In dit hoofdstuk zal ik nagaan hoe het herstelgericht denken in België terechtkwam. Deze situering van herstelbemiddeling zal op twee niveaus geschieden. Ik zal eerst meer algemeen de historiek weergeven om vervolgens dieper in te gaan op de Belgische situatie.
De laatste twee decennia deed er zich in de Westerse samenleving een hervormingsbeweging voor. Steeds meer betrokkenen merken dat het justitiële systeem, zoals we het tot op heden kennen, niet resulteert in een vermindering van delinquentie, vermindering van recidivisme, enz.. In België kwamen de problemen die slachtoffers van misdrijven ondervinden tijdens hun interacties met politie, justitie, rechtbanken en advocatuur steeds meer aan het licht. De Dutroux-affaire zorgde op dit vlak voor een doorbraak.
Vooral in het buitenland, ontstond in de jaren zeventig van de vorige eeuw een hervormingsbeweging, waarbij we als autoriteiten denken aan Nils Christie uit Noorwegen en Howerd Zehr uit Amerika.
De hervormingsbeweging pleitte voor een reoriëntatie van onze manier van denken inzake recht, justitie en criminaliteit. Deze hervormingsbeweging werd bekend als de voorstanders voor een herstelgerichte justitie of restorative justice. Zij pleitten voor een herstelgerichte aanpak van criminaliteit en niet voor de huidige punitieve aanpak. In het begin ging de aandacht van deze beweging vooral uit naar het volwassen strafrecht, meer recentelijk werd de aandacht ook gevestigd op het jeugdrecht.
In de meeste Europese landen heeft de overheid de rol van het slachtoffer van misdrijven in het rechtsgeding overgenomen. Tevens merken we op dat de overheid een vervolgmonopolie creëerde waardoor het slachtoffer zijn processuele bevoegdheden verloor en financiële genoegdoening vervangen werd door een boetesysteem dat geheel ten goede komt aan de schatkist.
In België waren het vergeldende model en het resocialisatiemodel dominant aanwezig als vorm van maatschappelijk reageren op delinquent gedrag. Volgens deze twee modellen is repressie of heraanpassing van de delinquent de voornaamste taak van het strafrechtssysteem. Een vergeldend gerechtelijk systeem zal zich dus eerder focussen op de dader en hoe deze het best te straffen is. Een herstelgericht gerechtelijk systeem zal zich daarentegen focussen op de noden van slachtoffers en op hoe de gemeenschap kan hersteld worden zodat alle partijen gesterkt uit een geschil komen. Het doel van een herstelgerichte justitie is te komen tot een vermindering van de schade aangebracht door de dader aan het slachtoffer en de gemeenschap alsook een reïntegratie van de dader in de gemeenschap. Bij een vergeldend justitieel systeem wordt de dader tijdelijk uit de gemeenschap verwijderd soms nadat getuigenissen allerhande beschuldigingen en slechte karaktertrekken uit de doeken deden. Via deze manier van werken komen alle slechte eigenschappen van de menselijke natuur naar boven, zoals roddelen, wraakzucht, … . Bij een herstelgericht justitieel systeem daarentegen wordt beroep gedaan op de goede eigenschappen van de menselijke natuur, zoals luisteren, vergiffenis schenken, … .
Als term is restorative justice of herstelgerichte justitie afkomstig uit de Angelsaksische wereld. Het staat niet voor een concrete werkmethodiek, een praktijkmodel of een techniek maar wel voor een bepaalde, principiële benadering en een globale levensvisie.
Ivo Aertsen stelt dat ‘Vanuit een herstelrechtelijke visie de maatschappelijke of justitiële reactie in de eerste plaats gericht zal zijn op herstel van de schade en op maatschappelijke pacificatie: herstel van de schade aan het slachtoffer, aan diens omgeving en eventueel aan de ruimere samenleving’.
Hoe kwam herstelrecht in België terecht? Het antwoord vinden we in Kultuurleven van maart 1999 waar te lezen staat dat ‘herstelbemiddeling ontstaan is in de jaren zeventig in Canada en het via de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk zijn weg vond naar Europa. In Europa zijn Finland, Noorwegen, Duitsland, Oostenrijk en Frankrijk de koplopers.
Tot op heden is de gerechtelijke reactie op jeugddelinquentie gesitueerd binnen een beschermend en behandelend systeem (wet op de jeugdbescherming van 1965). Het doel van dit beschermend en behandelend systeem is minderjarigen beschermen, (her-)opvoeden en rehabiliteren.
Binnen dit systeem zijn minderjarigen crimineel onverantwoordelijk. Minderjarigen kunnen geen strafbare daden stellen dus kan men hen niet straffen. Wanneer een minderjarige dan toch een als misdrijf omschreven feit pleegt dan is de gerechtelijke reactie hierop een maatregel en geen straf.
Daar minderjarigen geen verantwoordelijkheid kunnen dragen inzake hun daden werd gedurende vele jaren voorbij gegaan aan hun rechten zowel bij minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit plegen als bij minderjarigen in een problematische opvoedingssituatie.
Binnen het volwassen strafrecht zijn er allerhande regels uitgewerkt zodat elke betrokken partij weet wat zijn rechten en zijn plichten zijn, alsook proceswaarborgen zijn volledig uitgewerkt. Wanneer een minderjarige een als misdrijf omschreven feit pleegde dan wist hij niet wat hem te wachten stond, daar er nooit werd nagedacht over de rechten en plichten en over proceswaarborgen. Hierdoor verviel men in België in een systeem waar er niet volgens proportionaliteit maatregelen werden opgelegd, waarin een minderjarige niet kon genieten van het vermoeden van onschuld, waarin minderjarigen geen recht hadden op gerechtelijke bijstand en waarin minderjarigen jarenlang niets te zeggen hadden over hun eigen situatie daar er niet naar hun mening werd gevraagd en geluisterd. Dit alles gebeurde onder het mom van ’bescherming van de minderjarigen’.
Hiernaast kwam aan het licht dat de scheidingslijn tussen minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit pleegden en minderjarigen die uit een problematische opvoedingssituatie kwamen stilaan vervaagde. Want deze twee diverse groepen van minderjarigen belandden veelal in dezelfde soort instellingen. Dit had als gevolg dat de publieke opinie deze twee aparte groepen over dezelfde kam begon te scheren, met een verdere stigmatisering van de groep minderjarigen uit problematische opvoedingssituaties als gevolg.
Om tegemoet te komen aan dergelijke wantoestanden zou men kunnen opteren voor het handelingsbekwaam maken van onze minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit plegen. Maar evolueren we dan weer naar een toestand van voor 1912 met alle gekende gevolgen? Het handelingsbekwaam maken van minderjarigen houdt dus nadelen in. Hoe kunnen deze nadelen geliquideerd worden? Er moet toch een manier bestaan om aan jongeren te kennen te geven dat zij ‘au serieux’ genomen worden en in staat geacht worden verantwoordelijkheid te nemen voor de eigen situatie, zonder dat dit eindigt in een puur strafgerichte benadering van jeugddelinquentie?
Om enkele wantoestanden weg te werken kwam in 1994 een wet tot stand die meer proceswaarborgen bood voor minderjarigen (vb: het recht op bijstand door een advocaat, al dan niet een pro Deo). Vervolgens ontstonden in diverse gerechtelijke arrondissementen de gemeenschapsdiensten als maatregel voor minderjarigen wanneer deze een als misdrijf omschreven feit hadden gepleegd. Deze gemeenschapsdiensten ontstonden onder toedoen van de herstelrechtelijke beweging waardoor onze beleidsmakers zich lieten inspireren.
Voor volwassenen werd in 1994 voor de eerste maal de mogelijkheid gecreëerd door de wetgever om op parketniveau te voorzien in ‘Bemiddeling in Strafzaken’ waarbij aspecten van dader-slachtofferbemiddeling worden aangewend en waarbij het parket de voorwaarden uitstippelt tot verval van de strafvordering.
Wat we niet uit het oog mogen verliezen is dat reeds sinds 1987 buitengerechtelijke programma’s van dader-slachtofferbemiddeling voor volwassenen lopen, zij het in overleg met de bevoegde gerechtelijke instanties.
Gemeenschapsdiensten voor minderjarigen en buitengerechtelijke dader-slachtofferbemiddeling voor volwassenen kaderen allen binnen de wens om een nieuwe richting in te slaan, om iets nieuws uit te proberen. Het probleem dat zich bij minderjarigen voordoet, is dat wantoestanden worden weggewerkt door een aanpassing van de bestaande wetgeving. Hierdoor ontstaan talloze regelgevingen, waardoor de duidelijkheid dreigt te verdwijnen, terwijl de oorsprong van de problemen onaangeroerd blijft.
In België wordt voornamelijk vanuit een vergeldend en resocialisatiemodel gereageerd op delinquentie bij volwassenen. Deze twee modellen richten zich bijna uitsluitend op de dader en hoe deze dader het beste te pijnigen is als tegemoetkoming naar de maatschappij toe. Het slachtoffer van misdrijven wordt praktisch uit het oog verloren.
Bij minderjarige daders is de gerechtelijke reactie tot op heden gesitueerd binnen een beschermend en behandelend systeem, volgens de Wet op de jeugdbescherming uit 1965. Het doel van dit systeem is minderjarigen beschermen, opvoeden en rehabiliteren. Binnen deze wetgeving is een minderjarige onverantwoordelijk en als gevolg ook strafrechtelijk onbekwaam tot het stellen van misdrijven. De nadelen van een dergelijk systeem waren legio, zoals geen proceswaarborgen, geen gerechtelijke bijstand, enz.. In 1994 werden reeds sommige wantoestanden weggewerkt. Anderen bleven onbehandeld.
Steeds meer komt aan het licht dat het huidige justitiële systeem niet resulteert in een vermindering van delinquentie, vermindering van recidivisme, enz..
Vanuit deze vaststellingen ontstond een hervormingsbeweging, de herstelgerichte beweging, die pleit voor een reoriëntatie van onze manier van denken inzake recht, justitie en criminaliteit.
Vanuit een herstelgericht gerechtelijk systeem zal de aandacht gevestigd worden op de noden van slachtoffers en op hoe de gemeenschap hersteld kan worden. Hiertoe wordt beroep gedaan op de goede eigenschappen van de menselijke natuur, zoals luisteren, vergiffenis schenken, enz..
Herstelgerichte justitie staat voor een principiële benadering en een globale levensvisie en niet voor een werkmethodiek of een praktijkmodel of een techniek. Dit houdt in dat de herstelgedachte niet simpelweg is in te voegen in de huidige regelgeving via enkele wetswijzigingen. Er zal meer vereist zijn om te komen tot een puur herstelgerichte justitie.
Er bestaat geen specifieke wetgeving inzake herstelbemiddeling voor minderjarige daders. Hierdoor dienen herstelbemiddelaars hun eigen weg te banen. Doorheen de jaren kwam de herstelgedachte ook bij onze beleidsmensen terecht, hierop werden ondertussen allerlei voorstellen geformuleerd die pleiten voor het effectieve gebruik van deze herstelgedachte. De bevoegde ministers ter zake melden in hun beleidsnota’s dat zij kiezen voor een herstelgerichte aanpak van jeugddelinquentie.
Het beleidskader wens ik weer te geven aan de hand van de ingenomen standpunten van de Vlaamse minister voor Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen als van de federale minister van justitie. Hierbij neem ik eveneens een kijkje naar de beleidsnota’s van beide, het globaal plan van de federale minister van justitie, het federaal veiligheidsplan en het protocolakkoord tussen beide ministers.
De voorbije jaren werden meerdere mensen aangesproken om na te denken over de Wet op de jeugdbescherming en om eventueel nieuwe beleidsvoorstellen te formuleren. Sommige beleidsvoorstellen wens ik kort te bespreken, andere zal ik niet bespreken omdat dit me te ver zou doen afdwalen van het hoofdopzet van deze thesis. Ik zal dieper ingaan op de commissie ad hoc Bijzondere Jeugdzorg, de werkgroep Hervorming Jeugdbescherming en de beleidscel Samenleving en Criminaliteit.
Niet enkel beleidsvoorbereidende instanties en beleidsmakers houden zich bezig met herstelbemiddeling. Vanuit het werkterrein groeiden langzaam aan initiatieven op het gebied van mijn thesisonderwerp. Deze initiatieven sprongen nadat ze zelfstandig reeds heel wat bereikt hadden in het oog van de provincie Vlaams-Brabant, van de minister voor welzijn en de minister van justitie. In dit hoofdstuk wens ik als laatste punt een kijkje te nemen naar de v.z.w. Oikoten uit Leuven, de v.z.w. Suggnomè en de v.z.w. Ondersteuningstructuur Bijzondere Jeugdzorg.
De minister die een bevoegdheid heeft inzake jeugddelinquentie, is langs de ene kant de federale minister voor justitie, de heer Verwilghen en langs de andere kant de Vlaamse minister voor welzijn, mevrouw Vogels.
Voor Minister Vogels is ‘een herstelgerichte afhandeling een meer passend antwoord op jeugddelinquentie voor én slachtoffer, én minderjarige dader én de samenleving.
Omdat tijdens het jaar 2000 het bereik van de herstelgerichte aanpak steeg met meer dan 50% tot 1900 jongeren, werd vanaf 2001 door bijkomende subsidiëring in elk gerechtelijk arrondissement de herstelgerichte aanpak in één of meerdere vormen georganiseerd.
Het is al lang geen geheim meer dat het kabinet van de minister van Justitie werkt rond een hervorming van het jeugdrecht. Procureur-generaal Christian Maes, adviseur van Minister Verwilghen, vermeldt in De Standaard van 24 maart 2001 dat ‘ons huidige jeugdrecht betuttelend, paternalistisch is en weinig juridische waarborgen geeft aan de jongere en aan zijn slachtoffer. ( ) Er moet plaats zijn voor zowel bescherming, bestraffing als herstel.’
In de beleidsnota van de Minister Vogels lezen we dat ‘de aanpak van jeugdige delinquenten wordt afgestemd op het federale justitiebeleid ter zake. Als het jeugdsanctierecht er komt, zal dat structurele aanpassingen vergen van de jeugdhulpverlening. Dit betekent dat het aanbod ten aanzien van jongeren die een ‘als misdrijf omschreven feit’ pleegden, daaraan dient aangepast te worden’.
Volgens de Vlaamse minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen ‘kan het maatschappelijk antwoord op jeugddelinquentie niet verengd worden tot één paradigma: hetzij hulpverlenend, hetzij herstelgericht, hetzij maatschappijbeveiligend’. Volgens de Minister moet er naar gelang de omstandigheden een proportioneel en evenwichtig antwoord verstrekt kunnen worden op delinquente feiten die door jongeren werden gepleegd.
Vanaf 2000 werd de hulpverlening aan jongeren, die een delict pleegden, complementair aan de herstelgerichte afhandeling. Vanaf 2000 werd voorzien dat de sociale diensten bij de jeugdrechtbank in de toekomst een belangrijke rol zouden spelen met betrekking tot de verwijzing van jongeren die een delict pleegden. Dit omwille van de positie en de kennis waarover een sociale dienst bij de jeugdrechtbank beschikt met betrekking tot het hulpverlenings- en herstelgerichte aanbod.
Bij de aanpak van jeugdige delinquenten wordt het Vlaamse beleid ter zake afgestemd op het federale justitiebeleid. Complementair aan het federaal veiligheids- en strafuitvoeringsbeleid zal de Vlaamse regering een omvattend welzijnsgericht beleid rond criminaliteit, onveiligheid en slachtofferzorg voeren.
De Vlaamse regering kiest voor buitengerechtelijke conflictoplossingen en voor een welzijnsgericht aanbod dat parallel aan en in alle fasen van de rechtsgang geformuleerd zou worden ten aanzien van justitiecliënten (zowel dader als slachtoffer).
In de beleidsnota van het ministerie van justitie voor het begrotingsjaar 2000 wordt gesteld dat alternatieven de dader meer concrete mogelijkheden bieden om uit vrije wil verantwoordelijkheid op te nemen voor herstel van de aangerichte schade en door te appelleren aan zijn verantwoordelijkheidsgevoel blijft de persoon van de dader ondanks terechte afwijzing van de daad gerespecteerd en de band met zijn sociale omgeving kan behouden worden.
Voor het ministerie van justitie is straffen geen doel op zich, maar een middel om te komen tot een herstel van materiële en immateriële schade en het herstel van verstoorde relaties tussen mensen onderling of tussen individuen en de maatschappij.
Verder staat in de beleidsnota voor het begrotingsjaar 2000 vermeld dat ‘Alternatieven bieden meer dan bij de toepassing van het klassieke strafrecht, de mogelijkheid de belangen van het slachtoffer, van de samenleving én van de dader zo niet te verzoenen dan toch beter met elkaar in evenwicht te brengen. Uitgangspunt hierbij is het streven naar herstel, zowel materieel, psychologisch als relationeel, tussen dader en slachtoffer, tussen dader en maatschappij’.
Het globaal plan laat toe de toepassing van vier alternatieve gerechtelijke maatregelen te promoten, namelijk dienstverlening en opleiding in het kader van de probatiewet, de bemiddeling in strafzaken, de alternatieve maatregelen ter vervanging van de voorlopige hechtenis en ten laatste de rechtsomlegging (of met andere woorden de diversiemaatregelen) voor minderjarigen.
Diversiemaatregel houdt in dat de procureur des Konings kan beslissen om geen gevolg te geven aan een als misdrijf omschreven feit wanneer de minderjarige aanvaardt om een diversiemaatregel uit te voeren zoals bijvoorbeeld herstel van de schade of uitvoering van vrijwilligerswerk ten gunste van de gemeenschap. Het toezicht op de uitvoering van deze diversiemaatregelen wordt uitbesteedt aan een vereniging die hiervoor in aanmerking komt.
De hoofddoelstellingen van deze alternatieve gerechtelijke maatregelen zijn onder andere :
In het veiligheidsplan wordt uitgelegd dat het ministerie van justitie budgetten vrijmaakte om tegemoet te komen aan lokale noden en behoeften. Deze budgetten zijn gericht op slachtofferbeleid, promoten van alternatieve maatregelen en straffen; en herstelgerichte justitie. Hierbij zegt minister Verwilghen dat er nood is aan een integraal beleid ten opzichte van alles wat zich afspeelt in het grensgebied tussen een justitieel en veiligheidsbeleid enerzijds en een integraal en kwaliteitsvol welzijns- en gezondheidsbeleid anderzijds en dit zowel ten aanzien van daders, als slachtoffers, als volwassenen, als minderjarigen.
Het ministerie van justitie subsidieert projecten, initiatieven en activiteiten die raken aan het bevoegdheidsdomein van de Vlaamse Gemeenschap. Hierna volgt een overzicht van de overlappende subsidiëring vanwege justitie ten aanzien van de Vlaamse Gemeenschap; als uitgangsbasis werden de plannen van het ministerie van justitie gehanteerd :
De belangrijkste bevinding, die voortvloeit uit het protocolakkoord, is dat justitie en welzijn op elkaar betrokken zijn en hierdoor ontstaat de nood tot samenwerking tussen deze twee beleidsdomeinen. De huidige betrokken ministers deelden deze visie en probeerden in de mate van het mogelijke tot een duidelijke samenwerking te komen.
In het protocolakkoord van 26 maart 2001 staat te lezen dat ‘de minister van Justitie er in de mate van het mogelijke zal voor zorgen dat zowel tijdens de strafrechtsbedeling als de strafuitvoering, zoveel mogelijk kansen zullen worden geschapen voor buitengerechtelijke (conflict)oplossingen vanuit de voorzieningen van de Vlaamse Gemeenschap’ en dat ‘de Vlaamse minister bevoegd voor bijstand aan personen zich engageert om de eigen voorzieningen mee in te schakelen in dergelijke buitengerechtelijke conflictoplossingen’.
Verder staat in het protocolakkoord tussen de ministers te lezen dat ‘Bij de afhandeling van jeugddelinquentie moet het herstelgericht denken ruime aandacht krijgen.( )’.
De federale minister van justitie is van mening dat de aanpak van criminaliteit en het strafrechtelijk en strafuitvoeringsbeleid dient bij te dragen tot het milderen van de disfuncties van maatschappelijke voorzieningen, van intermenselijke verhoudingen en van gedragingen. Hierdoor wil justitie ruimte creëren voor een herstelrechtelijke invulling van de strafrechtsbedeling en de strafuitvoering. Hierbij dient justitie ruimte te creëren voor een buitengerechtelijke conflictoplossing vanuit de samenleving, alsook een op het justitiële optreden aansluitende dienst- en hulpverlening.
De Vlaamse minister voor Welzijn is van mening dat de dynamische en welzijnsbevorderende krachten van de samenleving maximaal dienen aangewend te worden om criminaliteit en onveiligheid te voorkomen. Hierdoor wil de Vlaamse Gemeenschap ruimte creëren voor buitengerechtelijke conflictoplossingen zodat de meer ingrijpende en destabiliserende justitiële interventies vermeden of beperkt kunnen worden. Hiernaast wil de Vlaamse Gemeenschap in alle fasen van de rechtsgang een op welzijn gericht dienst- en hulpverleningsaanbod verstrekken voor slachtoffers, daders en hun omgeving zodat de opgelopen schade zoveel mogelijk beperkt en hersteld kan worden.
In het protocolakkoord stellen beide ministers zich achter ‘een sui generis afhandeling van jeugddelinquentie’. Mijnheer Berx, raadgever van minister Vogels, legt dit in Knack als volgt uit:
De commissie ad hoc Bijzondere Jeugdzorg werd op 9 juli 1998 opgericht door het Vlaams Parlement met als bevoegdheid de opstelling van een maatschappelijke beleidsnota.
De commissie ad hoc kwam tot de bevinding dat ‘de Wet op de jeugdbescherming van 8 april 1965 en de huidige organisatie en uitvoering van maatregelen voldoen maatschappelijk niet langer als reactie op uitingen van jeugdcriminaliteit’.
Volgens de commissie ad hoc dient er een duidelijker onderscheid te komen inzake maatregelen bij problematische opvoedingssituaties en bij als misdrijf omschreven feiten. De commissie ad hoc pleit om in de toekomst een andersoortige afhandeling van jeugddelicten te voorzien waarbij uitgegaan zou worden van volgende principes:
De commissie ad hoc beveelt aan dat ‘de Vlaamse Gemeenschap op middellange termijn toewerkt aan een gecoördineerd aanbod van afhandelingvormen als dader-slachtofferbemiddeling, gemeenschapsdienst en leerprojecten die in alle gerechtelijke arrondissementen moeten kunnen worden georganiseerd’ en dat ‘de Vlaamse Gemeenschap de ontwikkeling van pedagogische projecten stimuleert. Voor de gedifferentieerde afhandeling van als misdrijf omschreven feiten dienen herstelgerichte afhandelingvormen te worden opgezet: herstelbemiddeling tussen dader en slachtoffer, gemeenschapsdienst en leerprojecten’.
Voornamelijk onder leiding van professor Walgrave en zijn medewerkers Hilde Geudens en Wim Schelkens heeft deze werkgroep alle mogelijke gerechtsdaden in het herstelrechtelijke perspectief geplaatst en dit in opdracht van de toenmalige minister van justitie. Het resultaat van dit onderzoek werd gebundeld in het rapport ‘Op zoek naar een herstelrecht en jeugdsanctierecht: een denkoefening’.
De Werkgroep Hervorming Jeugdbescherming is van mening dat een jeugdsanctierecht dat zich laat leiden door de principes van een herstelrecht, best doenbaar is in België. De enige twee grenzen waarrond compromissen moesten worden gemaakt (daar deze niet geheel herstelrechtelijk aangepakt kunnen worden) zijn enerzijds de zorg voor de openbare veiligheid en anderzijds de aanpak van mentaal gestoorde jeugddelinquenten. De werkgroep is hierbij van oordeel dat deze groep van minderjarigen door het welzijnscircuit dienen gevolgd te worden en niet door het gerechtelijk delinquentencircuit.
Volgens mij verliest de werkgroep één delinquente doelgroep uit het oog. Zijn herstelgerichte projecten doeltreffend bij delinquente jongeren die de Nederlandse of Franse taal niet voldoende of geheel niet beheersen? Bij dader-slachtofferbemiddeling wordt er een intensief communicatieproces op gang getrokken. Wanneer één van de betrokken partijen zich niet voldoende of niet correct weet uit te drukken, vormt dit dan geen belemmering voor het bemiddelingsproces? Kan dit ook niet leiden tot misbruik ten aanzien van de jonge delinquent door ofwel het slachtoffer ofwel gerechtelijke instanties ofwel bemiddelingsdiensten?
Wanneer er gekozen zou worden om in België een herstelrecht te implementeren dan dient dit herstelrecht, volgens het voorstel van Geudens en Walgrave in opdracht van de minister van justitie, de heer De Clerck, zich door een vijftal principes te laten leiden. Ten eerste dient elke gerechtelijke reactie op de eerste plaats gericht te zijn op het gehele of gedeeltelijke, concrete of symbolische herstel van het leed en de schade die door het delict zijn veroorzaakt, zowel ten aanzien van het concrete slachtoffer als ten aanzien van de gemeenschap. Ten tweede dient op elk niveau de mogelijkheid open te blijven tot vrijwillige deelname van de jonge dader aan een bemiddelingsinitiatief ten aanzien van het slachtoffer en/of aan een vormings- en hulpverleningsprogramma. Vervolgens dient dwang (indien nodig) enkel op grond van een volwaardig gerechtelijke procedure uitgeoefend te worden en dient de reactie binnen de grenzen te blijven van een redelijke proportionaliteit met de ernst van de schade. Ten vierde dient de sanctie pedagogisch constructief te zijn, bijvoorbeeld door een vormende waarde te geven aan de gemeenschapsdienst. Als laatste dient men bij zeer ernstige misdrijven met een hoge kans op recidive de mogelijkheid tot opsluiting te bewaren. Dit dient wel gebonden te zijn aan een welbepaalde termijn in verhouding tot de ernst van de schade en de aansprakelijkheid van de dader en met de mogelijkheid tot herziening van de opsluiting. Binnen de setting dienen pedagogische als herstellende activiteiten ontwikkeld te worden.
De beleidscel maakt sinds 2001 deel uit van de administratie Gezin en Maatschappelijk Welzijn van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Ze werd opgericht omdat de bevoegdheid inzake criminaliteit en samenleving vanwege de Vlaamse Gemeenschap een veelheid aan taken met zich meebrengt.
De beleidscel Samenleving en Criminaliteit heeft onder andere de volgende opdrachten :
Om deze opdrachten tot een goed einde te brengen volgt de beleidscel allerhande initiatieven op, waaronder herstelbemiddeling, slachtofferhulp en alternatieve sancties als alternatieve conflictoplossingen binnen en buiten een strafrechtelijk kader.
In Vlaanderen loopt een experimenteel project dat dient uit te maken wat bij de uitbouw van een herstelgerichte benadering en de dader-slachtofferbemiddeling, de taak en de rol van elk van de betrokken actoren is en hoe vanuit een welzijnsgerichte benadering de samenwerking tussen welzijn en justitie dient te verlopen. Dit experiment wordt in 2002 gecontinueerd. Hierdoor ben ik niet in machte om over dit experiment uit te wijden. Hopelijk beschik ik tegen juni over meer informatie hieromtrent.
De v.z.w. Oikoten kent reeds sinds 1987 een herstelbemiddelingsproject voor minderjarigen. In samenspraak met het parket en de jeugdrechters te Leuven ontstond het vereffeningsproject voor minderjarigen. Dit project startte aanvankelijk als een dienstverleningsproject, namelijk het organiseren van de sanctie gemeenschapsdienst. Het project evolueerde naar een bemiddelingspraktijk waarbij men enerzijds de jongere trachtte te responsabiliseren door hen aan te moedigen verantwoordelijkheid te nemen in het herstel van de door hen aangebrachte schade en anderzijds tegemoet te komen aan de vraag van de slachtoffers door hen te betrekken in hun zaak.
In 1991 werd onder toedoen van de v.z.w. Oikoten te Leuven het vereffeningsfonds opgericht, zodat jongeren in staat werden gesteld om effectief hun benadeelde te vergoeden. In ruil voor een aantal uren vrijwilligerswerk in een zelf gekozen instelling kunnen minderjarigen gebruik maken van het fonds om hun benadeelde te vergoeden.
Het vereffeningsfonds werd op 14 oktober 1997 overgeheveld door de v.z.w. Oikoten (Leuven) en de v.z.w. BAS! (Brussel) naar de provincie Vlaams-Brabant.
De provincie Vlaams-Brabant sloot een overeenkomst met de Vlaamse Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest waardoor het vereffeningsfonds gebruikt kon worden door zowel jongeren wonende in de provincie Vlaams-Brabant als Nederlandstalige jongeren wonende in één van de 19 gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
In 1996 was de v.z.w. Oikoten met het herstelbemiddelingsproject voor minderjarigen één van de medeoprichters van de bemiddelingsdienst arrondissement Leuven of BAL. De bemiddelingsdienst bestaat uit drie projecten, namelijk schaderegeling op niveau van de politie, herstelbemiddeling voor volwassenen en herstelbemiddeling voor minderjarigen.
In november 1998 werd aan Oikoten voor het project ‘Herstelbemiddeling Minderjarigen’ een opdracht tot implementatie, van dit project in drie gerechtelijke arrondissementen, gegeven door de Vlaamse Gemeenschap.
De implementatieopdracht van de v.z.w. Oikoten werd doorkruist door de Resolutie van het Vlaams Parlement van 10 maart 1999. Hierbij werd gesteld dat de alternatieve afhandelingen voor minderjarige delictplegers tot de bevoegdheid hoort van de Vlaamse Gemeenschap. Hierbij streeft de Vlaamse Gemeenschap voor standaardisatie en veralgemeenbaarheid van het aanbod en streeft in die zin naar een gecoördineerd aanbod van herstelbemiddeling, gemeenschapsdienst en leerprojecten in elk gerechtelijk arrondissement.
In 2000 werd het project ‘Herstelbemiddeling Minderjarigen’ in 10 arrondissementen geïmplementeerd, namelijk: Brugge, Kortrijk, Veurne, Antwerpen, Turnhout, Mechelen, Hasselt, Tongeren, Brussel en Leuven.
Deze implementatieopdracht werd ondertussen overgeheveld naar de v.z.w. ondersteuningsstructuur Bijzondere Jeugdzorg. Hier staat een team van vier medewerkers in voor de implementatie en voor de coördinatie met en ondersteuning van de projecten gemeenschapsdienst en leerprojecten.
In maart 1999 voorzag een resolutie van het Vlaams parlement in een gecoördineerd aanbod van leerprojecten, gemeenschapsdiensten en bemiddeling in elk Vlaams arrondissement. In juni 1999 stelde de Vlaamse Gemeenschap geld ter beschikking voor de aanvragen en projecten vanuit de bijzondere jeugdzorg.
Eind 1997 werd aan de Bemiddelingsdienst Arrondissement Leuven door het ministerie van justitie gevraagd om het bemiddelingsaanbod van deze dienst en dan in bijzonder het aanbod inzake herstelbemiddeling veralgemeend beschikbaar te stellen en om een aanspreekpunt te creëren inzake herstelbemiddeling voor Vlaanderen. Om deze laatste vraag te kunnen realiseren werd de v.z.w. Suggnomè in oktober 1998 opgericht.
De v.z.w. Suggnomè staat in voor de inhoudelijke ondersteuning van het nationaal proefproject ‘Herstelbemiddeling Meerderjarigen’, voor het verstrekken van documentatie van ieder die op het terrein van bemiddeling en herstelrecht actief is en voor de ondersteuning van herstelrechtelijke projecten zoals: bemiddeling voor minderjarigen, bemiddeling in de strafuitvoering, …
De v.z.w. Suggnomè heeft in zijn statutaire opdrachten implementatie, vorming en ondersteuning van herstelgerichte initiatieven ingeschreven en ijvert voor het samengaan van de verschillende modaliteiten van bemiddeling.
De v.z.w. Ondersteuningsstructuur Bijzondere Jeugdzorg is samengesteld uit ongeveer vijftig vertegenwoordigers van drie koepels, namelijk het Vlaams Welzijnsverbond, de Ondersteuningsstructuur voor Jongerenbegeleiding en het Pluralistisch Platform Jeugd.
De v.z.w. Ondersteuningsstructuur Bijzondere Jeugdzorg wil de uitwisseling en afstemming tussen de ontwikkelende herstelgerichte afhandelingvormen en tussen de diensten onderling bevorderen en de samenspraak intra-sectoraal als over de bevoegdheden (federaal) heen in functie van een globaal herstelgerichte afhandeling jeugddelinquentie, op de verschillende niveaus bevorderen om op die manier de herstelgerichtheid van de afhandeling van jeugddelinquentie te vergroten.
Vanuit het beleid verstaat men onder herstelgerichte afhandeling van jeugddelinquentie zowel de gemeenschapsdienst als de leerprojecten als de herstelbemiddeling.
Hierdoor komt herstelbemiddeling op dezelfde lijn te liggen als de alternatieve sancties en hiernaast besloot het beleid om het project herstelbemiddeling in te bedden binnen de Bijzondere Jeugdzorg. De v.z.w. ondersteuningsstructuur Bijzondere Jeugdzorg dient hierdoor het concept van bemiddeling te ‘bewaken’ zodat het niet zal samenvallen met een pedagogische maatregel.
Zowel de Vlaamse minister voor Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen als de federale minister van justitie zijn het erover eens dat er meer ruimte gecreëerd dient te worden voor een buitengerechtelijke afhandeling van conflicten. Op deze wijze hoeven slachtoffers, daders en gemeenschap niet langer te lijden onder de negatieve gevolgen van een beschermende en behandelende gerechtelijke aanpak.
De minister van justitie wenst dat er plaats vrij komt voor zowel bescherming, als bestraffing, als herstel. De minister voor welzijn wenst naar de toekomst toe een meer passend antwoord te formuleren op jeugddelinquentie. Haar antwoord zou een combinatie inhouden van hulpverlening, herstel ten aanzien van de gemeenschap en het slachtoffer; en beveiliging van de maatschappij bij zware misdrijven (gepleegd door minderjarigen).
Beide ministers zijn zich ervan bewust dat zij moeten samenwerken om hun wensen gerealiseerd te krijgen, daar het een materie betreft die raakt aan beide beleidsdomeinen.
In het globaal plan van het ministerie van justitie werden gemeenschapsdiensten, leerprojecten en herstel van de schade voor minderjarigen opgenomen als bijkomende gerechtelijke reactie op jeugddelinquentie (naast de maatregelen opgenomen in de Wet van 1965). Door deze alternatieve vormen van reageren wil men minderjarige daders bewust maken van hun gedrag en diens gevolgen. Men wil ook komen tot een zinvol herstel van materiële en immateriële schade bij individuen als bij de gemeenschap.
De v.z.w. Ondersteuningsstructuur Bijzondere Jeugdzorg stelt zichzelf tot doel “het bewaken van de herstelbemiddelingsprojecten” zodat deze niet samenvallen met een pedagogische maatregel. Ik vraag me af of er overleg was tussen de v.z.w. en het ministerie van justitie.
Op 16 mei 2002, besliste de minister van justitie in samenspraak met de topministers van dit land, na een nachtelijke vergadering, dat jeugdrechters over méér pedagogische maatregelen zullen beschikken. Met andere woorden, is er een uitbreiding tot stand gekomen van mogelijke sancties tegenoverstaande van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit plegen. Dit houdt volgens mij een gevaar in. Immers, ik kreeg het gevoel dat de minister van justitie herstelbemiddeling aan het misbruiken is of misschien gewoon foutief heeft geïnterpreteerd omwille van de drang van onze ministers om de maatschappij te beveiligen.
Via de vooropgestelde wetswijziging, die nu op de parlementsagenda werd geplaatst, komt de nadruk nog meer op straffen te liggen. Mijns inziens druist dit in tegen de principes van herstelbemiddeling. Want, waar herstelbemiddeling tot doel heeft om leed weg te nemen bij de betrokkenen van een conflict, ligt het al in de klank van het woord straf zelf, dat dit enkel leed kan toevoegen aan, en geen enkele kans op herstel biedt, voor de dader.
De minister van justitie verklaart steevast aan de pers dat hij een nieuw jeugdrecht wil bekomen, dat zich voornamelijk laat leiden door de herstelgerichte gedachte, maar de vooropgestelde wetswijziging lijkt mijns inziens eerder te stoelen op de strafgedachte.
De projecten herstelbemiddeling in België kaderen allemaal binnen vernieuwende visies met betrekking tot jeugddelinquentie en met betrekking tot de gerechtelijke reactie hierop. Deze visies kaderen binnen het herstelmodel dat wordt voorgesteld als reactie op jeugddelinquentie. Bij dit herstelmodel werd nagedacht over een nieuwe invulling van wat men onder jeugdrecht kan verstaan. Deze nieuwe invulling kreeg de benaming herstelrecht. Maar wat moet nu juist verstaan worden onder herstelrecht? Deze vraag brengt me bijna automatisch tot de volgende vraag. Wat is herstelbemiddeling? In wat volgt probeer ik weer te geven wat ik onder herstelrecht en herstelbemiddeling versta.
Wanneer de voorgestelde herstelgerichte benadering in de praktijk toegepast zou worden, dan dienen de praktijkwerkers toe te werken naar vooropgestelde doelen. Welke zijn deze doelstellingen?
Om een doel te bereiken, laat men zich meestal leiden door enkele principes. Welke principes worden gehanteerd bij herstelbemiddeling? Het antwoord op deze vragen, probeerde ik weer te geven na de uitleg over de gehanteerde begrippen bij herstelbemiddeling.
Hersteldenken is ontstaan als reactie op het repressief, autoritair en sanctiegericht justitieel apparaat, dat een dagelijkse praktijk vormt binnen de justitiële wereld.
Hierbij wordt voorbij gegaan aan de noden van de slachtoffers en de daders wachten passief af op het antwoord vanwege de rechters op hun delinquent gedrag.
Aanhangers van herstelgericht denken gaan ervan uit dat een misdrijf een onrecht is en onrecht vraagt in de eerste plaats om herstel van het aangedane leed. De rechtstreeks betrokken partijen hierbij zijn allereerst het slachtoffer, de dader en de gemeenschap.
Volgens herstelgericht denken moeten delicten anders opgelost worden, dichter bij de ervaringen en verwachtingen van dader en slachtoffer zelf.
Als definitie van herstelrecht sluit ik me aan bij Ivo Aertsen die stelt dat
In de praktijk kan herstelrecht worden uitgewerkt in een proces waarbij de betrokken partijen gezamenlijk een antwoord zoeken. Hierbij is het hoofddoel van dit proces: herstel van het leed dat werd berokkend.
Herstelbemiddeling geeft het conflict terug in handen van de meest betrokken partijen: dader en slachtoffer. Het is het tegengestelde van de bevreemdende justitiële aanpak, die in de meeste dossiers wordt toegepast.
Volgens Ivo Aertsen vindt herstelbemiddeling plaats buiten justitie maar zowel de praktijk als de organisatie zijn vervat in een samenwerkingsverband met onder andere parket of jeugdrechtbank en onderzoeksrechters.
Herstelbemiddeling is als woord samengesteld uit enerzijds ‘herstel’ en anderzijds ‘bemiddeling’. Omwille van deze reden zou ik herstelbemiddeling willen uitleggen door afzonderlijk de begrippen bemiddeling en herstel uit te leggen.
Een eerste definitie van bemiddeling wordt aangereikt in het verslagboek van het seminarie van het vereffeningsfonds in juni 1999.
Voor Aertsen
In de gemeenschappelijke omzendbrief inzake de bemiddeling in strafzaken wordt een definitie van bemiddeling aangereikt. Dit is een vorm van bemiddeling die wordt toegepast voor volwassen daders.
Onder bemiddeling wordt verstaan:
Een vierde definitie en mijns inziens een meer volledige definitie wordt aangereikt door Claes van de v.z.w. Oikoten.
Er zijn verschillende manieren om het leed berokkend door een als misdrijf omschreven feit, te herstellen.
Hoofdzakelijk bestaan er vier vormen van herstel, namelijk herstel in de oorspronkelijke staat, plaatsvervangende arbeid, moreel herstel en financiële vergoeding van de schade.
De voornaamste doelstellingen van herstelbemiddeling zijn:
De drie belangrijkste principes zijn:
Vrijwilligheid houdt in dat er gestreefd wordt naar een maximale vrijheid binnen een gerechtelijke context. Vrijwilligheid van alle betrokken partijen is nodig zodat de inspanningen van de jongere ten aanzien van zichzelf, zijn ouders en de slachtoffers geloofwaardig zouden zijn.
Vertrouwelijkheid betekent dat de bemiddelaar een vertrouwensrelatie tracht uit te bouwen met alle partijen. De privacy van de betrokkenen wordt gerespecteerd. Dit heeft gevolgen voor de manier van rapportage aan de gerechtelijke instanties.
In deze context houdt neutraliteit in dat de bemiddelaar de belangen van alle partijen probeert weer te geven en dus onpartijdig blijft. Ik heb bewondering voor herstelbemiddelaars. Want het lijkt mij niet evident om zich onpartijdig op te stellen tussen twee partijen, die beide schade hebben ondervonden. Ik herinner me dat ik tijdens mijn stage soms teveel empathie kon vertonen voor het verhaal van één cliënt. Wanneer ik nadien geconfronteerd werd met het verhaal van de andere partij, moet ik eerlijk toegeven dat ik het moeilijk had om geheel objectief te blijven. Gelukkig kon ik rekenen op de wijze raad van mijn stagebegeleidster, waardoor ik geleidelijk aan meer de knepen van het vak onder de knie kreeg.
Herstelrecht houdt een totale ommekeer in van ons denken alsook van onze benadering van recht, justitie en criminaliteit. Want herstelrecht is een geheel van waarden en normen, die men hanteert bij de maatschappelijke reactie op een misdrijf.
Herstelbemiddeling is een voorbeeld van hoe herstelrecht in de praktijk kan worden omgezet. Wat opvalt aan herstelbemiddeling is dat het een samensmelting is van twee afzonderlijke woorden, namelijk herstel en bemiddeling.
Bemiddeling is een methode waarbij dader én slachtoffer als eerste betrokkenen worden aangesproken. Deze twee partijen van een conflict worden bijgestaan door een neutrale derde, die hen in staat stelt om direct of indirect met elkaar in contact te treden. Op deze manier ontstaat een communicatieproces omtrent de feiten en de achtergronden, waarbij de partijen in staat worden gesteld tot het vormen van een realistisch en niet-stereotiep beeld van wat er gebeurd is en van elkaar. Gevolgen, noden en verwachtingen worden op een persoonlijke wijze uitgewisseld. Vanuit dit communicatieproces wordt door de partijen zelf inhoud en betekenis gegeven aan het herstel van de schade.
Er bestaan voornamelijk vier vormen van herstel, namelijk herstel in oorspronkelijke staat, plaatsvervangende arbeid, moreel herstel en als laatste een financiële vergoeding van de schade.
Als voornaamste doelstellingen van herstelbemiddeling onthoudt ik het volgende. Namelijk de belangen van het slachtoffer verdedigen en onder andere op deze manier de dader verantwoordelijkheid op zich laten nemen voor zijn daden.
De voornaamste principes waardoor een herstelbemiddelaar zich laat leiden zijn: vrijwilligheid, vertrouwelijkheid en neutraliteit.
Ik stel me wel vragen bij het principe van vrijwilligheid. Ik denk dat een slachtoffer wel op vrijwillige basis deelneemt aan een herstelbemiddeling. Bij een minderjarige dader daarentegen, lijkt het mogelijk te zijn dat er andere beweegredenen bij komen kijken.
Tijdens mijn stageperiode merkte ik dat meerdere minderjarige daders niet meteen overtuigd waren van de zinvolheid van het proces voor zichzelf. Wanneer ik terloops vermelde dat een jeugdrechter rekening kan houden met de deelname aan een herstelbemiddeling. En dat dit dan als gevolg zou kunnen hebben dat de jeugdrechter een mildere maatregel zou uitvaardigen. Dan pas kreeg mijn herstelbemiddelingsvoorstel de volle aandacht van de minderjarige daders.
Dit deed bij mij het vermoeden rijzen dat minderjarige daders deelnemen aan herstelbemiddeling met de hoop dat zij er voordelen (op het gebied van een mildere maatregel) kunnen uithalen. Ik denk dat een minderjarige dader initieel om deze reden deelneemt en dat pas nadien andere zaken (zoals inzicht in de gevoelswereld van het slachtoffer, mogelijkheid tot verontschuldiging voor het gestelde gedrag) een rol spelen
Wanneer een minderjarige deelneemt aan een proces tot herstelbemiddeling dan is het niet enkel de minderjarige en het slachtoffer die betrokkenen zijn.
Er zijn velerlei actoren die rechtstreeks of onrechtstreeks een rol spelen bij een herstelbemiddeling.
Wanneer een minderjarige een als misdrijf omschreven feit pleegt, maakt hij in eerste instantie kennis met de gerechtelijke politie, de onderzoeksrechter en de jeugdrechtbank. Pas na deze eerste contacten zal de minderjarige dader in contact komen met de bemiddelingsdienst, het slachtoffer, de familiale verzekering en de tewerkstellingsplaats. Het kan zijn dat de minderjarige enkel met enkele van deze actoren kennis maakt, omdat (bijvoorbeeld) hij geen tewerkstellingsplaats nodig heeft of omdat het slachtoffer geen directe confrontatie wenst aan te gaan, enz.. De minderjarige kan doorheen de herstelbemiddeling een beroep op het provinciaal vereffeningsfonds. Wat dit juist is, zal ik in dit hoofdstuk nader verklaren.
In dit hoofdstuk wil ik eerst ingaan op deze actoren zoals de gerechtelijke politie, de onderzoeksrechter, de jeugdrechter, de minderjarige dader, het slachtoffer, de bemiddelingsdienst, de familiale verzekering, de tewerkstellingsplaats, enz.
Na deze uitwijding, ga ik na welke de voordelen kunnen zijn van een deelname aan een herstelbemiddeling voor de (volgens mij) direct betrokken partijen, zoals de minderjarige dader, het slachtoffer en de gemeenschap.
In het eerste deel en op het einde van het derde deel van deze thesis, ga ik uitvoerig in op de consulent van de sociale dienst. Om deze reden zal ik in de volgende alinea’s deze partij niet vermelden, ook al is de consulent een actor tijdens de herstelbemiddeling. Ik zal het enkel hebben over de resterende actoren waarmee een minderjarige, die een als misdrijf omschreven, pleegde in aanraking komt.
Binnen elke brigade van de Gerechtelijke Politie is er een bijzondere jeugdafdeling. Deze mensen zijn belast met het opsporen van alle inbreuken op de wetten inzake jeugdbescherming.
De onderzoeksrechter heeft de leiding over het gerechtelijk onderzoek. Als taak dient de onderzoeksrechter met de hulp van onderzoekers en deskundigen zoveel mogelijk informatie te verzamelen die nodig is om de waarheid aan het licht te brengen.
De onderzoeksrechter werkt bij de rechtbank van eerste aanleg maar toch is hij volledig onafhankelijk in de uitoefening van zijn beroep. Tevens is hij de enige die een bevel tot huiszoeking en tot aanhouding kan geven.
Bij de jeugdrechtbank wordt de onderzoeksrechter enkel aangesteld voor zaken die gekwalificeerd werden als een ‘als misdrijf omschreven feit’.
Het parket is de rechterlijke autoriteit die in naam van de maatschappij voor de rechtbank vordert. Bij de jeugdrechtbank wordt het openbaar ministerie vertegenwoordigd door magistraten van het parket die gespecialiseerd zijn in jeugdzaken.
Het jeugdparket heeft een belangrijke taak daar zij als eerste de situatie moet interpreteren en moet uitmaken of er een vordering ten aanzien van ofwel de ouders ofwel de minderjarige wordt gemaakt naar de rechtbank toe.
De procureur maakt deel uit van het parket en vertegenwoordigt mede de belangen van de samenleving. Ieder gerechtelijk arrondissement wordt geleid door een procureur des Konings, die wordt bijgestaan door eerste substituten en substituten.
Het is de procureur die op een proces de straf vordert voor de rechtbank.
De jeugdrechtbank is één van de drie afdelingen van de rechtbank van eerste aanleg en ze bestaat uit één of meer kamers met een alleenzetelend rechter, die de jeugdrechter wordt genoemd.
Bij herstelbemiddeling dient de jeugdrechter de bemiddelaar te mandateren alvorens er een herstelbemiddeling georganiseerd wordt. Dit gebeurt niet via een beschikking omdat dan het vrijwillige karakter van de bemiddeling in het gedrang komt.
De jeugdrechter is niet verplicht om de resultaten bekomen via een herstelbemiddeling in acht te nemen bij het nemen van diens beslissing inzake de maatregel die zal opgelegd worden.
Tegen een vonnis van de jeugdrechtbank kan hoger beroep worden ingesteld bij het hof van beroep, dat een kamer heeft die gespecialiseerd is in jeugdaangelegenheden.
In elke rechtbank is er een secretariaat of de griffie. De griffier die de hoedanigheid heeft van een openbaar ambtenaar is belast met administratieve taken. Hij houdt zich bezig met de organisatie van de zittingen, houdt de algemene rol bij en tijdens de zittingen maakt hij aantekeningen van alles wat gezegd wordt. Tevens is de griffier verantwoordelijk voor alle procedurestukken en de verslagen.
De advocaat dient zijn cliënt te adviseren, te vertegenwoordigen en te verdedigen.
Alle advocaten zijn lid van een orde, namelijk de balie. De balie is de groepering van advocaten die hun kantoor in een gerechtelijk arrondissement hebben gevestigd.
Aan het hoofd van de balie staat de stafhouder, hij waakt over de belangen van alle advocaten als van alle cliënten. De balie heeft de wettelijke plicht om de rechtshulp aan minvermogenden te organiseren, namelijk het pro Deo - systeem.
De stafhouder zorgt ervoor dat er een advocaat wordt aangesteld wanneer er niemand de verdediging van de betrokkenen op zich wilt nemen.
Het pro Deo - syteem wordt eveneens gehanteerd om de gerechtelijke bijstand aan minderjarigen te verzekeren. In de praktijk komt het erop neer dat in de meeste jeugdzaken de minderjarige bijgestaan wordt door een pro Deo advocaat.
Bij herstelbemiddeling betreft het steeds minderjarigen die een als misdrijf omschreven hebben gepleegd en waarbij slachtoffers vielen; op materieel, psychologisch en/of fysiek vlak.
Door de positie van de minderjarige worden ouders steeds betrokken in de herstelbemiddeling. Ouders zijn burgerlijk aansprakelijk voor de daden van hun kinderen en juridisch verantwoordelijk.
Bij welke feiten dient er gedacht te worden aan een herstelbemiddeling en bij welke feiten lijkt een herstelbemiddeling niet op zijn plaats? Theoretisch gezien zou onze samenleving kunnen evolueren naar een toestand waarbij voor eender welke feiten (dus van heel licht naar uiterst zware) een proces van herstel tussen slachtoffer en dader mogelijk is. Praktisch gezien lijkt het mij niet aangewezen om aan dader-slachtofferbemiddeling te doen bij elk misdrijf. Misdrijven waarbij dit volgens mij in het algemeen nog niet mogelijk lijkt zijn zedenfeiten, moord, en dergelijke. Wanneer de slachtoffers van dergelijke feiten zichzelf hiertoe in staat achten dan dient dit ingericht te worden en kan dit principieel niet geweigerd worden.
We merken op dat bemiddelingsdiensten tot op heden een dader-slachtofferbemiddeling organiseerden bij volgende delicten:
Het slachtoffer betreft een (meerderjarige of minderjarige) man of vrouw, die het slachtoffer werd van een misdrijf, gepleegd door een minderjarige dader. In rechtstermen spreekt men van een natuurlijk persoon.
Het kan echter ook gaan over een rechtspersoon, zoals een bedrijf, een vereniging, …
Deze diensten beschikken over professionele werkkrachten, die specifieke bemiddelingstechnieken onder de knie hebben. De ervaring van deze bemiddelaars wordt steeds uitgebreider door hun jaren van actief staan op het werkterrein.
In Brussel is de dienst voor herstelbemiddeling BAS!. Dit staat voor Brusselse Dienst voor Alternatieve Straffen. BAS! is als project erkend door de Afdeling Bijzondere Jeugdbijstand van de Vlaamse Gemeenschap alsook door de Vlaamse Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Voor de werking inzake herstelbemiddeling wordt BAS! indirect gesteund door het Ministerie van Justitie via een detachering vanuit de gemeente Machelen.
Het doelpubliek van het ‘Bemiddelingsburo’ van de v.z.w. BAS! zijn minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd. Hierbij kan het parket van de procureur des Konings afdeling “Gezin” te Brussel het ‘Bemiddelingsburo’ verzoeken om na te gaan of het proces van dader-slachtofferbemiddeling kan worden georganiseerd; ofwel kunnen minderjarigen die voor de jeugdrechtbank dienen te verschijnen beroep doen op het aanbod van het ‘Bemiddelingsburo’.
Het ‘Bemiddelingsburo’ organiseert, begeleidt en ondersteunt het communicatieproces tussen het slachtoffer, de minderjarige dader en diens ouders.
De bemiddeling heeft tot doel dat de betrokkenen tot een regeling of oplossing kunnen komen, die voor alle partijen aanvaardbaar is. Deze regeling of oplossing kan diverse vormen aannemen, namelijk het overbrengen van wederzijdse verhalen, direct via ontmoeting tussen dader en slachtoffer of indirect via de bemiddelaar, het financieel vergoeden van de schade, het in natura herstellen van de schade, het aanbieden van excuses, … of het vergoeden van de schade via een tussenkomst van het provinciaal vereffeningsfonds.
Gezinnen die een gezinspolis of een familiale verzekering hebben afgesloten bij een of andere verzekeraar, kunnen rekenen op een financiële tussenkomst van de verzekeraar wanneer hun kind materiële schade berokkende aan derden. Wanneer de verzekeraar bereidt is tussen te komen dan dienen de ouders enkel nog het franchisebedrag te betalen.
In de praktijk is het echter zo dat sommige verzekeraars niet steeds wensen tussen te komen wanneer een minderjarige schade berokkende.
In het KB van 12 januari 1984 staan de minimumvoorwaarden vastgelegd waaraan een gezinspolis dient te voldoen.
Wie is volgens dit KB verzekerd door een gezinspolis?
Waarvoor is men onder andere verzekerd ?
Het KB van 1984 werd aangepast en bepaald dat er een uitsluiting volgt voor verzekerden die de jaren des onderscheid hebben bereikt en die een schadegeval veroorzaken door grove schuld.
Wat er dan wel onder ‘de jaren des onderscheid’ en ‘grove schuld’ verstaan wordt is echter niet steeds even duidelijk. De verzekeraar dient te bepalen vanaf welke leeftijd een minderjarige niet gedekt wordt wanneer deze door grove schuld schade berokkende. Tevens dient de verzekeraar uit te stippelen wat hij onder grove fout allemaal verstaat.
Uiteindelijk is het de verzekeringnemer die bij het aangaan van een familiale verzekering bijzonder waakzaam dient te zijn en moet uitkijken waarvoor hij wel en niet verzekerd is.
Het vereffeningsfonds biedt de mogelijkheid aan minderjarigen om te komen tot een effectieve vereffening van de veroorzaakte schade aan het slachtoffer via het verrichten van prestaties.
De vergoeding wordt via het vereffeningsfonds uitbetaald volgens de gepresteerde uren. Dit bedrag komt niet in handen van de minderjarige terecht, maar gaat rechtsreeks (via een cheque op naam van het slachtoffer of via een overschrijving) naar de benadeelde als vergoeding voor de geleden schade.
De maximale prestatietijden worden vastgelegd per leeftijd en deze zien eruit als volgt :
Dit zijn de ondernemingen waar een minderjarige zijn prestatie, die wordt uitbetaald door het provinciaal vereffeningsfonds, kan vervullen.
Er is wel een voorwaarde verbonden aan de tewerkstelling van een minderjarige. De minderjarige mag geen arbeid verrichten die door een betaalde werkkracht vervult kan worden.
Mogelijke tewerkstellingsplaatsen zijn bijvoorbeeld een ziekenhuis, een dierenasiel, speelpleinen, enz..
Dankzij herstelbemiddeling kan het slachtoffer de dader confronteren met de mogelijke schade die diens daden veroorzaakten. Onder de begeleiding van een professionele (en dus opgeleide) bemiddelaar krijgt het slachtoffer de kans om zijn gevoelens zoals pijn, frustratie en woede te uitten ten aanzien van de dader.
In De Standaard van februari 2001 stelt Wendy Van Put, directrice Herstelbemiddeling en Hergo’s van Elegast, centrum voor jeugd en gezin, dat ‘in het klassieke rechtssysteem het slachtoffer wel rechten heeft, maar dat beperkt zich tot de financiële kant van de zaak.’
‘Veel slachtoffers zitten met vragen: waarom ik? Zie ik er dan zo kwetsbaar uit? Sta je er volgende week weer? Die vragen kunnen ze rechtstreeks aan de minderjarige stellen. Je neemt voor een stuk het gevoel van machteloosheid weg dat veel slachtoffers hebben. Het slachtoffer krijgt het gevoel dat hij opnieuw controle krijgt op wat er gebeurt.’
Ivo Aertsen vermeldt in Kultuurleven dat ‘slachtoffers willen begrijpen wat er gebeurd is en waarom. Ze willen dat de dader inziet welke de gevolgen waren en dat hij stappen zet om zijn verantwoordelijkheid op te nemen.’
Welke voordelen kan het slachtoffer nog ondervinden ?
Tijdens de herstelbemiddeling wordt de dader benaderd als persoonlijk verantwoordelijke. Hij krijgt gedurende de bemiddeling de kans om kennis te maken met het menselijke aspect van zijn daad.
Welke voordelen kan de dader nog ondervinden?
Herstelgerichte alternatieven voor de afhandeling van een misdrijf lijkt veel zinvoller dan het opsluiten van daders. Belastingbetalers kunnen heel wat geld sparen dankzij herstelgerichte alternatieven, daar er bespaart kan worden op gevangeniskosten, enzovoort.
Dankzij herstelgerichte alternatieven kan de gemeenschap het aanleren bevorderen van geweldloze technieken voor de afhandeling van conflicten.
Wanneer een minderjarige een als misdrijf omschreven feit pleegt, zal hij als eerste actor kennis maken met de gerechtelijke politie. Deze politie is belast met het opsporen van alle inbreuken op de wet van de jeugdbescherming.
De onderzoeksrechter zal aangesteld worden als leidinggevende bij het gerechtelijke onderzoek. De onderzoeksrechter moet informatie verzamelen zodat de waarheid aan het licht komt. Enkel hij mag een aanhoudingsbevel uitschrijven.
Wanneer de strafbare feiten ernstig genoeg bevonden worden, zal het parket of het openbaar ministerie, in naam van de maatschappij vorderen voor de jeugdrechtbank. De persoon verantwoordelijk voor het vorderen van een straf voor de jeugdrechtbank is de procureur des Konings.
De jeugdrechtbank is een onderdeel van de rechtbank van eerste aanleg. Ze bestaat uit één of meerdere kamers met een alleenzetelende jeugdrechter. In Brussel zijn er drie kamers (namelijk de 4e, de 9e en de 13e kamer).
Een minderjarige dader heeft recht op gerechtelijke bijstand. Veelal wordt deze bijstand verleent door een pro Deo advocaat. De advocaat dient zijn minderjarige cliënt te adviseren, te vertegenwoordigen en te verdedigen.
Wanneer de minderjarige dader ingaat op een herstelbemiddelingsvoorstel, dan zal deze herstelbemiddeling ingericht worden door een externe dienst, namelijk een bemiddelingsdienst. Concreet wordt in Brussel als bemiddelingsdienst het ‘Bemiddelingsburo’ van de v.z.w. BAS! gecontacteerd.
In een eerder hoofdstuk kwam reeds aan bod dat een minderjarige dader op meer dan één manier de door hem berokkende schade kan herstellen. Het slachtoffer kan op meerdere manieren een financiële schadevergoeding ontvangen.
Wanneer de ouders van de minderjarige dader een familiale verzekering afsloten, dan kan de verzekeraar de materiële schade terug betalen.
Als dit niet mogelijk is, dan kan de minderjarige dader een beroep doen het provinciaal vereffeningsfonds. Via dit fonds kan de minderjarige dader tewerkgesteld worden. De vergoeding voor de verrichte arbeid wordt door het fonds rechtstreeks uitbetaald aan het slachtoffer.
Voor de tewerkstelling van minderjarige daders doet het provinciaal vereffeningsfonds een beroep op een tewerkstellingsplaats. De minderjarige mag enkel arbeid verrichten die niet door een betaalde werkkracht vervult wordt.
Herstelbemiddeling heeft (hopelijk) één of meer positieve gevolgen voor de betrokken partijen. De rechtstreeks betrokken partijen zijn het slachtoffer, de minderjarige dader en de gemeenschap.
Dankzij herstelbemiddeling kan het slachtoffer de dader confronteren met zijn angsten, zijn pijn, zijn frustratie. Door deze interactie krijgen slachtoffers het gevoel dat ze betrokken worden bij de afhandeling van hun dossier.
De dader kan dankzij herstelbemiddeling zijn verantwoordelijk opnemen ten aanzien van zowel het slachtoffer als de maatschappij. Hij dient niet passief af te wachten tot wanneer de rechter een oordeel over hem velt.
Door middel van herstelgerichte initiatieven kunnen belastingsbetalers heel wat geld uitsparen, daar bijvoorbeeld de kosten van een opsluiting vermeden worden.
Een ander voordeel voor de gemeenschap vormt het aanleren van geweldloze technieken aan burgers. Dit voordeel zal volgens mij enkel zichtbaar worden op langere termijn en enkel wanneer herstelgerichte initiatieven de meest toegepaste manier vormen van gerechtelijk reageren op delinquentie.
Heel deze thesis kwam tot stand doordat ik vanuit mijn positie als stagiaire in aanraking kwam met herstelbemiddeling. Ik had heel wat vragen, die ik inmiddels probeerde te beantwoorden.
Het opzet van deze thesis zou niet geheel volbracht zijn als ik niet eens een kijkje zou nemen naar het werkterrein zelf. Want dankzij mensen uit de praktijk werden onze beleidsmakers wakker geschud. In dit hoofdstuk wens ik me toe te spitsen op hoe in het gerechtelijke arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde herstelbemiddeling concreet georganiseerd wordt. Waarom juist dit arrondissement en niet een ander? Omdat ik mijn stage deed te Brussel.
Herstelbemiddeling wordt op meerdere niveaus georganiseerd. De eerste mogelijkheid om als minderjarige dader kennis te maken met herstelbemiddeling is via het parket. De tweede mogelijkheid is via de jeugdrechtbank of concreter: via de consulent van de sociale dienst van de Vlaamse Gemeenschap bij de jeugdrechtbank.
In dit hoofdstuk zal ik nagaan op welke manier herstelbemiddeling voor minderjarigen georganiseerd wordt op jeugdrechtbankniveau. Ik zal niet ingaan op herstelbemiddeling op parketniveau, daar ik meen dat dit mij teveel zou afleiden van het hoofdopzet van deze thesis.
Wat op de hierna volgende bladzijden neer geschreven staat, is het resultaat van mijn observatie vanuit mijn stage en van informele informatie-uitwisselingen tussen BAS! en de sociale dienst.
Herstelbemiddeling op jeugdrechtbankniveau bestaat uit een proces waarbij verscheidene stappen elkaar opvolgen. De voornaamste stappen trachtte ik kernachtig en chronologisch weer te geven. Deze stappen zien eruit als volgt:
Eigenlijk kan men stellen dat dit zelfstandig contact opnemen vanwege de minderjarige met een bemiddelaar van BAS!, een test is om te achterhalen of de minderjarige uit eigen beweging wenst deel te nemen aan een herstelbemiddeling. Want de drempel is vrij hoog voor een minderjarige. Allereerst dient de minderjarige over de nodige moed te beschikken om zelfstandig een brief te schrijven of om de telefoon ter hand te nemen. Vervolgens vergt het ook heel wat moed om aan een wildvreemde te bekennen dat je een als misdrijf omschreven feit pleegde en om vervolgens ook nog eens de hulp van die wildvreemde te vragen.
Doorheen deze 17-delige procedure mogen alle partijen (slachtoffer en dader) steeds beroep doen op hun advocaat. De advocaat is het beste aangewezen voor het bieden van gerechtelijke informatie en om de voor- en nadelen voor de gerechtelijke afloop van het dossier op een rijtje te zetten.
De advocaat is normaal gezien niet aanwezig tijdens de gesprekken tussen de bemiddelaar en de minderjarige dader en/of het slachtoffer. Wanneer één van deze partijen hierom zou vragen mag dit niet geweigerd worden, denk ik. Want herstelbemiddeling is een vrijwillige verbintenis, waarbij alle partijen rechten hebben zoals de bijstand van een raadsheer (/vrouw).
Het vereffeningsfonds speelt een belangrijke rol voor minderjarigen die hun slachtoffers financieel wensen te vergoeden maar over onvoldoende middelen beschikken.
Dankzij het fonds kunnen zij effectief hun verantwoordelijkheid in eigen handen nemen en dienen zij niet te steunen op de hulp van hun ouders.
Wanneer jongeren gebruik maken van het fonds en gaan werken om de financiële schade te vergoeden, denk ik dat dit ten aanzien van hun ouders enkel positieve vruchten kan afwerpen. Ouders kunnen opmerken dat hun kinderen meer verantwoordelijkheid kunnen dragen dan voordien misschien gedacht werd.
Herstelbemiddeling wordt in het gerechtelijke arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde zowel op parketniveau als op jeugdrechtbankniveau aangeboden aan minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit pleegden.
Herstelbemiddeling wordt niet ingericht door de sociale dienst bij de jeugdrechtbank maar door een externe dienst. Op deze manier kan er geen belangvermenging optreden. In Brussel wordt het Bemiddelingsburo van de v.z.w. BAS! door een minderjarige gecontacteerd voor het organiseren van een herstelbemiddeling.
Aan de hand van een zeventiendelige procedure kan herstel tussen slachtoffer en minderjarige dader plaats vinden.
Mijn stage vervulde ik (zoals de lezer inmiddels wel weet) bij de sociale dienst. Vanuit deze positie kwam ik voor een eerste maal in contact met herstelbemiddeling. Sinds juni 2001 dient de consulent een herstelbemiddelingsvoorstel voor te leggen tijdens het eerste gesprek met een minderjarige die een als misdrijf omschreven feit pleegde,.
Zowel voor mezelf als voor de consulenten deed deze nieuwe taak heel wat vragen herrijzen. Om deze reden leek het me zinvol om in een apart hoofdstuk na te gaan wat de rol van een consulent bij sociale dienst kan inhouden met betrekking tot herstelbemiddeling.
Ik wilde ook wel eens te weten komen welke standpunten de consulenten van de sociale dienst van de Vlaamse Gemeenschap bij de jeugdrechtbank te Brussel omtrent herstelbemiddeling innemen. Hiertoe ondernam ik een informele bevraging. De antwoorden van de consulenten sluiten grotendeels aan elkaar aan. Hierdoor schreef ik enkel de voornaamste neer, in het tweede deel van dit hoofdstuk.
Nadat ik naging wat de concrete taken bij herstelbemiddeling voor een consulent zijn, maakte ik een kleine denkoefening. De grote vraag, die ik me stelde was: ‘Kunnen de taken inzake herstelbemiddeling uitgebreid worden?’ Mijn redenering hieromtrent is weergegeven in het derde onderdeel van dit hoofdstuk.
In het kader van het sociaal onderzoek wordt van de consulent verwacht dat de consulent de minderjarige op de hoogte brengt van de mogelijkheid van herstelbemiddeling. Het is de consulent die als eerste aan de minderjarige de voor- en nadelen van herstelbemiddeling uit de doeken kan doen. De consulent kan de minderjarige motiveren om deel te nemen aan herstelbemiddeling; dit mag echter niet leiden tot het onder dwang zetten van de minderjarige zodat deze zou deelnemen.
De consulent kan aan de jeugdrechter advies uitbrengen over de haalbaarheid van een herstelbemiddeling in een dossier. Bij de afweging kan de consulent zich door verscheidene elementen laten leiden, namelijk:
De consulent dient in het kader van het sociaal onderzoek advies uit te brengen over de mogelijkheid tot herstelbemiddeling. Wanneer de minderjarige een aanvraag indient bij de bemiddelingsdienst, dient de consulent dit mee te delen aan de jeugdrechter. De jeugdrechter dient vervolgens de bemiddelaar te mandateren tot het organiseren van een herstelbemiddeling. Dit kan niet via een beschikking omdat dan het vrijwillige karakter van de herstelbemiddeling in het gedrang komt.
Tijdens de herstelbemiddelingsprocedure is de consulent aangesteld in het kader van een navorsingsopdracht of een sociaal onderzoek. Het is op deze wijze dat de consulent de herstelbemiddelingsprocedure van op de zijlijn volgt en op geregelde tijdstippen contact houdt met de minderjarige, diens ouders, en de bemiddelaar. De consulent dient steeds verslag uit te brengen bij de jeugdrechter omtrent het functioneren van de minderjarige tijdens de procedure en omtrent het welbevinden van de minderjarige.
Voor de consulenten betekent herstelbemiddeling ‘bemiddelen tussen dader en slachtoffer om te zoeken naar een voor iedereen aanvaardbare wijze om het leed en de schade die worden toegebracht te herstellen’. En dit ‘op alle vlakken, onder andere: materieel, financieel en moreel vlak.’
De consulenten zien hun taak bij een herstelbemiddeling vooral als verslaggever naar de jeugdrechter toe en als informant tegenover minderjarigen. De consulenten, vinden het hun taak, om minderjarigen de mogelijkheid tot herstelbemiddeling aan te reiken en hen indien nodig te motiveren. De uiteindelijke beslissing dient bij de minderjarige te liggen. Dit is één van de redenen waarom de consulenten ervoor opteren om de herstelbemiddeling op de achtergrond te volgen. Volgens hen is het niet hun taak om herstelbemiddeling te organiseren daar ‘hun positie bij de jeugdrechtbank teveel verbonden is met die instantie en dus niet neutraal genoeg is naar de jongere en het slachtoffer toe’ . Tevens ‘heeft de consulent andere taken. De bemiddeling op zich moet uitgewerkt worden door een externe dienst’ .
Eén van de consulenten deelde me mee dat zij vindt dat ‘naar de jeugdrechtbank toe en ook naar de jongere die deze stap zet, dient de consulent zich te informeren naar het resultaat van de herstelbemiddeling en dient de consulent de jongere doorheen het proces aan te moedigen. De consulent dient tevens in te gaan op de verwerking ervan door de jongere’ .
Herstelbemiddeling dient in alle vrijwilligheid en in alle openheid ingericht te worden. Wanneer een consulent van de sociale dienst van de jeugdrechtbank een herstelbemiddeling zelf zou organiseren komt het principe van vrijwilligheid op de helling te staan want de consulent is te veel verbonden aan de gedwongen hulpverlening van de bijzondere jeugdbijstand. Een onafhankelijke of een externe bemiddelaar kan zelf bepalen wat hij rapporteert naar de jeugdrechter en de consulent toe. Een consulent echter beschikt niet over deze vrijheid. Een consulent wordt geacht vanwege de jeugdrechter om alles door te briefen.
Persoonlijk vind ik dat een consulent kan een belangrijke rol spelen inzake ondersteuning en motivering van en bij de minderjarige en zijn ouders.
Een bemiddelaar dient neutraal te blijven ten aanzien van alle betrokken partijen. Een consulent heeft geen contact met de slachtoffers van een als misdrijf omschreven feit hierdoor dient de consulent niet te waken over zijn eigen neutraliteit en kan hij als ondersteuningsfiguur voor minderjarigen fungeren.
Wanneer een minderjarige deelneemt aan een herstelbemiddeling denk ik dat de consulent vanuit zijn positie best in staat is om de minderjarige te ondersteunen en aan te moedigen. Hiertoe kan de consulent af en toe (ongeveer eens per maand of twee maal per maand en niet minimaal om de zes maanden) telefonisch contact opnemen met de minderjarige, met de ouders en met de bemiddelaar. Deze contacten hoeven trouwens niet zoveel tijd in beslag te nemen, gewoon wel genoeg tijd om de minderjarige te laten voelen dat de consulent hem steunt en dat de consulent er voor hem is wanneer hij iets kwijt wil.
Consulenten gaan gebukt onder een zware dossierlast. Toch meen ik te denken dat het geen tijdverlies (ten aanzien van andere dossiers) hoeft in te houden om van op de zijlijn betrokken te zijn en blijven bij een herstelbemiddeling. Ik vrees dat wanneer vanuit officiële zijde gesteld wordt dat de consulenten enkel informatie dienen te verstrekken tijdens het eerste contact en vervolgens enkel verslag dienen uit te brengen over de resultaten van een herstelbemiddeling. Dat sommige consulenten op het werkveld enkel sporadisch contact zullen opnemen met de minderjarige en diens ouders en met de bemiddelaar.
Ik meen dat dit zou een spijtige zaak zijn want een consulent kan op individueel niveau nog steeds een wereld van verschil uitmaken voor een minderjarige en zijn familie. Wanneer ook de consulent geen interesse meer toont in de minderjarige, kan dit voor hen leiden tot nogmaals de bevestiging dat officiële instanties, zoals het gerecht, niet geïnteresseerd zijn, en hen behandelen als de zoveelste in de rij. Voor mij is hier de specifieke rol van een consulent weggelegd.
In het kader van een sociaal onderzoek rapporteert de consulent over de herstelbemiddeling bij zijn cliënt. Door middel van deze navorsingsopdracht onderhoudt de consulent op geregelde tijdstippen contact met zowel de cliënt, de personen in zijn directe omgeving en de herstelbemiddelaar.
Een herstelbemiddelaar dient zich te houden aan drie principes, namelijk vrijwilligheid, vertrouwelijkheid en neutraliteit. Met andere woorden, wanneer de consulent van de sociale dienst een herstelbemiddeling zou organiseren, komt het principe van vrijwilligheid in het gedrang. Hierdoor wordt herstelbemiddeling beter uitbesteed aan een externe dienst, zoals BAS!.
Vanuit zijn positie als consulent bij de sociale dienst, heeft de consulent geen contact met de slachtoffers van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit plegen. De consulent zal wel een diepgaand contact onderhouden met zijn cliënt, waardoor er een vertrouwensrelatie tot stand komt. Vanuit deze welbepaalde positie, is het dus niet mogelijk om hiernaast een zelfde relatie te onderhouden met het slachtoffer, want de consulent dient immers de belangen van zijn eigen cliënt te vrijwaren.
Eveneens omwille van het voorgaande, wordt het duidelijk dat de consulent niet de rol van neutrale derde op zich kan nemen, wat een herstelbemiddelaar van een externe dienst wel kan.
De meer specifieke rol voor een consulent bij herstelbemiddeling lijkt volgens mij weggelegd te zijn in zijn ondersteuningsfunctie ten overstaande van zijn cliënt.
Als laatste onderdeel van deze thesis zou ik de lezer graag meenemen naar mijn eigen ervaringen met betrekking tot herstelbemiddeling.
Ik koos ervoor om twee cases uit te werken. Bij één case leek alles heel positief te verlopen, bij de tweede case daarentegen ondervond ik problemen. Het leek mij interessant om zowel een positieve als een negatieve ervaring aan bod te laten komen. Want niet alle herstelbemiddelingsvoorstellen worden met een positief antwoord verrijkt. Ik denk dat bij deze negatieve ervaring ook duidelijk weergegeven wordt waar de eigenlijke taak en verantwoordelijkheid van de consulent ligt.
Ik dien de lezer wel te waarschuwen. Daar mijn stage slechts vier maanden in beslag nam, kon ik spijtig genoeg niet de hele bemiddelingsprocedure volgen. Met andere woorden kon ik enkel weergeven wat ik zelf vanuit mijn positie als vrijwillig consulent meemaakte. Ik hoop dat de lezer van dit werk deze onvolkomenheid door de vingers kan zien.
Dirk is een jongen van dertien jaar oud. Hij werd naar de dienst verwezen wegens een als misdrijf omschreven feit.
Omwille van de volgende redenen kwam Dirk in aanmerking voor herstelbemiddeling:
Ik wens de stappen van het herstelbemiddelingsproces van Dirk (die ik van dichtbij meemaakte) op een zelfde wijze weer te geven als in hoofdstuk 5. Dit lijkt mij duidelijker naar de lezer toe. Per stap zal ik bijkomende uitleg verschaffen.
Vanuit mijn positie als consulent fungeerde ik naar de jeugdrechter toe als rapporteur over de stand van zaken van de bemiddeling. Na elk contact, hetzij rechtstreeks hetzij via de telefoon, bracht ik schriftelijk verslag uit bij de jeugdrechter. Hierdoor is de jeugdrechter in staat om elke fase van dichtbij op te volgen.
De volgende stappen werden tijdens mijn stage gezet:
Ik had ook informatie over het vereffeningsfonds meegenomen. Ik dacht immers, dat aangezien Dirk nog maar dertien jaar oud was, hij geen vakantiewerk kon uitoefenen en hierdoor niet in staat zou zijn om de financiële schade terug te betalen. Ik legde hem uit dat hij enkel bij het vereffeningsfonds zou terechtkunnen wanneer hij aan herstelbemiddeling deed.
Ik liet de nodige ruimte om vragen te stellen, waarvan Dirk gretig gebruik maakte. Wanneer hij meer specifieke uitleg vroeg, raadde ik hem aan contact op te nemen met een bemiddelaar van BAS!.
De bemiddelaar regelde een afspraak met Dirk om elkaar te leren kennen en om over de praktische kant van een herstelbemiddeling te spreken, in aanwezigheid van de ouders.
De slachtoffers hadden meegedeeld dat zij het initiatief uitgaande van de jongens enorm op prijs stelden en het hen een soort van gemoedsrust bracht.
De slachtoffers waren echter niet bereidt tot een rechtstreekse confrontatie met de minderjarige daders daar zij nog steeds te erg leden onder de feiten.
De slachtoffers deelden tevens mee dat zij financieel vergoed wilden worden voor de geleden materiële schade en dat zij een verontschuldiging zouden waarderen.
De bemiddelaar fungeerde als doorgeefluik voor de gevoelens en beweegredenen bij de betrokkenen.
Om deze reden alsook het feit dat zijn ouders het niet breed hebben, schreef Dirk een brief naar het vereffeningsfonds waarin hij meedeelde dat hij een als misdrijf omschreven feit pleegde en waarin hij de wens uitte om via het fonds aan werk te geraken.
Het probleem stelde zich dat Dirk diende te wachten tot wanneer het comité van het fonds een vergadering hield, alvorens hij wist of zijn vraag al dan niet positief beantwoord kon worden. De eerstkomende vergadering van de raad van het vereffeningsfonds was pas in februari 2002. De bemiddelaar vreesde dat wanneer Dirk zijn antwoord zou krijgen het reeds te laat zou zijn om in de krokusvakantie aan de slag te kunnen gaan. De bemiddelaar deelde me mee dat wanneer Dirk een positief antwoord zou krijgen er nog steeds een geschikte werkplaats diende gezocht en gevonden te worden. Dit zou dan ook voor een vertraging kunnen zorgen.
Dit is de laatste stap die ik kon meemaken tijdens mijn stageperiode.
Twee weken voor de krokusvakantie kreeg Dirk een positief antwoord van het fonds. Dirk mocht voor vijf dagen en voor maximum 38 uur via het vereffeningsfonds werken.
Vervolgens ging de bemiddelaar meteen op zoek naar een geschikte werkplaats. De enige voorwaarde of wens die Dirk had met betrekking tot een werkplaats was dat het niet te ver van zijn woonplaats mocht verwijderd zijn.
Met deze voorwaarde op zak vond de bemiddelaar vrij snel een geschikte werkplaats, die niet al te ver van de woonplaats van Dirk verwijderd lag. Tijdens de krokusvakantie ging Dirk gedurende vijf dagen aan de slag en kon op deze manier de slachtoffers vergoeden, zonder dat zijn ouders hiervoor moesten opdraaien.
Danny kreeg ook een positief antwoord op zijn vraag en mocht voor evenveel uren als Dirk gaan werken via het fonds. Danny stelde als voorwaarde ook dat de werkplaats niet te ver verwijderd mocht zijn van zijn woonplaats en dat hij met dieren wilde werken.
· Bespreking van mijn ervaringen bij de herstelbemiddelingsprocedure van Dirk:
Ik probeerde Dirk te steunen bij zijn inspanningen. Eveneens probeerde ik hem positief te benaderen en aan te moedigen. Vooral de moeder van Dirk had positieve ondersteuning nodig. Bij mijn eerste huisbezoek aan het gezin, had ik van de moeder vernomen dat zij haar zoon niet meer vertrouwde.
De initiatieven van Dirk tijdens de herstelbemiddeling hadden een positief effect op de relatie tussen moeder en zoon. De moeder als de vader kwamen oog in oog te staan met positieve vaardigheden bij hun zoon, die zij onder toedoen van de feiten uit het oog waren verloren.
De moeder van Dirk deelde me telefonisch mee dat zij heel tevreden was over de bemiddelaar alsook over de bemiddeling. Zij vertelde me dat zij trots op haar zoon was en dat zij voordien niet wist dat haar zoon zo zelfstandig kon zijn.
De moeder van Dirk was wel nog steeds bang dat haar zoon in de toekomst in de problemen zou komen. Ze zei dat ze wel beseft dat hij zijn les had geleerd maar dat ze de vrees niet van zich af kon zetten.
Deze vrees werkte de moeder niet meer rechtstreeks op Dirk uit. Waar dit voor de herstelbemiddeling wel rechtstreeks werd op hem werd uitgeoefend. De eerste maanden na de feiten was Dirk op huisarrest geplaatst vanwege zijn ouders en vooral door de moeder. Na drie maanden liet de moeder Dirk toe om eenmaal in de week te gaan zwemmen met een vriendje uit de buurt.
De vierde maand na de feiten mocht Dirk van zijn ouders weer buiten komen maar deze maal was het Dirk zelf die niet meer buiten wilde gaan spelen. Hij vreesde dat hij verantwoordelijk gesteld zou worden wanneer er iets in de buurt zou mislopen.
Vanuit mijn positie als consulent probeerde ik de moeder en Dirk te sterken en ook te motiveren om één of andere buitenhuise activiteit te ontwikkelen. Dirk ging zich vervolgens informeren over een jeugdbeweging in zijn buurt. Hij deelde me wel mee dat hij er tegenop zag om zich helemaal alleen aan te melden bij de jeugdbeweging. Zijn moeder repliceerde dat zij was gaan informeren bij de vader van Danny, zodat Dirk en Danny samen naar de jeugdbeweging konden gaan.
Bram is een veertienjarige die werd aangebracht voor een als misdrijf omschreven feit. Zijn broer Bruno is een jongen van twaalf jaar, die onder invloed van zijn broer meedeed aan de gepleegde feiten.
Zij kwamen beide in aanmerking voor herstelbemiddeling omdat:
Tijdens mijn stage periode werden de volgende stappen gezet inzake herstelbemiddeling:
Na deze stappen strandde mijn bemiddelingsvoorstel op een weigering om in te gaan op een herstelbemiddeling.
Na mijn eerste huisbezoek vermoedde ik dat Bram geen contact zou opnemen met BAS! want het ontbrak hem aan enige motivatie om zijn verantwoordelijkheid in eigen handen te nemen. Het leek alsof hij prefereerde te wachten tot het moment dat de jeugdrechter een beslissing zou nemen.
Ik had wel de indruk dat Bruno graag zijn verantwoordelijkheid opgenomen zou hebben. Ik vreesde enkel dat hij niet opgewassen was tegenover zijn broer. Tijdens een individueel contact met Bruno in diens school probeerde ik hem te sterken tegenover de invloed van zijn broer. Hij maakte me echter duidelijk dat hij de reactie van zijn broer vreesde en dat hij niet wenste in te gaan tegen zijn broer.
Tijdens het eerste huisbezoek peilde ik naar de ondersteuningsbereidheid van de ouders van de twee jongens. De ouders zijn hardwerkende mensen die niet veel vrije tijd overhouden. De vader van Bram en Bruno deelde me mee dat hij niet echt bereid was om zijn vrije tijd op te offeren om een communicatieproces op gang te brengen tussen zijn gezin en de slachtoffers.
Ongeveer een week na mijn eerste huisbezoek informeerde ik eens bij BAS! om te weten te komen of Bram of Bruno of beide contact hadden opgenomen maar de bemiddelaar beantwoorde me dat zij deze twee jongens niet kende.
Tijdens mijn tweede huisbezoek in het gezin peilde ik nogmaals naar de bereidheid tot deelname aan een herstelbemiddeling. Bram was nog steeds even ongeïnteresseerd als tijdens het eerste contact. Bram deelde me mee dat hij geen tijd had gevonden om de folder door te nemen.
Bij Bruno had er zich een verschuiving voorgedaan. Bruno was even ongeïnteresseerd geworden als zijn broer. De loyaliteit naar zijn broer toe had het gehaald van zijn schuldgevoelens naar het slachtoffer toe. Bruno had de folder vanwege BAS! doorgenomen en zei dat hij er nog over wilde nadenken.
Onder toedoen van deze twee replieken, achtte ik het raadzaam om niet meer over de mogelijkheid tot herstelbemiddeling te spreken want anders zou ik de jongens onder druk zetten tot deelname en dan zou de herstelbemiddeling gehypothekeerd worden.
· Bespreking van mijn ervaringen
Ik had meerdere malen contact met het gezin van Bruno en Bram omdat er een vermoeden was dat het hier een als misdrijf omschreven feit betreft onder toedoen van een problematische opvoedingssituatie. Hierdoor diende ik na te gaan welke hulpverlening het meest aangewezen was voor dit gezin.
Tijdens de schriftelijke informatie-uitwisseling naar de jeugdrechter toe, deelde ik mee dat Bram niet gemotiveerd was voor een herstelbemiddeling en Bruno niet meer gemotiveerd was onder toedoen van de loyaliteit naar zijn broer toe.
Daar het hier eerder een problematische opvoedingssituatie betreft werd geopteerd om op zoek te gaan naar een dagcentrum voor de opvang van Bram. Ik vermoed dat het gezin niet over genoeg draagkracht en ondersteuningszin beschikte om een opgelegde maatregel te dragen alsook vrijwillig een intensief bemiddelingsproces te volgen.
Door middel van het dagcentrum wordt het gezin gesteund en gesterkt inzake de opvoeding van de twee jongens. Bram krijgt schoolse ondersteuning alsook de mogelijkheid om zijn frustraties op een meer positieve manier te uitten en Bruno wordt verlost van de negatieve invloed van diens broer. Althans dit zijn de doelstellingen vanwege de sociale dienst.
Ik kan niet verder uitwijden over Bram en Bruno daar mijn stage eindigde op het moment dat Bram zijn eerste ervaringen opdeed in het dagcentrum.
Volgens mij was mijn rol inzake herstelbemiddeling (vanuit de positie als vrijwillig consulent) vooral van belang als ondersteuningsfactor naar zowel de minderjarige als de ouders toe.
Verder was mijn taak bij herstelbemiddeling weggelegd in het rapporteren naar de jeugdrechter toe. Ik probeerde steeds de positieve elementen aan te halen. Behalve wanneer dit niet zo was dan diende ik de waarheid te vermelden.
Wanneer een minderjarige een als misdrijf omschreven feit pleegt dan is het niet enkel het slachtoffer dat schade kan ondervinden. Doorheen mijn stage merkte ik meerdere malen dat ook de minderjarige in kwestie schade ondervind van zijn daden. Ik bemerkte een schokeffect bij mijn cliënten op. Zij werden geconfronteerd met de realiteit. Vooral bij hun eerste ervaringen met politiediensten. Ik hoorde meerdere malen dat de politie (in hun ogen) uitermate streng optrad wanneer zij iets mispeutert hadden. Meestal waren zij niet tevreden over het optreden van de politiediensten. In mijn ogen had dit optreden wel een positief effect. Namelijk dat de minderjarige (die ik begeleidde) zichzelf voornamen om niet meer dezelfde fouten te maken.
Niet enkel de minderjarige en het slachtoffer ondervinden schade aan het als misdrijf omschreven feit, ook de ouders van de jongeren in kwestie ervaren de nare kant. De ouders die ik leerde kennen, waren ontdaan door de feiten. Ook ongeloof speelde meestal een rol (Mijn zoon, die iets dergelijks veroorzaakt?!?). Sommige ouders waarmee ik in contact trad, waren bang dat de daden van hun kinderen zich zouden terugkaatsen naar zichzelf. Ik bedoel hiermee dat de ouders bang waren voor de reacties uit hun omgeving. Meestal liep het nieuws over hun kinderen als een lopend vuurtje doorheen de omgeving.
Omwille van voorgaande bemerkingen ben ik van mening dat herstelbemiddeling enkel iets positiefs toevoegt aan een negatieve ervaring. De minderjarige leert zichzelf beter kennen doorheen het proces. Hij leert ook nieuwe vormen van omgaan met mensen kennen.
Bij ouders worden strafgerichte omgangsvormen met hun kinderen geleidelijk omgezet in positieve herkenningsmomenten ten aanzien van hun kinderen. Voor ouders is het belangrijk dat een derde (zowel bemiddelaar als consulent) positieve elementen van hun kinderen onder woorden brengt. Ouders worden nagewezen door hun omgeving wanneer hun kinderen een fout begaan waarbij de jeugdrechtbank nodig was. Wanneer een consulent of een bemiddelaar (bijvoorbeeld) meedeelt dat zij verstelt staan van de verantwoordelijkheidszin van hun kind dan hebben de ouders iets om fier op te zijn. Ze ondervinden op deze manier steun en ontdekken dat zij niet gefaald hebben als ouder.