door:
drs
W.A.J. van de Sanden
“Als er een orde der dingen
bestaat is ze van tijdelijke aard”
Oey Tjeng Sit
Zittend
op een grote zwerfkei voor zijn tent op een camping in Schotland keek Bart uit
over een beboste vallei. Hij had vacantie. De zon scheen, het was warm en bijna
windstil. Het was er rustig, slechts het geluid van kwinkelerende vogels was te
horen. De baby sliep in de tent achter hem. Bart keek uit over de vallei en
dacht: ‘Dit is mooi. Ik weet dat het mooi is maar ik voel het niet. Het dringt
niet tot me door’. Een gevoel van grote leegte overviel hem. Hij voelde zich
geïsoleerd van alles om hem heen, van de natuur, van zijn vrouw en kind, van
zijn verleden en van zijn toekomst. Enkele maanden voor de geboorte van zijn
dochtertje was hij zich anders gaan voelen en kreeg hij allerlei problemen. Het
ging steeds langer duren voordat hij insliep en ‘s morgens was hij weer vroeg
wakker. Het kostte hem moeite om zich te concentreren.Hij voelde zich onrustig,
kon moeilijk stilzitten. Hij werkte aan een verhaal dat maar niet vorderde. In
de afgelopen twee maanden had hij niet meer dan één alinea op papier gekregen.
Hij had een gevoel in zijn hoofd alsof er een klem opzat. Contacten met
vrienden en kennissen was hij gaan vermijden. Hij voelde zich schichtig, ging
op zijn werk collega’s ontlopen. Plannen die hij had om zijn huis te verbouwen
kwamen niet van de grond. Hij wilde er wel aan beginnen maar mistte de energie
ervoor. Hij voelde zich moe en piekerde aan een stuk door over de vertragingen
in de verbouwing, over zijn gevoel van onvrede betreffende zijn huwelijk en
over de problemen op zijn werk. Verschillende collega’s waren langdurig ziek en
Bart had een aantal taken moeten overnemen, terwijl hij het al druk had. Het contact
met zijn vrouw was verschraald tot routinematige uitwisselingen over praktische
zaken. Hij klaagde veel tegen haar over zijn dufheid, moeheid en over zijn
onvrede met het gedrag van zijn collega’s. Zijn vrouw vermeed het om in te gaan
op zijn geklaag, waardoor hij zich in de steek gelaten voelde. Wat ze nog wel
met elkaar deden waren lange moeizame gesprekken over hun relatie, ‘s avonds,
waarbij veel rode wijn werd gedronken. De gesprekken eindigden steevast zonder
ook maar een stap verder gekomen te zijn dan de avond ervoor. In bed lag hij te
woelen, kon niet stilliggen. Om de minuut keerde hij zich om. Hij voelde zich
geestelijk verlamd en ontevreden over zichzelf en zijn prestaties. Hij had zich
nog nooit zo eenzaam gevoeld. Bart was naar zijn huisarts gegaan die hem
slaappillen en een tranquillizer voorschreef. Hij had een onderwijsbaan en de
tranquillizer ontspande hem net genoeg om het eind van de werkdag te halen.
Bart
had gehoopt dat een vacantie samen de oplossing zou brengen. Dat de rust hem goed
zou doen en dat het een gelegenheid zou zijn om weer wat dichter bij elkaar te
komen. De afwezigheid van werkdruk gaf wel wat opluchting maar zijn diepe
somberheid was gebleven.
Terug
van vacantie is Bart naar zijn huisarts gegaan, die hem doorverwees naar de
afdeling volwassenen van de RIAGG. Daar werd hem verteld dat hij depressief was
en kreeg hij een behandeling aangeboden.
Zoals
bovenstaande geschiedenis laat zien, kunnen zich bij een depressie ernstige
individuele en interpersoonlijke problemen voordoen. Deze problemen verdwijnen
meestal niet vanzelf. Het is belangrijk dat ze vroegtijdig onderkend worden en
dat er adequaat op wordt gereageerd om te voorkomen dat ze verergeren en tot
rampzalige gevolgen leiden.
De
behandeling van een depressie met de zelfactiveringstherapie
(ZAT), is gericht op het bevorderen van veranderingen in bepaalde lichamelijke
en psychische hoedanigheden en in het handelen van mensen die depressief zijn,
of het risico lopen depressief te worden. Die veranderingen zullen naar
verwachting tot verbeteringen in het intra- en interpersoonlijk functioneren
van de persoon leiden, waardoor de symptomen en problemen verminderen,
verdwijnen en hopelijk wegblijven. De ZAT is een persoonsgerichte vorm van cognitief - interpersoonlijke therapie.
De
zelfactiveringstherapie is gebaseerd op een biopsychosociale
opvatting over wat depressie is, wat de kenmerken ervan zijn, wat de gevolgen
zijn en wat de betekenis ervan is voor degene die er mee kampt en wat die
persoon kan doen om er minder of geen last meer van te hebben.
Een
therapierelevante beschrijving van depressie geven is moeilijk. Dat komt omdat
een verschijnsel als depressie zeer complex is en naast objectieve kenmerken,
subjectieve aspecten heeft die niet rechtstreeks waarneembaar zijn. Ik zal de
objectieve en subjectieve aspecten respectievelijk de ‘buitenkant’ en de
‘binnenkant’ van depressie zal noemen. De ‘buitenkant’ is de kant van de
hulpverlener die er met een professionele blik naar kijkt en haar of zijn
waarnemingen probeert te ordenen. De ‘binnenkant’ is de - niet direct zichtbare
- kant van de cliënt en bestaat uit: a) de interne, persoonlijke ervaringen van
degene die depressief is, en b) de verborgen betekenis van het depressief-zijn
voor het leven van die persoon.
Hulpverleners
hanteren verschillende opvattingen over wat een depressie is en wanneer iemand
depressief is en hoe depressie moet worden beschreven, gecategoriseerd en
verklaard.
De
meest dominante stromingen in de geestelijke gezondheidszorg van dit moment
beschouwen depressie als een psychische stoornis of als een hersenziekte. In
Nederland spreekt men van affectieve stoornissen of stemmingsstoornissen. Een
definitie van ‘stoornis’ is gebrek aan orde (1). De term 'stoornis'impliceert
dus wanorde. Echter, is depressief-zijn wel zo wanordelijk?
Bij
depressie staat een bepaalde hoedanigheid van de stemming of het affect
centraal, zich uitend in langdurige somberheid en/of lusteloosheid. Daarnaast
kan een depressief persoon een scala van andere klachten en problemen - op
lichamelijk, cognitief, gedragsmatig en sociaal terrein - hebben die de
aandacht trekken. Die symptomen en klachten geven er aanleiding toe om
depressie als iets wanordelijks te beschouwen. Cliënten en hun omgeving hebben
er immers veel last van. Wat er op een bepaald niveau van analyse uitziet als
wanorde kan echter op een ander niveau een vorm van orde blijken te zijn. Want
vanuit een biopsychosociale gezichtshoek kan depressie namelijk opgevat worden
als een ‘spontane’ (onbewuste) manier om bepaalde problemen op te lossen (2) of
het hoofd te bieden, dus als een vorm van orde.
Onze
visie op aard en functie van depressie is bepalend voor onze houding tegenover
iemand die depressief is, en voor de keuze van maatregelen die we gewenst of
noodzakelijk vinden om een depressief persoon te helpen. Hoe we depressie
opvatten: als een ziekte, of als een psychische stoornis, of als een
noodzakelijke reactie op verstorende omstandigheden, heeft onderscheidbare
consequenties voor de bejegening en behandeling van de depressieve persoon.
Dat
er uiteenlopende visies bestaan hangt samen met het gegeven dat depressie een
complex verschijnsel is en zich op verschillende manieren aan ons voordoet. Het
heeft primaire kenmerken en effecten
die zich afspelen op het nivo van interactie, van denken, van gevoel en emotie
en van het lichaam. Daarbij werken de verschillende effecten op elkaar in
waardoor secundaire effecten
ontstaan, die niet direct tot oorzaken zijn terug te voeren. Depressie is
dientengevolge moeilijk af te grenzen en te specificeren. Wat het erg
ingewikkeld maakt om er specifieke uitspraken over te doen of er specifieke
oplossingen voor te bedenken.
Waarnemen
is selectief. Wat we waarnemen wordt in sterke mate bepaald door de begrippen
die we gebruiken om de werkelijkheid te ordenen. Onze ordening is vervolgens
sterk bepalend voor wat we doen. Wanneer de begrippen die we gebruiken bij het
beschrijven en verklaren van menselijke problematiek onduidelijk of
dubbelzinnig zijn, draagt dat bij aan de moeite die het ons kost om greep te
krijgen op die problematiek. Het begrip: ‘psychische stoornis’ is zo’n
dubbelzinnig begrip. Depressie is volgens het internationaal gebruikte
Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, de DSM-IV een psychische
stoornis (mental disorder). In de introductie van dat handboek wordt deze
typering weliswaar genuanceerd door de toelichting dat: “er veel ‘lichamelijks’
is in ‘psychische stoornissen’ en veel ‘psychisch’ in ‘lichamelijke kwalen’ “
(3). De samenstellers geven toe dat: “het begrip psychische stoornis, zoals
veel andere concepten in de geneeskunde en wetenschap, een consistente
operationele definitie mist die alle situaties dekt.”
Een
psychische stoornis wordt in de DSM-IV opgevat als een klinisch significant,
gedragsmatig of psychologisch syndroom of patroon, dat zich in een individu
voordoet en geassocieerd is met aanwezige benardheid (bijvoorbeeld een pijnlijk
symptoom) of onbekwaamheid (bijvoorbeeld, minder goed functioneren thuis of op
het werk) of met een betekenisvolle toename van het risico om pijn te lijden,
gehandicapt te raken of te overlijden. De nadruk ligt dus op het psychologische
karakter van een ‘stoornis’. Het is echter praktijk in de huidige geestelijke
gezondheidszorg om gesteldheden zoals depressie als een ziekte, dus als een
biologische toestand te beschouwen (4). Een depressie wordt in die oriëntatie
verondersteld een hersenziekte zijn (5). Dat zou onder andere suggereren dat
psyche en hersenen identiek zijn of samenvallen. Die gelijkstelling is echter
aanvechtbaar.
‘Psyche’
of ‘geest’ verwijst naar innerlijke ervaringen, processen en structuren, zoals:
gedachten, gevoelens, hartstochten, neigingen, geweten en bewustzijn. We hebben
allemaal innerlijke ervaringen, maar wat dat ‘innerlijk’ ofwel de ‘psyche’
precies is, waar dat gelocaliseerd is en hoe dat tot stand komt, daar zijn we
nog niet lang niet uit.
Een
van de manieren om het speculeren over onzichtbare, innerlijke gebeurtenissen
te vermijden is het zoeken naar verbanden tussen zichtbare of meetbare
aspecten. “Weten is meten’ zeggen de aanhangers van die benadering. Medici
richten zich daarbij vooral op het objectief vaststellen van de biologische
aspecten van depressie, terwijl psychologen zich voornamelijk met het
waarneembare (denk)gedrag bezig houden. Deze voorzichtige oplossingen voor het
probleem van de psyche hebben ook nadelen.
Elke
keuze voor een invalshoek brengt naast voordelen ook beperkingen. Het verschil
in oriëntatie tussen psychologen en medici draagt bij aan de verwarring in de
geestelijke gezondheidszorg. Want als depressie een biologisch fenomeen is,
ligt het voor de hand om zich te beperken tot het voorschrijven van medicijnen
of een andere biologische therapie. Wanneer depressie echter als een
gedragsprobleem wordt beschouwd, dan zal er eerder aan een psychologische
therapie worden gedacht. Daarbij is het van belang om te benadrukken dat het
zich richten op ‘meetbare’ factoren zoals ‘gedrag’, een heleboel wezenlijke
aspecten van het menszijn die wat minder makkelijk te achterhalen zijn,
wegfiltert. Hulpverleners noch cliënten zijn daarmee gebaat. Het vermindert namelijk
de effectiviteit van het therapeutisch handelen doordat dat in veel gevallen
niet goed aansluit bij de capaciteiten en belangen van de individuele cliënt.
Het verschijnsel dat we ‘weerstand tegen verandering’ noemen is een voorbeeld
van iets dat voortvloeit uit een gebrekkige aansluiting van de visie van de
hulpverlener bij de realiteit van de cliënt.
De
nadruk op zichtbaar gedrag of op het biologische van een aandoening maakt dat
de persoonlijke betekenis en functie van wat er aan de hand is met de cliënt
buiten beschouwing blijft. Terwijl er redenen zijn voor een depressie. Die
redenen worden duidelijk wanneer alle van invloed zijnde ervaringen en
processen aan het licht zijn gekomen. Een depressie kan bijvoorbeeld een
belangrijke rol spelen in de aanpassing van een persoon aan haar of zijn
omgeving.
Wordt
depressie benaderd als een ziekte dan beperkt dat de ruimte voor de cliënt - in
dat geval patiënt - om zelf actie te ondernemen en verbetering te brengen in
zijn of haar situatie. De cliënt wordt dan iemand die afhankelijk is van de
arts en overgeleverd is aan de eigen lichamelijke processen.
In
beide oriëntaties wordt overigens de rol die de omgeving speelt bij het
totstand komen of in stand houden van lichamelijke of psychische syndromen en
symptomen, onderschat. (Een voorbeeld van de invloed van de omgeving is een te
grote bezorgdheid van de partner, waardoor de cliënt teveel in de ziekterol
blijft hangen.)
Ook
de nadruk op het dysfunctionele, op de onvolwaardigheid van de depressieve
cliënt is contra-productief. Depressief-zijn kan nochtans onder bepaalde
omstandigheden de beste oplossing voor ernstige problemen zijn (6) en daarmee
een vorm van competentie.
De
hiervoor genoemde onduidelijkheden zijn terug te voeren op het lichaam-geest
probleem. Hoewel iedreen het erover eens is dat het dualisme van Descartes
achterhaald is, blijkt in de praktijk dat het niet makkelijk is om er van los
te komen. In de geestelijke gezondheidszorg is de eenzijdige lichamelijke of
psychologische oriëntatie nog nadrukkelijk aanwezig.
Er
zijn onderzoekers en hulpverleners die het lichaam, in casu de hersenen, als
controlecentrum van het menselijk functioneren zien, terwijl weer anderen er
van uitgaan dat de psyche, de geest, ‘the mind’, de centrale post is. De geest
wordt opgevat als de niet-fysieke manifestatie van het brein: “Mind is the
expression of the activity of the brain”, zegt Nancy Andreasen in een recent
artikel in Science (5). Een mens is echter meer dan haar hersenen. Ik denk dat
het dichter bij de waarheid is om er van uit te gaan dat de geest de
uitdrukking is van de totale mens in dynamische wisselwerking met diens
omgeving.
Steeds
meer (psycho-)therapeuten, artsen en onderzoekers geloven in een nauwe
samenhang tussen lichaam en geest en een daarmee in overeenstemming zijnde
diagnostiek en behandeling. Daaronder zijn de voorstanders van het ‘twee-sporen
beleid’ bij depressieve symptomen: praten en pillen. Ook de rol van de omgeving
wordt steeds meer serieus genomen, mede omdat onderzoek aantoont dat
omstandigheden en interpersoonlijke relaties een belangrijke rol spelen bij
ontstaan en instandhouding van depressie.
Ik
ga er van uit dat lichaam en geest als een eenheid kunnen worden opgevat.
Lichaam en geest zijn fundamenteel onscheidbaar en in wisselwerking met de
omgeving. Depressie is in deze
biopsychosociale visie een functie van de eenheid lichaam/geest in interactie
met de sociale en materiële omgeving. Waarbij de tijd ook een rol speelt.
Dat houdt onder meer in dat ik behalve aan de waarneembare aspecten van
depressie veel aandacht zal besteden aan de procesmatige kanten ervan.
Wanneer
het in de tekst van belang is om het persoonlijke en procesmatige karakter van
depressie te benadrukken zal ik de omschrijving depressief-zijn gebruiken. De term ‘depressie’ of
‘stemmingsstoornis’ heeft betrekking op de klasse van klinisch waarneembare
verschijnselen.
Voor
een goed begrip van de gedachtengang, hier een korte inleiding in de manier
waarop de voor het begrijpen van depressie ( en andere ‘psychopathologie’) van
belang zijnde kennis kan worden geordend.
We
kunnen drie relevante kennisdomeinen onderscheiden: objectiverende, contextuele
en actieve kennis.
Dit
type kennis wordt afgeleid door middel van constructies die onafhankelijk zijn
van degene (cliënt; patiënt) die wordt geobserveerd. Daarmee doel ik op het
product van gestandaardiseerde opvattingen, theorieën, modellen, diagnostische
systemen, instrumenten, herhaalbare procedures waarmee gegevens worden
verzameld en geordend. Deze kennis heeft betrekking op verifieerbare
waarnemingen en niet op subjectieve processen.
De
uitkomst van dit type kennis is geldig op het moment van waarneming en in het
perspectief van het aangewende systeem van opvattingen.
Voorbeelden:
“Zijn lichaamstemperatuur is 37 graden Celcius”; “Deze patiënt heeft een
borderline persoonlijkheidsstoornis volgens de criteria van de DSM-IV”;
“Depressie is een psychische stoornis volgens het biopsychische model”.
Inzichten
voortvloeiend uit visies waarin:
-
de afhankelijkheid van het waargenomene en de waarnemer centraal staat;
-
het persoonsgebonden aspect (de subjectiviteit) van individuele ervaringen
onderkent wordt;
-
de wederkerige samenhang van individuele ervaringen met gebeurtenissen in de
omgeving een rol speelt.
Deze
kennis plaatst gebeurtenissen in een tijd-ruimtelijke context. Het zijn
interactionele, interpersoonlijke, systeemtheoretische of cybernetische[1]
beschrijvingen van situaties en gebeurtenissen. Dit type kennis is essentieel
voor therapie. Therapie is immers een interactioneel proces dat gaat over de
wisselwerking tussen de cliënt en diens omgeving.
Voorbeelden
van contextuele kennis: “De ernst van het depressief-zijn, hangt onder meer af
van de persoonlijke betekenisgeving van de persoon en van de manier waarop hij
of zij de reacties van de omgeving ervaart”; “Persoonlijke betekenisgeving
wordt voor een deel bepaald door iemands culturele achtergrond, sexespecifieke
factoren en ervaringen in het verleden”; “De reacties van relevante anderen
kunnen de somberheid versterken”.
III
ACTIEVE KENNIS: Kennis ingebouwd in de biopsychische structuur van de mens.
Kunnen handelen. Spontane (onbewuste) processen die onafhankelijk zijn van de
waarnemer. Iets ‘kunnen doen’, dat wil zeggen: optimaal kunnen functioneren
binnen de omgeving zoals die op een persoon inwerkt. Voorbeelden:
spijsvertering, aanpassing, zelfhandhaving, groei, zelforganisatie. Dit is het
type kennis dat we proberen om te zetten in objectiverende of contextuele
kennis.
De
organisatie van deze tekst is gebaseerd op deze kennisindeling. De ‘buitenkant’
van depressie heeft betrekking op objectiverende en voor een deel op
contextuele kennis. De ‘binnenkant’ van depressie gaat over contextuele en
actieve kennis.
Ik
heb me afgevraagd hoe we het probleem van de onbepaalbaarheid van innerlijke
gebeurtenissen kunnen omzeilen zonder die processen te ontkennen of te negeren.
De oplossing ligt, denk ik, in het uitganspunt dat alle afzonderlijke aspecten
van lichaam, geest en de waargenomen omgeving een functionele wederkerige
samenhang hebben met elkaar en met het geheel. Dat houdt in dat processen die
in afzonderlijke deelaspecten plaatsvinden overeen moeten stemmen met wat er in
andere delen gebeurt en met de mens als geheel en dat er een betekenisvolle
wisselwerking is tussen die deelaspecten.
Schijnbaar
afzonderlijke aspecten zoals waarneming, gedrag, denkpatronen, lichamelijke
processen en stemming brengen elkaar wederkerig tot stand en ontlenen hun
betekenis aan hun onderlinge relaties en aan de gehele mens. Processen zijn dus
belangrijker dan de exacte toestand van afzonderlijke deelaspecten.
Bijvoorbeeld:
Veranderingen in psychische aspecten, zoals gevoelens en emoties,
corresponderen wederkerig met veranderingen op een lichamelijk niveau zoals
vernauwing van bloedvaten of verhoogde spierspanning. Veranderingen in
gevoelens en emoties worden uitgelokt door de waarneming van gebeurtenissen die
betekenis hebben voor de persoon: een norse houding van een chef wordt als
stressvol worden ervaren door een werknemer. Dat gaat gepaard met een
emotionele reactie die via een aantal stappen tot een verhoging van de
bloeddruk leidt. Vervolgens kan de verhoging van de bloeddruk prikkelbaar
gedrag ten gevolge hebben waarop mensen in de omgeving van de persoon negatief
reageren. Wat tot resultaat heeft dat zij zich afgewezen voelt en nog meer
gespannen raakt.
Veranderingen
in de bloeddruk hangen samen met veranderingen in het hartritme, met
activiteiten van het sympathische systeem en van de nieren en met de weerstand
in de bloedvaten. Enzovoorts.
Alle
veranderingen worden begrensd door terugkoppelingsmechanismen die ervoor zorgen
dat het organisme als geheel zodanig blijft functioneren dat het zichzelf
handhaaft. De mate van zelfhandhaving wordt begrensd door de mogelijkheden die
de omgeving biedt (zuurstof, voedsel, genegenheid, zorg, etcetera).
Er
is een interne dynamiek die functioneel verbonden is met een externe dynamiek.
Daaruit vloeit voort dat afzonderlijke symptomen of gedragingen ook al lijken
ze onlogisch en schadelijk, toch ten dienste staan van het geheel en daarin een
noodzakelijke rol vervullen. Het betekent ook dat die schijnbaar afzonderlijke
gedragingen en symptomen in de behandeling, niet afzonderlijk maar in hun
samenhang met andere deelaspecten en het geheel moeten worden begrepen en
benaderd. Dat kan - onder andere - door in het contact met de cliënt het
uitgangspunt te hanteren, dat alles wat op het eerste gezicht wanordelijk lijkt
in wat deze doet toch een goede reden heeft, tenzij er onomstotelijk vaststaat
dat symptomen voortvloeien uit een onmiskenbaar gebrek of beschadiging (zoals
bij vitamine B12 deficiëntie, of een hersentumor).
In
het verlengde van het zojuist geformuleerde uitgangspunt, kunnen we depressieve
symptomen of een depressief syndroom zien als de uiting - de buitenkant - van
een dynamisch proces, dat doel en betekenis heeft voor iemand in diens zeer
persoonlijke leefwereld. Anders gezegd: behalve dat depressief-zijn pijnlijk en
riskant is, is er ook een goede reden voor. (Met deze bewering wil ik overigens
niet ontkennen dat er vanuit een objectief standpunt gezien geen betere
oplossingen voor de problemen van de cliënt zijn te bedenken.)
Als
waarnemers zien we middels onze objectiverende constructies de buitenkant. We
zien ontregeling, wanorde: een stoornis. Van binnenuit - op grond van
contextuele overwegingen - geanalyseerd, is depressief-zijn echter geen
wanorde, maar een individuele vorm van orde: uiting van actieve kennis binnen
de persoonlijke context. Die context bestaat uit alle factoren en
omstandigheden die betrokken zijn bij het ontstaan of voortbestaan van de
depressie.
De
vooronderstelling dat depressie een rol speelt in de aanpassing aan
omstandigheden, sluit aan bij het adaptatie-stress
model van Selye en moderne natuurwetenschappelijke theorieën zoals de
Chaos-theorie en de Zelforganisatietheorie (zie hoofdstuk 8 ). Deze zienswijze
heeft fundamentele consequenties voor de bejegening van degene die
depressief-is en biedt nieuwe mogelijkheden voor de hulpverlening. Wanneer de
hulpverlener depressie benadert als de uiting van een persoonlijke vorm van
orde vloeit daar een waarderende en gelijkwaardige, cliëntgerichte houding uit
voort. Dat maakt het makkelijker om oog te hebben voor de positieve kanten van
het depressief-zijn en voor de capaciteiten van de cliënt. Deze houding zal
tegelijk emancipatorisch en neutraal zijn ten aanzien van sexe en cultuur,
omdat het de subjectiviteit van de depressieve persoon centraal stelt en niet
een stelsel van normen over wat normaal of abnormaal, goed of fout is.
Mijn
visie op depressie is dus duaal : depressie is tegelijkertijd wanorde en orde:
lijden en zinvolle actie. Wanorde, in het oog van de waarnemer (en dat kan ook
de cliënt zelf zijn) en orde, op het niveau van de zelfhandhaving van de
cliënt. Een duale interpretatie komt dus neer op een dubbele verklaring van
verschijnselen, waarbij beide verklaringen elkaar aanvullen en ondersteunen.
Het resultaat van wat we van buiten af waarnemen en interpreteren zoals een
formele DSM-IV classificatie, wordt aangevuld met een analyse van de interne individuele
dynamiek van het depressief-zijn.
Depressie
is dus enerzijds verstoring en verstorend, in die zin dat de persoon lijdt en
last heeft van het depressief-zijn en daarom erkenning en hulp nodig heeft, en
anderzijds competentie: een spontane manier om bepaalde problemen - op langere
termijn - op te lossen.
Wanneer
ons doel therapie is, is het effectiever om depressief -zijn te benaderen als
een vorm van (nog te verklaren) orde. We moeten dan gaan zoeken naar de
individuele redenen (op een meestal niet-bewust niveau) voor de klachten en
symptomen. Die benadering heeft een strategische functie. Door depressie te
beschouwen als een voor die cliënt op dat moment zinvol, hoewel pijnlijk
proces, sluiten we meer aan bij diens individualiteit en waarderen zijn of haar
inspanning of lijden positief. Het ontheft de cliënt van de schaamte of
schuldgevoelens die vaak verbetering in de weg staan en mobiliseert eigen
kracht.
In
het begin van een behandeling van een milde of matige depressie, zal ik tegen
de cliënt zeggen dat er een goede reden moet zijn voor het feit dat hij of zij
nu depressief is. Daarmee worden de problemen van de cliënt ontdaan van de
context van mislukking, falen, eigen schuld, onvolwaardig zijn en worden de
klachten in een functioneel kader geplaatst dat onderzocht kan worden.
Vervolgens ga ik samen met de cliënt op zoek naar die redenen door vragen te
stellen over somatische gebeurtenissen, de voorgeschiedenis, eigen belevingen
en ervaringen, omstandigheden, betrokken personen, de manier waarop hij of zij
waarneemt en interpreteert, totdat er een compleet beeld ontstaat waar het
depressief-zijn in past. Daarbij geef ik aanwijzingen over hoe in het acute
stadium van een depressie te handelen.
In
het vervolg van de therapie houden we ons bezig met:
-
het zoeken naar alternatieve - niet depressieve - oplossingen voor problemen;
-
het neutraliseren van negatieve effecten van de aandoening;
-
het bevorderen van adequatere manieren van omgaan met zichzelf en met de
omgeving;
-
het mobiliseren van sterke kanten, en
-
het op gang brengen van persoonlijke ontwikkeling naar een autonomer
functioneren.
Depressie
(of stemmingsstoornis) is de aanduiding van een combinatie van waargenomen
symptomen, welke langere tijd voortduren en negatieve gevolgen hebben voor het
welbevinden en het functioneren van een persoon ondermijnen. De hoofdsymptomen
zijn somberheid en/of lusteloosheid respectievelijk verlies aan interesse.
Daarnaast kan een scala van andere symptomen, problemen en belemmeringen
geconstateerd worden zoals moeheid, slaapproblemen, concentratieverlies,
werkverzuim, etcetera. Depressie onderscheidt zich van ‘normale’ somberheid
door de duur van de symptomen.
Depressief-zijn
is het hebben van depressie-symptomen met de ermee samenhangende positieve en
negatieve gevolgen. Het is een proces met cognitieve, affectieve, actieve,
sociale en lichamelijke consequenties die op elkaar inwerken en elkaar kunnen
versterken of verminderen en heeft een adaptieve functie.
Het
fenomeen depressie kan op twee - elkaar aanvullende - manieren geanalyseerd
worden:
1
Extern (therapeutgericht: de buitenkant, nomothetisch): de objectief
waarneembare aspecten zoals symptomen, klachten, gedrag, omstandigheden,
voorgeschiedenis, verloop.
2
Intern (cliëntgericht: de binnenkant, idiografisch): de persoonlijke,
subjectieve aspecten. Beleving, betekenis en proces (wat doet de depressie op
korte en langere termijn voor die persoon?).
Consensus
over depressie: Richtlijnen voor diagnostiek en behandeling
Net
zo als in de natuurwetenschappen streeft men in de geestelijke gezondheidszorg
naar een objectivering van kennis en naar overeenstemming over de inhoud ervan.
Zoals hiervoor geschetst, maakt het deels subjectieve karakter van het
menselijk functioneren dat nogal moeilijk. De onderwerpen van de
natuurwetenschappen zoals scheikundige elementen of planten zijn nu eenmaal
makkelijker in een formele ordening onder te brengen. Ze bezitten relatief
constante kenmerken die het mogelijk maken waarneembare of meetbare verschillen
als basis te nemen voor categorisering. Bij mensen is meten niet altijd weten,
hoe graag we dat ook zouden willen. Elke vorm van meten en categoriseren van
menselijk handelen leidt onvermijdelijk tot vereenvoudiging en houdt het risico
van reïficatie in, dat wil zeggen: de vereenvoudiging kan worden aangezien voor
de werkelijkheid en als zodanig worden toegepast. Het is daarom belangrijk om
elke ordening van menselijke fenomenen als een hulpmiddel te blijven beschouwen
en de gevonden categorieën niet als een exacte weergave van de werkelijkheid te
zien.
In
de GGZ wordt de objectiviteit zo dicht mogelijk benaderd door
consensusdocumenten op te stellen. Dat wil zeggen dat een aantal deskundigen
met elkaar tot overeenstemming proberen te komen over wat op dit moment geldige
kennis is. Zij baseren zich daarbij onder andere op de resultaten van
wetenschappelijk onderzoek. De teksten die daaruit ontstaan worden geformuleerd
als richtlijnen voor diagnostiek en hulpverlening.
In
de afgelopen jaren zijn er - nationaal en internationaal - verschillende
samenvattende richtlijnen gepubliceerd waarin de stand van zaken met betrekking
tot depressie is weergegeven. Dat zijn onder meer:
American Psychiatric Association (1989). Treatment of
Psychiatric Disorders. Volume III. Mood disorders, en: Treatment of specific
Subdisorders and Personality Disorders;
Paykell, E.S. & Priest, R.G. (1992). Recognition
and management of depression in general practice: consensus statement. British
Medical Journal, 305, 1198-1202.
American Psychiatric Association (1993). Practice
Guideline for Major Depressive Disorder in Adults. The American Journal of
Psychiatry, 151, (12), supplement.
Depression Guideline Panel (1993). Depression in
Primary Care: Volume I, Detection and Diagnosis, en: Volume II, Treatment of
Major Depression. Agency for Health Care Policy and Research. Rockville,
Maryland.
American Psychiatric Association (1994). Diagnostic
and Statistical Manual of Mental Disorders. 4th Edition (DSM-IV) (3; 8).
American Psychiatric Association (1994). DSM-IV
Desktop. Mood Disorders.
American Psychiatric Association (1995). DSM-IV -
Primary Care version. In Nederland vertaald als: DSM-IV Patiëntenzorg.
(10).
Centraal
Begeleidingsorgaan voor de Intercollegiale Toetsing (CBO). Depressie bij
volwassenen. Resultaat van een consensusbijeenkomst gehouden op vrijdag 16
september 1994 (14). Deze consensusbijeenkomst was onder andere georganiseerd
door de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie, het Nederlands
Huisartsengenootschap en het Nederlands Instituut voor Psychologen. Dit
document vat de consensus van de deelnemers aan de bijeenkomst ten aan zien van
diagnostiek en behandeling van depressieve stoornissen samen. In het vervolg
van de tekst zal ik naar dit document verwijzen als: CBO-richtlijn.
Nederlands
Huisartsen Genootschap (1994). NHG-Standaard Depressie. Huisarts en Wetenschap,
37, 482-490.
Werkgroep
Consensus en Protocollering Psychotherapie bij Depressie (1997). Richtlijnen
voor de psychotherapeutische behandeling van depressie. Utrecht: Nederlndse
Vereniging voor Psychotherapie.
Het
algemeen gebruikte systeem om ‘psychische stoornissen’ vast te stellen en in te
delen, is de DSM-IV ( Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders,
4th edition). De DSM-IV klassering is verenigbaar met de ICD-10, het
internationale classificatiesysteem van ziekten van de World Health
Organization en met de ICHPPC (International Classification of Health Problems
in Primary Care). De DSM-IV categorie waarin de symptomen van een cliënt
(patiënt) passen, bijvoorbeeld: ‘depressieve stoornis’, wordt soms abusievelijk
gehanteerd als diagnose en als vaststelling van een psychiatrische ziekte. Het
is echter niet meer dan een (voorlopige) ordening van waarnemingsgegevens en in
die zin een fase in de diagnostiek.
De
DSM-IV onderscheidt verschillende categorieën van depressie op grond van ernst,
aantal en aard van de symptomen. De DSM-IV indeling is vooral van belang voor
het coördineren van professioneel handelen zoals bij overleg, verwijzingen en
onderzoek, en ook voor administratieve doeleinden.
Indeling
in een klasse van de DSM-IV geeft onvoldoende houvast voor het bepalen van een
gedetailleerd behandelplan (9) hoewel er wel pogingen gedaan worden om
behandelvormen aan DSM-IV diagnoses te koppelen[1]. De DSM-IV kan echter
van dienst zijn bij het inventariseren van symptomen en kenmerken van een
cliënt of patiënt op grond waarvan globale beslissingen genomen kunnen worden
en onderzoek kan worden gedaan.
Omdat
dit systeem algemeen gebruikt wordt in de Nederlandse instellingen voor
geestelijke gezondheidszorg, zal in dit boek de DSM-IV categorisering van
depressie en de meerassige indeling van overige gegevens daarbij zoveel
mogelijk gevolgd worden.
Het
is onmogelijk om in alle aspecten van de DSM-IV in detail te bespreken. Ik zal
me beperken tot een kort overzicht van de structuur van het systeem en van de
verschillende depressieve syndromen. Voor meer informatie zij verwezen naar de
betreffende handboeken (7; 8; 10)
De
classificatie en beoordeling van een aandoening, geschiedt in de DSM-IV in een
stelsel van vijf assen. Per as worden bepaalde gegevens vastgelegd. Deze
gegevens zijn van belang voor verkrijgen van een algemeen beeld van het
functioneren van de cliënt (patiënt) op een bepaald moment.
As
I Klinische stoornissen, zoals depressieve stoornis. Andere aandoeningen en
problemen die een reden voor zorg kunnen zijn, bijvoorbeeld bijwerkingen van
psychofarmaca. Ernst en beloop.
As
II Persoonlijkheidsstoornissen. Zwakzinnigheid. Opvallende ‘onaangepaste’
persoonlijke kenmerken.
As
III Somatische aandoeningen die van belang zijn voor het begrijpen en
behandelen van een psychiatrische stoornis.
As
IV Psychosociale en omgevingsproblemen, zoals echtscheiding, werkeloosheid,
financiële problemen.
As
V Algehele beoordeling van het functioneren, uitgedrukt in een zogenaamde
GAF-score. Een score van 100 duidt op uitstekend, geestelijk gezond,
functioneren. Een score tussen 1 en 10 wijst op een zeer ernstige conditie.
Het
onderbrengen van de gegevens op de assen vereist nogal wat deskundigheid. Tabel
1 (pag. X) geeft criteria voor bepalen of er inderdaad sprake is van een
depressieve episode. De DSM-IV Patiëntenzorg (10) bevat beslisbomen
(algoritmes) die het makkelijker maken om vervolgens een as I diagnose te
stellen. Schema 1 en 2 (pag. X en X) geeft de beslisbomen weer voor het
vaststellen van verschillende vormen van depressies.
In
het systeem van assen ontbreekt de mogelijkheid om de kwaliteiten van de cliënt
in beeld te brengen, terwijl die juist van groot belang zijn bij de beoordeling
van de relatieve ernst, van het te verwachten succes van een behandeling en van
de mogelijke eigen inbreng van de cliënt in het verbeteringsproces. Op As IV en
V is ruimte voor het registreren van een aantal omgevingsfactoren: werk,
relatie, etcetera.
Zoals
gezegd, hangt de behandelstrategie meer af van intrapersoonlijke en
interpersoonlijke kenmerken van een cliënt dan van de diagnostische indeling.
Deze kenmerken zullen in de komende hoofdstukken uitgebreid aan de orde komen.
Zoals van den Hoofdakker (9) stelt kan de meerassige classificatie van de
individuele problematiek in de DSM-IV een goed startpunt zijn voor verder
onderzoek naar wat die persoon beweegt: waarom bestaat deze stoornis bij deze
persoon en waarom blijft deze stoornis voortbestaan?
Terug
naar Startpagina
Het is onder meer belangrijk om een beeld te krijgen van de ontwikkelingsgeschiedenis van de betreffende persoon en van de actuele persoonlijke beleving van de omstandigheden. Omdat daaruit duidelijk wordt hoe de persoonlijke wereld van de cliënt eruitziet en wat de plaats van depressief-zijn daarin is. Daartoe dient aanvullend onderzoek gedaan te worden middels klinische gesprekken en zonodig psychologisch onderzoek met testen en vragenlijsten. In hoofdstuk 2 wordt de diagnostiek verder uitgewerkt.
Het
is van belang om de DSM-IV met een zekere voorzichtigheid te gebruiken. Het is
een hulpmiddel en niet een exacte weergave van de werkelijkheid. De DSM-IV
heeft beperkingen en vooringenomenheden waarvan de gebruiker zich bewust dient
te zijn.
Het
systeem is in tegenstelling tot wat de samenstellers beweren, niet neutraal ten
aanzien van een theorie. De theoretische basis is nauw verwant met het logisch
positivisme en de empiricistische traditie (11). Het is dan ook een
waarnemersgecentreerd systeem: wat de onderzoeker of hulpverlener aan objectief
constateerbare gegevens heeft verzameld kan ermee worden georganiseerd maar
zeker niet de interne subjectieve beleving of de onbewuste motieven van de
cliënt of patiënt. Dit terwijl juist de subjectieve beleving en betekenisgeving
de aanknopingspunten vormen voor behandeling. Een DSM-IV diagnose behoeft
wanneer het om therapie gaat aanvulling met gegevens over de individuele
context van de cliënt.
Bovendien
is de syndroomomschrijving individualiserend. Alle relevante factoren worden in
het individu gesitueerd. De samenstellers gaan ervan uit dat geestelijke
stoornissen een uiting zijn van gedragsmatig, psychologisch of biologisch
dysfunctioneren[1].
Een visie op de interactie tussen symptomen en de omgeving ontbreekt in de
DSM-IV ondanks dat de rol van de omgeving in het ontstaan, aanwezig zijn of
voortduren van symptomen een centraal uitgangspunt is in alle therapievormen.
De erkenning van verbanden met omgevingsaspecten zoals dat in de formulering
van de eerste versie, de DSM-I nog werd gedaan onder invloed van Adolf Meyer
(9) is verdwenen. Meyer was terecht van mening dat de omgeving een rol speelde
bij het vóórkomen van psychiatrische stoornissen. Een DSM-IV diagnose is daarom
in feite slechts geldig voor het moment waarop, en de situatie waarin de
symptomen aangetroffen worden.
De
DSM-IV is niet cultuur-neutraal (12). Symptomen van mensen uit andere dan de
West-Europese en Noord-Amerikaanse cultuur zijn er niet of moeilijk in terug te
vinden.
Waar
het aankomt op het oplossen van problemen, kan het verklaringsmodel dat in het
DSM-IV handboek inbegrepen is, beperkende effecten hebben omdat de aansluiting
ontbreekt naar een aantal mogelijke oplossingen. Bijvoorbeeld: de aard van de
thuissituatie of werkkring kan doorslaggevend zijn voor het optreden of
voortduren van een depressie. Wanneer we depressie als een individuele
aandoening zien, zal het niet zo voor de hand liggen om te proberen structurele
veranderingen te bevorderen in de persoonlijke omgeving van de cliënt.
Zoals
in dit boek zal worden beargumenteerd, wordt de reden en betekenis van
menselijke problematiek pas duidelijk en begrijpelijk wanneer deze wordt
geanalyseerd in termen van de relatie tussen individuele factoren en de
historische en actuele omgeving van die persoon. Voor een complete
veranderingsgerichte diagnostiek dient een DSM-IV diagnose dus te worden
aangevuld met een procesgerichte interactionele analyse.
A.
Minimaal vijf van de volgende symptomen zijn binnen dezelfde periode van twee
weken aanwezig geweest en wijzen op een verandering ten opzichte van eerder
functioneren; ten minste één van de symptomen is depressieve stemming, of,
verlies van interesse of plezier.
Geadviseerd
wordt om symptomen uit te sluiten die het gevolg zijn van een somatische
aandoening of stemmingscongruente wanen of hallucinaties.
-1-
depressieve stemming gedurende het grootste deel van de dag, bijna elke dag,
zoals blijkt uit subjectieve mededelingen (bijvoorbeeld, voelt zich verdrietig
of leeg) of observatie door anderen (bijvoorbeeld, lijkt betraand). N.B.: Kan
bij kinderen of adolescenten ook prikkelbare stemming zijn.
-2-
duidelijke vermindering van interesse of plezier in alle of bijna alle
activiteiten gedurende het grootste deel van de dag, bijna elke dag (zoals
blijkt uit subjectieve mededelingen of observatie van anderen).
-3-
duidelijke gewichtsvermindering zonder dat een dieet gehouden wordt of
gewichtstoeneming (bijvoorbeeld, meer dan vijf procent van het lichaamsgewicht
in een maand), of bijna elke dag afgenomen of toegenomen eetlust.
-4-
slapeloosheid of overmatig slapen, bijna elke dag. N.B. niet: afgenomen behoefte
aan slaap.
-5-
psychomotorische agitatie of remming (waarneembaar door anderen, en niet alleen
maar een subjectief gevoel van rusteloosheid of vertraagdheid), bijna elke dag.
-6-
moeheid of verlies van energie, bijna elke dag.
-7-
gevoelens (die waanachtig kunnen zijn) van waardeloosheid met of buitensporige
of onterechte schuldgevoelens (niet alleen maar zelfverwijten of schuldgevoel
over het ziek zijn), bijna elke dag.
-8-
verminderd vermogen tot nadenken of concentratie of besluiteloosheid
(subjectief vermeld of geobserveerd door anderen), bijna elke dag.
-9-
terugkerende gedachten aan de dood (niet alleen de vrees dood te gaan),
terugkerende suïcidegedachten zonder dat er specifieke plannen gemaakt zijn, of
een suïcidepoging of een specifiek plan om suïcide te plegen.
B.
De symptomen voldoen niet aan de criteria voor een ‘gemengde episode’ (episode
met depressieve en (hypo-)manische symptomen).
C.
De symptomen veroorzaken in significante mate lijden of beperkingen in het
sociaal of beroepsmatig functioneren of het functioneren op andere belangrijke
terreinen.
D.
De symptomen zijn niet het gevolg van de directe fysiologische effecten van een
middel (bijvoorbeeld een drug of geneesmiddel of een somatische aandoening (zie
tabel somatische oorzaken).
E.
De symptomen zijn niet eerder toe te schrijven aan een rouwproces, dat wil
zeggen na het verlies van een geliefd persoon zijn de symptomen langer dan twee
maanden aanwezig of zijn gekarakteriseerd door duidelijke functionele
beperkingen, ziekelijke preoccupatie met gevoelens van waardeloosheid, suïcide
gedachten, psychotische symptomen of psychomotorische remming.
-1-
periode van abnormale verhoogde, expansieve of prikkelbare stemming,
aangevuld
met drie of meer van de volgende symptomen:
-2-
opgeblazen gevoel van eigenwaarde of grootheidsideeën;
-3-
afgenomen slaapbehoefte;
-4-
spaakzamer dan anders of sterke behoefte om te praten;
-5-
gedachtenvlucht of de subjectieve beleving dat de gedachten jagen;
-6-
verhoogde afleidbaarheid;
-7-
toegenomen dadendrang of psychomotorische agitatie;
-8-
overmatige drang tot plezierige activiteiten waarbij grote kans bestaat op
pijnlijke gevolgen.
Andere
typen episodes: Gemengde episode en hypomane episode. Combinaties van symptomen
uit depressieve en manische episode wijzen op een bipolaire depressie.
Idem
als bij een manische episode met dien verstande dat de episode niet ernstig
genoeg is om duidelijke beperkingen in het sociaal en beroepsmatig functioneren
te veroorzaken of opname in een ziekenhuis noodzakelijk te maken. Geen
psychotische kenmerken, die wel bij een manische episode kunnen optreden.
Deze
opsomming is gebaseerd op: Beknopte handleiding bij de Diagnostische Criteria
van de DSM-IV (8).
De
DSM-IV kent twee hoofdtypen van stemmingsstoornissen: de unipolaire en
bipolaire depressies. Bij bipolaire depressie is sprake van manische of
hypomane episoden. De zelfactiveringstherapie is gericht op aandoeningen met
unipolaire depressieve symptomen en lichtere vormen van bipolaire depressie
(cyclothymie). (Zie voor een toelichting van deze keuze het voorwoord van dit
boek.) Om die reden zal de informatie over bipolaire depressie-typen beperkt
zijn. Om onderscheid te kunnen maken tussen unipolaire en bipolaire depressie,
is kennis van de manische en hypomane symptomen wel noodzakelijk. Zie daarvoor
tabel 1.
De
DSM-IV onderscheidt de volgende depressie syndromen:
--
Depressieve stoornis (Major Depressive Disorder), eenmalig of recidiverend.
Men
sprak voorheen wel van een depressie in engere zin. Er moet een depressieve
episode herkenbaar zijn die minstens twee weken duurt en die te onderscheiden
is van de periode daarvóór. Symptomen: depressieve stemming of verlies van
interesse, aangevuld met tenminste vier andere symptomen (zie tabel 1, 1 t/m
9). De stoornis is recidiverend wanneer twee of meer depressieve episodes zijn
voorgekomen. Er mag geen sprake zijn van schizofrenie of schizoaffectieve
stoornis.
--
Dysthyme stoornis (Dysthymic Disorder).
Depressieve
stemming voor het grootste deel van de dag gedurende ten minste twee jaar (een
jaar bij kinderen en adolescenten), met twee of meer symptomen. Te
onderscheiden van een chronische (milde) depressieve stoornis. De symptomen van
een dysthyme stoornis zijn minder ernstig en duren langer dan bij een
depressieve stoornis. De somatisch/ vegetatieve symptomen bij dysthymie zijn
gemiddeld veel minder ernstig dan bij een ‘major depression’. De cognitief/affectieve
symptomen zijn in het algemeen vergelijkbaar ernstig (13).
--
Depressieve stoornis. Niet anders omschreven(NAO). Bijvoorbeeld: Premenstruele
dysfore stoornis en andere toestandsbeelden, die niet onder de andere syndromen
gerangschikt kunnen worden.
Bipolaire
depressies zijn te herkennen aan het wisselend optreden van depressieve
episoden en manische of hypomane episodes (tabel 1). Zie de beslisboom
Bipolaire Stoornissen (schema 2). De DSM-IV onderscheidt:
--
Bipolaire stoornis I en II (Bipolar Disorder).
-- Cyclothyme stoornis (Cyclothymic Disorder).
De
symptomen van een cyclothyme stoornis zijn minder ernstig en duren langer
(minstens twee jaar) dan bij de bipolaire stoornissen I en II.
--
Bipolaire stoornis. Niet anders omschreven (NAO).
--
Stemmingsstoornis door een somatische aandoening (Mood Disorder Due to a
General Medical Condition).
Hierbij
kan de somatische aandoening de oorzaak zijn van, of de aanleiding tot een
depressie. Zie hoofdstuk 4 en de inventarisatie daarin van somatische oorzaken
(pag. X). Een depressie na CVA is een voorbeeld van deze categorie.
--
Stemmingsstoornis door een middel. Samenhangend met intoxicatie,
onthoudingsverschijnselen of bijwerkingen van een medicijn. Zie de
inventarisatie van somatische oorzaken (p. X).
--
Stemmingsstoornis Niet anders omschreven. De symptomen voldoen niet aan de
criteria voor specifieke stemmingsstoornissen.
Behalve
de reeds genoemde worden in de recente literatuur nog de volgende varianten van
unipolaire stemmingsstoornissen onderscheiden:
Milde
depressie of sub-klinische depressie (Minor Depressive Disorder). Zie de
NHG-Standaard Depressie, en de CBO-Richtlijn Depressie bij Volwassenen (14). In
de DSM-IV valt de milde depressie onder: Depressieve stoornis. Niet nader
omschreven.
Een
milde depressie is een variant van de depressieve stoornis, in die zin dat er
volgens de criteria van het NHG, drie tot vier van de symptomen van een
depressieve episode aanwezig zijn (zie tabel 1 ). De DSM-IV vereist twee tot
vier symptomen voor de diagnose milde depressie. Duur: minimaal een week tot
chronisch. Wanneer de klachten langer duren dan twee jaar spreekt men van
dysthymie. Een kwart van de mensen met een milde depressie ontwikkelt een
depressieve stoornis in engere zin.
Mensen
met een milde depressie blijken meer belemmeringen te ondervinden en meer
risico op zelfdoding te lopen dan mensen met een ernstiger depressieve
stoornis. Vroegtijdige herkenning en behandeling is dus geboden.
De
milde depressie is moeilijk te onderscheiden van surmenage - zie hierna onder:
Aandoeningen met depressieve symptomen.
De
milde depressie zal vaak behandeld worden in de huisartspraktijk of een andere
eerste lijns instelling. De bibliotherapieversie van de ZAT (in deel II) is
geschikt voor de behandeling van milde depressie en surmenage.
Herhalende
kortdurende depressie. Herhalend optreden van periodes met symptomen van een
depressieve stoornis, maar korter durend dan twee weken. Episoden duren een dag
tot een week, komen minimaal één keer per maand voor over de tijdsduur van
minstens een jaar.
Hiervan
is sprake wanneer naast een chronische milde depressie een depressieve stoornis
wordt geconstateerd. De vraag is of het juist is om hierbij van twee aparte
syndromen te spreken.
Ook
wel postnatale depressie genoemd. In de DSM-IV, een depressief syndroom met de
toevoeging: met begin post partum. Het begin moet binnen vier weken na de bevalling
liggen volgens de criteria van de DSM-IV. Het blijkt echter dat een groot
aantal vrouwen pas 10 weken na de bevalling depressief worden. Het is een
depressie naar aanleiding van stressvolle omstandigheden rond zwangerschap of
bevalling. De relatie met lichamelijke factoren is tot nu toe niet aangetoond.
Tien procent van de vrouwen krijgt een depressie na de bevalling. De beste
voorspeller is een depressie tijdens de zwangerschap. Van de zwangere vrouwen
had acht procent daar last van (20). Deze depressie kan verward worden met een
depressie als gevolg van een schildklierstoornis die soms na een bevalling kan
optreden.
In
de eerste zes maanden na een miskraam is er een grotere kans op een ernstige
depressie.
Seizoensgebonden depressie
(SAD): Depressie die varieert met het jaargetijde. Deze
zogenaamde winterdepressie kan goed behandeld worden met lichttherapie (16) De
criteria voor de SAD zijn (17):
---
Uitsluitend voorkomend in herfst of winter, verdwijnt in de lente.
---
Dit verloop moet zich minstens twee jaar na elkaar hebben voorgedaan, waarbij
de depressie minstens eenmaal ernstig dient te zijn.
---
Ernstige psychische aandoeningen of met de periode samenhangende psychosociale
factoren, zoals seizoensarbeid, moeten uitgesloten worden.
Gemaskeerde depressie: Een
naam voor een depressief syndroom waarbij de stemmingssymptomen moeilijk
merkbaar zijn of overschaduwd worden door andere symptomen (18). Meestal staan
lichamelijke klachten op de voorgrond. Bij doorvragen blijken de
stemmingssymptomen er wel te zijn. De CBO- richtlijn raadt het gebruik van deze
term af.
Er
zijn verschillende combinaties van depressie met andere ziekten of syndromen
mogelijk(19;20):
-1-
depressie symptomen bij een ziekte. Bijvooorbeeld: de ziekte van Cushing,
hyperthyroïdie, Chronisch Vermoeidheids Syndroom.
-2-
depressie als direct gevolg van ziek zijn. De ziekte is dan de stressor die de
depressie op gang kan brengen.
-3-
depressie symptomen bij een psychische aandoening. Zoals een
aanpassingsstoornis met depressieve stemming.
-4-
depressie naast een andere psychische aandoening:
Een
ernstige depressieve stoornis en de herhalende kortdurende variant gaan vaak
gepaard met paniekstoornis, fobieën, middelenmisbruik. De andere vormen van
depressie komen ook in variërende mate in combinatie met ander problematiek
voor, zoals: pijnklachten, eetsstoornissen, middelenmisbruik en
angststoornissen.
Er
zijn een groot aantal ziekten en stoornissen waarbij zich symptomen voordoen
die ook bij depressie worden aangetroffen ( Zie bijlage X ). Dat zijn onder
andere:
-
Aanpassingsstoornis met depressieve stemming;
-
Post Traumatisch Stress Syndroom;
-
Premenstrueel Syndroom (Luteal Phase Dysphoric Disorder);
-
Eetstoornissen;
-
Chronisch Vermoeidheids Syndroom (CVS of ME)
-
Fybromyalgie
-
Hyperventilatie syndroom (DSM-IV: Paniekstoornis);
-
Hypoglycaemie;
-
Angststoornis;
-
Somatoforme stoornis;
-
Slaapstoornissen;
-
Dementie.
Het
is belangrijk om deze gesteldheden te onderscheiden van depressieve syndromen,
omdat er meestal aanvullende specifieke behandeling nodig is. In hoofdstuk 2
worden de herkenningkriteria weergegeven.
Depressie
kan ook voorvloeiend uit middelengebruik (bijvoorbeeld als bijverschijnsel van
medicatie), vergiftigingen en deficiënties. Zie bijlage X: somatische oorzaken
van depressieve symptomen.
Wanneer
een andere aandoening dan depressie de symptomen veroorzaakt moet deze
aandoening eerst worden behandeld. Een depressieve stoornis naast
gegeneraliseerde angst of een persoonlijkheidsstoornis wordt eerst behandeld.
Bij een panieksstoornis is het afhankelijk van welk van de twee condities een
grotere last veroorzaakt en van de persoonlijke omstandigheden van de
cliënt/patiënt.
De
relatie tussen categorieën van syndromen en hulpverlenen is complex.
Categorisering richt zich op het vaststellen van afgrensbare syndromen. De
verschillende gesprekstherapieën (zie hoofdstuk 8) zijn gericht op de condities
die aanleiding of oorzaak zijn en/of het syndroom, respectievelijk symptomen
ervan, in stand houden. Gesprekstherapie is niet rechtstreeks op het syndroom
zelf gericht.
De
constatering van een DSM-IV syndroom betekent in ieder geval dat behandeling
aangewezen is (mits de cliënt/patiënt daarom vraagt). De persoonlijke kenmerken
van de cliënt, zoals motivatie, hulpvraag, inzicht, persoonlijkheid,
geschiedenis en omstandigheden, hebben een directer verband met de aard en het
succes van de hulpverlening, dan de diagnostische categorie. Therapieën voor
depressie, zoals de ZAT, zijn gericht op persoonlijke kenmerken, bijvoorbeeld
op negatieve denkschema’s, piekeren, inadequate dagindeling, matige
probleemoplossings-strategieën, interpersoonlijke vaardigheden en
zelf-verwaarlozing.
Naast
de in de DSM-IV genoemde symptomen, blijken mensen met een depressie of verwant
syndroom, bij navraag een reeks van problemen te melden. Dat kunnen problemen
zijn die voortvloeien uit het depressief-zijn, zoals gevoelens van falen of
machteloosheid. Het kunnen ook kenmerken zijn, die bij de persoon horen en een
extra accent hebben gekregen, zoals: nooit tevreden zijn over zichzelf, geen
boosheid kunnen voelen, niet over moeilijkheden kunnen praten, enzovoort. Deze
klachten of symptomen zullen een rol spelen bij het tot stand komen en het in
stand houden van een depressie. Kennis ervan is van belang bij het vaststellen
van therapeutisch doelen en strategieën. In het hoofdstuk 2 zal ik ingaan op de
inventarisering van klachten, problemen en symptomen.
Epidemiologische
gegevens onderstrepen het belang van signalering en hulp bij depressies.
Onderzoek in Nederland (21) onthult een jaarprevalentie (het aantal gevallen in
een jaar) van 6.7 procent van de bevolking. De jaarprevalentie van depressie in
engere zin in de huisartspraktijk wordt geschat op 5.5 procent (22). Daarnaast
heeft 4.5 procent van de huisartspatiënten last van anderssoortige depressies.
De European Depression Patient Study (23) leverde de volgende cijfers op
(prevalentie over 6 maanden, bijna tachtigduizend respondenten in verschillende
Europese landen):
- Major Depression (depressief syndroom): 6.9 procent.
- Minor Depression (matige depressie): 1.8 procent
-
Sub-klinische depressie (milde depressie): 8.3 procent.
Totaal:
17 procent
Volgens
de Clinical Practice Guideline ligt de jaarprevalentie tussen 10 en 22 procent.
Huisartsen
registreren circa 10 depressieven per 1000 patiënten (24). De huisarts verwees
15 - 20 procent van de depressieve patiënten naar de GGZ. Van de patiënten met
functionele klachten lijdt 20 procent aan een depressief syndroom (25). Volgens
gegevens over de periode 1974 - 1977 (26) was 4.4/1000 van de bevolking in
behandeling voor een depressie in de ambulante sector.
Het
is in ieder geval duidelijk dat het grootste gedeelte van de patiënten met
depressieve klachten door de huisarts behandeld wordt.
In
een onderzoek op een RIAGG in 1990 onder oud cliënten (27) bleek 30 procent van
de respondenten in behandeling geweest te zijn voor depressieve klachten en 18
procent voor neurasthene klachten en overspannenheid.
Samenvattend:
Veel mensen lijden aan een aandoening die onder een van de depressie
categorieën gerangschikt kan worden. Zeven tot tien procent van de bevolking is
volgens epidemiologisch onderzoek depressief. Meer dan 30 procent van de
bevolking van de Westerse landen loopt kans om gedurende zijn of haar leven een
depressieve periode door te maken. Vrouwen hebben volgens onderzoek een twee
keer zo grote kans op depressie[1].
Gezien deze cijfers lijkt het overigens niet gerechtvaardigd om bij depressie
over een abnormale toestand te spreken.
Depressie
gaat soms gepaard met angst of met psychotische kenmerken: wanen, achterdocht
of hallucinaties. Een depressieve patiënt met psychotische verschijnselen heeft
een hoger risico op suïcide en de kans op recidive is hoger.
De
aanwezigheid van vitale kenmerken wijst op een ernstige toestand en is een
reden voor het voorschrijven van antidepressiva.
Verlies
aan interesse of plezier in vrijwel alles;
Ontbreken
van een reactie op gewoonlijk plezierige prikkels;
Drie
of meer van de volgende symptomen:
1
- Andere kwaliteit van depressieve stemmming dan de gevoelens die men ervaart na
de dood van een dierbaar persoon;
2
- In de ochtend zijn de klachten het erggst;
3
- Vroegtijdig ontwaken, tenminste twee uuur voor het gebruikelijke tijdstip
(early morning insomnia);
4
- Psychomotore remming of agitatie;
5
- Belangrijk gewichtsverlies, gebrek aann eetlust;
6
- Buitensporige of onterechte schuldgevooelens;
De
ernst van een depressie kan afgeleid worden uit de duur, het aantal symptomen,
de intensiteit, de beperkingen die voortvloeien uit het depressief-zijn, de
subjectieve beleving, de verborgen betekenis en het vóórkomen van recidive.
Het
inschatten van de ernst geschiedt vaak door middel van een zelfrapportage
vragenlijst zoals de BDI, de ZUNG, of een beoordelingsinstrument zoals de
Hamilton of de BECH. De zelfrapportage vragenlijsten kunnen door de
hulpverlener verstrekt en beoordeeld worden aan de hand van de bijbehorende
normen. De beoordelingsschalen vereisen klinische deskundigheid. Zie voor een
bespreking van deze instrumenten hoofdstuk 2.
Het
aantal hoofdsymptomen kan worden geinventariseerd met behulp van de DSM-IV
criteria.
Zoals
hierboven reeds aangegeven bij milde depressie is het aantal symptomen niet
altijd indicatief voor de ernst van de toestand. Juist de minder ernstiger
depressies hebben meer verstorende gevolgen voor het leven van de persoon. Een
kwart van de cliënten met een milde depressie blijkt binnen twee jaar een
ernstig depressief syndroom te ontwikkelen (28).
Johnson
en collega’s (29) vergeleken patiënten die voldeden aan de DSM-III criteria
voor depressie in engere zin en/of dysthymie met een categorie patiënten met
slechts enkele symptomen. De risicofactoren voor deze laatste categorie
patiënten bleken even hoog of hoger te zijn dan voor patiënten met vijf of meer
symptomen. Het aantal pogingen tot zelfdoding was in de groep van mild
depressieve patiënten 26 procent, vergeleken met 23 procent in de andere groep.
Medische consultatie over emotionele problemen was 21 versus 11 procent.
Verlies van meer dan een week werk ten gevolge van emotionele problemen: 18
versus 16 procent.
Een
van de ernstigste gevolgen van een depressie is zelfdoding. In Nederland maken
meer dan 1500 mensen per jaar een eind aan hun leven. In negen van de tien
gevallen gebeurt dat in een depressieve toestand. Van een steekproef van
patiënten met een depressie die ernstig genoeg was om opgenomen te moeten
worden stierf tot 15 procent door zelfdoding (30).
De
meeste depressies herstellen binnen een jaar (31) ongeveer 15 procent van de
behandelde depressies wordt chronisch. Volgens Lamberts (32) is 30 procent van
de depressieve episoden na vier weken verdwenen. Na zes maanden is 37 procent
nog depressief. Ormel en collega’s (33) vonden dat 21 procent van de patiënten
met een depressie dat na één jaar nog steeds was. Na drie en een half jaar was
dat nog 12 procent. De rest van de patiënten voldeed niet meer aan de
meetcriteria.
Follow
up onderzoek en lange termijn studies van behandeling in de Verenigde Staten na
1980, geeft het volgende beeld: van de patiënten met een acute depressieve
stoornis bleek 12 procent na 5 jaar niet hersteld en 7 procent na 10 jaar (34).
Van de patiënten die herstellen kreeg de helft binnen 2 jaar een terugval.
Elke
volgende depressieve episode vergroot de kans op chroniciteit. Meer dan 25
procent ondervindt een periode van matige of milde depressie voorafgaand aan de
ontwikkeling van een depressieve stoornis (major depression) en de meeste
patiënten blijven last houden van milde of matige symptomen na herstel.
Meer
dan de helft van de cliënten of patiënten ondervindt ernstige beperkingen in
het sociaal functioneren (35), zoals verhoogd ziekteverzuim, minder sociale
contacten, slechter functioneren in het gezin of in de relatie. In veel
gevallen leidt het ziekteverzuim tot tijdelijke of definitieve
arbeidsongeschiktheid. De sociale beperkingen vormen een belangrijke reden tot
behandeling. Niet alleen verlagen deze beperkingen de kwaliteit van het leven
van de persoon, maar deze veroorzaken tevens hoge maatschappelijke kosten.
De
verhoogde fysieke kwetsbaarheid van depressieve personen is eveneens een
belangrijk punt van aandacht. Zij hebben blijkbaar een toegenomen vatbaarheid
voor ziekten en maken vaker dan anderen gebruik van de somatische
gezondheidszorg. Het sterftecijfer van patiënten met een depressief syndroom
die ouder zijn dan 55 jaar bleek vier maal zo hoog als bij een contrôlegroep
zonder depressie.
In
de ‘vatbaarheid’ voor depressie spelen biologische, psychologische en sociale
factoren een rol:
-
Biologisch: Er zijn sterke aanwijzingen dat een aantal neurotransmitters zoals
serotonine en noradrenaline van betekenis zijn bij het verloop van depressie.
Neurotransmitters zijn substanties die door de cellen uit de voedingsstoffen in
het bloed gemaakt worden en die onder andere een functie hebben in de
prikkeloverdracht tussen de hersencellen. Nadat ze hun taak vervuld hebben
worden ze weer afgebroken. Depressie zou samenhangen met een te laag niveau van
deze stoffen. De antidepressiva verhogen de concentratie van een of meer van
die stoffen.
Mogelijk
is er bij depressie ook sprake van een verstoring in de regulerende functies
van het hormonale systeem dat de reacties van het lichaam op stress reguleert,
de hypothalamus-hypofyse-bijnierschors-as tesamen met het limbische systeem
(zie hoofdstuk 4). Door een aantal onderzoekers wordt het ontstaan van
dysfuncties in dit systeem in verband gebracht met langdurige stressvolle
ervaringen in de vroege jeugd.
Verstoringen
in het slaap-waakritme en depressieve symptomen blijken vaak tegelijk op te
treden. Het ontstaan van depressie zou kunnen samenhangen met een gebrek aan
slaapbehoefte (31).
Zoals
reeds eerder vermeld kunnen ziekten, gebrek aan voedingsstoffen, misbruik van
middelen en vergiften, symptomen van depressie veroorzaken. Zie de lijst van
somatische oorzaken (bijlage X).
-
Psychologisch: Een ander type kwetsbaarheid heeft te maken met psychologische
eigenschappen van de persoon zoals: persoonlijkheidskenmerken, levensstijl,
sociale vaardigheden, manieren om ervaringen te interpreteren,
ontwikkelingsnivo, vermogen tot leren, enzovoort. Deze psychologische
eigenschappen zullen deels aangeboren en deels opgelopen of verworven zijn
tijdens het opgroeien. Overigens heeft ieder mens naast eigenschappen die de
kwetsbaarheid verhogen natuurlijk ook eigenschappen die juist de veerkracht
versterken (36) en de kwetsbaarheid verminderen. Deze eigen kracht kan ingezet
worden bij de bestrijding van negatieve gevolgen. In hoofdstuk 5 zal ik de
psychologische aspecten van depressief-zijn bespreken.
-
Sociaal: De omgeving kan een belangrijke rol spelen bij het op gang brengen of
voortduren van depressie symptomen en daarmee samenhangende klachten en
problemen. Het blijkt bijvoorbeeld dat pijnlijke ervaringen (‘life-events’)
gevolgd kunnen worden door een periode van neerslachtigheid en dat de manier
waarop de omgeving reageert de ernst en duur kunnen doen toenemen of juist
afnemen (37). De sociale context is altijd van wezenlijk belang bij het
beoordelen van de betekenis van het depressie-proces.
Het
is belangrijk om te beseffen dat bij depressie het hele lichaam betrokken is,
niet slechts de anatomische structuur van de hersenen. Daarnaast bepalen
psychologische en sociale, interpersoonlijke gebeurtenissen, nu en in het
verleden, mede hoe een bepaald persoon in haar wereld functioneert.
Terug
naar Startpagina
Wanneer
we ‘objectieve’ observatie-criteria gebruiken raakt de betekenis die een
depressieve periode voor een iemand heeft en de persoonlijke beleving daarvan
te makkelijk uit beeld. De betekenis: dat wat depressief-zijn op een bewust en
onbewust niveau ‘doet’, is echter juist het aangrijpingspunt voor een
behandeling. Betekenis is niet direct waarneembaar maar kan afgeleid worden uit
wat de cliënt vertelt en laat zien. Daarnaast kan betekenis - in functionele
zin - gereconstrueerd worden vanuit een algemene theoretische visie op reden en
doel van het menselijk handelen.
In
de rest van dit hoofdstuk ga ik in op de ‘binnenkant’ ofwel de persoonlijke
aspecten van depressief-zijn. In de volgende hoofdstukken zal ik regelmatig op
de ‘binnenkant’ terugkomen omdat die van wezenlijk belang is voor vormgeving
van de therapeutische houding en voor de keuze van veranderingsstrategieën.
De
persoonlijke aspecten van het doormaken van een depressie kunnen worden
onderscheiden in twee niveaus:
-1-
processen die op een bewust niveau door iemand kunnen (maar niet hoeven) worden
ervaren of gereconstrueerd;
-2-
spontane, onbewust verlopende activiteiten van de betrokken persoon gericht op
diens subjectieve omgeving.
De
subjectieve omgeving (of context) is de omgeving zoals die door een bepaald
persoon wordt ervaren en niet de werkelijke, onafhankelijk van haar bestaande
situatie. De subjectieve omgeving verschilt van mens tot mens omdat mensen
onderling verschillen.
Onder
onbewust verlopende activiteiten vallen gebeurtenissen op lichamelijk terrein
zoals hormonale stressreacties en neurale veranderingen en psychologische
activiteiten zoals leren, rijping en aanpassing. Dit type processen hebben
meestal pas gevolgen op de langere termijn, wat het moeilijk maakt om ze te
herkennen.
Het
doormaken van een depressie is geen statische toestand maar een persoonlijk
proces in tijd en ruimte. Om dat persoonlijke karakter te benadrukken zal ik
waar dat van toepassing is over depressief-zijn spreken.
Wat
niveau -1- betreft, kan worden gedacht aan persoonlijke belevingen,
gewaarwordingen, betekenisgeving, leefgewoonten, gedrag, coping,
interpersoonlijke processen, het maken van keuzen, culturele en sexe-specifieke
interacties, invloed van sterke en minder sterke eigenschappen, etcetera.
Niveau
-2- heeft betrekking op fundamentelere, spontane processen die de grondslag
vormen voor de meer bewuste cognitieve, affectieve en gedragsmatige
activiteiten van een persoon. Dit is het niveau waarop de veranderingen
ontstaan die tot uiting komen op het belevingsniveau. De biopsychische
processen waar ik hier op doel hebben een functie in de aanpassing,
zelfhandhaving en ontwikkeling van een persoon in en met een voortdurend
veranderende omgeving. Daaronder vallen de emotionele en biochemische reacties
op stressoren en andere aspecten van het depressief-zijn die direct of indirect
een rol spelen bij de wisselwerking tussen een persoon en haar of zijn
persoonlijke omgeving. Deze aanpassende en ontwikkelende processen zijn dus in
feite vormen van zinvolle actie[1].
Een
van de aspecten die moeilijk objectief te meten is, is de intensiteit van het
lijden onder de depressie. Er bestaat niet zoiets als een depressiethermometer.
De hulpverlener kan onder andere afgaan op de beperkingen die de cliënt
rapporteert. De subjectieve ernst van de depressie wordt echter bepaald door de
beleving van de cliënt. Zij kan een milde depressie als ondraaglijk ervaren of
een ernstige depressie gelaten ondergaan. De diepte van het lijden kan ook
samenhangen met hoe pijnlijk de aanleiding tot een depressie was, zoals het
overlijden van een partner of een echtscheiding. De mate waarin iemand denkt
aan dood gaan, of feitelijke pogingen doet in die richting, is een belangrijke
indicator van intensiteit. Echter, er zijn mensen die niet geneigd zijn tot
zelfdoding of geen hulp vragen maar toch zeer intens lijden. Lichamelijke
signalen (expressie, houding, huilen) kunnen een indicatie geven van de mate waarin
de cliënt last heeft van zijn of haar symptomen. De reacties van relevante
anderen (partner, familie, vrienden), zullen eveneens een rol spelen bij de
ervaren intensiteit.
Het
is voor de beoordeling van intensiteit belangrijk om niet alleen af te gaan op
de standaard symptomen maar ook goed naar het verhaal van de cliënt te
luisteren.
De
betekenis die een depressie voor iemand heeft in de zin van opvattingen over de
aard van de aandoening en van verwachtingen over het verloop en de gevolgen,
verschilt van persoon tot persoon. Veel mensen die volgens de diagnostische
criteria een depressie hebben, zullen dat zelf niet zo benoemen. Misschien
klagen ze over frequente moeheid of over het zich slecht kunnen concentreren,
of ze denken overspannen of oververmoeid te zijn of een lichamelijke kwaal te
hebben. Er zullen ook mensen zijn die geloven dat hun stemming gewóón is, omdat
ze zich al zo lang zo gevoeld hebben. Misschien zien ze zichzelf als verveeld,
of ze geloven dat de wereld sowieso een tranendal is en dat hun ongenoegen
vanzelfsprekend is.
Andere
symptomen dan een gebrek aan levensvreugde kunnen op de voorgrond staan zoals
gespannenheid, alcohol misbruik, gokverslaving, chronische pijn of een weerzin
tegen voedsel. Daarnaast zal ieder haar klachten op haar eigen manier
beoordelen, bijvoorbeeld: als falen, als een onvermijdelijk uitvloeisel van
haar karakter, als iets dat door eigen schuld ontstaan is of juist door de
schuld van anderen. De persoon kan zich schamen voor haar klachten of ze als
een uitdaging zien. De ene persoon ondergaat het als iets tijdelijks, als een
probleem dat opgelost kan worden, de ander beleeft het als iets dat nooit meer
overgaat.
De
omstandigheden zullen eveneens een grote rol spelen in de betekenis die iemand
aan het depressief-zijn geeft. Persoonlijke situaties zoals armoede, een slecht
huwelijk, werkloosheid of een traumatisch verleden beïnvloeden de manier waarop
een depressie wordt ervaren. Ook de interpretatie van het gebeuren door de
partner en diens houding is van grote invloed.
Al
deze aspecten zullen effect hebben op wat iemand doet of denkt te kunnen doen
om zijn of haar klachten te verlichten of op te lossen. Elk type interpretatie
heeft gevolgen voor het verloop van de aandoening.
Het
verschil in beleving en de daaruit voortvloeiende verwachtingen over de
reacties van anderen, heeft ook consequenties voor de manier waarop een
depressief persoon haar klachten zal uiten (wat maakt dat een depressie vaak
moeilijk te herkennen is). Daarnaast spelen individuele opvattingen over wat
ziekte is en wat gezondheid is, wat normaal is en wat abnormaal, een grote rol
bij de subjectieve beoordeling van eigen problemen en klachten.
De
problemen van Bart uit het begin van dit hoofdstuk, deden zich voor in een
periode waarin van alles mis ging. Niet alleen zijn huwelijk stond op de tocht,
zijn vader was kort geleden overleden aan een ernstige, slepende ziekte en hij
dreigde zijn baan kwijt te raken. Deze omstandigheden maakten de beleving van
zijn depressie zwaarder. Daarbij kwam dat hij zijn neerslachtigheid en gebrek
aan energie ervoer als een hinderpaal bij het oplossen van de actuele
moeilijkheden. Bovendien schaamde hij zich voor zijn klachten en probeerde zijn
ellende voor zijn collega’s te verbergen. Hij had zichzelf altijd gezien als
vindingrijk en creatief en het feit dat hij geen uitweg zag schokte hem ernstig
in zijn zelfbeeld. Zich depressief en machteloos voelen had op dat moment een
zeer negatieve betekenis voor hem.
De
persoonlijke beleving en betekenisgeving correspondeert niet noodzakelijk met
een negatief verloop van de depressie en het depressief-zijn. De inschatting
van de ernst wordt mede bepaald door de gevolgen. Er is een positief (d.w.z.:
afwijkingversterkend) terugkoppelings-effect: kleine oorzaken hebben grote
gevolgen wanneer de gevolgen zodanig op elkaar inwerken dat ze elkaars effect
versterken. Grote gevolgen kunnen dus, omgekeerd, kleine oorzaken hebben. Op
depressie toegepast: een ernstige depressie hoeft geen ernstige oorzaken te
hebben.
Sommige
effecten van een depressie versterken de depressie, zodat een depressief
persoon in een negatieve spiraal belandt. Anders gezegd: ‘ziek-zijn’ maakt
‘zieker’, of, problemen veroorzaken problemen. Terugredenerend: er zijn redenen
om de objectieve ernst te relativeren (niet de subjectieve ernst). Dat kan
consequenties hebben voor de te nemen maatregelen. Het is vanzelfsprekend dat
het aanbod van de hulpverlener overeen zal moeten stemmen met de beleving van
de cliënt, terwijl tegelijkertijd vermeden moet worden om het proces te
negatief te interpreteren.
De
versterkende effecten kunnen van binnenuit komen. Bijvoorbeeld wanneer het
gevoel van machteloosheid toeneemt, doordat de cliënt denkt niet in staat te
zijn eruit te komen, of doordat de lichamelijk conditie afneemt als gevolg van
zelfverwaarlozing of slaapgebrek. De cliënt kan zich zorgen maken over
gezinsleden, gaan twijfelen aan de liefde van de partner, bang zijn een baan
kwijt te raken, slechter gaan eten, te lang in bed blijven liggen, etcetera. Er
zijn heel veel secundaire (subjectieve) gevolgen van het depressief-zijn
voorstelbaar die de stress vergroten en de subjectief ervaren ernst van het
gebeuren versterken. Effecten die van buitenaf komen, zijn bijvoorbeeld
verkeerde medicatie, onjuiste voorlichting en adviezen, overbezorgdheid van
gezinsleden en negatieve interpersoonlijke reacties.
Die
interne en externe effecten kunnen mogelijk de verbetering blokkeren of
afremmen. Het is dus zinvol om deze effecten te neutraliseren. Dat is in
therapeutische zin van belang, omdat beleving sterk bepalend kan zijn voor de
motivatie van de cliënt om zelf iets te ondernemen ter verbetering en voor de
energie die daarin gestoken kan worden.
Een
van de eerste stappen in een hulpverlenend contact is het verschaffen van een
hoopgevend referentiekader: een positief perspectief aan de cliënt. Dat maakt
het misschien mogelijk de eigen krachten van die persoon te mobiliseren. Het
kan een vonkje zichtbaar maken dat vervolgens aangewakkerd kan worden. Een
hoopgevend referentiekader kan bestaan uit informatie over het proces van
depressief-zijn en adviezen met betrekking tot wat de cliënt zelf kan doen om
zich beter te gaan voelen. In het ZAT bibliotherapieboek (38) is dit soort
informatie en adviezen te vinden.
Iemands
ziekte-opvatting hangt af van diens culturele en sociaal/geografische
achtergrond.
Uitwendige
en inwendige gebeurtenissen roepen primaire affectieve reacties op met een
persoonsgebonden en dus ook cultuurgebonden belevingsvorm. De beleving wordt
vervolgens op verschillende manieren verklaard en gerapporteerd. Vooral bij
psychische/psychiatrische aandoeningen van mensen uit andere culturen kan de
ziektebeleving nogal verschillen van wat we in de Westerse cultuur gewend zijn.
Dat zal diagnostische en behandelproblemen opleveren (39). De gerapporteerde
symptomen zullen bijvoorbeeld moeilijk in de DSM-IV teruggevonden worden. In andere
culturen worden vaker pijnklachten, neurasthenie- of surmenage-achtige klachten
gepresenteerd, terwijl in de Noord -Amerikaanse/ West-Europese culturen
typische depressie-symptomen meer op de voorgrond staan.
Ook
de behandeling zal meer cultuursensitief of juist cultuurneutraal moeten zijn
om een te grote kloof tussen behandelaar en cliënt of patiënt te voorkomen. Dat
betekent dat in de bejegening en behandeling rekening gehouden moet worden met
voor de cliënt betekenisvolle normen en waarden, bijvoorbeeld op het terrein
van geloof, rolpatronen, familieverhoudingen, schaamte en schuld en man/vrouw
relaties.
Een
cultuurneutrale aanpak is een aanpak die gebaseerd is op een referentiekader
waarin de verschillen tussen mensen centraal staan, en die gericht is op het
individuele, het unieke en niet op de grootste gemene deler.
Het
gebruiken van gestandaardiseerde diagnostische systemen en behandelvormen bij
cliënten uit andere dan de Westerse cultuur, kan extra risico’s op misvattingen
en een te grote afstand tussen hulpverlener en cliënt opleveren.
Er
liggen culturele normen, waarden en veronderstellingen ten grondslag aan
opvattingen over hoe mannen en vrouwen horen te zijn. Ze bepalen ook wat ieders
positie is in de samenleving, in het gezin en als individu. De ‘gender-
identiteit’ is grotendeels een sociale constructie maar daardoor niet minder
werkelijk. Het is daarom van belang dat een diagnosticus of hulpverlener zich
bewust is van specifieke met sekserollen verbonden aspecten, zonder weer nieuwe
starre vooroordelen te creëren over hoe mannen of vrouwen zijn. Mannen en
vrouwen verschillen, maar ‘mannelijke’ en ‘vrouwelijke’ eigenschappen vallen
niet altijd samen met mannen en vrouwen. De aan mannen toegeschreven kwaliteiten
kunnen ook bij vrouwen worden aangetroffen en andersom.
De
meeste theorieën over depressie hebben met elkaar de opvatting gemeen dat
depressie kan optreden in verband met echte of vermeende machteloosheid,
uitzichtloosheid en gebrek aan sociale steun. De specifieke sociaal-culturele
rol die aan een man of vrouw wordt toegekend in zijn of haar situatie, kan de
basis zijn voor een feitelijke onvrijheid om intrinsieke wensen en noden te
vervullen. Waardoor een situatie van machteloosheid ontstaat, die de kwetsbaarheid
voor depressie, of andere aandoeningen, vergroot.
In
onze Westerse cultuur worden bepaalde eigenschappen aan mannen en andere aan
vrouwen toegeschreven. Er wordt bijvoorbeeld gezegd dat mannen rationeel en
instrumenteel zijn en vrouwen gevoelig en relationeel (40). Het feit dat
vrouwen makkelijker gevoelens uiten, betekent niet altijd dat ze gevoeliger of
sensitiever zijn maar dat het van hen kennelijk wordt geaccepteerd. De
sensitiviteit van mannen wordt soms onderschat doordat mannen, vaker dan vrouwen,
geneigd zijn om op een door hen aangevoeld probleem te reageren met actie in
plaats van met woorden. De intenties zijn gelijk maar de uitwerking van de
intenties verschilt.
Mannen
zijn vaker geneigd om zich door hun partner te laten verzorgen en het
vanzelfsprekend te vinden dat hun vrouw de was doet, de kinderen opvangt en hun
overhemd strijkt. Ze doen niet alleen hun partner daarmee tekort, maar ook
zichzelf. Ze blijven op die manier in een kinderlijk afhankelijke rol hangen.
Veel vrouwen hebben geleerd om voor anderen te leven en hun eigen belangen om
de tweede plaats te stellen.
Deze
voorbeelden van gedragspatronen die ook de kwetsbaarheid voor depressie kunnen
verhogen gaan niet bij iedereen op, het zijn slechts uitingen van tendenzen.
Universele mannelijke of vrouwelijke eigenschappen bestaan niet (41).
Volgens
epidemiologisch onderzoek zijn vrouwen twee maal zo vaak depressief als mannen.
Vooral getrouwde vrouwen met kinderen lopen een groter risico. Deze verschillen
worden volgens onderzoekers onvoldoende verklaard uit hormonale, genetische of
sociaal-economische factoren (42;43). De verschillen kunnen wel verklaard
worden uit verschillen in sociale rollen en waardering (44;45). Het is dus van
belang om de met sekseverschillen samenhangende gebeurtenissen en kenmerken een
plaats te geven bij de beoordeling en behandeling van depressie.
De
manier waarop een persoon zich in de sociale omgang presenteert kan leiden tot
depressie. daarnaast kan depressief-zijn een manier van zelfpresentatie worden.
Wat
het eerste betreft, mensen die depressief worden laten hun zelfwaardering vaak
afhangen van factoren buiten zichzelf. Ze houden zich meer bezig met wat
anderen over hen denken dan dat ze oog hebben voor eigen kwaliteiten, wensen en
behoeften. Helaas is dat een houding die door onze Westerse cultuur, die meer
op vorm dan op inhoud gericht is, versterkt wordt. Je hoort zo en zo te zijn en
niet anders. Deze externe referentie maakt dat mensen het contact met zichzelf
- met hun persoonlijke noden, behoeften en verlangens - kwijt kunnen raken, en
een te aangepast leven gaan leiden dat slecht overeenstemt met hun eigenlijke
identiteit. Dat veroorzaakt stress via gevoelens van machteloosheid,
eenzaamheid en vermoeidheid als gevolg van de inspanning om erbij te kunnen
horen. Deze stress kan op een gegeven moment boven een bepaald niveau uitkomen
en een depressie op gang brengen. De presentatie van zichzelf naar de
buitenwereld is dan het probleem en de depressie een van de gevolgen. Vanuit preventief
oogpunt gezien is het belangrijk om mensen te stimuleren om inadequate vormen
van zelf-presentatie los te laten en meer voor zichzelf te kiezen.
Depressief-zijn
kan soms ook een manier worden om op interpersoonlijk niveau te functioneren.
Dan wordt het een soort ‘persona’, een masker naar de buitenwereld. Het maakt
dat de wereld voorspelbaar wordt. Want de reacties van anderen zijn bekend en
hanteerbaar en veranderen is misschien te riskant. Depressie wordt dan een
persoonlijkheidskenmerk. Deze vorm van depressief-zijn kan voortvloeien uit
identificatie met een ouder die ook vaak depressief was of het gevolg zijn van
vroege depressieve reacties op bedreigende omstandigheden die tot een tweede
natuur geworden zijn.
Zoals
in het begin van dit hoofdstuk geconstateerd is, hangt datgene wat mensen
ervaren en doen samen met andere aspecten van het bestaan. Delen en gehelen
zijn op een georganiseerde manier met elkaar verbonden. Dat geldt dus ook voor
depressief-zijn. Het ondergaan van symptomen en problemen staat niet
opzichzelf. Het kan niet begrepen worden door het als een geïsoleerd gebeuren
te bekijken. We kunnen depressie zien als een stoornis en dat is het op een
bepaalde manier ook wanneer we de betekenis ervan beperken tot de gevolgen
ervan op dit moment. Wanneer we een depressie echter in een tijd-ruimtelijke
context plaatsen ontstaat een heel ander verhaal (tijd-ruimtelijke context:
alle relevante voorafgaande ervaringen van de client + alle actuele invloed
uitoefenende factoren.) We kunnen dan bijvoorbeeld constateren dat gezien wat
de client in de loop van haar of zijn leven heeft meegemaakt (zoals
verwaarlozing, misbruik) en de invloed daarvan op de persoonlijkheid, en gezien
de omstandigheden (zoals relatieproblemen, overlijden van een van de ouders)
het depressief-zijn onvermijdelijk is en zelfs een vorm van zelfbescherming kan
zijn. Het zou zo kunnen zijn dat wanneer de client alle ellende, verdriet,
kwaadheid zou voelen dat onverdraaglijk wordt en ernstige risico’s oplevert.
Depressief-zijn is in zo’n geval de beste oplossing, want depressief-zijn wordt
gekenmerkt door het niet-voelen, door een lege grijsheid, door verlies van
contact met zichzelf en de omgeving. Het is een zich terugtrekken van alles
omdat dat alles op dat moment te pijnlijk of te moeilijk is of lijkt te zijn.
De last van het verleden en van de omstandigheden zal dan eerst moeten
verminderen of hanteerbaarder worden voordat de persoon zich kan permitteren
weer te gaan voelen.
Mensen
zijn op een persoonlijk niveau in een strijd om het bestaan verwikkeld. We
functioneren in een veranderende fysieke en sociale omgeving, waarin we een
plaats moeten vinden voor onszelf en waarin we moeten (over-)leven, soms onder
moeilijke omstandigheden of met onvoldoende hulpmiddelen. Wat we doormaken
heeft effecten die een rol spelen in onze individuele ontwikkeling. De
inspanning die we leveren wordt beloond met kennis en ervaring. In dat proces
van het leven kan depressief-zijn de rol spelen van een instrumentele factor
(iets dat een bijdrage levert aan het bereiken van een doel) in het doorgaande
proces van de zich ontplooiende persoonlijke structuur, bestaande uit
geestelijke en lichamelijke betekenissen, mogelijkheden en belemmeringen. Die
persoonlijke structuur: het ‘zelf’ als psychobiologische eenheid verandert in
de wisselwerking met de omgeving die daardoor ook verandert (figuur 1).
De
instrumentele functie van depressie (of andere ‘psychopathologie’) heeft
betrekking op de taak van een persoon om, èn de eigen identiteit te beschermen
en te ontplooien èn op een acceptabele manier in de aan verandering onderhevige
omgeving te leven. Ontwikkeling en aanpassing dienen elkaar niet in de weg te
zitten.
Effecten
in die zin kunnen tot uiting komen in de gevolgen die symptomen hebben voor de
relatie die de persoon heeft met diens (sociale) omgeving, bijvoorbeeld voor de
rolverdeling in een gezin. Het kan zich ook uiten in de gevolgen van de depressie
in relatie tot diens ontwikkeling als individu.
Ter
illustratie van wat ik hier bedoel:
Bart
maakte een fase in zijn depressief-zijn door waarin hij het gevoel had volkomen
vast te zitten. Hij zag eigenlijk geen uitweg meer. Het liefst wilde hij dood.
Dat verlangen botste gelukkig met zijn karakter. Want hij was iemand die niet
zo makkelijk iets opgaf. Bovendien was er zijn dochtertje.
Zijn
somberheid en gevoel van machteloosheid ervoer hij als onverdraaglijk. Hij kon
niet meer werken en bleef thuis waar de sfeer te snijden was. Zijn vrouw
dreigde met een scheiding. Bart voelde zich volkomen in de steek gelaten door
iedereen. Door zijn vrouw, door zijn vrienden en door zijn collega’s. Hij
schreef schriften vol over zijn gedachten en gevoelens. Dat gaf vaak een beetje
opluchting en leidde ertoe dat hij soms op een andere manier naar zijn
problemen kon gaan kijken. Een van de dingen die hij zich al schrijvende
realiseerde, was dat het niet klopte om zijn collega’s iets te verwijten want
dat hijzelf verantwoordelijk was voor zijn leven, en niet ervan uit kon gaan
dat zij hem door een moeilijke periode heen moesten helpen. Het werd hem
langzamerhand duidelijk, dat hij zich als kind vaak erg in de steek gelaten had
gevoeld door zijn moeder, die voortdurend ziek was, en dat dat oude gevoel
sterk zijn huidige beleving bepaalde. Het inzicht dat hij het zelf moest doen,
hoe pijnlijk dat ook was, gaf een wezenlijk andere kijk op wat hem te doen
stond. Hij kon niet passief gaan zitten wachten tot iemand hem uit de put
haalde. Dit inzicht hielp hem ook de knoop door te hakken en via zijn huisarts
om therapie te vragen. Hij bleef zich nog lange tijd ongelukkig voelen maar de
verlammende somberheid verdween.
De
depressie hielp Bart om een fundamenteel besluit te nemen over hoe te leven.
Namelijk niet als iemand die recht heeft op koestering en bij gebrek daaraan op
zelfbeklag. Hij moest berusten in wat hij tekort was gekomen en zelf
verantwoordelijkheid nemen voor zijn bestaan. Een van de gevolgen van dat
inzicht was dat hij zich voorzichtig los ging maken van de afhankelijke relatie
die hij met zijn vrouw had. Zij besloten voorlopig apart te gaan wonen en de
zorg voor hun dochtertje te blijven delen.
Dit
verhaal laat zien dat de depressie betekenis had voor de persoonlijke
ontwikkeling van Bart en, daarmee samenhangend, een adaptieve functie vervulde
doordat de manier waarop hij met zijn omgeving omging wezenlijk veranderde.
Ook
al zijn de symptomen ernstig, dan is dat nog geen reden om een negatieve
betekenis aan het depressief-zijn toe te schrijven. Lijden is in veel gevallen
een uiting van een niet direct zichtbaar proces dat de persoon doormaakt, en
waar zij of hij beter uit tevoorschijn kan komen (46;47). In de loop der jaren
hebben veel van mijn clienten in de eindfase van de behandeling aangegeven dat
het feit dat ze depressief waren hen had geholpen om tot nieuwe inzichten over
zichzelf te komen, hun leven over een andere boeg te gooien en/of pijnlijke
ervaringen te verwerken. De depressie had hen als het ware geconfronteerd met
zichzelf en hen wakker geschud. De depressie was de aanleiding om hulp te
vragen en om problemen op te lossen. De ernst of de last gaf de motivatie om
energie te steken in dat veranderingsproces. (Het is niet de therapie of de
therapeut die mensen verandert. Mensen veranderen omdat ze dat willen en maken
daarbij gebruik van alles wat op hun pad komt. Wij hulpverleners kunnen zo goed
mogelijk op dat autonome proces inspelen en de belemmeringen zoveel mogelijk
wegnemen.)
Het
depressief-zijn kan dus opgevat worden als een aanleiding tot- en een fase in
het psychologische ontwikkelingsproces van een persoon (tenzij er, zoals reeds
gezegd, duidelijke somatische oorzaken aan te wijzen zijn). Dat proces zal
uitmonden in meer autonomie of in het zich vrijmaken van remmende factoren uit
het verleden, mits de persoon zelfstandig of met adequate hulp, erin slaagt die
ontwikkeling op een juiste manier door te maken. Voorwaarde is dat de
omstandigheden dat toelaten. Omdat het lot van mensen verbonden is met dat van
anderen, zullen soms ook wezenlijke veranderingen moeten optreden bij een
partner en/of bij familieleden, om de weg vrij te maken voor een wenselijke
ontwikkeling.
Betekenis
en zin kunnen inhoud geven aan het lijden en het minder zwaar maken. Iets dat
ergens toe dient zal makkelijker te accepteren en te dragen zijn. Wanneer de
hulpverlener zich van het mogelijk functionele karakter van depressie bewust
is, zal dat bijdragen aan een meer ‘faciliterende’ houding en strategie. In de
hoofdstukken 5, 7en 10 zal ik deze visie op de functionaliteit van
depressief-zijn en de waarde daarvan verder onderbouwen.
Het
is moeilijk om specifieke oorzaken van depressieve verschijnselen vast te
stellen. De huidige consensus is dat depressie meerdere oorzaken heeft en dat
elk van de oorzaken onvoldoende verklaring biedt voor het ontstaan of
voortduren ervan (48). We kunnen echter een aantal oorzakelijke aspecten
onderscheiden die houvast geven bij het begrijpen van ontstaan en verloop van
een depressie. Men kan onderscheid maken tussen factoren die een depressie op
gang brengen en factoren die een depressie instandhouden. Deze factoren worden
gewoonlijk samengevat onder het begrip stress en worden stressoren genoemd (zie
voor de lichamelijke reacties op stress, hoofdstuk 4). De op gang brengende en
instandhoudende gebeurtenissen zijn geen objectieve gegevenheden. De
individuele evaluatie: beleving en betekenisgeving van stressvolle
gebeurtenissen is doorslaggevend voor een reactie.
In
veel theorieën over het ontstaan en voortbestaan van depressie spelen omgeving
en individuele dispositie een rol. Bijvoorbeeld: Lewinsohn en collega’s (49)
zien depressie als het eindresultaat van door de omgeving op gang gebrachte
veranderingen in gedrag, affecten en cognities. In hun visie zijn situationele
factoren de ‘triggers’ (uitlokkers) van het proces dat tot depressie leidt,
terwijl disposities, waaronder cognitieve factoren, optreden als ‘moderators’
die het proces versterken of afremmen.
Ik
beschouw depressief-zijn als een persoonspecifieke manier om op een combinatie
van stressveroorzakende problemen in zichzelf en in de omgeving te reageren.
Voorbeelden van problemen in zichzelf: pijnlijke herinneringen, onverwerkte
rouw, een stoornis in de persoonlijkheid of lichamelijke verschijnselen zoals
een hartinfarct of een hypofunctie van de schildklier. Problemen in de omgeving
zijn gebeurtenissen en omstandigheden zoals ontslag, echtscheiding, overlijden
van een dierbare relatie, langdurige relatieproblemen.
Problemen
kunnen overigens aanleiding zijn tot verschillende typen psychopathologie bij
verschillende mensen afhankelijk van hun individuele kenmerken. De
behandelfocus in de ZAT is niet het specifieke symptoom of syndroom maar de inter-
en intrapersoonlijke factoren die een rol spelen bij het ontstaan en de in
stand houding van de symptomen.
De
specifieke reactie van een persoon op interne en externe verstoringen of
confrontaties door stressoren kan worden opgevat als een zelforganiserend
proces met een adaptieve functie. Zelforganiserende processen zijn
aanpassingsprocessen die op gang gebracht worden door uitlokkende
gebeurtenissen terwijl het verloop ervan van binnenuit wordt bepaald (zie ook
hoofdstuk 7). De uitlokkende prikkel (stressor) bepaalt dus niet wat de persoon
zal doen en op welke manier. Het soort reactie is volledig afhankelijk van de
individuele structuur. Zelforganiserende processen gaan door - tenzij ze
belemmerd worden - totdat een nieuw acceptabel evenwicht met de omgeving
ontstaan is waarin de confrontaties (van de stressor) geneutraliseerd zijn. Dit
nieuwe evenwicht zal als gevolg van ingebouwde groei-tendensen een grotere
interactionele autonomie van de persoon inhouden. Simpel gezegd: de persoon zal
uiteindelijk beter met de omgeving overweg kunnen omdat zij geschiktere
oplossingen heeft ontwikkeld of gevonden. Door deze toegenomen competentie zal
ook de omgeving een andere betekenis hebben gekregen. De verandering komt dus
van twee kanten.
Confrontaties
zijn gebeurtenissen of situaties die a) door de persoon worden waargenomen, en
b) de persoon noodzaken om maatregelen te nemen. (In plaats van de term
verstoring die afkomstig is uit de zelforganisatietheorie, geef ik de voorkeur
aan de term confrontatie om het persoonlijke, het subjectieve van ervaringen te
benadrukke
Adaptatie
is een proces waarbij mensen veranderen om beter te passen in hun omgeving.
Adaptatiestaat ten dienste van het overleven en het kunnen leven in een
veranderende omgeving (51). Adaptatie verloopt onder andere via groei,
ontwikkeling en leren. Onze belangrijkste opgave is dat we met onze omgeving in
overeenstemming moeten zien te blijven. We veranderen om beter bij de omgeving
te passen maar de omgeving verandert mee met die verandering omdat we er meer
greep op krijgen. Daarnaast verandert de omgeving onafhankelijk van ons, wat
ons voor nieuwe uitdagingen stelt: we gaan naar school, studeren, krijgen een
beroep, we verhuizen, we krijgen kinderen, geliefden vertrekken of overlijden,
enzovoort.
Het
concept adaptatie biedt een referentiekader waarin aan ogenschijnlijk negatief
gedrag een positieve betekenis kan worden toegeschreven. Zo kan depressief-zijn
worden opgevat als een complexe adaptieve actie waarbij lichamelijke en
psychische aspecten gemobiliseerd worden teneinde een structurele verandering
te bewerkstelligen.
Het
begrip adaptatie sluit aan bij de systemische en interactionele modellen, bij
de biologische stress-theorie (52) en bij het ontwikkelingsmodel van Piaget
(53).
De
term adaptatie of aanpassing heeft meerdere betekenissen:
a
- tijdelijke verandering in responsiviteeit of gevoeligheid;
b
- zich aangepast gedragen, zich conformeeren: zich anders gedragen dan men zich
werkelijk voelt om bijvoorbeeld geaccepteert te worden;
c
- habituatie, in de zin van zich aanpasssen aan een nieuwe omgeving;
d
- verandering in cognitieve structuur enn handelen met het doel een betere
overeenstemming met de omgeving te bereiken op een structureel niveau en met
behoud van de eigen integriteit.
Wanneer
ik in de tekst het begrip adaptatie gebruik gaat het om de onder d -
geformuleerde betekenis.
Adaptatie
dient te worden onderscheiden van coping (54). Coping heeft een beperkter
betekenis en verwijst naar manieren van omgaan met moeilijke situaties. De
zogenaamde afweermechanismen (55) kunnen beschouwd worden als
coping-mechanismes. Mensen kunnen een relatief consistente manier hebben van
probleemoplossen. Men spreekt dan van coping-stijl. De coping-stijl zal
veranderen onder invloed van adaptatie.
Theorieën
over de samenhang tussen adaptatie en depressie vinden we onder andere bij
Hettema (56) en bij Webster (47). Depressief-zijn kan vanuit het gezichtspunt
van adaptatie worden opgevat als competent omgaan met een complexe omgeving.
Wat op het oog wanordelijk gedrag (pathologie) lijkt is functioneel in de
zelfhandhaving.
Depressief-zijn
is een zeer pijnlijk maar zinvol gebeuren dat onder bepaalde condities na
verloop van tijd tot orde kan leiden op een hoger niveau van menselijk
functioneren. Deze veronderstelling wordt door klinische ervaring, onderzoek
(57) en door natuurwetenschappelijke theorieën ondersteund (o.a.:58;59;60;61).
Voorbeelden van adaptieve
functies:
-
Depressief-zijn kan worden opgevat als een manier om zichzelf zo te organiseren
dat het kunnen leven in een bepaalde veranderde situatie zo zeker mogelijk is
(62).
-
Depressief-zijn geeft gelegenheid om de stand van zaken met betrekking tot
onszelf te evalueren (63;64).
-
Depressief-zijn kan het vinden van oplossingen voor langere termijn problemen
vergemakkelijken via het recapituleren van vroegere probleemoplossingen (65).
-
Depressie zou een manier kunnen zijn om het verspillen van hulpbronnen aan
pogingen om onmogelijke doelen te bereiken, te voorkomen (66;46).
-
Veel onderzoekers onderstrepen dat depressie een gelegenheid schept om te
veranderen (57).
Depressie
is net zoals andere biopsychische aandoeningen moeilijk te typeren en objectief
te maken. Voor een deel heeft dat te maken met de subjectiviteit van onze
waarneming en met de vele verschijningsvormen van depressie. Depressie is
wanorde en orde, lijden en logica. Om praktische redenen sluit ik in dit boek
aan bij de huidige consensus over aard en vorm van depressie. Factoren die van
belang zijn bij de vaststelling van depressie en van de rol daarvan in iemands
leven zijn onder andere objectief constateerbare symptomen, risico’s en
belemmeringen en subjectieve beleving, betekenis, herkenning, (zelf-)presentatie,
sexespecifieke en culturele achtergronden.
Depressief-zijn
kan op meerdere niveau’s geanalyseerd worden, als een complex van waarneembare
symptomen en tekens, als een door de cliënt min of meer bewust ervaren complex
van klachten en problemen en als een actief proces dat een functie heeft in de
aanpassing van de cliënt aan haar persoonlijke omgeving.
De
therapierelevante factoren kunnen ondergebracht worden in het
kwetsbaarheid-kracht-stress model. Dit model biedt uitganspunten voor
behandeling die in de volgende hoofdstukken uitgebreider aan de orde zullen
komen.
Depressief-zijn
als een individuele manier van reageren, typisch voor een bepaald persoon,
hangt samen met fysieke en/of psychische kwetsbaarheden en wordt in toom
gehouden door sterke kanten. Het proces wordt op gang gebracht en
instandgehouden door interne en externe gebeurtenissen die erop inwerken. De
kwetsbaarheden kunnen bestaan uit erfelijk bepaalde eigenschappen en uit in de
loop van de persoonlijke ontwikkeling opgedane kenmerkende manieren van
waarnemen en handelen. Die kenmerken en eigenschappen zullen van biologische,
psychische en sociale, interpersoonlijke aard zijn. Dat betekent dat hulp bij
depressie niet zozeer specifiek zal moeten zijn voor het soort depressie maar
gericht moet worden op: a) de psychische en lichamelijke kwetsbaarheden van de
cliënt of patiënt, b) de op gang brengende factoren (stressoren) en c) de
instandhoudende aspecten (omgevingsreacties, individuele percepties) en d) de
eigen kracht (vaardigheden, eigenschappen, competentie, weerbaarheid).
Onderzoek
heeft meerdere lichamelijke, psychische en interpersoonlijke factoren
geïdentificeerd die met kwetsbaarheid en het optreden en/of het instandhouden
of het overwinnen van depressie in verband kunnnen worden gebracht. Deze zullen
in de komende hoofdstukken worden besproken. Ze vormen de basis voor de in deel
II beschreven biopsychosociale behandelingsmethode: De zelfactiveringstherapie
(ZAT).
Ik
zal in de tekst vaak de term ‘persoon’ gebruiken omdat de behandeling gericht
is op persoonlijke kenmerken van de cliënt, die niet rechtstreeks te maken
hebben met het cliënt of patiënt zijn en daar hoogstens de aanleiding toe
vormen.
Aandoening:
kwaal, ontroering, emotie, volgens het woordenboek. Het emotionele aspect is in
het kader van dit boek relevanter dan het ziekte-aspect.
Het
begrip ‘hulpverlener’ verwijst naar eenieder die zich beroepsmatig bezig houdt
met de behandeling van psychische problematiek, zoals psychiaters, huisartsen,
maatschappelijk werkers, sociaal-psychiatrische verpleegkundigen,
psychotherapeuten, psychologen en andragologen.
De
term ‘patiënt’ benadrukt het lijden of het ziek-zijn van een persoon, de term
‘cliënt’ verwijst naar de ontvanger van hulp of diensten zonder een uitspraak
te doen over de aard van de aandoening. Ik zal meestal het woord ‘cliënt’
gebruiken tenzij het lijden van een persoon duidelijk centraal staat.
Deze
theoretische referentiekaders die betrekking hebben op de relatie tussen
individu en omgeving zullen in hoofdstukken 6, 7 en 8 beschreven worden.
Onderzoek
met de RAND-methode door het TRIMBOS INSTITUUT in 1995/1996 (50).
Een ‘mental disorder’ is een “clinically significant
behavioral or psychological syndrome or pattern that occurs in an individual
and that is associated with present distress (e.g., a painful symptom) or
disability (i.e., impairment in one or more important areas of functioning) or
with a significantly increased risk of suffering death, pain, disability, or an
important loss of freedom.” (DSM-IV pag. xxi).
Gezien
deze cijfers lijkt het niet gerechtvaardigd om bij depressie over een abnormaal
verschijnsel te praten.
Actie
= alle handelingen die een verschil uitmaken ook al zijn ze niet bewust
gekozen.
Terug
naar Startpagina