MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP
2. Profiel van de individuele hulpverlening.
2.1. Beleidsprincipes.
2.1.1 Respect voor
kinderrechten.
Het verdrag inzake de Rechten van
het Kind is de uitdrukking van een visie op kinderen. Die visie gaat uit van de
erkenning dat kinderen mensen zijn, zij het mensen-in-de-groei, niet
mensen-in-wording. Hun rechten moeten ernstig worden genomen.
Ook voor de individuele
hulpverlening is voornoemd verdrag essentieel.
2.1.2 Cliëntgerichtheid.
Cliëntgerichtheid omvat veel meer
dan cliëntvriendelijkheid en een goede communicatie met de cliënt.
Binnen de hulpverlening van de
bijzondere jeugdbijstand staat het belang van het kind centraal. De
hulpverleners luisteren naar de cliënten. Ze trachten zich in hun denkwereld in
te leven. Cliënten zijn : kinderen en ouders. Beide zijn volwaardige partners
in de hulpverlening.
In de gecoördineerde decreten
inzake de bijzondere jeugdbijstand wordt principieel het recht erkend van
minderjarigen om te participeren aan de oplossing van problemen die hen
rechtstreeks raken. Zij worden niet als onmondig beschouwd, maar als personen
die in de mate van het mogelijke mee verantwoordelijkheid dragen :
« In de gevallen waarin de
hulpverlening de persoonlijke vrijheid van de minderjarige raakt, kan de
hulpverleningsaanvraag enkel ingewilligd worden en kan een hulpverleningsaanbod
enkel uitgevoerd worden met de instemming van de minderjarige wanneer deze de
leeftijd van veertien jaar heeft bereikt, of nadat de minderjarige werd gehoord
wanneer hij jonger is dan veertien jaar. » (artikel 9, § 2, 4° GD).
Daarnaast worden ook de rechten
van de ouders benadrukt :
« In alle gevallen waarin de hulpverlening de rechten raakt van diegenen die
over de minderjarige het ouderlijk gezag uitoefenen of hem onder hun bewaring
hebben, kan een hulpverleningsaanvraag enkel ingewilligd worden en kan een
hulpverleningsaanbod enkel uitgevoerd worden, met hun instemming. » (artikel 9,
§2, 3° GD).
Binnen het hulpverleningsproces
dient bijzondere aandacht te worden besteed aan het versterken van de positie
van de cliënt. De consulent is verantwoordelijk voor het informeren van de
cliënt, voor het betrekken van de cliënt bij beslissingen en, indien dat nodig
is, voor het onderhandelen met de cliënt over de hulpvraag en het mogelijke
hulpaanbod.
Het is belangrijk dat de zorg
niet wordt aangeboden over de hoofden van de betrokkenen heen. De consulent
ziet erop toe dat de jongere en zijn gezin invloed hebben op wat er gebeurt.
Het CBJ waakt er met andere woorden over dat het hulpaanbod zoveel mogelijk
aansluit bij de hulpvraag van de cliënt. De hulpverlening dient m.a.w.
vraaggericht te zijn.
Cliëntgericht werken impliceert
dat ouders en jongeren door het CBJ worden betrokken in het gehele
hulpverleningsproces, dat ze als volwaardige partners worden erkend en dat de
nog aanwezige draagkracht en inzet worden benoemd. De meningen van de cliënten
worden in de verslagen vermeld en de hulpverlening moet bijdragen tot het
oplossen van problemen zoals geformuleerd door de minderjarige en zijn of haar
gezin en dit met respect voor de integriteit van alle betrokkenen en de rechten
van derden.
Mogelijke onwil, ongemotiveerdheid
en onaanspreekbaarheid zijn vaak manieren waarop ouders of jongeren tot uiting
brengen dat ze zich niet begrepen of gerespecteerd voelen. Begrip opbrengen
voor hun situatie vormt dan ook de basis van alle contacten met hen. Als ze
vanuit deze visie worden verwezen naar een CBJ, is de kans dat de hulpverlening
slaagt, veel groter.
Het is tevens vanuit die visie
dat, als de hulpverlening vastloopt, het CBJ wil meestappen in een bemiddeling.
Jongeren en ouders worden gestimuleerd om zelf te participeren aan de oplossing
van hun problemen, waardoor de hulpverlening opnieuw kansen krijgt.
Cliëntgericht werken houdt
eveneens in dat de cliënt geïnformeerd wordt over het engagement dat hij
aangaat wanneer hij zijn instemming betuigt met de voorgenomen hulpverlening.
Deze hulpverlening is immers niet vrijblijvend. De opportuniteit van het
continueren, opschorten of stopzetten van de hulp zal in eerste instantie
afgewogen worden aan het belang van het kind.
2.1.3. Subsidiariteit.
Volgens het beginsel van de
subsidiariteit moet de voorkeur worden gegeven aan een tussenkomst die het
minst ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen, tenminste
voorzover het effect gelijk is.
Het subsidiariteitsprincipe wijst
op het aanvullende karakter van de bijzondere jeugdbijstand. De bijzondere
jeugdbijstand stelt zich aanvullend op ten aanzien van eerstelijnsdiensten die
het gepaste hulpaanbod kunnen bieden. Niet ieder ernstig probleem hoeft immers
te leiden tot acties van « bijzondere diensten ». De hulpverlening of de
zorgverstrekking die onder meer door de school, het centrum voor
leerlingenbegeleiding (C.L.B.), de huisarts, het algemeen welzijnswerk en de
geestelijke gezondheidszorg wordt verleend, hoeft niet door de bijzondere
jeugdbijstand te worden opgenomen. Gelukkig wordt nog veel door de mantelzorg
opgelost.
Het subsidiariteitsprincipe
betekent ook dat voorrang verleend wordt aan de vrijwillig onderhandelde en
aanvaarde hulpverlening boven gedwongen maatregelen.
Verder betekent het bijvoorbeeld
dat ambulante begeleiding in het milieu van de betrokken jongere, te verkiezen
is boven residentiële hulpverlening. Als wordt voorgesteld dat de jongere niet
langer in zijn milieu kan vertoeven, moet uit de gegevens blijken dat de
pedagogische draagkracht van het milieu onvoldoende waarborgen biedt voor het
behoud van de jongere.
Het principe van subsidiariteit
wordt nog geaccentueerd door het beginsel dat de rechtstreeks betrokkenen
worden gestimuleerd om zelf een bijdrage te leveren aan de oplossing van de
POS.
2.1.4 Gezinsgerichtheid.
De bijstand en hulp die de CBJ's
organiseren zijn niet uitsluitend gericht op de individuele jongere, maar op de
hele context waarbinnen hij/zij leeft. Het gezin, als natuurlijk leefmilieu van
de jongere, neemt hier een belangrijke plaats in.
Het gezin staat echter niet
alleen en leeft in een ruimere maatschappelijke context. Ouders doen een beroep
op hun familie, buurt, kinderopvang, de school, het verenigingsleven en
algemene welzijnsdiensten. De tussenkomst van het CBJ is dan ook gericht op het
behoud van de jongere in zijn natuurlijk leefmilieu of op de terugkeer naar dat
milieu.
Voor de CBJ's blijven de ouders
belangrijke partners in het opvoedingsproces. Voor de ouders is de ontwikkeling
van hun kinderen een belangrijk doel. De meeste ouders zijn zich daarvan bewust
of zijn daarop aan te spreken. Dat geloof in de bereidheid en de
aanspreekbaarheid van ouders staat voorop. Hun inspanningen moeten worden
erkend en gewaardeerd.
De CBJ's moeten er ook over waken
dat ze tussenbeide komen bij het oplossen van de POS. Armoede op zich is geen
synoniem van POS. Zodoende kan armoede alleen nooit aanleiding zijn tot
tussenkomst van de bijzondere jeugdbijstand.
2.2 Het begrip problematische opvoedingssituatie.
Het begrip « problematische
opvoedingssituatie » vormt de basis bij de beoordeling of een jongere door een
CBJ kan worden geholpen. De hulpvragen worden kritisch vanuit dit begrip
bekeken. Men vraagt zich af of de betrokkenen de opvoedingssituatie als
problematisch beleven. De hele gezins- en maatschappelijke context wordt bij
deze evaluatie betrokken. Hierbij heeft men niet alleen een bijzondere aandacht
voor de draaglast maar ook voor de draagkracht en de groeimogelijkheden van het
gezin.
Ter Horst (4) definieert de POS
als : « deze door de betrokkenen als nagenoeg perspectiefloos ervaren
opvoedingssituatie, waar men zonder deskundige hulp van buitenaf niet in slaagt
het geheel zodanig te veranderen dat het weer perspectief biedt. »
Of een probleemsituatie effectief
als problematisch wordt beschouwd, hangt af van het volume van de problematiek.
De verschillende dimensies die dat volume (5) bepalen, kunnen aan de hand van
de onderstaande parameters worden omschreven.
Breedte : hoeveelheid
deelproblemen of problematische aspecten van de opvoedingssituatie. Men spreekt
in dit verband van « multiprobleemgezinnen ». Het gaat hier om tal van
probleemgebieden die zich manifesteren op het vlak van de gezinsstructuur, de
ouder-kindrelatie, de relatie tussen de ouders, de schoolse evolutie, de
maatschappelijke integratie, de pedagogische bekwaamheid, de economische
draagkracht, de persoonlijkheidsontwikkeling, de materiële omstandigheden enz.
Hoogte : de ernst of het
specifieke karakter van sommige probleemaspecten. Dit kan tot uiting komen bij
ernstige ontwikkelingsmoeilijkheden van kinderen. Het houdt ook verband met het
« conflictgehalte » van de opvoedingssituatie. De betrokken personen kunnen
onderling in conflict komen (relationeel conflict), maar ze kunnen ook botsen
met de omgeving en de algemeen gangbare waarden (normatief conflict).
Lengte : de duurzaamheid of het
chronische karakter van de problematische opvoedingssituatie. Dit heeft
dikwijls te maken met het ontoereikend effect van de mantelzorg of met een
falende hulpverlening.
Kousemaker (6) ontwerp een
bruikbare indeling waarbij opvoedingsvragen en opvoedingsproblemen naar zwaarte
worden onderscheiden :
“1. de gewone
opvoedingssituatie”.
Daarin komt het wel eens voor dat
een opvoeder met vragen of problemen zit maar deze zijn over het algemeen op
een bevredigende manier op te lossen. Ouders voelen zich bekwaam als opvoeder.
Dat neemt niet weg dat men van tijd tot tijd behoefte heeft aan informatie of
steun. Die zoekt men in eerste instantie binnen het eigen netwerk van vrienden
en familie. Men doet echter steeds vaker beroep op welzijnsdiensten.
“2. de opvoedingsspanning”.
Wanneer de opvoedingsproblemen
niet meer zo eenvoudig hanteerbaar zijn ontstaat een situatie van
opvoedingsspanning. Ouders ervaren hun opvoedingshandelen als minder effectief.
Ze gaan op zoek naar alternatieven en vragen anderen om raad om de situatie het
hoofd te kunnen bieden.
Vaak heeft men al het een en
ander geprobeerd zonder dat dit heeft geholpen. Ouders voelen zich onzeker en
schuldig en de behoefte aan steun en advies neemt toe. Ondersteuning uit de
eigen omgeving is niet altijd meer voldoende.
“3. de opvoedingscrisis”.
Wanneer de spanning verder
oploopt kan de situatie escaleren. Er is dan sprake van een crisis in de
opvoeding. Ouders zijn min of meer wanhopig en kunnen de situatie niet meer
aan. Men gaat steeds meer zijn toevlucht nemen tot ad hoc oplossingen en
noodgrepen (bijvoorbeeld slaan uit onmacht). Het gevoel van incompetentie neemt
toe. Men beleeft geen plezier meer aan het ouder zijn en men voelt zich ambivalent
ten opzichte van het kind. Een crisis kan ontstaan door een probleem dat van
buitenaf komt, door een stressvolle gebeurtenis die het gezinsevenwicht
verstoort. Dikwijls komt men zo een crisis weer zelf te boven. Soms is daar
steun van anderen bij nodig.
“4. de problematische
opvoedingssituatie of opvoedingsnood”.
Er is sprake van complexe
problemen die al over een langere periode bestaan. Opvoeden is een bron van
teleurstellingen en verdriet geworden. »
POS zijn dus situaties waarin de
fysieke integriteit, de affectieve, morele, intellectuele of sociale
ontplooiingskansen van minderjarigen in het gedrang komen door bijzondere
gebeurtenissen, relationele conflicten of door omstandigheden waarin ze leven
(art. 2, a) GD). Om opnieuw perspectieven te bieden voor de betrokkenen wordt
het hulpaanbod van de diverse welzijnssectoren als ontoereikend ervaren.
De CBJ's dienen zich te richten
op deze POS. De bijzondere jeugdbijstand moet erover waken dat haar kwalitatief
en intensief hulpaanbod ten goede komt van jongeren die zich in de meest
precaire situaties bevinden, meer bepaald de maatschappelijk kwetsbare
jongeren.
2.3. Hulpverleningsfuncties.
De profilering van de CBJ's kan
nog worden verduidelijkt vanuit een beschrijving van de onderscheiden
hulpverleningsfuncties, waarbij telkens aangegeven wordt of ze al dan niet door
de CBJ's dienen te worden opgenomen.
2.3.1 Informatie en advies.
Bij informatie en advies gaat het
er vaak om dat de cliënt wegwijs wordt gemaakt in een complex geheel van regels
en organisaties. Deze informatieverstrekking is laagdrempelig en behoort in
wezen tot de taak van de eerstelijnszorg.
2.3.2. Begeleiding en
doorverwijzing.
Soms zijn informatie en advies
niet voldoende. Dan moet beroep worden gedaan op een hulpaanbod dat gericht is
op het methodisch oplossen van de probleemsituatie.
Het toeval mag echter niet
bepalen door wie een minderjarige zal worden geholpen. Meldingen over de
bedreigde ontwikkeling van kinderen dienen in eerste instantie te worden
opgevangen door de eerstelijnszorg. Dat vraagt van die diensten een bereidheid
om in te gaan op meldingen van derden. De CBJ's kunnen hierin een
ondersteunende rol spelen, in die zin dat ze hun deskundigheid ter beschikking
stellen van die diensten. Netwerkoverleg is daarbij een belangrijk instrument.
Het CBJ profileert zich niet als
een dienst waar allerlei problemen (bv. van huis weglopen) worden opgevangen.
Het gsubsidiaire' karakter van de bijzondere jeugdbijstand dient nogmaals te
worden benadrukt. Alleen als vermoed wordt dat het om een POS gaat en de
begeleidende dienst, samen met de cliënt, tot het besluit komt dat
ondersteuning vanuit de bijzondere jeugdbijstand noodzakelijk is, kan de cliënt
worden gevraagd contact te nemen met het CBJ.
Gezien het vrijwillige karakter
van het hulpaanbod is het essentieel dat de betrokkene ertoe aangespoord wordt
zelf contact op te nemen met het CBJ. De begeleidende dienst bezorgt aan het
CBJ, in overleg met de cliënt, de nodige informatie waarin de problematiek en
de al geboden begeleiding worden beschreven.
Ook politiediensten en
magistraten kunnen telkens als ze vermoeden dat het om een POS gaat, de
betrokkenen adviseren en hen ertoe aansporen contact op te nemen met het CBJ.
Het CBJ mag niet worden ingezet voor die situaties waarin de betrokkenen
afdoende kunnen worden geholpen in de andere welzijnssectoren. Een jongere die
wegloopt (die toevallig bij een politiedienst terecht komt) hoeft daarom nog
niet door het CBJ te worden opgevangen.
Op basis van de gesprekken met de
cliënt en de gegevens van de verwijzende dienst bepaalt het CBJ of het om een
POS gaat en of het opportuun is dat de bijzondere jeugdbijstand tussenbeide
komt.
Als blijkt dat een eerste- en
tweedelijnsaanbod in de regio niet of onvoldoende gegarandeerd wordt heeft het
CBJ, o.m. via haar jaarverslag, een signaalfunctie naar het beleid.
2.3.3. Caseonderzoek.
Screening, diagnose,
indicatiestelling en toewijzing vormen samen het caseonderzoek bij POS.
Screening omvat een eerste
probleemverkenning van de POS. Tijdens de aanmelding wordt samen met de cliënt
een beeld gevormd van de probleemsituatie. Er wordt eventueel besloten dat kan
worden volstaan met hulpverlening buiten de bijzondere jeugdbijstand.
Bij screening worden zoveel
mogelijk relevante gegevens verzameld en tracht men tot een profiel te komen
van de minderjarige zelf, zijn gezin, zijn school en/of werksituatie en zijn
bredere sociale omgeving. Er wordt op die manier getracht tot een eerste
omschrijving te komen van de POS.
Een goede screening is van
cruciaal belang. Het is een essentiële voorwaarde voor een effectieve en
efficiënte diagnose, indicatiestelling en toewijzing. Het hanteren van een
gestandaardiseerd screeningsinstrument is daarbij aangewezen.
Door de diagnose tracht men samen
met de cliënt tot een precies beeld van de POS te komen. Het gaat hier om een
beschrijvend en besluitend rapport waarin de hulpvraag, de problematieken
(draaglast) en de aangrijpingspunten (draagkracht) voor een mogelijke oplossing
in een zinvol verband worden gebracht.
Het CBJ ontwikkelt die diagnose
mede op basis van de onderzoeksresultaten die andere betrokken welzijnsdiensten
hebben geformuleerd. Bij verwijzing naar een CBJ wordt van die diensten dus
verwacht dat ze hun bevindingen, alsook de al ondernomen activiteiten en de
effecten ervan duidelijk formuleren.
Een kwaliteitsvolle diagnostiek
is de meest adequate manier om tot een goede beslissing te komen. Het CBJ dient
de nodige tijd te nemen en te krijgen voor een grondige diagnose en respect te
hebben voor het ritme van de cliënt. Om die redenen kunnen verwijzende diensten
niet altijd onmiddellijk een beslissing tot hulpverlening verwachten.
De diagnose vormt de basis voor
het opstellen van een hulpverleningsprogramma, waarin de algemene
doelstellingen van de hulpverlening worden vastgelegd.
Indicatiestelling legt het
verband tussen de zorgvraag en het zorgaanbod. Op basis van de verzamelde en
geïnterpreteerde diagnostische gegevens wordt op een onafhankelijke en
geobjectiveerde wijze vastgesteld welk hulpaanbod van de bijzondere jeugdbijstand
geëigend is, rekening houdend met de aard, de inhoud, de omvang en het dringend
karakter van de zorgvraag.
In die fase wordt abstractie
gemaakt van het bestaande aanbod. Wel worden de verschillende mogelijkheden in
volgorde van wenselijkheid aangegeven.
De indicatiestelling formuleert
in de eerste plaats een advies over hoe de problemen het best kunnen worden
aangepakt.
De loskoppeling van geïndiceerde
en toegewezen hulp maakt het mogelijk na te gaan welk hulpaanbod onvoldoende
aanwezig is. De kloof tussen beide is een signaal voor het beleid om het
hulpaanbod beter af te stemmen op de hulpvragen.
Alleen bij de toewijzing wordt
nagegaan of de voorgestelde hulp ook werkelijk kan worden uitgevoerd. Hier komt
de koppeling tot stand tussen geïndiceerde hulp en concreet uit te voeren hulp.
In deze fase wordt nagegaan of de
geïndiceerde hulp ook werkelijk aanvaardbaar is voor de betrokkenen en gebeurt
de onderhandeling met de voorziening.
De CBJ's staan borg voor een
kwalitatieve formulering van voornoemde functies.
Zowel voor de diagnose, als voor
de indicatiestelling kan het CBJ zich laten adviseren en ondersteunen. De
voorzieningen voor onthaal-, oriëntatie- en observatie, alsook het overleg en
de samenwerking met andere welzijnsdiensten en disciplines, zijn voor de CBJ's
belangrijke instrumenten.
De mate waarin binnen het
netwerkoverleg en binnen het overleg met de cliënt overeenstemming wordt
bereikt over de diagnose en de indicatiestelling die het CBJ heeft
geformuleerd, bepaalt mede de effectiviteit van de hulpverlening.
Op advies van de sociale dienst
beslist het bureau over de toewijzing.
Daarna is er sprake van casemanagement door de sociale dienst bij het CBJ.
2.3.4. Casemanagement.
Nadat een beslissing inzake
vrijwillige hulpverlening werd genomen hebben de consulenten een belangrijke
taak te vervullen als casemanager. Ze sturen het verloop van de hulpverlening
zodat het effectief en efficiënt verloopt en maximaal wordt gedragen door de
cliënt.
De consulent die met het dossier
is belast, zorgt voor de aanmelding bij de voorziening en bezorgt deze
onverwijld alle nuttige gegevens die voor de hulpuitvoering van belang zijn.
Deze consulent licht de verstrekte gegevens evenals het hulpverleningsprogramma
mondeling toe. Hij/zij volgt de hulpverlening aan de minderjarige en het gezin
op, o.a. door bezoeken en evolutieverslagen. Hij/zij formuleert eventuele
voorstellen aan het bureau om hulpverlening te verlengen of te wijzigen.
Voor de cliënt is de betrokken
consulent een vertrouwenspersoon en een eerste aanspreekpunt. De betrokken
consulent is de vertegenwoordiger van en de verbindingsschakel tussen de
cliënt, de voorziening en het CBJ.
2.4. Plaats van het CBJ binnen de hulpverlening
De bijzondere jeugdbijstand is
geen eiland. Ze functioneert binnen een geheel van welzijnsvoorzieningen. Of
deze voorzieningen al hulp hebben aangeboden en of die hulpverlening effectief
is geweest, is een belangrijk criterium voor het CBJ om al dan niet
hulpverlening te organiseren binnen de bijzondere jeugdbijstand.
Als hulpverlening noodzakelijk
is, maar niet op vrijwillige basis kan worden georganiseerd, kunnen de CBJ's
een beroep doen op de bemiddelingscommissies. Die zijn ertoe gehouden de
vrijwillige hulpverlening maximale kansen te geven.
Soms dient het CBJ zonder
vrijwillige medewerking op te komen voor de jongere en zijn rechten. Het CBJ
moet in die situaties, in het belang van de jongere, onmiddellijk een beroep
doen op de bemiddelingscommissie.
Het is de bemiddelingscommissie
die beslist of een POS al dan niet aan het parket wordt gemeld.
Artikel 4, 2° van de
gecoördineerde decreten bepaalt wel dat de CBJ's aan de magistraten die met
jeugdzaken zijn belast, waarborgen moeten verlenen dat bijstand en hulp
werkelijk zullen worden aangeboden. Uiteraard gaat het hier uitsluitend om
vragen met betrekking tot POS. Die meldingen wijzigen niets aan het vrijwillige
karakter van het CBJ.
Ten aanzien van de voorzieningen
van de bijzondere jeugdbijstand heeft het CBJ de rol van, verwijzende
instantie'. Het CBJ bepaalt, samen met alle betrokkenen, de doelstellingen en
de termijnen van de hulpverlening. Het comité volgt de realisatie van de
doelstellingen in het gehele hulpverleningsproces, bewaakt de beleidsprincipes
en garandeert de nodige continuïteit. Dialoog met de voorzieningen en het
formuleren van wederzijdse feedback zijn hierbij belangrijke principes.
2.5. Kenmerken van de vrijwillige hulpverlening binnen de
bijzondere jeugdbijstand.
1.
Het vrijwillig aanvaarde karakter van de hulpverlening dat de CBJ's bieden,
is essentieel. De ouders en de jongeren dienen zich
blijvend akkoord te verklaren met de hulpverlening. Ze is gebaseerd op een
welgemeende bezorgdheid en maatschappelijke verantwoordelijkheid ten aanzien
van de jongeren en hun opvoedingsmilieu. Het bespreekbaar maken van die
bezorgdheid en maatschappelijke verantwoordelijkheid sluit aan bij de
beleidsprincipes.
2.
Een tweede kenmerk van de
hulpverlening door de CBJ's is het noodzakelijke karakter ervan. Dit houdt in dat de betrokkenen er
zonder de zorg van de bijzondere jeugdbijstand niet in zouden slagen de
problemen op te lossen.
3.
Een derde kenmerk van de vrijwillige
hulpverlening is het aanklampende karakter. Het CBJ stelt zich tot doel in POS een aanvaarde
hulpverlening op te zetten. Als de betrokkenen de hulpverlening niet
onmiddellijk aanvaarden, kan via motiverende gesprekken, getracht worden een
akkoord te bereiken. Er wordt dan gezocht naar de oorzaken van de
communicatiestoornissen en vanuit een positieve houding worden steeds opnieuw
kansen tot gesprek geboden.
4.
Een vierde facet is het aanvullende karakter van de vrijwillige
hulp-verlening door het CBJ ten aanzien van
andere welzijnsdiensten. Dat aanvullende karakter wordt geaccentueerd door de
plaats van het CBJ binnen de hulpverlening. Het feit dat de CBJ's zelf geen
begeleidingen opnemen, verscherpt dat aspect nog.
5.
De CBJ's vervullen tenslotte een
maatschappelijke opdracht. Ze treden op als een
bepaald kind onrecht wordt aangedaan. Het blijft een uitdaging voor elk CBJ om
deze maatschappelijke opdracht te realiseren zonder afbreuk te doen aan de
beleidsprincipes zoals het vrijwillige karakter van de hulpverlening, de
subsidiariteit, de gezinsgerichtheid en de participatie.
3. Besluit.
Als verwijzende instantie
vervullen de CBJ's de rol van de toegangspoort naar de voorzieningen van de
bijzondere jeugdbijstand. Met betrekking tot deze rol hebben de CBJ's, samen
met de jeugdrechtbanken, een monopoliepositie. Gezien het bijzondere karakter
van het aanbod is zo'n toegangspoort noodzakelijk en verantwoord. Het is inherent
aan deze rol en positie dat niet iedereen het altijd eens zal zijn met de
beslissingen. Dat mag echter samenwerking niet in de weg staan.
De werking van de CBJ's is immers
ondenkbaar zonder een intensief contact met collega's welzijnswerkers, zowel
binnen als buiten de bijzondere jeugdbijstand. De noodzaak tot afstemming van
de werking en de te ondernemen acties veronderstelt dat men een voortdurend
gesprek onderhoudt en zich duidelijk profileert.
Zodoende kan profilering geen
statisch gegeven zijn. Het is een proces waarbij af en toe keuzes moeten worden
gemaakt. Deze momentopnamen zijn broodnodig. Jongeren en hun gezinnen hebben
immers behoefte aan duidelijkheid.
Profileren moet ons de kans geven
cliënten in samenwerking met onze partners beter en efficiënter te helpen. De
CBJ's verwachten op dat vlak veel van de samenwerking met de andere
welzijnsdiensten en willen in deze samenwerking blijvend investeren.
In afwachting dat de discussie
ten gronde omtrent de bijzondere jeugdbijstand afgesloten wordt met een
aangepaste of vernieuwde regelgeving hoop ik dat deze omzendbrief een stimulans
voor dit profileringsproces betekent.
Vlaams minister van Cultuur,
Gezin en Welzijn,
L. Martens
Nota's
(1) Vettenburg, N, Welzijnszorg en onderwijs,
deel 1, OGJC.
(2) Vettenburg, N, Welzijnszorg en onderwijs,
deel 1, OGJC.
(3) Vettenburg, N, Welzijnszorg en onderwijs,
deel 1, OGJC.
(4) Ter Horst, W., Algemene orthopedagogiek,
Proeve van een theorie-concept, I. H. Kok, Kampen, 1980, blz. 192.
(5) Rispens, I., Over het problematische van
het begrip problematische opvoedingssituatie, TOKK, 1989, blz. 411-427.
(6) Kousemaker, Onderzoek pedagogische
preventie in de jeugdgezondheidszorg van 0 tot 4 jaar, 1987.

Terug naar
STARTPAGINA