| Herman De Coninck | ||||||||||||||
| Najaar 17 Ik ben moe, ik heb vandaag je borst tien keer niet aangeraakt, lieve woorden niet gezegd, gedacht aan je nagels in mijn rug die een eeuwigheid achter mij ligt en waaruit ik vanmorgen ben opgestaan als uit een bed. Ik geloof niet dat ik het kan: niet van je houden. Drinken en je niet kunnen vergeten, dat kan ik. En iedere dag een beetje sterven, zodat het tenslotte slechts een koud kunstje wordt. |
||||||||||||||
| Met de Vedel 2 Al wat je bent geweest voor mij is weer voor jou alleen als een kasteel om in te wonen. Zetel in je glimlach, geef je over aan de uren als aan jonge prinsen om te feesten in de zaal van zeven dagen. Ga nu. Nevels waaien weg. Zoals verdriet uit een geheugen, het wordt klaar. Zonder herinnering is de oogopslag van de zon. |
||||||||||||||
| Verlanglijstje Geef mij niets en zeg: dat is alles. Geef mij mezelf, geef mij jou. Ik heb gezocht naar wist ik maar wat. Geef mij nu eindelijk wat ik altijd al had. |
||||||||||||||
| De lenige liefde 13 Gevoelens bewegen zich nonchalant in te grote woorden zoals wij in vlotte pulls, en wat ik voor je voel noem ik een uurtje later dan ook maar liefde. |
||||||||||||||
| Toekomst Weggaan. En terugkomen. Dromen. En niet meer dromen. En niet meer weggaan. En echte weemoed, niet om hoe het vroeger wasmaar om hoe het ook vroeger nooit is geweest. De herinnering aan wat nooit heeft bestaan. Ik steek nog even een sigaar niet op, drink nog even niet van een glas Marc, wacht nog even op wat ik heb, bedachtzamer. Want we hebben de tijd. Je bent in mij als schemer in de kamer. We hebben de verleden tijd. |
||||||||||||||
| Home | ||||||||||||||