Olieverf

De samenstelling van olieverf is bijzonder eenvoudig, het bevat vrijwel uitsluitend pigment en bindmiddel. Het bindmiddel is een plantaardige olie, meestal lijnolie, soms papaverolie, saffloerolie of zonnebloemolie. Deze oliën zijn van zichzelf dun vloeibaar en hebben dus geen oplosmiddel nodig, voordat er verf van gemaakt kan worden. Daarmee onderscheiden zij zich van alle andere bindmiddelen welke in kunstschilderverven gebruikt worden. Olieverf is dan ook de enige kunstschilderverf die geen oplosmiddel bevat, althans zoals het uit de tube komt. Tijdens het schilderen zal wel vaak terpentine of terpentijnolie toegevoegd worden.

Olieverf droogt doordat de oliemoleculen via ingewikkelde chemische reacties aan elkaar gekoppeld worden. Hierdoor veranderd de olie van een vloeistof in een onoplosbare vaste massa, waarin de pigmentdeeltjes vast verankerd liggen. Een olieverflaag is in het algemeen na twee tot drie dagen droog, waarna eventueel een volgende laag aangebracht kan worden. Er zijn een aantal factoren die de droogsnelheid van olieverf sterk beïnvloeden:

1. daglicht; het ultraviolette gedeelte van het daglicht zorgt er voor, dat een olieverfschilderij in het daglicht sneller droogt dan in het donker

2. temperatuur; lage temperaturen zorgen voor een trage droging van olieverf

3. pigmenten; olieverven met pigmenten als cadmium, cobalt, lood of mangaan bevatten, drogen sneller dan de overige kleuren. Olieverven met pigmenten als karmijn, kraplak en roetzwart zullen juist trager drogen

4. laagdikte; dunne olieverflagen zijn sneller droog dan dikke olieverflagen

Sommige olieverfkleuren kunnen in bepaalde omstandigheden wel veertien dagen of nog langer nat blijven. Vooral bij het laag over laag schilderen kan dat bijzonder vervelend zijn. Door tijdens de fabrikage aan dergelijke verven een uiterst gering percentage van de hulpstof siccatief toe te voegen, komt de droogtijd dichter bij die van de andere kleuren te liggen.

In verreweg de meeste gevallen is het bindmiddel van olieverf lijnolie. Slechts voor witte olieverven zal een fabrikant gebruik maken van papaverolie, saffloerolie of zonnebloemolie. Hij doet dat, omdat lijnoliemoleculen tijdens de droging verbindingen vormen die een gele kleur hebben; lijnolie vergeelt. Een vergeling die bij de kleuren nauwelijks opvalt, maar bij wit natuurlijk wel. Overigens vindt vergeling voornamenlijk in het donker plaats en verdwijnt weer in het daglicht. De verbindingen die tijdens de droging worden gevormd en verantwoordelijk zijn voor de vergeling, worden weer afgebroken door het daglicht en omgezet in kleurloze verbindingen.

Toch is dit alles voor de meeste fabrikanten voldoende reden, om voor de bereiding van hun witte olieverven geen lijnolie, maar één van de genoemde drie oliën te gebruiken. Het voordeel van die oliën mag dan zijn dat zij niet vergelen, ze hebben echter allemaal het nadeel dat zij na het drogen veel zwakker zijn dan lijnolie. Moeilijkheden kunnen dan ook optreden als, kort na het drogen, op een witte olieverflaag, een gekleurde olieverf wordt aangebracht. In dat geval is de kans zeer groot dat het schilderij binnen korte tijd sterk gaat barsten. Nu zal het niet vaak voorkomen dat er op een witte olieverflaag geschilderd wordt. Iemand die dat echter wel wil doen, kan ellende voorkomen door een juist voor dit soort doelen ontwikkelde lijolieverf te gebruiken.

 

 

Kleuren

 

Witte pigmenten


Titaanwit

Titaanwit is niet zuiver wit, maar een beetje creme kleurig. Het heeft een sterke dek en kleurkracht en is voor kunstschilders voldoende duurzaam. Het enige zwakke punt is dat het buiten bij slecht weer kan poederen/krijten.

Als pigment

Het heeft een gemiddeld gewicht en hecht goed. Met olie en water is het gemakkelijk te mengen en tot een gladde substantie te maken.

Met een medium

Als olieverf heeft het de neiging te vergelen; daarom meet er bij de bereiding wat zinkwit aan worden toege voegd. Op het droogproces heeft dit geen merkbare invloed. Bij lang bewaren kan het klonterig worden, hoewel het aanvankelijk stiff en glad is.

Titaanwit is goed te gebruiken in tempera, aquarelverf en acryl en gemakkelijk tot pastel te verwerken. Als aquarelverf heett het maar weinig bindmiddel nodig en als pastel nauwelijks. Titaanwit is het beste wit voor ondergronden, omdat het zich gemakkelijk laat vermengen en zo krachtig is dat het een stralend witte eindlaag geeft.


Zinkwit

Zinkwit is een krachtig koud wit, enigszins transparant. Het heeft betrekkelijk weinig dekkracht en een gemiddelde kleurkracht, maar het is heel duurzaam.

Als pigment

Het is een vrij licht, tamelijk onsamenhangend poeder, dat de neiging heeft kleine klontjes te vormen. Omdat het, wanneer het aan de lucht wordt blootgesteld, snel korrelig wordt, moet het goed afgesloten worden bewaard. Het is goed te mengen met water en olie, al neemt het de olie niet direct vol ledig op.

Met een medium

Voor olieverf moet het heel fijn worden gewreven, waarbij het steeds dunner wordt en er steeds pigment moet worden toegevoegd. Uiteindelijk ontstaat er een zachte substan tie, die bij lang bewaren kan uitlopen. Zinkwit vertraagt het droogproces en daarom wordt het vaak bij alla prima-technieken gebruikt, als men langdurig nat in nat wil werken. Voor aquarelverf is dit het meest gebruikte wit; aquarelverf met zinkwit wordt vaak Chineeswit genoemd. Zinkwit wordt dikwijls aangeraden voor ondergronden, omdat het nogal veel volume heeft. Maar het steekt pover af tegen titaanwit en om hetzelfde stralende oppervlak te krijgen heeft men er veel meer van nodig. Bovendien kunnen ondergronden die gekookte of ingedikte olie bevatten hierdoor tijdens het prepareren gaan stollen. Het heeft licht antiseptische eigenschappen en in grote hoeveelheden werkt het in ondergronden als prepareermiddel.


Loodwit

Loodwit is het traditionele kunstschilderswit, met een kleurwaarde die ligt tussen die van zinkwit en titaanwit. Het wordt ook wel cremserwit of zilverwit genoemd als het uitzonderlijk compact en van zeer hoge kwaliteit is. Goed loodwit heeft een redelijke dek- en kleurkracht, maar de duurzaamheid hangt af van de wijze van gebruiken. Loodwit is giftig.

Als pigment

Het is heel zwaar en daardoor gemakkelijk te herkennen. Het hecht goed en heeft een lichte neiging tot klonteren. Met olie vermengt het zich gemakkelijk, maar met water minder goed.

Met een medium

Als olieverf vergeelt het nogal eens en daarom is het goed er bij de bereiding een beetje zinkwit door te doen. Dat levert een heel romige compacte olieverf op, die zich goed leent voor impasto. Loodwit versnelt het drogen van olieverf; het is geschikt voor imprimaturen en de eerste verflagen, omdat het een drogend effect heeft op de verflagen die daaroverheen komen. In olieverf is het duurzaam, maar de dekkracht vermindert iets bij ouder worden.

Voor andere technieken is loodwit minder geschikt, deels omdat het giftig is en deels door de atmosferische risico's: het kan zwart worden als het in contact komt met zwavelhoudende damp (een van de meest voorkomende luchtvervuilers).


Gemengd wit

Deze naam slaat meestal op een mengsel dat een aanzienlijke hoeveelheid zinkwit bevat. Tegenwoordig wordt dit doorgaans gecombineerd met titaanwit, maar mengsels van loodwit en zinkwit komen onder deze naam ook nog wel voor.

Parelwit Parelwit of iriserend wit is een modern mengsel dat het meest in acrylverf wordt gebruikt. Het is een combinatie van titaanwit en fijn verpulverde mica die samen het effect geven van wit met een opaalachtige glans.


Zilver

Ook zilver kan als pigment worden gebruikt, maar de toepassingsmogelijkheden zijn beperkt. Zilverpigment of bladzilver kan dienen voor het weergeven van wit metaal, of zuiver als decoratie worden toegevoegd. Zilver kan ook worden gebruikt voor het aanbrengen van accenten (ook wel 'hoge lichten' genoemd); aangezien het licht reflecteert, geeft het de indruk van een veel helderder wit dan men ooit met gewone verf zou kunnen schilderen. Zilverpigment wordt gewoonlijk verkregen door met de hand bladzilver te malen en dit direct te vermengen met een bindmiddel op waterbasis, bijvoorbeeld Arabische gom. Verf gemaakt van metaalzilver kan na droging worden ge polijst om de glans te versterken, maar het heeft de neiging zwart te worden door oxydatie.


Marmermeel

Verpulverd wit marmer wordt gewoonlijk gebruikt als vulstof, maar omdat het zo stralend wit van kleur is, zou het beter pigment kunnen worden genoemd. Het wordt toegepast in ondergronden, in textuurpasta, voor acrylverf en in de laatste laag van frescokalk (intonaco genoemd), waar het wordt gebruikt in plaats van zand. Marmer absorbeert niet, wat heel handig is in olieverfgronden.


Kalkwit

Gebluste witte kalk is het enige witte pigment dat in fresco's wordt gebruikt. Soms wordt er een gezuiverde versie gemaakt die de naam bianco sangiovanni draagt, maar over het succes daarvan zijn de meningen verdeeld. Kalk wordt bij geen enkele andere vorm van schilderen toegepast.


 

 

Rode pigmenten


Cadmiumrood

Cadmiumrood varieert in kleur van helderrood dat naar geel neigt tot dieprood dat naar blauw gaat. De verschillende schakeringen hebben namen als cadmium lichtrood, cadmium vermiljoen, cadmium scharlaken en cadmium dieprood. Al deze kleuren vallen onder de naam 'cadmiumrood', maar soms wordt hiermee speciaal een helderrood bedoeld in het midden van de kleurenreeks. Cadmiumrood is een krachtig pigment met goede dek en kleurkracht. In vergelijking met andere rode pigmenten is het duurzaam en stabiel in mengsels, en lichtecht wanneer het wordt aangelengd. Maar het kan zwart worden in een combinatie met pigmenten die koper bevatten. Ook luchtvervuiling kan het pigment aantasten. Over de onschadelijkheid van cadmiumkleuren bestaan twijfels.

Als pigment

De dichtheid is middelmatig; het wordt echter vaak versneden met bariet en dan is de soortelijke massa veel hoger. Zotn opgewerkt pigment is echter minder betrouwbaar in het gebruik. Zuiver cadmiumrood mengt zich gemakkelijk met olie of water en is met betrekkelijk weinig moeite tot een gladde substantie te verwerken.

In een medium

In het begin neemt het vrij veel olie op, maar tijdens het wrijven wordt het steeds dunner; er moet dan meer pigment worden toegevoegd. Dit moet soms een paar keer worden herhaald, maar de olieverf blijft zacht. Het is klaar voor gebruik als het een dikke zachte pasta is, die aandoet als warme

boter. Het pigment heeft geen invloed op de droogtiid van de verf

Cadmiumrood is geschikt voor tempera, acryl en pastel. Omdat het krachtig en dekkend is, ziin er minder toepassingsmoge lijkheden voor aquarelverf. In tempera, aquarelverf en pastel is het wat gevoeliger voor (lucht)vervuiling, maar over het algemeen levert dit geen problemen op.


Tolulidinerood

Toluldinerood vinden we meestal onder de naam scharlakenrood of helderrood of een merknaam. Het is een intens en stralend scharlakenrood, dat een heel klein vleugje blauw bevat; er ziin enkele varianten, maar ze zijn allemaal helderrood. Toluldinerood is een organisch pigment met een buitengewone kleurkracht; in zuivere vorm is het zeer lichtecht maar in mengsels verbleekt het algauw. In dikke lagen is het tamelijk dekkend, maar dun opgebracht geeft het een transparant helder rood. Deze eigenschappen maken het uitstekend geschikt voor glacis en sterk gekleurde wassingen.

Als pigment

Het zuivere pigment is heel licht, heeft de neiging te blijven kleven en moet heel voorzichtig worden gehanteerd, om dat het anders gaat stuiven. Het wordt vaak verrijkt met een vulstof, maar dat heeft een schadelijke invloed op de werking. Zo'n mengsel is gemakkelijk te herkennen, want het mist het lichte donzige karakter. De kleur is goed te vermengen met olie, maar veel minder goed met water. Dit is te verhelpen door wat alcohol door het water te doen.

Met een medium

Voor olieverf moet het flink gewreven worden. Tijdens de verwerking en bij bewaren wordt het stijver en dikker. Het vertraagt het droogproces aanzienlijk; daarom is het goed een beetie siccatief toe te voegen, hetzij bij de bereiding, hetzij bij het gebruik. Als aquarelverf kan het het best direct met de gomoplossing worden vermengd en dan zo fijn mogelijk worden gewreven.

Voor gebruik in tempera moet toluidinerood eerst worden vermengd met water en alcohol. Voor oliehoudende temperaemulsies moet het flink door elkaar worden gewerkt, anders worden er door de olie spoorties droog pigment verzameld, die de verf vet en moeilijk hanteerbaar maken. Ook is er veel bind middel nodig, waardoor de uiteindelijke verflaag lang zacht blijft. Tolulidinerood is stabiel in kalk, dus geschikt voor fresco. Ook hierbij wordt het pigment eerst natgemaakt met alcohol en water. A]s pastel is het in de lichtere tinten niet betrouwbaar.


Alizarine kraplak

Alizarine kraplak is een rijk donkerrood, met een bruinachtig purperen ondertoon. Sommige versies van dit pigment zijn bekend als alizarin crimson, alizarine karmijn en alizarine kraplak roze. Het is een synthetisch pigment dat verwant is aan de traditionele kraplak, maar anders van kleur en duurzamer. Omdat het transparant is, komt het het best tot zijn recht als het heel dun wordt opgebracht. In zuivere vorm is het vrij lichtecht, maar in mengsels of in een lage concentratie verbleekt het snel. In mengsels is het ook veel minder mooi. Er bestaan ook andere tinten, waarbij alizarine is gecombineerd met andere pigmenten.

Als pigment

Het is heel licht en onsamenhangend. De kleur is bleker dan men zou verwachten - middenroze met een zweempje blauw - maar wordt aanzienlijk donkerder in combinatie met een medium. Zowel met olie als met water kan het met wat inspanning een mooi glad mengsel opleveren.

Met een medium

Bij de bereiding van olieverf is alizarine eerst een zachte pasta, die tijdens het wrijven dikker en uiteindelijk vrij stijf wordt. Als de pasta even gelegen heeft, kan ze zachter worden, maar ze behoudt haar boterachtige karakter. Wat siccatief toevoegen kan geen kwaad. Omdat het zo vaak in glacis wordt gebruikt, kan het ook direct met een daarvoor geschikt medium worden gewreven.

Alizarine doet het heel goed in aquarelverf, zowel wat kleur als wat bereiding betreft. Dit geldt ook voor tempera en pastel, hoewel het het best tot ziin recht komt in olie of water. In fresco is het niet stabiel, wel in fresco secco.


BON arylamiderood (naftolrood)

BON arylamiderood is een moderne organische kleur, die voorkomt in een hele reeks tusR sen scharlakenrood en diep wijnrood dat naar purper neigt. Helderrode pigmenten zijn meer gangbaar dan dieprode, maar beide zijn goed te gebruiken. In zuivere vorm is het niet helemaal lichtecht, maar in mengsels blijft het redelijk goed. Het is een goedkoop alternatief voor cadmium. De eigenschappen van dit pigment zijn dezelfde als die van toluidinerood. Ook komt het evenals deze kleur vaak voor onder een merknaam.


Vermilioen

Vermilioen is het traditionele helderrode pigment, dat nu grotendeels is vervangen door cadmiumrood. Het is duur, en de duurzaamheid hangt af van de wijze waarop het is gemaakt en wordt gebruikt. Het heeft de neiging tot nadonkeren, vooral onder invloed van licht, en hoewel het goede resultaten geeft in olieverf, tempera en aquarelverf, is het soms wat onbetrouwbaar. Als pigment speelt het geen belangrijke rol meer.

Vermiljoen is zwaar. Als het in olie wordt gewreven, moet er wat was bij; ondanks het feit dat het weinig olie opneemt, droogt het slecht. De kleur- en dekkracht is goed en ook in dunne lagen geeft het een sterk transparant rood. Het is giftig.


Kraplak

Echte kraplak is een natuurlijk organisch pigment, dat voorkomt als fijn rozerood, diep karmozijnrood en roodachtig purper. Geen van deze kleuren is duurzaam; het donkere karmozijn nog het meest. Niettemin blijft men een aantal kraplakken gebruiken, ten dele omwille van de traditie, maar ook omdat het aantrekkelijke ongewone kleuren zijn. Kraplak is grotendeels vervangen door alizarine kraplak; echte kraplak bevat ook alizarine, samen met purpurine; alleen de alizarine is duurzaam.


Quinacridoneroze

Quinacridoneroze is een modern synthetisch organisch pigment van een buitengewoon mooi, fel rozerood met een nauwelijks te bespeuren purperen ondertoon. De kleur heeft veel weg van echte kraplak, al neigen de varianten meer naar purper of karmozijn. Het is buitengewoon lichtecht en heel duurzaam, ook als het heel dun wordt opgebracht. Het is transparant en komt het best tot zijn recht in glacis of als wassing. Het zou een goede vervanger kunnen zijn voor rode kraplak, al is het nogal duur.


Karmijn

Karmijn is een traditioneel organisch rood. Het heeft een prachtige transparante karmozijnrode kleur, maar het is stralender en ligt dichter bij helderrood. Het blijft populair bij aquarelschilders, maar het is absoluut niet duurzaam en kan maar beter helemaal niet worden gebruikt. In olie droogt het slecht. De naam karmijn wordt ook gebruikt voor moderne organische rode pigmenten van verschillende kwaliteit.


Rode oker

Rode oker is een stralende warm roodbruine aardkleur die in dunne lagen enigszins oranjeachtig is. Deze kleur is zeker duurzaam, maar heeft de neiging in oudere mengsels steeds prominenter te worden; in olieverf wordt ze donkerder. Rode oker is ook bekend als Venetiaansrood of lichtrood, en is nauwelijks te onderscheiden van Marsrood. Ook gebrande oker is bijna identiek, al wordt deze naam ook gebruikt voor een dofbruine aardkleur.

Als pigment

Het heeft een gemiddelde tot hoge soortelijke mas sa en in droge vorm is het helder oranjebruin. Het is goed te mengen met olie en water en gemakkelijk tot een gladde substantie te maken.

Met een medium

AIs olieverf moet het tot een stijve massa worden gevormd, omdat het bij bewaren dunner wordt en soms zelfs wat gaat uitlopen. Het bemvloedt het droogproces van de olie niet; net als de meeste aardkleuren is het in een redelijke tijd goed en grondig droog.

Ook in aquarelverf of tempera is rode oker gemakkelijk te verwerken en het is heel geschikt voor acryl, pastel en fresco. Het voldoet uitstekend voor gekleurde ondergronden, al dan niet vermengd met andere kleuren. In mediums op waterbasis is het iets minder stralend dan in olie.


Indischrood

Indischrood en Marsrood zijn vrijwel identiek gewonnen aardkleuren die veel weg hebben van rode oker maar dan met een blauwe ondertoon die ze iets donkerder roodbruin maakt. In mengsels produceren ze koele grijzige tonen, terwijl de rode okers warme levendige tonen geven. Indischrood is zwaarder en soms wat grover dan rode oker, maar afgezien van de kleurwaarde gedraagt het zich in praktisch opzicht hetzelfde.


Gebrande sienna

Ook gebrande sienna is een rode aardkleur, bruiner dan rode oker en ook stralender, omdat het semi-transparant is. Dit is vooral goed te zien in olie, waar de kleur iets vurigs krijgt. Het geeft een mooi effect in glacis en als aquarelverf. Gebrande sienna is geschikt voor alle mediums en even duurzaam als andere rode aardkleuren. Doordat het bij de bereiding nogal veel olie opneemt, droogt het langzamer dan rode oker of Indischrood. In olie heeft het de neiging donkerder te worden.


 

 

Blauwe pigmenten


Ultramarijn

Ultramarijn is een zeer rijk en krachtig middelblauw, ook wel het blauwste van alle blauwe pigmenten genoemd. Het neigt iets naar rood, terwijl de meeste blauwe pigmenten naar groen neigen. Ultramarijn is in verschillende tinten verkrijgbaar, die dicht bij elkaar liggen; de extremen worden ook wel aangeduid met licht, respectievelijk donker ultramarijn. Het heeft een gemiddelde tot goede kleurkracht en het is transparant, waardoor het uitstekend is voor glacis. Het is duurzaam, maar verbleekt wel snel door zwakke zuren in het medium of in de atmosfeer. Ondanks dat is het een betrouwbare kleur.

Als pigment

Het is vrij licht en heeft de neiging te klonteren. De blekere tinten bestaan uit fijne deeltjes, de donkere kunnen tamelijk grof zijn. Zowel met water als met olie is het gemakkelijk tot een gladde substantie te vormen. Nat is de kleur veel donkerder en heel stralend.

Met een medium

Het wordt stijf als het in olie wordt gewreven, maar laat men het staan, dan gaat het uitlopen en klonteren. Dit is te voorkomen door toevoeging van een beetje was of door er nog wat meer pigment doorheen te werken. In het begin moet het echter altijd zo stijf mogelijk worden gemaakt. Ultramarijn heeft geen duidelijke invloed op de droogtijd van olieverf. Als het alleen voor glacis wordt gebruikt, kan het direct in het medium worden gewreven.

Ultramarijn is gemakkelijk te verwerken in aquarelverf, tempera, acryl en pastel. Het kan echter worden aangetast door zuren (in tempera wordt soms azijn gebruikt) en door rottend ei. Daarom geeft men soms de voorkeur aan gom of lijm als bindmiddel. Ultramarijn is stabiel in fresco, maar op muren wordt het snel aangetast door luchtvervuiling. Ook in pastel, aquarelverf en tempera is dit gevaar aanwezig; een goede inlijsting biedt wat bescherming.


Lapis lazuli

Lapis lazuli is een traditioneel pigment, gemaakt van de halfedelsteen lapis lazuli. In chemisch opzicht is het identiek aan ultramarijn, en de kleur is vrijwel gelijk. Het is zo kostbaar dat het niet meer wordt gebruikt.


Kobaltblauw

Kobaltblauw is een koel middelblauw, bleker en minder intens dan ultramarijn. Het is een transparant pigment, met een slechte tot middelmatige kleurkracht. Het is volkomen lichtecht en betrouwbaar in alle mediums, hoewel vergeling van de olie het groenachtig kan laten lijken. Dit kan worden voorkomen door zorgvuldigheid bij bereiding en gebruik.

Als pigment

Het heeft een gemiddeld gewicht; het poeder is onsamenhangend en hemelsblauw van kleur. De pigmentdeeltjes zijn fijn en gemakkelijk met olie of water te vermengen.

Met een medium

Men meet een niet-vergelende olie gebruiken en een beetje bijenwas toevoegen om te voorkomen dat de verf gaat uitlopen. Kobaltblauw moet tweemaal worden gewreven voordat de pigmentdeeltjes klein genoeg ziin. Omdat de verf hierdoor tamelijk vloeibaar wordt, moet tijdens de bereiding meer pigment worden toegevoegd; de verf gaat dan naar verhouding minder olie bevatten, wat de kans op vergeling verkleint. Alle kobaltpigmenten hebben de neiging vettige kleuren te maken, ook bij zorgvuldige bereiding. Het is dus beter om magere mediums te gebruiken, zodat dikke lagen tijdens het drogen niet gaan rimpelen. Kobaltblauw versnelt het droogproces.

Voor aquarelverf of tempera moet kobaltblauw heel grondig worden gewreven, anders wordt de verf korrelig. Ook is het goed het pigment eerst nat te maken met alcohol en water. Deze kleur is ook geschikt voor pastel, acryl en fresco.


Ceruleumblauw

Ceruleumblauw is een prachtig groenachtig blauw. Een zwak, dekkend pigment, dat het toch goed doet als transparante wassing of als glacis, maar in mengsels gauw verloren gaat. Het is volkomen lichtecht en stabiel in alle technieken. Net als kobaltblauw kan het verkleuren door vergeling van de olie.

Als pigment

Het is zwaar, met een fijne korrel. In droge vorm is het bleek pastelblauw en is de groenige ondertoon nauwelijks te zien. Vermengen met water kost aanvankelijk wat moeite.

Met een medium

Het gedraagt zich biina hetzelfde als kobaltblauw en moet op precies dezelfde wijze worden bereid. Meestal neemt het wat minder olie op en geeft het wat meer verf. Deze verf gaat niet zo gauw rimpelen en kan dus dik worden opgebracht; maar omdat het zo duur is, wordt het zelden op die ma nier gebruikt. Ceruleumblauw versnelt het droogproces. Als aquarelverf kan het heel subtiele effecten geven, maar dan moet het wel spaarzaam worden gebruikt. Het is eveneens geschikt voor tempera, acryl en pastel, al wordt het daarin vaak door andere pigmenten vervangen. Het is ook stabiel in kalk.


Phtalocyanineblauw

Phtalocyanineblauw is een zeer krachtig donkerblauw met een groene ondertoon, die zichtbaar wordt als het dun wordt aangebracht of met wit vermengd; het wordt dan licht turkoois. Het is een modern synthetisch organisch pigment, en in zuivere vorm is het transparant en heeft het een enorme kleurkracht. Het is ook zeer lichtecht en volkomen stabiel in alle mediums. Het enige nadeel is dat het een sterk bronzerend pigment is.

Het is in verscheidene merken in de handel. Variatie in kleur komt voor, maar is niet groot. Omdat het zo bestendig en krachtig is, wordt het vaak met andere pigmenten vermengd, maar zo'n mengsel geeft nooit de kracht en de transparantie van het zuivere pigment. Phtalocyanineblauw vervangt steeds meer het Pruisischblauw; in combinatie met andere pigmenten wordt het vaak gebruikt als vervanger voor ceruleumblauw.

Als pigment

Het is het uiterst licht; bij de geringste verstoring stuift het op. De kleur is donker zwartblauw, bijna glanzend. Het neemt niet zo eenvoudig olie en water op, maar als er een maal wat pasta is bereid, gaat het gemakkelijker. Voor n.ediums op waterbasis kan men het beter eerst met alcohol en water wriJven.

Met een medium

Voor olieverf hoeft het niet langdurig gewre ven te worden, omdat het al snel dik wordt. Het kan zachter worden gemaakt door toevoeging van olie, maar daarmee is de kans groot dat de kleur groener wordt. De verf is uitstekend ge schikt voor glacis, en ook in mengsels. In de praktijk blijkt het vrij snel te drogen.

In tempera en aquarelverf moet het pigment flink worden gewreven, anders vormt het te grove deeltjes, die in het voltooide werk uiteen kunnen vallen en vlekken maken. Als het te zwaar wordt opgebracht, kan het een iriserende koperachtige glans geven (bronzeren), in aquarelverf vooral een zwarte ondertoon. Voor gebruik in tempera-emulsies moet het eerst heel fijn worden gewreven in water. Phtalocyanineblauw is uitstekend voor pastels, omdat er veel tinten mee te maken zijn; ook voor acryl en in fresco kan het worden gebruikt.


Mangaanblauw

Mangaanblauw is een licht en groenachtig blauw, wat bleker en groener dan ceruleumblauw. Het is heel duurzaam en transparant. Temperaschilders prefereren het vaak boven andere groenblauve pigmenten, omdat het gemakkelijker te verwerken is, en wegens de exquise toonwaarde. Mangaanblauw is giftig en nauwelijks meer te verkrijgen.


Pruisischblauw

Pruisischblauw lijkt in grote lijnen op phtalocyanineblauw; misschien is het een fractie matter. Het bestaat al heel lang en is nog steeds populair, maar in feite is phtalocyanineblauw een beter pigment. In de meeste mediums is het duurzaam, maar in heel dunne wassingen en lichte tinten kan het gaan verbleken. Het is zeer gevoelig voor alkali en kan dus niet worden gebruikt in fresco. In mengsels met zinkwit kan het bij daglicht verkleuren, maar in het donker krijgt het zijn kleur weer terug; dit lijkt overigens alleen te gebeuren in mediums op waterbasis.


Indigo

Dit traditionele organische pigment is donker blauwzwart en lijkt bijna zwart als het zwaar wordt opgebracht. In aquarelverf is het matig duurzaam en wordt het nog steeds gebruikt, maar in andere mediums is het onbetrouwbaar. Indigo is als kleur niet belangrijk meer, men kan het goed vervangen door phtalocyanineblauw of Pruisischblauw te vermengen met wat zwart.

 


 

 

Violette pigmenten


Kobaltviolet

Er zijn twee versies van dit pigment: donker en licht kobaltviolet. De lichte versie is lichtpaars met een rozige ondertoon. Het heeft weinig dek- en kleurkracht en wordt gewoonlijk gebruikt in wassingen of glacis of in combinatie met wit. Het donkere pigment is een rijk en diep purper. Beide kleu ren zijn volkomen lichtecht en duurzaam in alle technieken. Net als alle andere blauwe en violette pigmenten hebben ze echter te lijden van vergeling door olie. Het tere lichte kobaltviolet loopt het meeste risico en wordt merkbaar aangetast door de roodbruine kleur van alkydmediums. Over de onschadelijkheid van de kobaltkleuren bestaan twijfels, maar in kleine hoeveelheden kunnen ze geen kwaad.

Als pigment

Het is middelzwaar tot zwaar; de donkere kleur is compacter dan de lichte. Licht kobaltviolet neigt in droge vorm beslist naar roze, maar bij verwerking is dat veel minder. Zowel met olie als met water zijn beide pigmenten goed te mengen, hoewel ze in het begin het medium slecht opnemen.

Met een medium

Met olie moet kobaltviolet tot een stijve, bijna droge pasta worden gemengd. Na het wrijven wordt het zacht en gaat het iets uitlopen; dan moet er meer pigment worden toegevoegd en moet het hele mengsel opnieuw worden gewreven. Ga altijd na of het pigment fijn genoeg is door de verf tussen duim en vinger te wrijven. Erg stijf wordt de verf nooit; uitlopen is te voorkomen door toevoeging van wat was. Als de verf te dik wordt opgebracht, kan ze snel gaan rimpelen. Kobaltviolet versnelt het droogproces.

Voor aquarelverf meet dit pigment goed worden gewreven! anders is het niet fijn genoeg. Het kan het best direct in de gom worden gewreven. Vooral de lichte versie is aantrekkelijk. Voor pastel zijn beide tinten bruikbaarq maar van de donkere kunnen meer schakeringen worden gemaakt. Het is geen gemakkelijke kleur voor tempera, al kan het wel daarvoor worden gebruikt, evenals voor acryl en fresco.


Mangaanviolet

Mangaanviolet wordt ook wel mineraalviolet of permanentviolet genoemd; verder is het bekend onder allerlei merknamen. Het is een diep purper dat veel lijkt op de donkere versie van kobaltviolet. Het is lichtecht, maar kan niet tegen langdurige blootstelling aan vocht, omdat het dan bruin wordt. Ondanks dat is het, behalve in fresco, in de meeste technieken bruikbaar; en omdat het goedkoper is en een goede kleurkracht heeft. is het een aanvaardbaar alternatief voor kobalt.

Als pigment

Het heeft een gemiddelde soortelijke massa en klontert snel. Het moet droog gehouden worden. Met olie of water is het gemakkelijk tot een gladde substantie te mengen.

Met een medium

Als olieverf is het heel betrouwbaar. Na de eer ste keer wrijven moet er meer pigment worden toegevoegd en daarna moet het de consistentie hebben van warme boter: dik, compact en toch zacht. Als het langer moet worden bewaard, is het goed er wat was bij te doen. Het versnelt het droogproces.

Het is geschikt voor tempera en aquarelverf, maar aangezien het niet tegen vocht kan, moet het vlak voor gebruik worden gemaakt. Als aquarelverf kan het wel van tevoren als blokjes worden gemaakt en bewaard, maar niet in een tube. Het vocht dat nodig is voor de bereiding en bij het gebruik heeft geen invloed; eenmaal droog is de verf duurzaam. Mangaanviolet is gemakke lijk tot pastels te maken; deze moeten wel snel op een warme plaats worden gedroogd, zedat ze niet verkleuren. De kleur levert vrij veel schakeringen op.


Ultramarijnviolet

Ultramarijnviolet is een derivaat van ultramarijn, een middelviolet met een vleugje blauw, dat maar zelden door kunstschilders wordt gebruikt. Het voornaamste voordeel is dat het minder duur is dan andere violette pigmenten, maar het is een zwak pigment van twijfelachtige duurzaamheid. In theorie kan het in alle technieken worden gebruikt, ook in fresco.


Purpers

Violette en roodachtige purpers worden geproduceerd als varianten van traditionele organische kraplakkleuren en als varianten en mengsels van moderne organische kleuren. Al zijn ze mooi, toch kan men kleuren als kraplakpurper, violetkarmijn, alizarinepurper en dergelijke beter vermijden, omdat ze niet duurzaam zijn


 

 

Gele pigmenten


Cadmiumgeel

Net als cadmiumrood is cadmiumgeel meer een reeks kleuren dan een specifieke kleur; het zijn allemaal varianten van hetzelfde pigment. Cadmium diepgeel is een donker geel dat grenst aan oranje; daarboven komt een rijk geel dat gewoon cadmiumgeel heet en daar weer boven een licht middelgeel: cadmium lichtgeel. Cadmiumcitroen is echt citroengeel en de lichtste kleur in de reeks. Dit pigment dekt redelijk goed, vooral de donkere schakeringen; het heeft een gemiddelde tot goede kleurkracht. Het is duurzaam in alle technieken behalve in fresco, waarbij het voor gebruik moet worden uitgeprobeerd. Het kan verkleuren, maar het is niet zeker of dat komt door inwerking van vocht of door luchtvervuiling. Over de onschadelijkheid van cadmiumkleuren bestaan twijfels, maar dat speelt geen rol bij de kleine hoeveelheden die door kunstschilders worden gebruikt.

Als pigment

Het is een tamelijk onsamenhangend poeder van een gemiddelde soortelijke massa, dat gemakkelijk met olie of water tot een gladde substantie te vormen is. Evenals cadmiumrood bevat het van nature wat bariet, maar mengsels waaraan bariet is toegevoegd, kan men beter niet gebruiken.

Met een medium

Dit pigment is gemakkelijk als olieverf te bereiden; het wordt dunner bij het wrijven, en soms moet voor een juiste consistentie meer pigment worden toegevoegd. De verf blijft zacht en kan bij bewaren gaan uitlopen. Het effect op de droogtijd is niet noemenswaardig.

Het is geschikt voor tempera, acryl en aquarelverf, en ook gemakkelijk tot pastels te maken. Vocht lijkt geen nadelige invloed op dit pigment te hebben.


Azogeel

Er zijn twee versies van dit pigment, lichtgeel en diepgeel (ook wel bekend onder bepaalde merknamen of als arylamidegeel). De lichte tint is een stralend citroengeel met een groenige ondertoon; de donkere tint is een rijk middelgeel, dat dicht tegen middel-cadmiumgeel aan ligt. Behalve dat het verschillende kleuren zijn, gedragen ze zich ook verschillend, maar over het algemeen hebben ze dezelfde eigenschappen. Azogeel is transparant, het donkere meer dan het lichte, maar dik opgebracht dekt het goed. De kleurkracht is uitstekend en beide tinten hebben de neiging te bloeden. Ze zijn lichtecht en in mengsels vrij duurzaam. Azogeel kan met alle mediums worden gebruikt en is stabiel in kalk.

Als pigment

Het is zeer licht, het citroengeel nog meer dan het diepe geel. Azo lichtgeel is erg statisch en heeft kleine deeltjes; het neemt niet direct water op, maar kan toch goed met olie of water worden vermengd. Azo diepgeel stuift erg en de deeltjes klonteren nogal samen, waardoor het wat korrelig aanvoelt. In het begin neemt het niet zo gemakkelijk water op, dus voor verwerking in mediums op waterbasis zijn aanvankelijk alcohol en water nodig. Bij verwerking in olie wordt het mengen gemakkelijker als er eenmaal wat kleurpasta is gevormd, omdat dit het pigment gemakkelijker opneemt dan pure olie.

Met een medium

Voor olieverf hoeft Azo lichtgeel betrekkelijk weinig te worden gewreven. Als het klaar is, is het dik vloeibaar; bij bewaren wordt het zachter, maar het blijft boterachtig. Azo diepgeel moet goed worden gewreven, maar niet meer dan een keer. Het wordt stijver bij verwerking en dat blijft het ook. Het lijkt de droogtijd van olie iets te vertragen, terwijl het lichte geel goed droogt. Vlekken die na de bereiding of het gebruik moeilijk van het gereedschap te verwiideren zijn, kunnen worden losgeweekt met gewone olie. In aquarelverf, tempera, acryl of pastel zijn deze pigmenten moeilijker te verwerken. Het lichte geel geeft de minste problemen, maar het donkere moet herhaaldelijk worden gewreven om de vereiste fijnheid te krijgen. Azo lichtgeel kan direct in gom of ei worden gewreven, Azo donkergeel eerst in alcohol met water. Dit geldt ook voor pastel en fresco. Als het donkere geel niet op de juiste wijze is bereid, kan het in aquarelverf en tempera te grote deeltjes bevatten, die kapotgaan en gaan vlekken. In oliehoudende tempera-emulsies worden die deeltjes opgenomen door de olie; de verf kan vet worden en lange tijd nodig hebben om te drogen. Dit gebeurt niet als het pigment grondig met water wordt vermengd voordat het medium wordt toegevoegd.


Chromaatgeel

Chromaatgeel is al geruime tijd in gebruik en het heeft de status van een traditionele kleur. Het haalt het echter niet bij cadmiumgeel en Azogeel. De kleuren varieren van diepgeel tot citroengeel; de donkere tinten ziin het meest duurzaam. De lichtechtheid is vrij onvoorspelbaar, en alle kleuren neigen bij het ouder worden naar bruin. Chromaatgeel is stabiel in alle mediums, behalve in kalk; het dekt goed en heeft een grote kleurkracht. Een van de voordelen is dat het niet zo duur is, maar hier is goedkoop duurkoop, omdat het stralende van de kleur na verloop van tijd verbleekt. Alle chromaatgelen zijn giftig en gevoelig voor luchtvervuiling.

Als pigment

Het is een zwaar poeder, dat erg kwetsbaar is en in een luchtdichte doos in het donker moet worden bewaard. Het neemt gemakkelijk olie of water op.

Met een medium

Als olieverf heeft het een beetje was nodig. Het kan niet goed worden bewaard en uiteindelijk wordt het dof bruingeel. Chromaatgeel versnelt het droogproces. In aquarelverf is dit pigment vluchtig en in tempera kan het worden aangetast door rottend ei. Voor pastels is het niet geschikt.


Bariumgeel

Bariumgeel is ook bekend als citroengeel, permanentgeel en soms gele ultramarijn; het is een heel licht citroengeel, minder groenig dan de meeste citroengelen. In zuivere vorm is het volkomen lichtecht, maar in mengsels is het minder stabiel. In de praktijk is het duurzaam in olie, tempera en aquarelverf. Vooral voor tempera onderschilderingen is het heel geschikt, omdat het gemakkelijk gemaakt kan worden en er door de bleke dekkende kleur goed overheen te schilderen is. Bariumgeel is giftig.


Aureoline

Aureoline is een donker citroengeel met een tamelijk opvallende groenachtig bruine ondertoon, ook bekend als kobaltgeel. Het dekt goed en is duurzaam, maar door de ongewone tint is het niet altiXd geschikt. Ook is het duur in vergelijking met andere gele pigmenten. In olieverf droogt het goed en in aquarelverf kan het gebroken gelen creeren, zoals geelachtig groen en bruinachtig geel.


Napelsgeel

Echt Napelsgeel is een traditioneel pigment dat uit lood wordt verkregen. Deze naam wordt nu gebruikt voor mengsels die cadmiumgeel, witte pigmenten en sporen rode en gele oker bevatten.


Gele lakken

Indischgeel is de naam van een traditioneel organisch pigment dat eens een uitstekende reputatie had, maar tegenwoordig niet meer bestaat. Deze naam wordt nu gegeven aan variaties van Azogeel. Azogeel vermengd met transparante rode pigmenten wordt ook wel gummigut genoemd; dit is eigenlijk een traditionele transparante gele gom, alleen geschikt voor aquarelverf. Het is nog wel verkrijgbaar, maar heeft weinig waarde omdat het niet lichtecht is.


Gele oker

Met gele oker wordt de hele familie van gele aardkleuren aangeduid, maar het is ook de naam van een specifiek pigment. Natuurlijke okers worden niet meer op grote schaal gebruikt; deze kleuren worden nu langs chemische weg verkregen, maar ze zijn minder puur en transparant dan de echte. De meest gangbare tint is een goudachtig geelbruin - soms heet het ook wel goudoker - en het heeft veel weg van Marsgeel. Gele oker dekt goed, maar is semi-transparant, dus in een wassing of in glacis gaat het er heel anders uitzien. Het heeft een goede kleurkracht en treedt in mengsels bij het drogen van de verf meer op de voorgrond. Dit effect wordt nog versterkt als de verf ouder wordt. Gele oker is in alle mediums lichtecht en duurzaam. Het is verwant aan rode oker en wordt rood bij sterke verhitting.

Als pigment

Natuurlijke okers varieren in gewicht, maar de moderne gele oker is tamelijk licht - hoewel lang niet zo licht als vele andere moderne organische kleuren. Het heeft de neiging te klonteren en is in droge vorm veel lichter en stralender van kleur dan nat. Het is goed te vermengen met olie of water.

Met een medium

Als olieverf is het gemakkelijk en snel te bereiden. In het begin moet het zo dik mogelijk worden gemaakt, omdat het tijdens het wrijven steeds zachter wordt. Bij bewaring kan het gaan uitlopen; dit heeft geen invloed op het effect, maar is te verhelpen door toevoeging van wat meer pigment of - bij het wrijven - een beetje was. Net als alle aardkleuren is gele oker binnen een redelijke tijd goed droog.

Gele oker is heel geschikt voor tempera, aquarelverf en acryl, en ook goed tot pastels te verwerken. Voor pastel is het echter, behalve in combinatie met andere pigmenten, niet zo'n geschikte kleur, omdat alle tinten tamelijk modderig ziin. In fresco is het absoluut betrouwbaar en kan men er zelfs een veel helderder geel van maken. Voor ondergronden is het een zeer waardevol pigment: het kan in allerlei kleurmengsels worden gebruikt.


Sienna naturel (ruwe sienna)

Sienna naturel wordt tot de gele pigmenten gerekend, maar het is feitelijk bruin. Het is aanzienlijk donkerder dan gele oker en het heeft een roodachtige ondertoon. Voor de komst van de moderne okers was het uniek omdat het zo transparant is; in dunne lagen is het een stralende kleur met een warme goudbruine tint. In dikke lagen dekt het goed. Het heeft een gemiddelde tot goede kleurkracht en is volkomen lichtecht. Sienna naturel is stabiel in alle technieken, maar wordt in olie merkbaar donkerder doordat het bij de bereiding zoveel olie opneemt. Bij gele oker is dat ook zo, maar daar valt het minder op omdat de kleur lichter is. Bij sterke verhitting verandert de kleur in gebrande sienna.

Als pigment

Het heeft een gemiddelde soortelijke massa en is soms wat grof. Het is gemakkelijk met olie of water te mengen.

Met een medium

Als olieverf moet het zo dik mogelijk worden gemaakt, zodat het oliepercentage minimaal blijft. Tijdens het bewaren wordt het altijd zachter, als warme boter. Sienna naturel droogt wat minder snel dan de meeste andere kleuren, omdat het zoveel olie bevat.

Vooral voor aquarelverf is het een prachtig pigment; speciaal in landschappen komt de warme transparante tint goed tot haar recht. Het is gemakkelijk te bereiden, maar het moet goed worden gewreven, omdat anders in dikke lagen opeenhopingen van grove deeltjes kunnen ontstaan. Dit is te voorkomen als men de verf voor gebruik even laat staan, zodat die grove deeltjes kunnen bezinken en niet door het penseel worden opgenomen. Sienna naturel is geschikt voor acryl, tempera en pastels, en verder in fresco. Ook voor gekleurde ondergronden kan het worden gebruikt.


Goud

Metaalgoud wordt soms tot de gele pigmenten gerekend; het is altijd gebruikt als versiering, soms in de vorm van bladgoud, soms als "goudverf", verf waarbij bladgoud direct in het medium - meestal op waterbasis - wordt gewreven; vroeger werd dat in honing gedaan. Na het aanbrengen kan het worden gepolijst. Goud wordt ook gebruikt om dof geel op te lichten.


 

 

Oranje pigmenten


Cadmiumoranje

Cadmiumoranje is een fel oranje dat meer naar geel dan naar rood neigt en dezelfde ingredienten bevat als cadmiumrood en cadmiumgeel. Het heeft dezelfde eigenschappen als de andere cadmiums: het is meestal duurzaam en betrouwbaar. Soms wordt cadmiumoranje beschouwd als een donkere variant van cadmiumgeel.


Chromaatoranje

Chromaatoranje is een diep, aan rood grenzend oranje, waarvan enkele varianten bestaan. Het is in olie tamelijk duurzaam en het droogt snel. In aquarelverf is het bestendig, maar in tempera kan het worden aangetast door conserveringsmiddelen en rottend ei. Voor fresco is het niet geschikt. Omdat het giftig is, mag het in pastels niet worden gebruikt.


Alizarine-oranje

Alizarine-oranje is een prachtig transparant oranje met een heel lichte ondertoon van bruin. Het komt maar zelden voor en de herkomst is niet helemaal zeker. Het lijkt het meest op een mengsel van alizarine kraplak en Azo donkergeel; men kan het maken door deze kleuren op het palet te mengen. Het is duurzaam in olie en waarschijnlijk ook in aquarelverf, maar in te dunne lagen wordt de lichtechtheid zwakker.


Azo-oranje

Azo-oranje wordt wel als een variant van Azo donkergeel beschouwd, al is het niet zeker of het echt een variant is of een mengsel met een ander pigment. Elk oranje pigment gebaseerd op Azogeel is betrouwbaar, zolang ook de rode component redelijk duurzaam is.


 

 

Groene pigmenten


Vert emeraude

Vert emeraude is een donker groen dat als glacis of wassing een levendige smaragdkleur heeft, met een lichte blauwe ondertoon. Het is transparant en dekt alleen in dikke lagen, waarin het wat doffer en zwarter wordt. De kleurkracht van vert emeraude is slecht, maar in mengsels met wit of geel, waarin licht- of heldergroen nodig is, werkt het heel goed. Het is lichtecht en gaat goed samen met alle traditionele mediums.

Als pigment

Het is een droog en onsamenhangend poeder, lichter dan gemiddeld. In droge vorm heeft het een pasteltint van smaragd, maar als het nat is, wordt de kleur veel voller. Het is goed te vermengen met olie of water, al heeft het in het begin de neiging te blijven drijven.

Met een medium

Voor olieverf moet het vrij langdurig worden gewreven; omdat het dan steeds dunner wordt, moet men er meer pigment aan toevoegen en weer wrijven. Uiteindelijk ontstaat er een zachte pasta, die bij bewaren nog zachter wordt. Hoewel het heel veel olie absorbeert, droogt het snel. Daarom wordt het weleens samen met zwart als aantrekkelijke, snel drogende onderschildering gebruikt.

In mediums op waterbasis moet vert emeraude goed worden gewreven, anders kan het gaan samenklonteren tot te grove deeltjes. Voel tussen duim en vinger of het niet korrelig meer is. Ook dan kan het nog wat grof zijn. In aquarelverf en tempera wordt vert emeraude na de bereiding stijver. Het is heel geschikt voor pastels, maar omdat de kleuren niet zo aantrekkelijk zijn, is het goed er wat geel en wit bij te doen. In acryl wordt het maar zelden gebruikt, omdat de lichte zuurgraad van sommige versies van dit pigment een reactie kan veroorzaken. Voor fresco is het wel geschikt.


Chroomoxydgroen

Chroomoxydgroen is een dekkend, enigszins dof grijzig groen, met een uitstekende dek- en kleurkracht. Een waardevolle kleur in mengsels, die met wit, geel of blauw aanzienlijk stralender wordt. Chroomoxydgroen is volkomen lichtecht en duurzaam in alle technieken.

Als pigment

Het is vrij zwaar en geneigd te gaan klonteren en vast te kleven. In droge vorm is het helderder dan aangemaakt, al blijft de toonwaarde min of meer gelijk. Het is goed te mengen met olie of water.

Met een medium

In olie heeft het een vollere kleur dan in andere mediums. Het moet tot een stijve pasta worden gemaakt, omdat het na verloop van tijd dunner en slapper wordt. Evenals vert emeraude versnelt het de droogtijd van olie aanzienlijk.

Het is gemakkelijk tot aquarelverf te verwerken en al is het dekkend, toch kan het heel effectief ziin; door ziin dofheid kan het bijvoorbeeld te heldere groenen wat dempen. Ook in tempera is het goed te gebruiken, en met toevoeging van wit is het uitstekend als onderschildering. Van de moderne kleuren ligt chroomoxydgroen het dichtst bij de traditionele aardgroenen; al is het niet precies hetzelfde, het is in veel gevallen een acceptabel alternatief. In een dunne laag, met wat blauw, lijkt het zelfs heel erg op terre verte (groene aarde). Het is gemakkelijk tot pastels te maken en ook heel geschikt voor acryl en fresco.


Phtalocyaninegroen

Phtalocyaninegroen is een krachtig modern organisch pigment van een diep en heel stralend smaragdgroen. Het is veel donkerder dan vert emeraude, maar als het genoeg wordt verdund, heeft het bijna dezelfde kleur. Het is verkrijgbaar onder allerlei merknamen, soms gewoon als smaragdgroen. Men gebruikt het dikwijls als vervanging van vert emeraude en het is ook goedkoper in gebruik. Phtalocyaninegroen is zeer lichtecht en behoudt deze eigenschap ook in lage concentraties. In alle soorten mediums heeft het een grote duurzaamheid en ook in fresco is het betrouwbaar. De kleur is sterk bronzerend, in zuivere vorm zelfs nog meer dan phtalocyanineblauw.

Als pigment

Het is heel licht en bij de geringste verstoring stuift het op. Het moet dan ook heel voorzichtig worden gehanteerd, anders komt de hele ruimte vol pigmentkorrels te zitten; en omdat die nogal afgeven, is dat niet zo wenselijk. In droge vorm is het donker smaragdgroen goed te onderscheiden van vert emeraude. Het neemt niet zo gemakkelijk water of olie op; bij mediums op waterbasis moet het eerst grondig in een mengsel van water en alcohol worden gewreven. Omdat het zo'n krachtig pigment is, kan het goed worden vermengd, maar op volle sterkte komt het het best tot zijn recht.

Met een medium

Phtalocyaninegroen wordt dik als het in olie wordt gewreven, en meestal nog dikker als het blijft staan. Wanneer het als glacis moet dienen, kan het beter direct in een daarvoor geschikt medium worden gemengd. Als het in een te dikke laag wordt aangebracht, wordt het zwartgroen. Het heeft geen merkbaar effect op de droogtijd van olieverf.

Als aquarelverf overtreft het vert emeraude in intensiteit en helderheid. Het is gemakkelijker te bereiden dan phtalocyanineblauw, al moet het wel worden gecontroleerd op een te grove korrel. Voor oliehoudende tempera-emulsies moet het eerst goed natgemaakt worden. Als pastel kan er een groot aantal kleurschakeringen van worden gemaakt, maar zoals de meeste moderne synthetische organische pigmenten werkt het beter met hars dan met gom. Voor fresco moet het eerst grondig in alcohol en water worden gewreven.


Terre verte (groene aarde)

Dit traditionele pigment is een blauwgroen grijs, dat verwant is aan de okers en behoort tot een pigmentfamilie die vroeger 'groene aarde' heette. De kleur wordt dikwijls verbeterd door toevoeging van vert emeraude of andere groene pigmenten. Het is lichtecht en bestendig in alle mediums, maar in olie wordt het donkerder en krijgt het vaak een bruinige ondertoon. In olie is het transparant, in aquarelverf en tempera semi-transparant, mits het niet te dik wordt opgebracht. Ook heeft het in deze twee mediums de neiging stijver te worden. In fresco is het na droging veel lichter dan in natte vorm. Een versie van terre verte is Veronesegroen, traditioneel gebruikt voor de onderschildering van vleeskleuren, maar deze naam wordt ook gebruikt voor helderder gemengde groene pigmenten. De gedempte kleur past niet bij de moderne heldere pigmenten en daarom is het niet meer zo in trek.


Chromaatgroen

Chromaatgroen is een mengsel van chromaatgeel en Pruisischblauw. Het is niet beter dan deze kleuren afzonderlijk en slechts matig bestendig. Evenals chromaatgeel is het al sinds de 19e eeuw in gebruik. Het versnelt de droging van olieverf en het is giftig.


Kobaltgroen

Een zeer zwakke, grijzig blauwe versie van smaragdgroen. Het is duurzaam en stabiel in alle mediums, maar wordt weinig gebruikt omdat het een slechte dek- en kleurkracht heeft. Het doet het echter goed op plaatsen waar een koel verfijnd groen nodig is.


Cadmiumgroen

Cadmiumgroen, ook wel permanentgroen genoemd, is een mengsel van cadmiumgeel en vert emeraude. Afhankelijk van het geel dat wordt gebruikt, kan het varieren tussen een vol middelgroen en een lichter bladgroen. Het is duurzaam, maar eigenlijk niet nodig omdat dit soort groene pigmenten gemakkelijk op het palet te mengen is.


Gemengde groene pigmenten

Behalve de hiervoor reeds genoemde gemengde groene pigmenten zijn er een paar andere die soms als pigment verkrijgbaar zijn, al kunnen ze net zo goed op het palet worden gemaakt. Pruisischgroen is een mat zwartachtig blauwgroen, gebaseerd op Pruisischblauw. Sapgroen is een helder bladgroen van dubieuze kwaliteit. Hookersgroen is een middelgroen, met een zwartachtige ondertoon; vroeger vaak onbetrouwbaar, nu gebaseerd op meer bestendige moderne pigmenten. Olijfgroen is een mat bruinachtig groengeel, dikwijls verkregen uit sienna naturel.


 

 

Bruine pigmenten


Omber naturel (ruwe omber)

Omber naturel is een bruine aardkleur, donkerder van toon dan de bruinste van de gele okers. Het is een enigszins mat middelbruin, dat veel variaties kent. Omber naturel kan een vleugje geel bevatten of een groenige ondertoon en zelfs iets van dof grijzig zwart. Het dekt redelijk goed, maar wordt vrijwel nooit puur gebruikt, omdat het te donker is. De kleur komt beter tot haar recht als ze dun wordt aangebracht; ze is dan semi-transparant. De kleurkracht is middelmatig tot goed, maar in mengsels fungeert het het best om andere kleuren te temperen; het geeft dan warmere tonen dan gewoon zwart. Met wit geeft het een vuilgrijs. Omber naturel is in alle technieken bestendig, maar wordt in olie vaak donkerder. Schaduwpartijen kunnen daarvan profiteren, maar tere toonwaarden worden er soms door bedorven. Bij verhitting wordt omber naturel gebrande omber; deze pigmenten zijn niet giftig.

Als pigment

Het is tamelijk licht. In droge vorm is het heel mat modderig bruin, en nat wordt het aanzienlijk donkerder. Het is gemakkelijk met olie of water te vermengen.

Met een medium

Als olieverf moet het zo dik mogelijk worden gemaakt. Na verwerking wordt het zachter, al blijft het een pasteuze substantie. De kleur moet er bijna zwart uitzien, maar in een dunne olieverflaag neigt deze meer naar mat chocoladebruin. Het versnelt de droging van olieverf.

De gelige en groenige tonen van omber zijn in aquarelverf en tempera heel geschikt, zij het alleen in dunne lagen. Het hoeft niet langdurig te worden gewreven. Als aquarelverf kan er tijdens het gebruik wat gom aan worden toegevoegd; de kleur wordt dan voller. In pastels is het het meest waardevol in zuivere vorm; afgeleide tinten worden al gauw modderig. Het is ook geschikt voor acryl en fresco. Omber naturel doet het goed in gekleurde ondergronden, hetzij als een matte semi-neutrale imprimatura, hetzij als ingrediënt in gemengde ondergronden, waar het felle kleuren wat kan temperen.


Gebrande omber

Gebrande omber is een vol chocoladebruin; het wordt veel vaker gebruikt dan omber naturel, omdat het donkerder, warmer en glanzender is. Het kan naar rood of zwart neigen. Wat belangrijke kenmerken betreft is het vrijwel gelijk aan omber naturel; in de meeste schildertechnieken zijn de beide kleuren onderling verwisselbaar.

Als pigment

Het is aanzienlijk compacter dan omber naturel en heeft een gemiddeld gewicht; in droge vorm is het veel donkerder. Het neemt niet zo gemakkelijk olie of water op en is algauw korrelig als het niet goed wordt gewreven.

In een medium

De warmte van deze kleur komt het best uit in olie, en als glacis is het ideaal voor heldere schaduwen. Dik opgebracht is het donker, maar goed van zwart te onderscheiden. Evenals omber naturel versnelt het de droging van olie en kan het als siccatief worden gebruikt.

In aquarelverf of tempera moet het goed worden gewreven. In pastels en andere media kan het, gecombineerd met gele of rode aarde, een aantal bruinen opleveren (in mengsels werkt het veel beter dan omber naturel). Gebrande omber kan ook worden gebruikt in ondergronden en dunne onderschilderingen. Het feit dat het warm, transparant en toch donker is, maakt het voor dit doel bijzonder geschikt.


Van Dijckbruin

Echt Van Dijckbruin is een zeer giftige natuurlijke aardkleur, die ten dele wordt verkregen uit vergaan organisch materiaal. Het heet ook wel Kasselsbruin. Het is een donker chocoladebruin, dieper dan gebrande omber, met een zwarte ondertoon. Het is uitermate transparant, maar niet duurzaam. Het kan worden nagemaakt door een mengsel van gebrande omber en zwart, al dan niet met toevoeging van een klein beetje transparant rood. Modern Van Dijckbruin bestaat vrijwel altijd uit die pigmenten.


Sepia

Sepia is een traditionele kleur die niet meer wordt gebruikt en nu bestaat uit een mengsel van omber en zwart. Het is een mat bruinig zwart. Dit mengsel wordt ook wel bister genoemd.


Bruine oker

Rode oker en alle varianten daarvan, zoals Indischrood, gebrande sienna, gele oker en sienna naturel, kunnen ook tot de bruinen worden gerekend. Ze worden echter onder de roden en gelen genoemd, omdat ze in feite daarbij dichter in de buurt komen. Omber naturel en gebrande omber zijn verwant aan de okers, en tussen deze kleuren in liggen in theorie enkele donkere okers die echt bruin zijn; ze komen niet veel meer voor.


Alizarinebruin

Alizarinebruin, ook wel bruine kraplak of gebrande alizarine genoemd, is een transparant, stralend roodbruin. Het is een variant van alizarine kraplak of een combinatie van alizarine en rode oker. Het eerste is duidelijk meer transparant en ongeveer even bestendig als alizarine kraplak. Het wordt gemaakt door alizarine kraplak te verhitten.


 

 

Zwarte pigmenten


Lampenzwart

Lampenzwart is een intens, zuiver zwart, met soms een vleugie blauw of bruin, dat alleen in de grijze tonen zichtbaar wordt. Het dekt uitstekend en heeft een enorme kleurkracht, terwijl het door zijn fijne korrel in dunne lagen vrij transparant is. Als het te zwaar wordt aangebracht, gaat het er, vooral in magere mediums, uitzien als roet. Niet verwonderlijk want in feite is het ook roet. Het is lichtecht en stabiel in alle mediums. Dit pigment zit ook in Oostindische inkt.

Als pigment

Het is heel licht en moet voorzichtig worden gehanteerd. In droge vorm is het dofzwart, bijna donkergrijs en nogal kleverig. Mengen met olie of water levert alleen in het begin wat moeilijkheden op. Eventueel kan het eerst met alcohol en water worden natgemaakt.

In een medium

In olie wordt het pikzwart. Het kan een mooie romige substantie worden, maar het moet zo stijf mogelijk zijn, omdat het later slapper wordt; bij lang staan kan het zelfs gaan uitlopen. Het vertraagt de droging; een siccatief kan nodig zijn, bijvoorbeeld in de vorm van omber, vert emeraude of kobaltblauw, die allemaal een mooie ondertoon aan het zwart geven. Lampenzwart droogt in olie mat op; het is daarom goed er wat vet medium aan toe te voegen.

Lampenzwart kan direct in Arabische gom worden gewreven, en omdat het zo fijn is, is het uitstekend geschikt voor fijn tekenwerk en monochrome wassingen. Ook in tempera en andere media is het heel bruikbaar. Als pastel is het zo zwart als roet, maar het wordt ook met andere kleuren vermengd. In ondergronden wordt het in kleine hoeveelheden gebruikt om grijs, gebroken groen en dofrood en -bruin te maken. In sommige recepten kan het worden vervangen door omber.


Soorten roetzwart

De meeste zwarte pigmenten zijn aan elkaar verwant in die zin, dat het allemaal koolstofvormen ziin, aflkomstig uit verschillende bronnen; qua eigenschappen verschillen ze iets van elkaar. Beenderzwart is een bruinachtig zwart, dat aanvankelijk warme tonen geeft, maar na verloop van tiid grijszwart wordt. Ivoorzwart is een zuiverder vorm van beenderzwart, naar men zegt het meest intense zwart dat er bestaat. In vergelijking met andere roetzwarten droogt het als olieverf vrij goed. Kernzwart (van gebrande perzikpitten) is een diepzwart dat vooral bij temperaschilders geliefd is. Blauwzwart is fijn gemalen houtskool, al wordt deze naam ook vaak gegeven aan andere zwarte pigmenten waar wat blauw doorheen zit. Technisch gezien verwijst de naam 'roetzwart' naar een specifiek pigment dat wordt gemaakt uit verbranding van organische afbraakstoffen.


Marszwart

Marszwart heet ook wel ijzeroxydezwart. Sommige temperaschilders hebben dit liever dan roetzwart, omdat het gemakkelijker te bereiden is; ook voor acrvlverf wordt het veel gebruikt. Het is heel duurzaam.


Paynesgrijs

Paynesgrijs is een intensief blauwzwart, dat in dunne lagen een heldere transparante neutrale toon geeft. Oorspronkelijk was het een mengsel van rode kraplak, sienna naturel en indigo, maar nu wordt het samengesteld uit blauw en zwart, met of zonder toevoeging van rood. Meestal is het bestendig, maar dit hangt af van de samenstelling.


Davysgrijs

Davysgrijs is een echt grijs met een vleugje groen. Het pigment is een bestaand mineraal, maar het kan ook door allerlei nogal ingewikkelde mengsels worden geimiteerd. In elke vorm is het duurzaam. De waarde van deze kleur is dat men er schaduwen mee kan creeren zonder de toon erg veel donkerder te maken. Grove imitaties van dit pigment kunnen wit bevatten en zijn lang niet zo doorzichtig.


 

 

 

Kunsttechnieken

Schilderijen

Een schilderij is vaak opgebouwd uit vier lagen:

Eeuwenlang waren houten panelen de meest gebruikte drager om op te schilderen. Pas in de 17e eeuw raakte het schildersdoek ingeburgerd. Op doek kun je 'vrijer' schilderen dan op paneel, omdat het wat meegeeft. Daarnaast is een doek lichter om te tillen, wat bij transport makkelijker is.
Een doek moet worden opgespannen op een spieraam. Dit is vaak van hout gemaakt. Omdat het doek door vochtigheid slap kan gaan hangen, heeft men het spanraam ontwikkeld. Het spanraam kan wat groter gemaakt worden door de wiggen in de hoeken iets verder in het raam te kloppen. Het zet dan uit en het doek wordt strakker gespannen.

·        Een ondergrond

Grondverf
Op de drager wordt eerst een witte grondverf aangebracht. Zo kunnen de volgende verflagen zich beter hechten en wordt zoveel mogelijk licht teruggekaatst. Daarmee worden de kleuren helderder. Als een kunstenaar geen grondverf gebruikt, is bij olieverfschilderijen vaak de olie door het doek opgezogen en aan de achterkant te zien.

Op doek of paneel kunnen verschillende soorten verf gebruikt worden. De meest toegepaste zijn:

o        Olieverf

Olieverf bestaat uit pigmenten, niet-oplosbare kleurdeeltjes, gemengd met olie. Deze olie 'droogt' langzaam op doordat de zuurstof uit de lucht de olie hard maakt. Voor de schilder is dat prettig: in de natte verf kan hij blijven werken en de kleuren op het doek mengen of correcties aanbrengen. Alleen, als de schilder twee kleurlagen over elkaar wil zetten, moet hij eerst wachten tot de eerste kleurlaag droog genoeg is. Dat kan soms een paar weken duren.
Als de verf 'droog' is duurt het nog tientallen jaren voordat de verf helemaal doorgehard is. Dan ontstaat het gevaar voor craquelé: fijne barstjes in de verflaag. Ze ontstaan doordat het doek met wisselende luchtvochtigheid uitzet en weer krimpt.

o        Acrylverf

Acrylverf is een kunststofverf die in 1964 in Europa in de handel kwam. Kleine bolletjes gekleurde 'acryl' zijn in water opgelost. Zodra het water opdroogt is de verf een kunststoflaag geworden.
Met acrylverf kun je op verschillende manieren schilderen: transparant of dekkend, glanzend of mat, dik of dun. Het gebruik van acrylverf heeft een voordeel: het droogt snel. Maar in de zon wordt het weer zacht en kan daardoor snel stof opnemen. En in de winter kan het zo koud en hard worden dat het barst.

o        Tempera

Tempera is een verf die vroeger van eigeel werd gemaakt. De dooier wordt met pigment (kleurdeeltjes) gemengd en als verf verwerkt. Zoals een ei door koken hard wordt, zo droogt temperaverf op onder invloed van licht. Een schildering in eitempera is gemakkelijk te herkennen. De verf droogt namelijk heel snel, waardoor er precieze, heldere vormen ontstaan. Je kunt er moeilijk kleuren en vervagingen mee schilderen. Daarnaast oogt de verf fluweelachtig. Schilderen met eitempera leent zich niet voor spontaan werken: je moet vooraf goed plannen wat je gaat doen. Want eenmaal gemaakte 'fouten' kun je niet of nauwelijks herstellen.

Vernis wordt meestal gebruikt bij olieverf. Als de olieverf helemaal hard is, kan hierover een transparante verflaag geschilderd worden. Deze vernislaag zorgt ervoor dat glansverschillen in de olieverf egaal worden en dat de verflagen zelf niet vies kunnen worden. Een vernislaag kan nooit helemaal verwijderd worden, bijvoorbeeld wanneer een schilderij schoongemaakt moet worden. Er zal altijd iets in de verflaag achter blijven.

De grondverf en vooral de vernis worden tegenwoordig nogal eens weggelaten.

Een schilderij kan ook op papier gemaakt worden.

 

 

OLIEVERVEN:

Dit zijn verven bestaande uit pigment aangemaakt met drogende oliën al of niet met toevoeging van vernis of emulsie.

Pure olieverf: bestaat uit pigment met lijnolie. Daarvoor wordt het pigment op een steen of gezandstraalde glasplaat aangemakt met de olie d.m.v. een metalen of benen spatel en vervolgens met een loper tot een fijne pasta gewreven. De verf moet “kort” zijn, d.w.z. niet uitlopen. Goede lijnolie verf is mager en droogt goed. Ze is best te verwerken op een magere grond.

Harsolieverf: is pure olieverf met een harsessence vernis gemengd zoals dammar of mastiek. Rubens schilderde met een dergelijke verf; bij de pure olieverf deed hij dammar, venetiaanse terpentijn en standolie. Deze verf is zeer duurzaam. Harsolie verf kan zowel voor onder- als voor overschildering gebruikt worden. Ze droogt goed door en hoeft niet gevernist te worden.

Olieharsverf: (lakverf) is olieverf, waarin in olie oplosbare harsen zijn verwerkt zoals kopal of barnsteen. Deze verf vergeelt en vormt een film die gemakkelijk van de ondergrond los te trekken is. Ze heeft een “spekkig” karakter.

Harswasverf: een harsessence vernis vermengd met was die in terpentijnolie is opgelost. Dit is het bindmiddel. De vermenging met pigment gebeurt d.m.v. een spatel en hoeft niet met de loper nagewreven te worden. Na droging geeft het geheel een luchtig aangename werking. Ze is helder en zeer briljant. Als wandschilderverf is ze zeer geschikt.

Gemengde verf is een olieverf vermengd met een tempera emulsie. De verf is kort, mager en matter. Ze droogt sneller en gelijkmatiger. Zeer geschikt is de toevoeging van ei-harstempera aan olieverf; de emulsie wordt met terpentijn verdund. Gemengd wit dat bestaat uit ei- of kaseïnetempera met olie-cremserwit is zeer pasteus en droogt zeer snel. Een dergelijke verf (puttorito) is uitstekend voor glaceer methode.

Mediums voor olieverf:

A. Sneldrogend               20 gr. mastiek of dammar - 40 gr. gerectificeerde terpentijn - 5 gr. lavendelolie.

B. Middeldrogend            20 gr. mastiek of dammar - 10 gr. papaverolie - 5 gr. lavendelolie - 30 gr. terpentijnolie.

Of                                1 dl. venetiaanse terpentijn - 1 dl. gerectificeerde terpentijn; Dit medium heeft een samenvloeiend karakter.

C. Langzaamdrogend         25 gr. papaverolie - 25 gr. terpentijnolie - 10 gr. lavendelolie.

 

 

Waterverf

De pigmenten voor waterverf worden uiterst fijn gewreven. Het bindmiddel is traganth. Door toevoeging van ossegal krijgt de verf een regelmatige verdeling. Glycerine zorgt ervoor, dat de verf zacht en altijd oplosbaar blijft. Boorzuur wordt erbij gedaan als conservering. Traganth kan vervangen worden door arabische gom of water van geklopt eiwit. Als de verf dekkend moet zijn - plakkaatof gouache - moet men er een vulmiddel bij doen, zoals witte kaoline. Vernissen van schilderijen: 1. olieverfschilderijen met mastiek of dammar met of zonder was, 2. temperaschilderingen worden eerst afgedekt met een laagje gelatine water,dat goed moet drogen,minstens 24 uur. De vernis is een mengsel van verzeepte bijenwas met dammar of mastiek 1:1. Na droging opwrijven met wollen doek.

Vernissen

Tussenvernissen. Deze dienen voor het 'vochtig' maken van de droge verflaag van de onderschilderingen, teneinde een goede verbinding te bewerkstelligen, waarin weer nat-in-nat gewerkt kan worden. Het is niet aan te raden pure vettige oliën als tussen vernis te gebruiken; deze veroorzaken vergelingen en ook vormen ze een gladde spekkige laag. Goede tussenvernissen zijn harsessencevernissen, zoals mastiek en damar, zowel puur als verdund met een weinig vettige olie, die in dunne lagen wordt aangebracht. Zeer dun aanbrengen; het teveel moet direct verwijderet worden.

Retouchevernis. Wil men in reeds aangedroogde verf nog een gedeelte, bijv. in de vleeskleuren, wijzigen, dan overschidert men het beste het gehele gedeelte tot aan de contouren, opdat men geen hinderlijke opvallende plekken na het drogen verkrijgt. Lichte partijen moeten altijd in het geheel overgeschilderd worden; in schaduwpartijen kan men door afzonderlijk donkere accenten enz. de werking beïnvloeden.

Slotvernis. Hoe langer de schildering tijd heeft gehad om te drogen, hoe beter.Vernist men te vroeg, zolang de verflagen nog niet door gedroogd zijn en nog weken, d.w.z. het volume verlies van het bindmiddel nog steeds plaats vindt, dan gaat de verflaag barsten.De schildering moet zó geschilderd zijn, dat deze binnen afzienbare tijd niet gevernist behoeft te worden. Het uiterlijk mag nog glanzend nog mat zijn. Door het vernissen kunnen kleurveranderingen optreden.Wil men een goede slotvernis, dan is het beste harsessencevernis, mastiek of damar, geschikt, die in terpentijn ( geen terpentine) opgelost wordt (verhouding vernis: terpentijn = 1:3 )

Matte vernis. Matte vernis wordt verkregen door aan mastiek- of damarvernis een geringe hoeveelheid gereinigde bijenwas toe te voegen, die in terpentijn is opgelost ( verhouding was: terpentijn 1:3 ). Verschillende schilders geven de voorkeur aan het opbrengen van dit terpentijn- was mengsel op de gedroogde vernislaag, omdat het dan gemakkelijker weer te verwijderen is. Was, die au-bain marie gesmolten is wordt eveneens als matte vernis op een goed doorgedroogde schidering gebruikt. Terlkens wordt snel een gedeelte van de schildering met het penseel van vernis voorzien en met een lap wordt het teveel verwijderd. Door verwarming van de oppervlakte kunnen washoudende vernissen ingesmolten worden. Een mat uiterlijk werd vroeger ook wel verkregen door het schuren van gladde lagen. Opstrijken van karnemelk, dat snel, fijn tamponerend uitgevoerd

 

 

 

 

Bindmiddelen, verdunnings- en oplosmiddelen.

 

Lijnolie: plantaardig en bekend vanuit de oudheid. . Het komt oorspronkelijk uit midden Azië. Lijnolie is heldergeel tot geelbruin en wordt gemaakt uit de zaden van de vlasplant - lijnzaad.
De samenstelling is niet altijd gelijk. Plaats van herkomst, ouderdom of methode van vervaardigen hebben invloed op de samenstelling. Lijnolie is een mengsel van diverse stoffen, de z.g. glyceriden. Glyceride is een chemische verbinding van een vetzuur met glycerine. De bestanddelen, waaruit de olie bestaat, zijn van alle soorten gelijk, maar in verhouding van hunvoorkomen niet. Deze bestandelen zijn:


linoleenzuur 23-45%
linolzuur 26-59%
oliezuur 5-37%
verzadigde zuren 8%
glycerinerest 5%
onverzeepbare bestandelen 1%

In een dunne laag uitgestreken droogt de lijnolie. Ze verandert in een leerachtig huidje - linoxyde. dit huidje kleeft niet, lost niet op, maar is gevoelig voor zuurstof, waardoor het verder oxydeert en verteert.
Door logen wordt het verzeept en door zuren aangetast.
Het drogen verloopt als volgt:
het aandrogen
het kleefvrij worden en het doordrogen - duurt zeer lang ± 50 - 80 jaar en is dan volkomen versteend.
Alle oliën nemen zuurstof op, alleen lijnolie wordt daardoor omgezet ineen andere stof. De bestanddelen, die dit mogelijk maken, zijn de vetzuren: linoleen- linolzuur en de z.g. onverzadigde vetzuren. Ze nemen gretig zuurstof op en worden dan omgezet in een leerachtig huidje, m.a.w. opbouwende stoffen worden gevormd. Ook schadelijke stoffen worden bij dit proces gevormd, die gedeeltelijk worden uitgedreven. De achterblijvende maken het huidje bros en zorgen voor een afbraak. Het drogen van lijnolie is niet alleen een proces van oxydatie, maar ook van belichting, temperatuur en vocht, die ook invloed hebben op de duurzaamheid en vastheid van de laag. Behalve dit chemisch proces heeft er ook nog een fysisch proces plaats, zoals indikken en geleivorming.
Nadelige gevolgen voor de lijnolie zijn direct zonlicht, waardoor het droogproces wordt geforceerd. Bij normale droging kleeft de laag niet. Fel zonlicht verteert de laag snel en ze gaat dan na enkele dagen kleven. Vocht is eveneens zeer nadelig, omdat de olie tijdens het drogen veel vocht opneemt. De laag zwelt dan en wordt poreus. Eenmaal opgenomen vocht verdampt slecht.
De droogtijd van lijnolie bij 16 - 21ºC en diffuus daglicht is 4 x 24 uur. In duisternis 30 - 60 dagen. Lijnolie bevriest niet en verdikt bij -15ºC. De damp van lijnolie is bij 250 - 300ºC ontvlambaar.
Lijnolie is een uitstekend bindmiddel en is lange tijd voor 100% elastisch.

Soorten:
A. Gewone rauwe lijnolie.
B. Gebleekte lijnolie - in afgedekte toestand aan zonlicht bloot stellen.
C. Factor olie. Het verhitten van belegen lijnolie met zwavelhoudende chemicaliën, waarbij er tegelijkertijd lucht doorheen wordt geblazen. Na dit proces kan men de chemicaliën niet meer in de olie terug vinden. Ze droogt sneller dan gewone lijnolie en neemt minder zuurstof op. Ze droogt van onder op, verkleurt minder en is beter tegen vocht bestand.
D. Gekookte lijnolie - rauwe lijnolie met lood-mangaan- of kobaltverbinding. Z.g. droogmiddelen. De metaalverbindingen worden in het oliemolecuul opgenomen. Deze olie droogt snel met een glanzend elastische huid, is donkerder van kleur en dikker. Olie op lood gekookt is giftig en gevoelig voor zwavelwaterstof.
E. Standolie. Goed belegen rauwe lijnolie, verkregen door indikken. Ze neemt minder zuurstof op en ze is de beste soort.



Papaverolie: een plantaardige olie uit het maanzaad van de papaverplant verkregen.

Papaverolie bestaat voornamelijk uit linolzuur en oliezuurglyceride.

Samenstelling:
Linolzuur 58,5%
Oliezuur 28,6%
Verzadigde vetzuren 7,0%
Glycerine rest 5,9%
Het bevat geen linoleenzuurglyceride.
Deze olie droogt trager dan lijnolie, zeer langzaam zelfs. Dik opgebracht "schroeit" hij niet, neemt weinig zuurstof op en verkleurt niet. Droogt dof op.

 

Perrilla olie: een plantaardige olie, bereid uit de noten van de perrillaplant. Deze is donker geel van kleur en kan gemakkelijk gebleekt worden, maar vergeelt dan weer. Wordt gebruikt bij het maken van vernissen, zoals kopal en kolophonium.

Soja-olie: plantaardige olie, gemaakt uit soja bonen.
Soja olie is lichtgeel en heeft een aangename reuk en smaak. Wordt gebleekt met bleekaarde en droogt vlekkerig op. Deze olie wordt gebruikt in combinatie met lijnolie of harsen. Ze verkleurt niet en heeft een groot weerstandsvermogen tegen atmosferische invloeden.

VERDUNNINGSMIDDELEN EN OPLOSMIDDELEN.

Etherische oliën.

Terpentijn olie: plantaardige olie uit dennensoorten verkregen.
Terpentijnolie behoort tot de aromatische koolwaterstofverbindingen. Ze bestaat bijna geheel uit "pineen", een sterk onverzadigde koolwaterstof. Terpentijnolie is een licht beweeglijke waterheldere vloeistof, die gemakkelijk verdampt, een z.g. etherische olie. Ze heeft een aangename dennenachtige geur. Aan de lucht blootgesteld neemt ze gretig zuurstof op en verdampt snel. Door deze zuurstof opname vormen zich oxidatie producten en verharst dan.
Vers gedistilleerde terpentijn vervliegt in zijn geheel, als men ze laat verdampen. Bij oudere terpentijn blijft een kleverige massa achter. De verharsing wordt bevorderd door zuurstofopname. Ook in afgesloten toestand gaat terpentijnolie op den duur verharsen.
Terpentijnolie bevordert het drogen van verven en heeft een "blekende" werking. Ze heeft ook een oplossend vermogen. De dampen van terpentijnolie hebben een antiseptische werking. Verharste terpentijn kan ekzeem of hoofdpijn veroorzaken en is zwak giftig.
Terpentijnolie wordt gebruikt als verdunningsmiddel, oplosmiddel, o.a. voor harsen, maar heeft géén bindkracht. Gerectificeerde terpentijn is vrij van harsresten. Franse terpentijnolie is de beste.

Rozemarijn olie: deze olie is uit de bladeren van de aan de Middellandse Zee voorkomende Rosemarinus officinalis. De olie is zwak groen tot kleurloos en ruikt sterk. Ze heeft een licht oplossende werking en wordt soms aan mediums toegevoegd.

Lavendel olie: is afkomstig uit de lavendula fragan en de lavendula delphinesis. Deze olie wordt gebruikt als reukstof.

Spijk olie: is een lavendelolie uit de lavendula spica. Deze olie bevat kamfer en wordt daarom als conserveringsmiddel in lijm- en tempera-emulsies gebruikt.


OPLOSMIDDELEN.

 

A.   UIT MINERALE OLIËN.

Terpentine (white spirit)

Terpentine is helder en kleurloos. Het is een aardolie destillaat, dat geen zwavelbestanddelen bevat. Overvloedig gebruik kan de verf sterk uit elkaar doen vallen, vooral de slechte soorten.

Petroleum: een aardolieproduct maar minder vluchtig dan terpentine. Het is meer een weekmaker dan een oplosmiddel en het meest geschikt als reinigingsmiddel voor schildermateriaal. Het is niet goed om petroleum in de verf te verwerken, omdat het er niet snel genoeg uit verdwijnt.

Lichte benzine: is niet geschikt voor schilderwerk. Het wordt in enkele gevallen toegepast bij restauraties.

B.   UIT STEENKOOLTEER.

Benzeen, tolueen, xyleen: ze verdampen sneller dan terpentijn en terpentine, maar lossen sterker op, ook aangedroogde olieverf- en vernisfilms. Ze worden gebruikt bij restauraties. De dampen zijn echter giftig en brand gevaarlijk.

ALCOHOLSOORTEN

 

Methylalcohol is brandgevaarlijk en giftig en wordt uitsluitend door de restaurateur gebruikt bij het verwijderen van vernis. Het is zeer vluchtig.
Ethylalcohol is als oplosmiddel belangrijker, het is de normale spiritus. Bij de restaurateur wordt het met terpentijn aangelengd voor het afnemen van vernis. De blauwe kleur, die spiritus meestal heeft, is kunstmatig. Deze is te verwijderen door de spiritus enkele malen door houtskoolpoeder te zeven.
Glycerine is een driewaardige alcohol, die zoet smaakt en sterk water aantrekt. Het wordt verwerkt in aquarel- en lijm temperaverf. Als oplosmiddel wordt het niet gebruikt. Het is ook niet vluchtig.

 

ETERS, ESTERS EN KETONEN.

 

Ethyleter, ethylacetaat, aceton. Het zijn allen verbindingen van organische zuren en alcohol. Ze worden als oplosmiddel gebruikt in nitro-celluloselakken en kunstharslakken. Ze verdampen zeer snel. Door restaurateurs worden ze gebruikt bij oude, hardnekkige vernislagen.

DROOGMIDDELEN EN SICCATIEVEN.

 

Droogmiddelen zijn stoffen, die de eigenschap hebben olieverven, lakken en vernissen spoediger te doen drogen.
Grondstoffen voor deze siccatieven zijn oxyden of zouten van lood, mangaan of kobalt. Ze worden gewoonlijk in de vorm van lijnoliezuren en harszure zouten als grondstof gebruikt.
De voornaamste verbindingen zijn:

Loodoxyden: loodglit en menie.
Loodzouten: loodacetaat, loodboraat, loodmanganaat.
Mangaanzouten: mangaan acetaat, -boraat, -karbonaat en nitraat.
Kobaltoxyden: kobaltoxyde, -oxydule, -oxydehydraat.
Kobaltzouten: kobaltacetaat, -boraat, -sulfaat, -chloride, -nitraat.
Deze metaaloxyden of zouten worden opgelost in olie, de olie wordt verwarmd en de oxyden of zouten voorzichtig ingeroerd.

DE HARSEN.

 

Algemeen: de harsen zijn te verdelen in hoofd- en ondergroepen.

1. Natuurharsen:

a. recente harsen: uit levende bomen en direct verwerkt,.

b. fossiele harsen: harsen die duizenden jaren geleden uit bomen zijn gevloeid en als fossiel gevonden worden,

c. recente fossiele harsen: een tussenvorm van natuurhars, die lange tijd aan inwerking van lucht zijn blootgesteld alvorens verzameld te worden.

2. Veredelde natuurharsen:

Dit zijn natuurharsen (recent of fossiel), die door eenvoudige bewerking en toevoeging van geringe hoeveelheden andere stoffen beter bruikbaar gemaakt zijn.

N.B. Bij de natuurharsen maakt men nog onderscheid tussen week- en hardharsen naar hardheid en oplosbaarheid. Weekharsen lossen op in terpentijnolie.

Hardharsen, zoals de kopalen zijn zelfs in hete olie moeilijk oplosbaar.
Natuurlijke harsen:

colophonium, recent, oplosbaar in alkohol en terpentijnolie;
damar, recent, oplosbaar in terpentijnolie;
mastix, recent, oplosbaar in terpentijnolie;
manilla copal, semi fossiel, oplosbaar in alkohol;
kongo kopal, fossiel, oplosbaar in kokende olie;
barnsteen, fossiel, oplosbaar in kokende olie;
schellak, recent, oplosbaar in alkohol.

 

Colophonium.

De grondstof voor colophonium zijn balsums van enkele pinussoorten. Het is tevens de harsachtige substantie, die bij de distillatie van terpentijn overblijft. De kleur is helder tot donker. De heldere zijn de beste soorten. Het zijn onregelmatige brokken en tamelijk bros. Colophonium wordt zacht bij verwarming en smelt bij 80ºC. Het is oplosbaar in de meeste oplosmiddelen en heeft de neiging te vertroebelen. De verschillende soorten:
kalkhars,
harsester,
maleïne hars.
Het wordt gebruikt als grondstof voor de fabricage van kunsthars en als bijvulling voor fixatief.
Gesmolten met was als kit voor glasscherven (glasramen) in de verhouding 7 delen was : 1 deel hars. Ook in de fabricage wordt het gebruikt bij het lijmen van papier. Als schildervernis is het onbruikbaar. Hoog zuurgehalte.

Dammar-hars

Dammar is een product uit verschillende bomen van de familie der dipterocarpatiën, vooral de hopea- en shoreasoorten. Goede dammarkorrels zijn doorzichtig, iets geel of kleurloos en aan de oppervlakte iets melig bestoven in onregelmatige stukken ter grootte van een hazelnoot. Gruis is minderwaardig. De beste kwaliteit komt voor in "tranen". Dammar is tamelijk bros en wordt kleverig in de hand en is bij 100ºC dik vloeibaar en bij 150ºC dun vloeibaar. De breuk is glasachtig en schelpvormig. Laag zuurgehalte. Er zijn 2 soorten, n.l. de getapte dammar en de op natuurlijke wijze uit de boom gevloeide. De eerst genoemde zijn de beste. Dammar lost goed op in drogende oliën, chloroform en zwavelkoolstof, gedeeltijk in alkohol, tolueen, aceton en ether. In petroleum distillaten, zoals terpentine, lost het niet op. Het ideale oplosmiddel is franse terpentijnolie. Het is bruikbaar in alle schildertechnieken. Het wordt toegepast in de fabricage van vernissen en lakken, bij het samenstellen van emulsies voor temperaverven, als tussenvernis en in schildermedium, in slotvernis en waszalf vernissen. Op vochtige plaatsen kan het verblauwen.

Mastix hars

De grondstof voor deze hars is een heestersoort uit Griekenland, voornamelijk het eiland Chios. "Werd gebruikt als natuurlijke kauwgum en om wijn te kruiden". Mastix- of mastiekhars is heldergeel en komt voor in traanvorm. Opgelost in Gerectificeerde terpentijn droogt het elastisch op, in alkohol opgelost harder. Mastix is harder dan dammar, de breuk is helder geel. De beste soorten zijn van Chios of de griekse Levant. Mastiek opgelost in terpentijn wordt als vernis gebruikt en in emulsie. Opgelost in alkohol wordt het gebruikt om zuigende gronden te isoleren.

Kopalen

Onder deze verzamelnaam wordt een aantal harsen bedoeld. Ze zijn niet oplosbaar in terpentijnolie. Manillakopal is oplosbaar in alkohol, bekend onder de naam spirituslak. De meeste kopalen lossen op in hete oliën en worden vaak voorgeweekt in vluchtige oplosmiddelen. Kongokopal e.d. wordt voorgesmolten, waardoor het sterk bruint. Al deze kopalen zijn donkerbruin en drogen slecht. Lazuren samengesteld met kopalspiritusvernis zijn onoplosbaar.

Soorten:

Manilla kopal,
Oost-afrikaanse kopal,
West-afrikaanse kopal,
Kongo kopal,
Indonesische kopal
Australische kopal.
De hardste kopalen zijn:

barnsteen ± 10 miljoen jaar.
Zanzibar kopal: recent fossiel uit levende bomen die ±3000 jaar oud zijn.
Kaurikopal: recent fossiel.

 

Schellak

De grondstof voor deze lak is stoklak. Stoklak is het verharde melksap van boomsoorten uit India. Dit melksap onstaat door de steek van een vrouwelijke schildluis (coccus lacca). Dit verharde op hars gelijkend melksap wordt van de takken verwijderd en door behandeling met soda en water wordt een rode kleurstof verkregen. Deze kleurstof wordt gereinigd en met 3% kolophonium gesmolten en in schilfers in de handel gebracht. Schellak behoort tot de vetharsen en bevat een harsachtige stof, die niet oplost. Schellak wordt in 90-96% alkohol of spiritus opgelost en wordt gebruikt als fixatief voor houtskool, pastel, krijt, e.d. Gebleekte schellak verkrijgt men door een behandeling met chloorkalk of andere bleekmiddelen. Hierdoor vermindert de kwaliteit en moet meer colophonium worden toegevoegd.

Bereiding van dammar- of mastixvernis.

Recept 1:

1 deel hars
3 delen gerectificeerde terpentijn.
Gestoten hars wordt in een fijn gaasje (nylonkous) gebonden en opgehangen in de terpentijn. 3-4 Dagen op een warme plaats zetten.
N.B. Mastix of dammar nooit warm opbrengen of in de zon verwerken. Het verliest zijn kwaliteit en blijft lang kleven.
Bereiding van watervernis voor het fixeren van waterverven.
Recept 2:

2 liter gedistilleerd water
250 gram oranje schellak
80 gram borax
Al roerende in een emaille pan verhitten tot homogene vloeistof.
Na afkoeling te gebruiken.
Watervernis is na ½ uur droog en na enkele dagen watervast.
Kan met elke andere vernis worden overgevernist.

Balsems.

Balsems behoeren tot de harsen, maar hebben een hoger percentage etherische oliën.

 

Venetiaanse terpentijn: de zuiverste soort is honinggeel. ze wordt gewonnen uit de larix. Wordt aangewend bij oliën en vernissen om vergelen tegen te gaan.
Venetiaanse terpentijn is zeer bruikbaar in kaseïne- en ei-emulsies. Ze is dik vloeibaar. Na au-bain-marie voorgewarmd te zijn, is het te verdunnen met
gerectificeerde terpentijnolie.
Vooral in kaseïne wordt het toegepast; men verkrijgt dan een prachtige witte niet vergelende emulsie. Met ei wordt de emulsie als mayonaise.

Kopaïva balsem: kopaïva balsem is oplosbaar in benzine, ether, alkohol en petroleumether. Wordt gebruikt bij de bereiding van vernissen, zoals vioollak.
Eveneens wordt het gebruikt op schilderijen die "dood" zijn, d.w.z. dat verfdeeltjes en bindmiddelen geen samenhang meer hebben. Het doek wordt dan aan de
achterkant met kopaïva balsem ingestreken.

Gommen.

Gommen zijn harsachtigen in water oplosbare planten, excreten van bomen en struiken.
In water vormen zij colloïdale oplossingen, die als lijm en medium gebruikt worden. Ze zijn olie vrij en blijven in water oplosbaar. Gommen zijn zeer geschikt als medium in aquarel- en lijmtemperaverf, maar kunnen ook in olieachtige mediumsverwerkt worden(gom-olie-tempera). Gomverven drogen snel.

Arabische gom: is lichtgeel tot geelbruin. De breuk van de brokken gom is craquelé-achtig. Het is een excreet van een afrikaanse acacia soort. De gom wordt in water voorgeweld en bij een niet te hoge temperatuur opgelost; daarna gefilterd om verontreinigingen er uit te halen.
Het dient als beschermend colloïd in aquarelverf en is bindmiddel in lijmtempera. Gebruikt men arabische gom bij het maken van verf, dan moeten wateraantrekkende stoffen toegevoegd worden, zoals glycerine en glycol. Dit is nodig om de brosopdrogende verf soepel te maken. Conservering met spijkolie of carbolzuur (phenol) is gebruikelijk.

Kersengom: is het excreet van steenvruchtbomen (kersen en pruimen) en heeft dezelfde eigwenschappen als arabische gom. De viscisiteit is zeer hoog. Men moet daarom laaggeconcentreerde oplossingen maken.

Tragantgom: is afkomstig van peulvruchtenuit Iran en India. Het wordt eerstin alkohol geweld en dan in water opgelost. Tragantis hoog viskeus oplosbaar en ziet er troebel uit. Het wordt gecombineerd met arabische gom (30% met 4% tragant). Bij aquarel en pastelstiften wordt het gebruikt.

Lijmen.

Dextrine: behoort tot de koolhydraten vervaardigd uit zetmeel van aardappel, tarwe, maïs, rijst, enz., waarop zuren en warmte ingewerkt hebben.Het zetmeel wordt hierbij afgebroken en bij 70ºC gaat het over in witte dextrine, bij 80º-16ºC in de sterker afgebroken gele dextrine; hoe hogerde hitte, hoe dunner op te lossen in water. Dik oplosbare witte dextrine wordt warm opgelost (1:1) in water en is pastavormig. Door verbranding is er een bindmiddel voor lijm-tempera van te maken. Men kan er ook een tempera van dextrine-olie-emulsie van maken. Voor een goede kleefkracht worden wateraantrekkende middelen toegevoegd (glycerine).

Dierlijke lijmen: hoofdbestanddeel van dierlijke lijm is de gelatine. Dit is een eiwitachtige stof in de handel onder de naam keulse- of parellijm. Gelatine is poedervorm of in dunne velletjes is een verfijnde soort. Gelatine wordt gebruikt in schildersgrond en als bindmiddel voor verven. De pigmenten worden dan met water aangemaakt en het lijmwater wordt dan toegevoegd.

De kaseïne: kaseïne of kaasstof is een melkbestanddeel. Het bevat dierlijk eiwit, 4-6% en is niet in water oplosbaar. Kaseïne of afgeroomde melk (kwark) wordt met water verdund. Door toevoeging van zoutzuur slaat de kaseïne neer. De neerslag wordt opgelost met kali- of natronloog, kalk of ammonia.

Schema:

verdunde afgeroomde melk                              zoutzuur

                                   kaseïnepoeder

oplossen met kalk,                                           oplossen met loog of ammonia

kalkkaseïne (waterbestand)                             handelskaseïne (minder watervast).

Het gebruik van ammonia is beter dan loog, omdat ammonia vervliegt.

Kaseïne is vloeibaar of gedroogd in de handel.

Vloeibare kaseïne wordt alleen met water verdund.

Poeder kaseïne wordt voor geweekt in water en opgelost met kalkwater of ammonia liquida tot homogene glazige brei. Er is ook poeder kaseïne in de handel, die in water geweekt, gebruikt kan worden.

DE EMULSIES.

Wat is een emulsie?

Doet men lijnolie in een glas water, dan blijft de olie op het water drijven. Door schudden kan men beiden weliswaar mengen, maar na enige minuten komt de olie weer boven. Brengt men voor het schudden een weinig natronloog in de vloeistof, dan ontmengen de beide vloeistoffen zich niet meer, maar vormen een emulsie van oliedeeltjes in water.

. Zo is melk een emulsie van kleine vetbolletjes, die eiwit, melksuiker en zouten bevat. Mayonaise b.v. is een emulsie van sla-olie en azijn gemengd met eidooier. Emulsie is dus geen chemische verbinding maar een fysische en is weer te ontmengen.

De emulgator – natronloog – heeft dus de emulsie toe stand gebracht. Deze emulsie heeft een zeepkarakter. Echte zepen zijn emulgators. Natronloog tast echter de pigmenten aan en droogt nooit. Voor ons doel moeten wij uitzien naar een ander middel. Het kippen ei is de beste emulgator, die nog de olie nog de pigmenten aantast, het droogt goed.

Andere meer of minder geschikte emulgators zijn: arabische gom, tragant, kaseïne, dierlijk lijm, verzeepte bijenwas, ossgal, caparol, e.d. Verzeepte bijenwas en ossegal zijn belangrijk, omdat zij een gebroken emulsie weer kunnen herstellen. Eiwit is emulsie stabilisator.

Eidooier is een volledige emulsie: eierolie +water±30% olie.

Er zijn 2 soorten emulsies n.l.

  1. water in olie-emulsie en
  2. olie in water-emulsie.

Bij A: olie is de buitenste fase, moet met terpentijn verschilderd worden;

Bij B: water is de buitenste fase, dus met water verschilderen.

 

RECEPTEN VOOR EMULSIES

Ei-emulsie:

Recept: heel ei of alleen de dooier
1deel water
het water mag caparol bevatten in de verhouding 1 dl caparol: 6 dl water.
Deze emulsie is altijd lazerend en geelt nooit.
Recept: 1 dl eierdooier
1 dl vernis
de vernis is dammar in de verhouding 1 dl dammar: 2dl gerectificeerde terpentijn.
Het pigment wordt met emulsie aangemaakt en dan met water verdund.
Recept: 1 ei kloppen met 2/3 deel lijnolie
1-2 dl. water met enige druppels azijn.
Recept: 1 eierdooier met enkele druppels lijnolie
1 dl water.

Lijm-emulsie:

Recept: 1 deel keulse- of parellijm
15-20 dl water
1/3 deel aluin, of gekookte lijnolie
een weinig salicylzuur en azijnzuur.
De lijm in water doen en au-bain-marie verwarmen.
De aluin of olie is om watervastheid te verkrijgen.

Salicylzuur is tegen het bederf en azijnzuur om geleivorming te voorkomen.
N.B. Verse lijmverf moet in een straaltje van de roerspaan lopen, zo niet, lijm toevoegen.
Het verwerken van lijmverven geschiedt met langharige penselen nat-in nat.
Aan bovengenoemd lijmwater kan , alvorens men het als bindmiddel gebruikt, nog pijpaarde, blanc-fixe, krijt
of zwaarspaat toegevoegd worden, totdat het verzadigd is. De pigmenten worden dan met water en het
lijmkrijtwater pasteus gewreven. De schildering zal dan pastelachtig van tint worden. Meer dan drie lagen is
echter niet aan te bevelen.

Kaseïne-emulsie:

Recept: 40 gr. kaseïne poeder
125 cc koud water
16 gr. borax
125 cc heet water.
De kaseïne wordt in koud water geweekt. De borax wordt in het heet water opgelost. De borax wordt bij de
kaseïne gedaan en goed omgeroerd. De massa moet gelig en troebel glazig zijn. Het geheel nog verwarmen
au-bain-marie tot 60ºC en laten afkoelen.
Borax kaseïne geleert niet.

Recept: 25 gr. kaseïne poeder (in water oplosbaar) in
125 cc. water, au-bain-marie verwarmen.
Gelijk deel olie toevoegen.

Recept: 1½ deel kwark (mager)
1 dl. put-kalk
1% venetiaanse terpentijn.
De kwark wordt op en glasplaat met de kalk vermengd.
De verwarmde terpentijn wordt druppelsgewijs toegevoegd, zodat een troebele witgele massa ontstaat. Deze
vloeistof wordt 2 - 3 uur in een warmwaterbad van ±30-35ºC gezet. Al roerende worden 2-3 delen water
toegevoegd.
Deze vloeibare kaseïne - voor fresco's - is het bindmiddel en heeftde eerste 4 dagen de hoogste kleefkracht.

Bijenwas:

 De jonge werkbijen zweten de was uit voor het bouwen van de honingraat. De pas gebouwde raten leveren de
lichte - z.g. maagdenwas. De oudere raten bestaan uit donkere wassoorten. De kleur is afhankelijk van de plantensoorten, die door de bijen bezocht worden. De kleur is afhankelijk van de plantensoorten, die door de bijen bezocht worden.
Bijenwas bestaat uit esters van waszuren, cerontinezuren en melissinezuur, die men cerine noemt, uit smeltendekoolwaterstoffen
en enige kleur- en reukstoffen. Ruwe was wordt met damp gesmolten en de verontreinigingen er uit verwijderd en in de zon gebleekt.
Gebleekte was is zuiver wit, reuk- en smaakloos en iets harder danruwe was. Was smelt bij 60 - 65ºC en lost bij warmte op in terpentijn
en vettige oliën. Het is bestand tegen zuren, is lichtecht en behoort tot de duurzaamste organische stoffen die we kennen. Was laat
zich verzepen met ammonium carbonaat of caliumcarbonaat (potas). Deze verzeepte bijenwas is oplosbaar in water wordt gebruikt in
bindmiddelen.

Verzeepte bijenwas-emulsie:

Recept: 25 gr. bijenwas, au-bain-marie smelten
125 cc warm water, waarin opgelost
10 gr. potas (kalium carbonaat).
het water met de opgeloste potas langzaam bij de gesmolten bijenwas gieten. De bijenwas is verzeept.
1 eierdooier
1dl verzeepte bijenwas
½dl dammar of mastix vernis of

1 heel ei kloppen
2 delen verzeepte bienwas
1 deel dammar of mastix.
Recept: 25 gr. bijenwas
25 gr. terpentijnolie of Venetiaanse terpentijn
au-bain-marie smelten,
10 gr potas in 250cc water oplossen (eveneens in water) en bij de gesmolten bijenwas gieten.
Onder voortdurend roeren 250gr. dammar, mastix of Venetiaanse terpentijn toevoegen en roeren tot het afgekoeld is. Het geheel wordt dan met 1½-2 delen van haar gewicht met water verdund.
N.B. Potas is sterk water aantrekkend. Voor buitenwerk kan men beter met ammoniumcarbonaat
verzepen.
Opmerking: om schiften van de emulsie te voorkomen, moet men steeeds dezelfde volgorde aanhouden.
1. ei- of ander emulgator
2. olie of vernis
3.water, lijmwater of kunsthars.
Indien men eieren gebruikt, moet het vel van de dooier en de hagelsnoeren steeds verwijderd worden. Om bederf tegen te gaan,
gebruikt men een mespuntje benzoëzure natron, dettol, salicyl of borax. Het eiwit kan gebruikt worden als tussen of retoucheervernis voor
temperaverven.Hiervoor klopt men het eiwit op en laat het vervolgens een uur staan. Het eiwater, dat uit het schuim te voorschijn komt, verdunt men
met een gelijke hoeveelheid regenwater.
Ossegal is een hersteller van een geschifte emulsie.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hosted by www.Geocities.ws

1