

Als we
met andere mensen in contact treden, communiceren we altijd. Dit kan met onze
stem door middel van het gebruik van woorden: gesproken taal, maar ook
zonder, of naast het gebruik van woorden: niet gesproken taal of non-verbale
communicatie. Hiertoe behoren houding en beweging, plaats in de ruimte,
gebruik van tijd en intonatie bij de spraak. Non-verbale communcatie is beter
bekend als lichaamstaal. Non-verbale communicatie is echter
meer dan alleen lichaamstaal.
Non-verbale
communicatie en lichaamscommunicatie zijn niet hetzelfde. Lichaamscommunicatie
is wel een belangrijk onderdeel van de non-verbale communicatievorm. Er zijn
voorbeelden van non-verbale communicatie die geen voorbeelden van
lichaamscommunicatie zijn, zoals een vlag op een
schip, het verpleegstersuniform, het kruisspeldje van een gediplomeerd
verpleegkundige.
(F.R. Oomkes )
Lichaamstaal
gebruiken we altijd! Iemand aankijken betekent bijvoorbeeld iets heel anders dan
iemand niet aankijken. Zelfs door onze aanwezigheid op zich
geven we al een boodschap. In het contact met anderen is het dus niet mogelijk
om niet te communiceren. Verschillende onderzoekers schatten dat minstens 70%
van de communicatie tussen mensen door middel van stemklank en lichaamstaal
plaatsvindt. Het meest bekend is de theorie van de Amerikaanse psycholoog
Mehrabian. Hij stelt dat wanneer het om uiting van gevoelens gaat:
·
55% van de
communicatie bestaat uit lichaamstaal,
·
38% wordt geuit door
de stemklank en slechts
·
7% wordt
gecommuniceerd door middel van woorden.
Als dit
zo is uiten we ons gevoel dus voor 93% non-verbaal!
Allereerst
is het goed te beseffen dat we niet voortdurend praten maar wel de hele tijd
signalen geven door middel van lichaamstaal, als we samen zijn met iemand
anders. Verder is het zinvol om te kijken naar de verschillende niveau's waarop
we communiceren. We communiceren meestal tegelijkertijd op inhouds- als op
betrekkingsniveau. Met woorden geven we vooral de inhoud weer en met
lichaamstaal vooral de betrekking.
Als we
met anderen praten, hebben we het natuurlijk ergens over. We willen de ander
iets duidelijk maken over een bepaald onderwerp. Dit is de inhoud van
het gesprek. Op inhoudsniveau zeggen we, of beelden we uit waar de
boodschap over gaat. De inhoud van een boodschap is meestal het makkelijkst
over te brengen door middel van gesproken taal of afgesproken gebaren. Omdat de betekenis van de woorden,
cijfers of tekens die we gebruiken eenduidig is afgesproken, hoeft de
uitingsvorm daarvan geen gelijkenis te hebben met hetgeen ermee wordt
aangeduid. Het woord klok heeft bijvoorbeeld niets met tijd te maken. Om de ander te begrijpen, moet je wel zijn
taal spreken. Als de woorden of signalen waarmee we communiceren geen
overeenkomst hebben met hetgeen ermee wordt aangeduid, noemen we dat digitale
taal.
Toch is
de inhoud niet het enige dat we overbrengen in de communicatie. Tegelijkertijd met
onze woorden geven we signalen die aangeven hoe we de ander zien en hoe hij
onze boodschap moet interpreteren. Op betrekkingsniveau geven we te
kennen hoe we in relatie staan met de ontvanger van de boodschap en hoe de
boodschap bedoeld is. Voor het uitdrukken van gevoelens en betrekkingen is de
bovengenoemde digitale taal nogal ontoereikend. Het gaat ons niet zo
makkelijk af om alleen met woorden duidelijk te maken wat we precies bedoelen.
Wat we van de ander vinden is al helemaal niet zo eenvoudig duidelijk te maken.
Woorden kunnen bijvoorbeeld veel harder aankomen dan ze bedoeld zijn. Om onze
gevoelens en bedoelingen duidelijk te maken gebruiken we daarom liever een
beeldende taal. Hierbij is hetgeen dat wordt uitgedrukt herkenbaar in het
gebaar of teken zelf, zonder dat je dit speciaal moet leren of er iets over
hoeft af te spreken. Het wijzen op je horloge bijvoorbeeld, heeft wél iets met
tijd te maken. Behalve dat we op een horloge kunnen zien hoe laat het is,
kunnen we er een teken mee geven dat door iedereen kan worden begrepen, zonder
daar iets over te hoeven afspreken. We noemen dit analoge taal.
Door
communiceren op betrekkingsniveau, kunnen we de betekenis van een
boodschap of zelfs van onze relatie met de ander verduidelijken. Dit kan zowel
met, als zonder woorden plaatsvinden. In beide gevallen wordt dit metacommunicatie
genoemd. Metacommunicatie betekent communicatie over de communicatie zelf.
Spreken over relatie, onderlinge verhoudingen en gevoelens gaat ons echter vaak
moeizaam af. Hoe vinden we de juiste woorden om te verwoorden wat we voelen,
zonder de ander te kwetsen? Om deze reden stellen we het vaak uit om de ander
te bekritiseren en geven we misschien ook te weinig complimentjes.
Metacommuniceren door middel van lichaamstaal doen we echter de hele dag door
en is ook veelal effectiever: een boze blik, een wegwuivende hand, een glimlach
of een vriendelijk kneepje zijn vaak meerzeggend dan een moeizaam voorbereid
evaluatiegesprek.
Lichaamstaal
is een veel eenvoudigere manier om gevoelens uit te drukken, dan door middel
van gesproken taal. Je zegt bijvoorbeeld tegen iemand niet zo makkelijk dat je
hem of haar niet mag, maar door middel van lichaamstaal kun je dat goed laten
merken. De (digitale) gesproken taal is dus beperkt, zodat we daarom
in onze communicatie de (meer analoge) lichaamstaal zo hard nodig
hebben. Bijna alle verbale communicatie is digitale communicatie en
praktisch alle lichaamstaal is analoge communicatie. Meestal gaan
gesproken taal en lichaamstaal samen. Op het moment dat iemand iets zegt, wordt
tegelijkertijd informatie meegegeven door middel van lichaamstaal. Deze
non-verbale extra informatie kan de inhoudelijke boodschap ondersteunen of
juist tegenspreken. Van dit laatste een voorbeeld: Een patiënt in de wachtkamer
van de tandarts zit heen en weer te schuiven op zijn stoel, maar zegt zich niet
gespannen te voelen. Wat geloof je nu? Als iemand op deze manier zijn woorden
tegenspreekt door middel van zijn lichaamstaal, wordt zijn non-verbale
boodschap haast altijd als de meest ware opgevat. Het is namelijk heel moeilijk
door middel van lichaamstaal te liegen. De meeste mensen zijn zich niet erg
bewust van hun lichaamstaal. Als iemand liegt, kunnen we door
zijn gedrag het gevoel krijgen dat er iets niet klopt. We zijn dan het
meest geneigd om op dit gevoel af te gaan en hem niet te geloven. Lichaamstaal
heeft dus een grote betrouwbaarheidswaarde.
Dat zo
veel betrouwbaarheidswaarde aan lichaamstaal wordt toegekend, komt misschien
doordat veel non-verbaal gedrag erfelijk is of al zeer jong door iedereen op
dezelfde manier geleerd wordt. Het zit er als het ware ingebakken. Dit betekent
dat de
hersenen van alle mensen zodanig geprogrammeerd zijn dat de hoeken van de mond
naar boven worden getrokken bij vreugde, dat de wenkbrauwen worden opgetrokken
en dat een mondhoek omhoog gaat al naar gelang het gevoel waarmee het brein wordt
gevoed.
( Julius Fast)
We kunnen
gevoelens van haat, angst, genoegen, verdriet en andere primaire menselijke
gevoelens kenbaar maken aan andere mensen, zonder dat te hoeven leren.
Waarschijnlijk wordt ook het begrijpen van de door middel van lichaamstaal
geuite emoties erfelijk doorgegeven. Dit betekent niet dat we niet vele gebaren
moeten leren kennen die in de ene maatschappij iets anders betekenen dan in de
andere. Veel lichaamstekens zijn niet overal hetzelfde. In de meeste Europese
landen en Amerika bijvoorbeeld, schudden mensen het hoofd als ze nee bedoelen en
knikken als ze ja bedoelen, maar
er zijn culturen, bijvoorbeeld in India of in Griekenland, waar het omgekeerde
geldt: op en neer betekent nee en heen en weer betekent ja.
Dit laatste zou het bewijs kunnen zijn dat deze lichaamstaal eerder is aangeleerd
dan aangeboren. Hoe dan ook, de indrukken die iemand geeft op basis van zijn
lichaamstaal worden eerder geloofd dan hetgeen hij zegt over zijn gevoelens.
Mensen besteden vaak ook meer aandacht aan de non-verbale metacommunicatie
dan aan de woorden van anderen.
Het zou
kunnen zijn dat we al zó vaak hebben gemerkt dat lichaamstaal meer houvast
geeft dan woorden, dat we automatisch aan de woorden gaan
twijfelen als deze niet kloppen met de non-verbale
signalen
Hoe je
bij iemand over komt, wordt niet alleen bepaald door de woorden die je
uitspreekt. Om een goede indruk achter te laten, bijvoorbeeld bij een
sollicitatiegesprek is communicatiebeheersing belangrijk. Hierbij is
ook aandacht voor je eigen lichaamstaal van belang. Lichaamstaal laat bij de
ontvanger vaak slechts een onduidelijk gevoel achter. Bijvoorbeeld: "Ik
heb het gevoel dat hij mij wel mag" of "ik twijfel aan zijn oprechtheid".
Dit gevoel is niet eenvoudig in woorden uit te drukken en de veronderstelde
betekenis is niet makkelijk te bewijzen. Volgens Oomkes komt dat omdat digitale
en analoge taal respectievelijk worden verwerkt in de linker en
rechter hersenhelft. De rechter hersenhelft behartigt onder andere de meer
gevoelsmatige processen, die gepaard gaan met herkennen van totaalbeelden (de analoge
taal). Het zogenaamde intuïtieve herkennen van een ander gebaar, of
gedragspatroon, het zogenaamde onbewust begrijpen van de handelingen van een
ander, heeft volgens Oomkes dus niets te maken met iets onduidelijks als
intuïtie. Aangezien de woordentaal van de linker hersenhelft minder geschikt is
voor het verwoorden van de beelden uit de rechter hersenhelft valt het ons zeer
moeilijk om indrukken van lichaamsgedrag van anderen onder woorden te brengen.
Toch kunnen we leren dit non-verbale gedrag te herkennen en te vertalen.
Tekst: Frank van Marwijk.
Terug
naar Startpagina