Binnen de klassieke literatuur zien we dat het ontstaan van jeugddelinquentie opgedeeld kan worden in twee grote tendensen. Ten eerste merken we dat jeugddelinquentie opgevat wordt als een soort van ziekte. Hierbij ligt de nadruk op intra-individuele oorzaken. Ten tweede zien we dat jeugddelinquentie opgevat wordt als sociale onaangepastheid. Hierbij liggen de oorzaken van delinquentie in de onmiddellijke omgeving.
De eerste opvatting is niet houdbaar in de praktijk. Hierdoor wordt elke vorm van delinquentie herleidt tot een psychische aandoening die oplosbaar wordt door de toepassing van psychotherapie en aanverwanten.
Bij de tweede opvatting wordt er gesproken in termen van onaangepastheid. Maar waar ligt de oorzaak van deze onaangepastheid?
Mijn vaststellingen met betrekking tot het cli�nteel van de jeugdrechtbank wordt gestaafd door het onderzoek van diverse wetenschappers, zoals Gold, Glaser, Grunhut, Hirsch, Sterne, Ferguson, e.a.. Ook zij kwamen reeds in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw tot de bevinding dat de meeste jongeren die omschreven worden als �jeugddelinquenten� afkomstig zijn uit de lagere klassen, dat zij slecht presteren op school, dat zij uit gebroken gezinnen komen, dat zij wonen in de achterbuurten van de stad, dat zij uit raciale minderheidsgroepen komen en dat er een verband is met werkloosheid.
Het probleem dat voortvloeit uit diverse wetenschappenlijke onderzoeken waarbij de oorzaken voor delinquentie gevonden worden binnen het milieu, lees sociaal lagere milieu, is dat er niet gekeken werd naar het waarom van deze bevindingen. Waarom tonen deze resultaten aan dat de meeste als delinquent omschreven jongeren afkomstig zijn uit sociaal lagere milieus? Kan het niet zijn dat er sprake is van officieel geregistreerde delinquente feiten en delinquente feiten die niet geregistreerd worden? Hiermee bedoel ik dat er niet gekeken wordt naar de maatschappelijke mechanismen die leven in onze huidige samenleving.
Bij Walgrave komen we te weten dat �onderzoek naar niet geregistreerde delinkwentie zal aantonen dat ook bij de zeer kansrijken de delinkwentie zeer sterk aanwezig is�.
Als we naar de meer hedendaagse opvattingen kijken die leven bij de jeugdrechtbank dan is het mijn persoonlijke mening dat er tegenwoordig uitgegaan wordt van een samenspel van deze twee klassieke opvattingen. Het is aan de hulpverlening om te constateren wat de oorzaak van het delinquente feit was en er vervolgens besluiten uit te trekken met betrekking tot een hulpverlening op maat gekoppeld aan een gepaste sanctie. Het sanctie aspect geldt dan als tegemoetkoming naar de maatschappij toe. Maar wat gebeurt er bij gevallen waar men spreekt in termen van predelinquentie? Als men het heeft over �preventieve jongerenbijstand� speelt het begrip predelinquentie nog steeds een rol. Dit schendt echter het legaliteitsbeginsel . In Weliswaar wordt Verhellen geciteerd en hij vermeldt hierover: �het is een concept dat de maatschappelijke orde binnen een burgerlijke moraal als uitgangspunt neemt, niet het welzijn van de jongere. Hulpverlening en recht moeten gescheiden blijven�.
Hoe ik over delinquentie denk wordt heel mooi geformuleerd door Lode Walgrave:
Er dient steeds gekeken te worden naar het sociale milieu waaruit een jeugddelinquent afkomstig is. Dit mag echter niet leiden tot een stigmatisering omwille van het sociaal lagere milieu. Een hulpverlener, afkomstig uit een sociaal kansrijk gezin (al dan niet met normale of meer-dan-normale kansen), mag niet vervallen in de valkuil waar hij zijn waarden en normen transponeert op zijn cli�nteel. Deze werkwijze is enkel gedoemd om te mislukken en te zorgen voor een verdere stigmatisering bij de cli�nt.
Hetgeen Walgrave reeds aangehaald heeft, is hier van toepassing:
Tegenover de twee klassieke stromingen werden een aantal alternatieve visies omtrent delinquentie geformuleerd. Deze visies trachtten delinquentie binnen een ruimere maatschappelijke context te plaatsen. De eerste visie gaat ervan uit dat delinquentie protest is, namelijk protest tegen de eigen situatie, tegen gehele of een gedeelte van de samenleving.
De tweede visie gaat ervan uit dat delinquentie een product is van het kapitalistisch bestel. Hierdoor verwordt delinquentie tot protest tegen de materieel-economische uitbuitingssituatie waarin de massa zich bevindt.
Een derde visie gaat ervan uit dat geen enkel gedrag intrinsiek delinquent kan zijn. Daar gedrag als afwijkend genoemd/ benoemd wordt of dat gedrag als delinquent wordt bestempeld. Dus �delinquentie is wat wij zo noemen�.
Vanuit deze drie visies kunnen heel wat bedenkingen geformuleerd worden naar de werkwijze en functie van een jeugdrechtbank binnen onze samenleving alsook het beleid van waaruit de principes, doelstellingen en werkwijzen voortvloeien.
Hetgeen mij opviel is dat reeds in de jaren �80 door Lode Walgrave werd aangekaart dat er nagedacht dient te worden over de systemen en processen die betrekking hebben op delinquentie. Hierbij toonde Walgrave reeds 22 jaar geleden aan dat
Het komt erop neer dat delinquentie historisch relatief is: ze wordt bepaald door de spelregels en door de overtredingen van haar tijd. Deze worden door en voor een bepaalde groep in een bepaalde tijd vastgelegd. Hierover stelt Vandenbroucke in Panopticon dat bij delinquentie cultuur vaak meer doorweegt dan natuur. �Iedereen zal wel eens de spelregels overtreden, iedereen kan delinquent worden�.
Uit darknumber-onderzoeken blijkt dat tussen de 70% en de 90% van de jongeren wel eens een normovertreding beging. Hieruit kan men concluderen dat de gerechtelijke geregistreerde jeugddelinquentie slechts een deel is van de werkelijk gepleegde jeugddelinquentie. Tevens kan men tot de conclusie komen dat �Een delict plegen is dus vaak een normaal onderdeel van de adolescentiefase en stopt doorgaans rond de 18 jaar, ook als er geen gerechtelijke reactie is geweest�.
De gerechtelijke reactie is anno 2002 nog steeds gesitueerd binnen een maatregelenrecht van de Wet van �65. De maatregelen die een jeugdrechter ten aanzien van minderjarige delinquenten kan treffen staan uitvoerig beschreven in de Wet op de Jeugdbescherming, d.d. 1965 en in de geco�rdineerde decreten, d.d. 1994.
Nog steeds kunnen minderjarigen in Belgi� geen strafbare daden stellen. Hierdoor kan de jeugdrechter hen niet veroordelen voor een misdrijf en mag de jeugdrechter enkel spreken in termen van een �als misdrijf omschreven feit�.
Dit houdt tevens in dat een jeugdrechter geen straffen mag opleggen aan minderjarige delinquenten. Er kunnen enkel maatregelen ter bescherming van de minderjarige genomen worden. Dit is te verklaren door het feit dat de gerechtelijke reactie op jeugddelinquentie vervat zit binnen een beschermend en behandelend model. Het doel binnen dit model is de jeugdige delinquent te beschermen, te behandelen, herop te voeden en te rehabiliteren.
Op 16 mei 2002 vond er een nachtelijke vergadering plaats waarbij de huidige paarsgroene regering een akkoord bereikte betreffende de modernisering van de Wet van 1965. Minister Verwilghen deelde na afloop van de vergadering mee dat de goede elementen aan de Wet van 1965 behouden blijven maar dat zij er nog wat extra�s aan toevoegen.
Wanneer de wet effectief zal aangepast zijn dan zijn er voornamelijk drie grote veranderingen inzake minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit plegen. Ten eerste zullen jongeren ouder dan zestien jaar gemakkelijker kunnen doorverwezen worden naar de correctionele rechtbank of het assisenhof. Hierbij blijft het verblijf in een gevangenis verboden en dienen deze jongeren opgevangen te worden in de gesloten instellingen � la Everberg en Mol.
De tweede aanpassing houdt in dat jongeren vanaf twaalf jaar die een als misdrijf omschreven feit plegen een alternatieve straf kunnen krijgen. De maatregelen worden vastgelegd in functie van de aard van de feiten en de toestand van de jongeren. Het nieuwe hieraan (daar alternatieve straffen reeds opgelegd werden door jeugdrechters maar met een minder duidelijke wetgeving als achtergrond) zijn het opleggen van geldboetes.
Ten derde kunnen jeugdrechters vanaf heden meerderjarigen aanpakken die een minderjarige misbruiken om misdaden en wanbedrijven te plegen.
Via een beknopte literatuurverwerking kwam ik tot de hierna volgende conclusies m.b.t. jeugddelinquentie en het profiel van de jeugdige delinquent.
De meeste jeugddelinquenten bij een jeugdrechtbank komen veelal uit een maatschappelijk kwetsbaar milieu, dat we kunnen aanduiden met de benaming sociaal lagere milieus. Dit houdt echter niet in dat enkel jongeren uit de sociaal lagere milieus meer delicten plegen. Uit onderzoeken blijkt duidelijk dat jongeren uit de sociaal hogere milieus en de middenklasse milieus evenzeer in staat zijn tot het plegen van delicten. Zij beschikken echter over een uitgebreid sociaal opvangnet dat de jongeren uit die milieus ook zal beschermen tegenover mogelijke gerechtelijke interventies. Denk hierbij onder meer aan de betaalde advocaten van jongeren uit sociaal hogere milieus en aan de pro Deo advocaten bij jongeren uit sociaal lagere milieus, en welke de gevolgen hiervan kunnen zijn m.b.t. de rechtshulpverlening.
Wat men onder jeugddelinquentie verstaat is onderhevig aan de tijd. Wat in onze samenleving getolereerd wordt, werd honderd jaar geleden als verwerpelijk beschouwd.
Veelal is het een burgerlijke moraal die wordt opgedrongen aan alle geledingen van onze samenleving. Hierdoor worden denkbeelden en acties vanwege andere culturele achtergronden en andere sociale milieus als delinquent bestempeld daar zij niet overeen komen met de �heersende� moraal ter zake.
De huidige gerechtelijke reactie op jeugddelinquentie kadert binnen een maatregelenrecht en binnen de Wet op de jeugdbescherming uit 1965 en binnen de geco�rdineerde decreten uit 1994. Binnen het huidige gerechtelijke systeem is het doel van de gerechtelijke interventie de jeugddelinquent te beschermen, te behandelen, herop te voeden en te rehabiliteren.
Wanneer de modernisering van de Wet van 1965 (zoals voorgesteld na de vergadering van 16 mei 2002) zal verschijnen in het staatsblad, kunnen jeugdrechters zich verheugen, op voornamelijk drie nieuwe zaken.
Ten eerste, kunnen zij vanaf dat moment minderjarigen vanaf zestien doorverwijzen naar het volwassen strafrecht. Weliswaar mogen deze minderjarigen niet in de gevangenis belanden en enkel worden opgevangen in een gesloten instelling. Ten tweede, mogen jeugdrechters vanaf dan alternatieve straffen (zoals herstelbemiddeling, geldboetes, �) uitschrijven voor minderjarigen vanaf twaalf jaar. Ten laatste, zullen meerderjarigen aangepakt kunnen worden wanneer zij minderjarigen misbruiken om in hun plaats misdaden te begaan.
Toen ik via het nieuws vernam dat er een extra alternatieve straf werd voorzien zoals de geldboetes, ging het haar op mijn lichaam rechtstaan. �Evolueren we nu niet weer naar af?�, dacht ik bij mezelf. Geldboetes kunnen alleen betaald worden door mensen die over financi�le middelen beschikken. Ik had het gevoel dat er opnieuw een mechanisme in het leven was geroepen waardoor de kloof tussen rijk en arm nog meer zichtbaar wordt. Zeker wanneer men kijkt naar het cli�nteel van onze jeugdrechtbanken.
Ik kreeg eveneens het gevoel dat onze minister van justitie zich had laten doen door de roep van anderen (in zijn regering) tot beveiliging van onze maatschappij.