, p.63.
( ) De cultuur in het land van herkomst heeft een dynamisch karakter en is vaak veel pluralistischer geworden.
JAFFAR, L., Tweestrijd. De kwetsbare positie van Turkse en Marokkaanse hulpverleensters. Amsterdam, Stichting de Maan, 1992, p. 56.
VAN DER WERF, S., op. cit., p.67.
( ) Migratie brengt een vorm van rouw en angst met zich mee. Rouw over het gemis van het herkomstland. Angst voor de nieuwe situatie, voor de onzekerheid van het onbekende. Hierdoor kan er ook een groot wantrouwen ontstaan voor de nieuwe samenleving.
VAN DER WERF, S., op. cit., p. 68.
BANNING, H., Welzijnswerk ten dienste van migranten. Een terreinverkenning. In: PM reeks, Baarn, Nelissen, 1986, p.61.
PINTO, D., op. cit., p.41.
( ) Geen enkele cultuur ligt geheel aan de kant van F of G, maar altijd ergens tussen deze twee polen.
PINTO, D., op. cit., p.42.
JAFFAR, L., op. cit., p. 40.
VAN DER WERF, S., op. cit., p. 89.
PEIRONE, F., De islam. Ontstaan, ontwikkeling, verspreiding, invloeden. Utrecht, Het Spectrum, p. 7.
( ) Ibid., p. 7.
VERLEYEN, M., Groepsportret met vrouw. Knack, 30 juni 1993.
WAGTENDONK, K., De islam buitenshuis. In: PETERS, R., (red.), Van vreemde herkomst. Achtergronden van Turkse en Marokkaanse landgenoten. Bussum, Het Wereldvenster, 1982, p.120.
VAN DEN BROECK, K., Turkse vrouwen: de verwestersing. De Morgen, 18 mei 1992. VERLEYEN, M., op. cit..
JENKINS, R., Social Anthropological models of inter-ethnic relations. In: REX, J., MASON, D., (red.), Theories of Race and Ethnic Relations. Cambridge, Cambridge University Press, 1986, p.176.
BROUWER, L., Moroccan and Turkish runaway girls in the Netherlands. Op internet. (http://casnws.scw.vu.nl/publicaties/brouwer-goodgirls.html)
BROUWER, L., op. cit..
BROUWER, L., op. cit..
BROUWER, L., op. cit..
BROUWER, L., op. cit..
BROUWER, L., op. cit.
VERTHRIEST, G., Fatima, Nejla en hun zussen: ontmoetingen met Turkse en Marokkaanse migrantenmeisjes van de tweede generatie in het Brusselse. Niet- gepubliceerde licentiaatverhandeling, Brussel, V.U.B. -Faculteit Letteren en Wijsbegeerte, 1990, p.53.
( ) Ibid., p.53.
VAN DER WERF, S., op. cit., p. 76.
VAN DER WERF, S., op. cit., p. 77.
ROOIJENDIJK, L., VAN DER MEULEN-WIERINGA, F., e.a., Turken en Marokkanen in Hollands welzijnsland. Over kultuurverschillen en de positie van immigranten. In: PM reeks. Baarn, Nelissen, 1988, p. 45.
( ) Ibid., p. 45.
BROUWER, L., op. cit..
BROUWER, L., op. cit..
BROUWER, L., op. cit..
JAFFAR, L., Tweestrijd. De kwetsbare positie van Turkse en Marokkaanse hulpverleensters. Amsterdam, Stichting de Maan, 1992, p. 40.
VAN DER WERF, S., op. cit., p. 70.
VAN DER WERF, S., op. cit., p. 71.
ROOIJENDIJK, L., VAN DER MEULEN-WIERINGA, F., e.a., op. cit., p. 33. JAFFAR, L., op. cit., p. 26-27.
ROOIJENDIJK, L., VAN DER MEULEN-WIERINGA, F., e.a., op. cit., 1988, p.31. BROUWER, L., op. cit..
BROUWER, L., op. cit.
LODEWIJCKX, E., PAGE, H. en SCHOENMAECKERS, R., Turkse en Marokkaanse gezinnen in verandering: de nuptialiteits- en vruchtbaarheidstransities. In: LESTHAEGHE, R., (red.), Diversiteit in sociale verandering. Turkse en Marokkaanse vrouwen in Belgi�. Brussel, VUBPRESS, 1997, p. 119.
( ) Contacten tussen mannen en vrouwen vinden plaats binnen de begrenzing van het huwelijk en het familiale leven. BROUWER, L., op. cit..
BROUWER, L., op. cit..
VERTHRIEST, G., op. cit., p. 60.
VERTHRIEST, G., op. cit., p. 61.
VERTHRIEST, G., op. cit., p. 62.
( ) Ze worden aangesproken op hun 'anders' zijn (waar kom je vandaan?), ze worden in de gaten gehouden door de eigen familie (niet te schande maken), door hun eigen groep (sociale controle). VAN DER WERF, S., op. cit., p.67.
VERLEYEN, M., Groepsportret met vrouw. Knack, 30 juni 1993.
JEUGDBESCHERMINGSCOMITE, Weglopers� Een experiment van groepsbegeleiding. Brussel, Mr. Ost, 1979, p. 3.
SCHOLTE, E., Jeugd, politie en hulpverlening. Leuven, Acco, 1988, p. 85.
JEUGDBESCHERMINGSCOMITE, Weglopers� Onderzoek naar weggelopen minderjarigen die met het jeugdbeschermingscomit� van Brussel in aanraking kwamen. Brussel, Mr. Ost, 1978, p. 3.
( ) Deze minderjarigen zijn bang voor de reacties van hun ouders en ook voor de mogelijke juridische gevolgen van het weglopen. De weglopers missen het nodige zelfvertrouwen en weten niet waarheen. JEUGDBESCHERMINGSCOMITE, Weglopers� Onderzoek naar weggelopen minderjarigen die met het jeugdbeschermingscomit� van Brussel in aanraking kwamen. Brussel, Mr. Ost, 1978, p. 4.
JEUGDBESCHERMINGSCOMITE, Weglopers� Onderzoek naar weggelopen minderjarigen die met het jeugdbeschermingscomit� van Brussel in aanraking kwamen. Brussel, Mr. Ost, 1978, p. 3.
BROUWER, L., op. cit..
( ) Tijdens een onderzoek in Nederland bleek dat de onderwijsprestaties van de kinderen, overeenkomstig het opleidingsniveau van de volwassen Turkse en Marokkaanse bevolking, het minst gunstig was onder de Turkse en Marokkaanse kinderen. De onderwijsprestaties waren het gunstigst bij de autochtone leerlingen. ( )Persbericht Cahier 118: Sociale atlas: deel 3: allochtone vrouwen, 20 juni 1995. Op internet. (http://www.scp.nl/boeken/cahiers/cah118/nl/persbericht.html)
VAN DE CRAEN, P., BOULIMA, J. en HUYGE, V., Anderstalige migranten in het onderwijs. Een overzicht en een aanzet tot onderwijsverandering. In: DESLE, E., LESTHAEGHE, R. en WITTE, E., Denken over migranten in Europa. Brussel, VUBPRESS, 1993, p. 129.
LODEWIJCKX, E., PAGE, H. en SCHOENMAECKERS, R., op. cit., p. 123.
BROUWER, L., op.cit..
BROUWER, L., op.cit..
( )Onder de in Belgi� wonende Turken wordt 76% van de huwelijken geregeld door de ouders, waarvan 16% zonder de toestemming van het meisje en 60% met haar toestemming. LODEWIJCKX, E., PAGE, H. en SCHOENMAECKERS, R., op. cit., p. 114.
BROUWER, L., op.cit..
( ) Toen Atat�rk in 1923 Turkije tot een republiek uitriep, kwam er ook een burgerlijke grondwet. Hierdoor kregen vrouwen kiesrecht en het dragen van een sluier werd verboden. Hij bepaalde ook dat er steeds een burgerlijk huwelijk moest plaatsvinden en niet enkel een godsdienstig.
BROUWER, L., op. cit..
BROUWER, L., op.cit..
BROUWER, L., op.cit..
( ) Alleen wonen wordt geaccepteerd wanneer de meisjes geen baan vinden in de nabijheid van hun buurt/ familie.
BROUWER, L., op.cit..
RENSEN, B., Kindermishandeling: voor het leven beschadigd. Utrecht, A.W. Bruna, 1990, p.67.
( ) Ibid., p.67.
VERTHRIEST, G., op.cit., p. 91.
BROUWER, L., op. cit..
BROUWER, L., op.cit..
JENKINS, R., Social Anthropological models of inter-ethnic relations. In: REX, J., MASON, D., (red.), Theories of Race and Ethnic Relations. Cambridge, Cambridge University Press, 1986, p.178.
ROOIJENDIJK, L., VAN DER MEULEN-WIERINGA, F., e.a., op.cit., p. 39.
PINTO, D., op. cit., p.61.
( ) Zie 1.2 Cultuurverschillen.
PINTO, D., op. cit., p.62.
VAN DER WERF, S., op. cit., p. 78.
( ) Ibid.., p.64.
VAN DER WERF, S., op. cit., p.65.
PINTO, D., op cit., p. 79.
BANNING, H., Welzijnswerk ten dienste van migranten. Een terreinverkenning. In PM reeks, Baarn, Nelissen, 1986, p. 29.
Ibid., p. 30. ( ) Is het omdat het meisje het niet meer aan kan, omdat ze nog niet wil trouwen, omdat ze bang is voor een escalatie van de ruzies? Wil ze geen breuk met haar ouders?
VERTRIEST, G., op. cit., p. 92.
( ) Hoe korter de onzekere wegloopsituatie gehouden wordt, hoe kleiner de schande en de kans op uitstoting.
EPPINK, A., Cultuurverschillen en communicatie. Problemen bij hulpverlening aan migranten in Nederland. In: Sociale en culturele reeks: Sociale methoden en technieken, Hilversum, Samsom, 1981, p.284.
VAN DEN BUYS, E., Bemiddelaar gezocht! Ervaringen met een vorm van interculturele hulpverlening: het Ondersteuningsteam Migranten- Bijzondere Jeugdzorg. Antwerpen, Provinciale Welzijnscommissie Antwerpen, april 1990, p. 99.