De Bijzondere Jeugdbijstand te België

Stageplaats: Sociale Dienst bij de Jeugdrechtbank

Inleiding

In het eerste hoofdstuk ga ik na binnen welk wetgevend kader de sociale dienst van de Vlaamse Gemeenschap bij de jeugdrechtbank gesitueerd wordt. Hierbij vertrek ik vanuit de wetgeving zelf om vervolgens een kijkje te nemen naar de belangrijkste doelstellingen en principes, alsook de opdrachten en de werkmethodes binnen de bijzondere jeugdbijstand.

In het tweede hoofdstuk wordt de structuur van de bijzondere jeugdbijstand uit de doeken gedaan. Ik constateer dat binnen de bijzondere jeugdbijstand twee luiken bestaan, namelijk een vrijwillig en een gedwongen luik met een verbindingsorgaan tussen deze twee.

Omdat de consulent een rol speelt bij herstelbemiddeling op jeugdrechtbankniveau, volgt in het derde hoofdstuk een situering van de consulent van de sociale dienst. Ik probeer achtereenvolgens een antwoord te formuleren op volgende vragen: Wie is de consulent nu eigenlijk?, Wie is de doelgroep van de consulent? Met welke thematieken komt de consulent in aanraking? Waaruit bestaan de taken van de consulent?

Hoofdstuk 1: De jeugdbeschermingswetgeving in een historisch perspectief: Doelstellingen, principes, opdrachten, methoden sinds 1912

1.1 Wettelijk kader

1.1.1 Wet op de kinderbescherming d.d. 1912

De Wet van 1912 is het resultaat van ongeveer 20 jaar zwoegen en discussiëren omtrent de eventuele aanpak van minderjarigen en dan vooral van jeugdige delinquenten. Bij Pieck lezen we dat in België ‘in navolging van het Franse strafrecht, het kind op dezelfde wijze behandeld werd als een volwassene. Het kon schuldig worden bevonden en strafrechterlijk worden veroordeeld. De jonge leeftijd werd enkel gehanteerd als verzachtende omstandigheid.’ In het begin van de 20e eeuw nam men aan dat ‘jeugddelinquentie te beschouwen was als een ziekte of als een sociale onaangepastheid, zodat de minderjarige moest worden heropgevoed tot hij genezen was. Dergelijke theorieën resulteerden in 1912 tot de wet op de kinderbescherming, waarbij de overheid koos voor het bieden van hulpverlening via het gerechtelijke systeem.

Reeds in 1889 werd er voorzien dat ouders uit hun ouderlijke macht gezet konden worden. In 1911 werden de eerste maatregelen neergeschreven die konden opgelegd worden aan jeugdige delinquenten. Deze maatschappelijke ontwikkelingen resulteerden op 15 mei 1912 uiteindelijk in de oprichting van aparte kinderrechters en kinderrechtbanken.

Sinds deze wet geldt het principe dat elke jongere onder zestien strafrechterlijk onbekwaam is. Dit houdt in dat vanaf 15 mei 1912 jongeren beneden de zestien niet meer gestraft worden.

De kinderrechter kon als maatregel van bewaring, opvoeding en behoeding, volgende uitspraken doen :

De kinderrechter kreeg een principiële opdracht bij jongeren tot de leeftijd van zestien jaar, die:


Aan de Wet van 1912 is een keerzijde want er wordt een maatregel van onbepaalde duur opgelegd. Enkel wanneer de factoren, die tot delinquent gedrag leidden, zijn verdwenen kan de maatregel worden beëindigd. Er wordt niet gekeken naar de zwaarte van de feiten en de maatregelen zijn geïndividualiseerd. De kinderrechter werd met andere woorden vrijgelaten in zijn keuze van maatregelen. Dit kon tot heel wat willekeur leiden.

Door de toenemende kritiek vanwege praktijkwerkers op de Wet op de kinderbescherming uit 1912 en door de confrontatie met wantoestanden, werd het stilaan duidelijk dat de toenmalige wet aangepast diende te worden.

1.1.2 Wet op de Jeugdbescherming d.d. 1965

Om sommige wantoestanden, die het gevolg waren van de Wet van 1912, te verhelpen, werd de Wet op de kinderbescherming aangepast aan de toenmalige noden inzake bijzondere jeugdzorg.

De Wet van 1912 was er vooral op gericht om jeugddelinquentie te bestrijden, de Wet van 1965 daarentegen is er eerder op gericht om de rechten van het kind te beschermen.

De belangrijkste wijziging tegenover de Wet van 1912 is het preventieve luik (via de oprichting van de jeugdbeschermingscomités) dat op 8 april 1965 werd ingevoerd. Naast de gerechtelijke bescherming kan de jongere vanaf nu rekenen op sociale bescherming. Het jeugdbeschermingscomité beschikt over de bevoegdheid om op te treden vooraleer er zich delinquente feiten voordoen. Hiernaast kan het jeugdbeschermingscomité tussenkomen wanneer de ouders hulp vragen of hulp aanvaarden.

Sinds 1965 spreekt men niet langer over een kinderrechter, in de plaats is een jeugdrechter gekomen. De strafrechterlijke onbekwaamheid van jongeren werd opgetrokken van 16 jaar tot 18 jaar. Wat wil zeggen dat elke minderjarige onder de 18 jaar niet gestraft kan worden, maar enkel beschermt (tegenover zichzelf, de maatschappij en zijn omgeving).
Ten alle tijden moet getracht worden de jongere zo lang mogelijk te helpen via de hulpverlening van het jeugdbeschermingscomité. Na enige tijd wordt echter opgemerkt dat de helft van de cliënten van de jeugdrechtbank betrekking heeft tot artikel 36.2, namelijk minderjarige in gevaar.

Nieuw in de Wet van 1965 zijn het toezicht op de minderjarige in zijn milieu en de opvoedingsbijstand aan de ouders. Sinds 1965 komt de nadruk meer te liggen op het gezin. Verwijderingen uit het natuurlijke milieu dienen zoveel mogelijk vermeden te worden.

Kritieken op de Wet van 1965 worden op een treffende wijze samengevat door de minister van justitie, de heer Verwilghen. Bij hem lezen we dat de Wet van 1965 ervoor zorgt dat:

1.1.3 De federalisering van België sinds de jaren 1980

Als gevolg van enkele staatshervormingen werd België een federale staat, samengesteld uit een federale overheid, gemeenschappen en gewesten. Onder invloed van de federalisering werden de bevoegdheidsdomeinen duchtig door elkaar geschud. De herverdeling gebeurde volgens het taalgebruik en parallel hiermee volgens de culturele aangelegenheden.
De herverdeling leidde tot de oprichting van de gemeenschappen, dit is een concept dat verwijst naar de personen die deze gemeenschappen vormen en de band die hen verenigt, namelijk de taal en de cultuur. Vervolgens steunde een tweede herverdeling op de verdeling volgens gewesten. Gewesten hebben te maken met economische gebieden, met streken en met regio’s. In Vlaanderen worden de bevoegdheden van gemeenschap en gewest door één regering uitgevoerd.

Door de staatshervormingen van 1980 en 1988 werden de gemeenschappen bevoegd voor jeugdbescherming met inbegrip van de sociale bescherming en de gerechtelijke bescherming.

Vijf aangelegenheden blijven tot het bevoegdheidsdomein van de federale overheid behoren, namelijk :

  1. de burgerrechtelijke regels met betrekking tot het statuut van de minderjarige en de familie, zoals vastgelegd in het burgerlijk wetboek;
  2. de strafrechterlijke regels waarbij gedragingen die inbreuk maken op de jeugdbescherming als misdrijf worden omschreven en waarbij op die inbreuken straffen staan;
  3. de organisatie van de jeugdrechtbanken, hun territoriale bevoegdheid en de rechtspleging voor die rechtbanken;
  4. de ontzetting uit de ouderlijke macht en het toezicht op de gezinsbijslag of andere sociale uitkeringen;
  5. de opgave van de maatregelen die kunnen genomen worden ten aanzien van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit pleegden.

Naar aanleiding van de nieuwe bevoegdheden inzake jeugdbescherming, werkte de Vlaamse Gemeenschap een nieuw decretaal kader uit, dit werd op vier april 1994 gecoördineerd.

1.1.4 De gecoördineerde decreten d.d. 1994

Binnen het beleid van de Vlaamse Gemeenschap inzake bijzondere jeugdbijstand komen vijf belangrijke principes naar voor:

  1. De uitdrukkelijke scheiding van de vrijwillige en de gerechtelijke hulpverlening: De vroegere jeugdbeschermingscomités werden vervangen door de comités voor bijzondere jeugdzorg. De comités staan autonoom ten aanzien van de rechtelijke macht. De comités kregen als bevoegdheid het verzorgen van een vrijwillige hulpverlening inzake problematische opvoedingssituaties.
  2. Meer rechten voor jongeren: Bij minderjarigen vanaf veertien jaar werd hun instemming met het hulpaanbod vereist. Minderjarigen onder veertien jaar kregen het recht gehoord te worden wanneer zij betrokken zijn bij een probleemsituatie. De hulpverlening is enkel voor een bepaalde duur en verlengingen kunnen slechts worden verleend wanneer de doelstellingen niet bereikt konden worden binnen de gestelde termijn.
  3. De subsidiariteitbeginselen: Bij gelijkblijvend effect dient de voorkeur verleend te worden aan de minst ingrijpende maatregel. Zolang de vrijwillige hulpverlening mogelijk is binnen een problematische opvoedingssituatie dient een gerechtelijke tussenkomst vermeden te worden. Tevens dienen plaatsingen van minderjarigen een uitzondering te blijven.
  4. De differentiatie van het hulpaanbod: Daar het hulpaanbod gedifferentieerd moet zijn, kan er op elke individuele vraag een gepast antwoord gegeven worden.
  5. Gezinsgerichte werking: Het gezin draagt de primaire verantwoordelijkheid voor de opvoeding van de minderjarige en zijn ontwikkeling tot een volwaardig lid van onze samenleving. Hierdoor beschouwt de Vlaamse Gemeenschap het natuurlijke opvoedingsmilieu als de optimale vertrekbasis voor een doeltreffende begeleiding.

Inzake gerechtelijke jeugdbijstand probeerde de Vlaamse Gemeenschap enkele onregelmatigheden uit de wet van 1965 weg te werken. De voornaamste verschilpunten zijn de volgende :

1.1.5 Visieverschuivingen doorheen de jaren

Voorheen werd er niet gesproken in termen van bijzondere jeugdbijstand maar in termen van bijzondere jeugdbescherming. De termwijziging kwam er onder invloed van de wens dat het emancipatorische denken bij de jongeren bevorderd zou worden. Dit kaderde niet langer in de denkwijze waar er vanuit gegaan wordt dat de minderjarige beschermt dient te worden.
In de praktijk merken we op dat de bescherming van minderjarigen blijft primeren. De termwijziging bracht niet de verhoopte visiewijziging met zich mee.

Voorheen was er slechts sprake van een vage scheiding tussen de vrijwillige en de gerechtelijke hulpverlening. Op het werkterrein zorgde dit wel eens voor onprettige gevolgen (cliënten die dachten dat vrijwillige hulpverlening synoniem was voor gerechtelijke hulpverlening of die de vrijwillige hulpverlening als voorbode voor de gerechtelijke hulpverlening aanschouwden).
Door middel van de Wet op de jeugdbescherming van 1965 werd een uitdrukkelijke scheiding bewerkstelligd tussen enerzijds de vrijwillige hulpverlening (hierbinnen situeren zich de comités voor bijzondere jeugdzorg) en anderzijds de gerechtelijke of gedwongen hulpverlening (hierbinnen situeren zich de jeugdrechtbanken en de sociale diensten van de Vlaamse Gemeenschap bij de jeugdrechtbank).
De binding die er voorheen tussen deze instanties was, mocht niet helemaal verloren gaan. Om enige continuïteit te behouden en om een doorverwijzing (van de vrijwillige naar de gerechtelijke hulpverlening) met gegronde reden te verkrijgen, werd de bemiddelingscommissie het orgaan bij uitstek.

1.1.6 Tekortkomingen binnen de huidige wetgeving inzake bijzondere jeugdbijstand

Ten eerste is er geen oog voor het besmettingsgevaar doordat minderjarigen in problematische opvoedingssituaties in dezelfde plaatsingslokaliteiten ondergebracht worden als minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit gepleegd hebben.
Hiernaast wordt in de actuele praktijk vastgesteld dat zowel bij de interventies als diagnostisch geen duidelijk onderscheid vastgesteld wordt tussen minderjarigen in een problematische opvoedingssituatie en minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit pleegden.

Ten tweede blijkt dat het subsidiariteitprincipe te vaak niet gerealiseerd wordt. Uit de rondetafelgesprekken, die de commissie ad hoc Bijzondere Jeugdzorg organiseerde met directe en intermediaire actoren uit de sector bijzondere jeugdzorg, uit belendende sectoren en met vertegenwoordigers van ouders en jongeren, kwam naar voor dat ‘Voorzieningen voor algemene jeugdzorg of gezinszorg zijn onvoldoende beschikbaar. Regionaal zijn er bovendien grote verschillen, waardoor voor recht op dienst- en hulpverlening te vlug een beroep moet worden gedaan op bijzondere jeugdzorg. Binnen de huidige bijzondere jeugdzorg blijken de wachtlijsten voor ambulante hulpverlening dermate lang dat effectieve hulp te lang wordt uitgesteld. Hierdoor escaleren de problemen nodeloos, waardoor uiteindelijk meer ingrijpende interventies noodzakelijk worden’.

Ten derde stelde de commissie ad hoc Bijzondere Jeugdzorg een, volgens mij, belangrijke problematiek inzake verwijzingspraktijk vast, namelijk ‘De verwijzing gebeurt eerder aanbodgericht dan vraaggestuurd, de aard van de verwijzing is teveel het resultaat van toeval en van individuele beslissingen; er is sprake van oneigenlijke verwijzingen ten gevolge van de volzetting en lange wachtlijsten bij bepaalde werkvormen, regionale verschillen zijn soms groot’.

1.2 Doelstellingen die de bijzondere jeugdbijstand zichzelf stelt

Voorheen hoorde de bijzondere jeugdbijstand tot het justitiële kader, onder invloed van enkele staatshervormingen is de sector meer en meer gaan behoren tot het welzijnswerk in Vlaanderen en dient de hulpverlening vanwege de sociale dienst van de Vlaamse Gemeenschap bij de jeugdrechtbank tot doel te hebben ‘het algemeen welzijn van de minderjarige te bevorderen’.

Deze algemene doelstelling wordt gerealiseerd door drie belangrijke principes. Allereerst wordt de algemene doelstelling in de praktijk gebracht door middel van de uitdrukkelijke scheiding tussen vrijwillige en gedwongen hulpverlening.

Ten tweede moeten de instellingen binnen de bijzondere jeugdbijstand erop toezien dat de hulpverlening op maat van de hulpvrager wordt georganiseerd waarbij het zelfbeschikkingsrecht van de minderjarige niet uit het oog mag worden verloren.

Een andere meer specifieke doelstelling om de algemene doelstelling te kunnen concretiseren, is dat de jongere op een respectvolle en vertrouwelijke manier dient benaderd te worden. Inspraak en participatie van de jongere staan centraal. De hulpverlener dient de stem van de jongere te versterken zowel binnen de gedwongen hulpverlening als binnen de vrijwillige hulpverlening.

1.3 Principes van de bijzondere jeugdbijstand

Inleiding

Tot op heden is de Wet op de jeugdbescherming van 1965 nog steeds van kracht. In wat volgt bespreek ik de twee voornaamste uitgangspunten of principes waar (bijvoorbeeld) een jeugdrechter rekening mee moet houden om een interventie te rechtvaardigen.

1.3.1 De minderjarige moet in gevaar verkeren

Art. 2 van de Wet van 1965 bepaalt onder meer dat“ het jeugdbeschermingscomité tot doel heeft op te treden wanneer de gezondheid, de veiligheid of de zedelijkheid van een minderjarige gevaar loopt wegens het milieu waarin hij leeft of wegens zijn bezigheden of wanneer de omstandigheden waarin hij wordt opgevoed door het gedrag van degenen die hem onder hun bewaring hebben gevaar opleveren.”

Onder gezondheid wordt zowel de psychische als de lichamelijke gezondheid verstaan. Bedreiging van de gezondheid van een minderjarige houdt in dat er een gebrek aan voeding, kledij en hygiëne kan zijn of dat de minderjarige wordt mishandeld.

De minderjarige verkeert in een onveilige situatie wanneer er te weinig toezicht op hem wordt uitgeoefend en als hij hierdoor bijvoorbeeld een ongeval krijgt.

Bedreiging van de zedelijkheid wordt doorgaans opgevat als een situatie waarbij de minderjarige tot wangedrag overgaat ten gevolge van de gedragingen van de ouders. De aanleiding zijn meestal zware gebreken in de opvoeding en de opleiding.

Hoe wordt er uiteindelijk bepaald welke situatie een ‘gevaarsituatie’ is en welke niet? Uiteindelijk komt het erop neer dat een gevaarsituatie die situatie is, die als dusdanig benoemd wordt. Het hoeft niet vermeld te worden dat in een dergelijke werkwijze gevaren verscholen zitten.

1.3.2 De houding van de ouders

Om te bepalen welke situatie onder de bevoegdheid van gerechtelijke bescherming valt en welke situatie onder sociale bescherming valt, wordt als criterium de houding van de ouders genomen.

Wanneer kan er worden opgetreden?
§ Als de ouders uit onwetendheid, onbekwaamheid of uit nalatigheid niet zelf de gepaste middelen ter hand nemen.
§ Als de ouders niet voldoende hulp hebben gevonden bij de instellingen die zich met preventie bezighouden.

1.4 Opdracht van de bijzondere jeugdbijstand

De opdracht is tweeledig:

  1. Een algemeen preventief beleid voeren: dit houdt in dat toestanden, die een negatieve impact hebben op de ontplooiingskansen van minderjarigen, weggewerkt dienen te worden.
  2. Individuele hulpverlening organiseren voor minderjarigen in een problematische opvoedingssituatie: Binnen de hulpverlening wordt gewerkt met hulpverleningsprogramma, handelingsplannen en begeleidingsplannen die moeten leiden tot oplossingen en tevredenheid van de minderjarige.

1.5 Methoden binnen de bijzondere jeugdbijstand

De hulpverlening die zich richt tot jongeren en hun leefsituatie is subsidiair, op maat van de cliënt, participatief en emancipatorisch. De voorwaarden waaraan deze methoden dienen te voldoen zijn: transparantie, professionaliteit en efficiëntie. In het contact met zowel de jongere als met zijn ouders geldt het principe van gelijkheid.

De hulpverlening die zich richt tot jongeren en hun leefsituatie, houdt in dat er gezinsgericht te werk gegaan wordt. Waarbij de hulpverlener dient te werken vanuit een systeemtheoretische en integrale aanpak van het gezin.
Hierbij is het van enorm belang dat de minderjarige niet beschouwd wordt als een geïsoleerde persoon, maar dat het gehele gezin een psychosociaal systeem vormt.

De hulpverlening is subsidiair, betekent dat er gewerkt wordt vanuit het subsidiariteitsbeginsel. Het subsidiariteitprincipe wil zeggen dat bij gelijkblijvend effect voor de minst ingrijpende maatregel gekozen wordt.

Hulpverlening op maat houdt in dat de band van de jongere met zijn natuurlijke milieu niet mag verloren gaan maar gestimuleerd moet worden.

Participatie houdt in dat de hulpverlener steeds beschikbaar is om op een creatieve en oplossingsgerichte manier een vraag/ behoefte gestuurde trajectbegeleiding te garanderen. Er wordt getracht de cliënten zo duidelijk en begrijpbaar mogelijke informatie te verschaffen en dit in elk stadium van de hulpverlening. De jongere dient consequent betrokken te worden bij de besluitvorming. De rechten van de cliënt worden op elk moment gevrijwaard en het recht op bemiddeling en het klachtenrecht worden tevens gegarandeerd.

Er wordt emancipatorisch gewerkt door responsabilisering en het bieden van perspectief.

Professionele hulpverlening houdt in dat de hulpverlening op een planmatige, methodologische en multidisciplinaire wijze plaats vindt.

Het principe van gelijkheid houdt in dat de cliënt actief betrokken wordt bij elk beslissingsmoment. Dat er steeds een uitwisseling is tussen de visie (met betrekking tot de problematiek) van zowel de jongere en zijn ouders als van de consulent. Het uiteindelijke doel hiervan is komen tot een gedeelde besluitvorming.

Besluit

In 1912 kwam de Wet op de kinderbescherming tot stand. Dit was de eerste maal dat er afzonderlijke maatregelen werden voorzien voor minderjarige delinquenten. Sinds 1912 was er sprake van een kinderrechter die zetelt in zijn kinderrechtbank.
Minderjarigen werden tot de leeftijd van zestien jaar strafrechterlijk onbekwaam. Om te verhinderen dat minderjarigen (zoals voor de eeuwwisseling) op dezelfde wijze werden veroordeeld als meerderjarige delinquenten.

Er was echter een keerzijde aan de Wet van 1912, onder andere werden er maatregelen van onbepaalde duur uitgesproken. Dit wil zeggen dat als delinquent omschreven minderjarigen enkel naar hun natuurlijk milieu konden terugkeren wanneer alle factoren die tot delinquent gedrag leiden verdwenen waren. De maatregelen werden geïndividualiseerd. Met andere woorden werd de kinderrechter vrijgelaten in zijn keuze en dit leidde tot heel wat willekeur.

Om dergelijke wantoestanden te verhinderen naar de toekomst toe, kwam in 1965 de Wet op de jeugdbescherming tot stand. Via deze wet werd er een preventief luik voorzien, door middel van de oprichting van de jeugdbeschermingscomités. Vanaf dat moment konden minderjarigen rekenen op zowel gerechtelijke bescherming als sociale bescherming.

Verder werd de strafrechterlijke onbekwaamheid van minderjarigen opgetrokken van zestien jaar naar de leeftijd van achttien jaar. Onder de achttien jaar konden jongeren niet gestraft worden en enkel beschermd worden tegenover zichzelf, hun omgeving en de maatschappij.

Sinds 1965 kwam het accent te liggen op het gezin. Een minderjarige dient zolang als mogelijk geholpen te worden door de sociale bescherming, in plaats van de gerechtelijke bescherming. Verwijderingen uit het natuurlijke milieu dienen zoveel als mogelijk vermeden te worden.

Ook aan de Wet van 1965 is een keerzijde, die op sommige vlakken tot op de dag van vandaag doorschemert. De toenmalige beleidsmakers stonden niet stil bij rechtswaarborgen voor minderjarigen. De scheiding tussen delinquente minderjarigen en niet-delinquente minderjarigen vervaagde, daar deze diverse groepen veelal in dezelfde plaatsingsinstanties worden ondergebracht.

De federalisering waardoor België een federale staat werd, had als gevolg dat de gemeenschappen bevoegd werden voor jeugdbescherming. De Wet op de jeugdbescherming bleef van kracht maar werd aangevuld door het beleid dat de gemeenschappen ter zake wensten te voeren. Dit beleid werd eerst neergeschreven om vervolgens gecoördineerd te worden in 1994.
Het gevolg van de staatshervorming was dat de bijzondere jeugdbijstand voor sommige materies afhankelijk bleef van de federale overheid en voor andere materies tot de bevoegdheid van de gemeenschappen behoort.
Vernieuwend was de uitdrukkelijke scheiding van de vrijwillige hulpverlening en de gedwongen of gerechtelijke hulpverlening.

Doordat de sector ‘bijzondere jeugdbijstand’ meer en meer tot het welzijnswerk is gaan behoren (omwille van de staatshervormingen) werd de hoofddoelstelling ‘het algemeen welzijn van de minderjarige bevorderen’.
Er zijn twee principes waaraan hulpverleners zich moeten houden als rechtvaardiging voor hun optreden. Ten eerste dient de minderjarige in gevaar te verkeren. Zonder dit principe zou een bescherming van een minderjarige zinloos zijn. Ten tweede neemt men als richtlijn de houding van de ouders om een interventie te rechtvaardigen.

De bijzondere jeugdbijstand heeft een tweeledige opdracht. Namelijk een preventief beleid voeren zodat de ontplooiingkansen van minderjarigen zoveel als mogelijk gevrijwaard blijven. Ten tweede dient de bijzondere jeugdbijstand een individuele hulpverlening te organiseren voor minderjarigen in een problematische opvoedingssituatie.

De hulpverlening van de bijzondere jeugdbijstand is subsidiair, op maat van de cliënt, participatief en emancipatorisch. De voorwaarden waaraan deze methoden dienen te voldoen zijn: transparantie, professionaliteit, en efficiëntie. In het contact met zowel de minderjarige als diens omgeving geldt het principe van gelijkheid.

In realiteit kan niet steeds tegemoet gekomen worden aan deze verwachtingen. Wanneer een hulpverlener geen plaats vindt in een instelling dan dient hij zich tevreden te stellen met de eerst volgende opening in een instelling die over een openstaande plaats beschikt. Dit houdt in dat hij niet steeds een oplossing op maat van de cliënt kan voorzien. Met andere woorden soms gebeurd de hulpverlening eerder aanbodgericht dan vraaggestuurd, omwille van de wachtlijstproblematiek in vele instellingen en bij vele diensten.

Ook bij het begrip participatie kan ik heel wat bedenkingen formuleren wanneer ik naar mijn eigen praktijkervaringen kijk. Niet steeds is de zinvolheid van een interventie even duidelijk voor de cliënt, zeker bij gedwongen hulpverlening. Bij dergelijke situaties wordt van de hulpverlener verlangd dat hij zijn cliënt motiveert en op deze manier warm maakt voor een bepaalde hulpverleningsvorm. Maar dit motiveren houdt juist risico’s in. Kan het niet zijn dat de grens tussen motivering en overreding nogal vaag kan zijn?

Steeds geldt het principe van gelijkheid binnen een hulpverleningsrelatie. Is er sprake van gelijkheid wanneer er een geschoolde hulpverlener tegenover een ongeschoolde cliënt komt te staan? Zal de cliënt zich bewust of onbewust niet minderwaardig voelen tegenover deze “professionele” hulpverlener? De hulpverlener beschikt over vaardigheden en over kennis met betrekking tot zijn sector. De cliënt beschikt niet over deze vaardigheden en kennis, meen ik, want anders zou hij geen beroep moeten doen (al dan niet gewild) op een hulpverlener.

Hoofdstuk 2: Structuur van de bijzondere jeugdbijstand

Inleiding

De bijzondere jeugdbijstand kent een uitgebreid netwerk van instanties en voorzieningen, het is bovendien gestructureerd onder invloed van onze ingewikkelde staatsstructuur.
Na de structuurschets ga ik dieper in op de twee voornaamste luiken binnen de bijzondere jeugdbijstand, namelijk de vrijwillige en de gedwongen hulpverlening.

2.1 Algemene structuurschets

Binnen de bijzondere jeugdbijstand worden twee hulpverleningsvormen onderscheiden, namelijk de vrijwillige hulpverlening en de gedwongen hulpverlening.

De vrijwillige hulpverlening behoort tot de bevoegdheid van de gemeenschappen. Het is ondergebracht bij het departement welzijn, gezondheid en cultuur met als bevoegde Vlaamse minister mevrouw Mieke Vogels.
Bij de vrijwillige hulpverlening zal er hulp geboden worden waar hulp nodig. Dit houdt in dat de hulpverlening enkel tot stand kan komen wanneer elke betrokken partij hiermee akkoord kan gaan.

De gedwongen hulpverlening is voor sommige materies het bevoegdheidsdomein van de gemeenschappen en voor andere materies is het de federale overheid, met name het ministerie van justitie. De huidige federale minister van justitie is de heer Marc Verwilghen.
De bevoegdheidsverdeling tussen de gemeenschappen en de federale overheid ziet eruit als volgt:

Naast deze tweedeling tussen vrijwillige en gedwongen hulpverlening, zijn er op het werkterrein diverse instanties en voorzieningen die binnen de bijzondere jeugdbijstand kaderen. Hierna volgt een weergave van wat op het werkterrein te vinden is aan instanties en aan voorzieningen.
Ø Instanties:

  1. Het comité voor bijzondere jeugdzorg: Deze instantie behoort tot het luik van de vrijwillige hulpverlening. In totaal zijn er twintig comités over Vlaanderen verspreid.
  2. De bemiddelingscommissie: Deze instantie dient te zorgen voor een adequate en gegronde doorverwijzing tussen de vrijwillige en de gedwongen hulpverlening. Enkel wanneer er geen baat meer gevonden kan worden via de vrijwillige hulpverlening, kan een minderjarige doorverwezen worden naar de gedwongen hulpverlening. In totaal zijn er veertien bemiddelingscommissies in Vlaanderen.
  3. · De jeugdrechtbank: Deze instantie behoort tot het gedwongen luik binnen de bijzondere jeugdbijstand. In totaal zijn er veertien jeugdrechtbanken te vinden in Vlaanderen.

Ø Voorzieningen:

  1. Dagcentra: Deze centra staan in voor de opvang van minderjarigen maar enkel tijdens bepaalde uren van de dag (bijvoorbeeld na de schooluren en tijdens schoolvakanties). Minderjarigen kunnen hier niet overnachten. Naast het instaan voor de opvang van minderjarigen, voorzien deze voorzieningen een ambulante begeleiding van de gezinnen van betrokken minderjarigen.
  2. Begeleidingstehuizen: Deze voorziening staat in voor een residentiële opname van minderjarigen. Hierbij proberen zij de minderjarigen pedagogisch te begeleiden.
  3. · Gezinstehuizen: Deze voorziening staat in voor de opname van minderjarigen in gezinsverband. Dit houdt in dat de verantwoordelijke van het tehuis (meestal een echtpaar) binnen de voorziening woont.
  4. · Thuisbegeleidingsdiensten: Deze dienst begeleidt minderjarigen en hun gezin op een ambulante wijze.
  5. · Diensten voor pleegzorg: Dit zijn diensten die de plaatsing van minderjarigen in pleeggezinnen verzorgen. Zij worden geacht de kandidaat pleeggezinnen zorgvuldig te screenen alvorens minderjarigen toe te wijzen. Zij staan tevens in voor de begeleiding en vorming van de pleeggezinnen.
  6. · Diensten voor begeleid zelfstandig wonen: Dit zijn diensten die instaan voor de ambulante begeleiding van minderjarigen die zelfstandig wonen.
  7. · Onthaal-, Oriëntatie en Observatiecentra (OOOC): Deze voorziening dient in te staan voor de opname van minderjarigen ter observatie.
Hiernaast dienen zij voor een korte termijn en enkel op voorlopige basis alsook op alle uren van de dag en nacht:
  1. · De Zande: Deze voorziening heeft een afdeling voor jongens te Ruislede en een afdeling voor meisjes te Beernem;
  2. · De Kempen: Deze voorziening heeft een gesloten afdeling voor jongens te Mol (met name: de Hutten) en een open afdeling voor jongens te Mol (met name: de Markt).

2.2 De vrijwillige hulpverlening

2.2.1 Comité voor bijzondere jeugdzorg

Het comité voor bijzondere jeugdzorg behoort tot de vrijwillige hulpverlening binnen de bijzondere jeugdbijstand. Het comité voor bijzondere jeugdzorg bestaat uit een bureau voor bijzondere jeugdbijstand en een preventiecel.
Het takenpakket van het comité voor bijzondere jeugdzorg bestaat voornamelijk uit twee luiken, namelijk de individuele hulpverlening en de algemene preventie.

Het bureau voor bijzondere jeugdbijstand organiseert de individuele hulpverlening voor minderjarigen en hun ouders. Het bureau geeft vorm aan de hulp- en dienstverlening inzake problematische opvoedingssituaties en verleent aan parketmagistraten (belast met jeugdzaken) de zekerheid dat er hulp en bijstand wordt aangeboden aan minderjarigen en hun ouders. De praktische uitvoering van de beslissingen met betrekking tot de individuele hulpverlening wordt verzorgd door de sociale dienst van het comité voor bijzondere jeugdzorg. De beslissingsbevoegdheid inzake een hulpvraag met financiële gevolgen ligt bij het bureau.

De preventiecel verzorgt de algemene preventie. Met het uiteindelijke doel probleemtoestanden te voorkomen en te bestrijden, dient zij eerst en vooral de probleemconcentraties in haar regio in kaart te brengen om deze vervolgens ter kennis te stellen van bevoegde organisaties en overheden.

2.2.2 Bemiddelingscommissie voor bijzondere jeugdbijstand

Indien de vrijwillige hulpverlening dreigt te blokkeren is het de bemiddelingscommissie die optreed als verzoeningsinstantie. De bemiddelingscommissie zal geen hulp verlenen inzake problematische opvoedingssituaties. De bemiddelingscommissie dient vrijwillige hulpverlening mogelijk te maken door middel van bemiddeling.

De bemiddelingscommissie heeft voornamelijk vier taken :

  1. De kansen op vrijwillige hulp- en dienstverlening maximaliseren;
  2. De vrijwillige hulp – en dienstverlening ten aanzien van minderjarigen waarborgen;
  3. Oplossingsvoorstellen uitwerken ten aanzien van minderjarigen en hun ouders die zijn doorverwezen door parketmagistraten;
  4. De mogelijkheid van een afdwingbare pedagogische maatregel adviseren voor gevallen waar door overleg en overreding geen minnelijke schikking kon worden bereikt en het erg raadzaam is een dergelijke maatregel te treffen in het belang van de minderjarige.

De bemiddelingspogingen vanwege de commissie kunnen tot drie resultaten leiden:

  1. Als de bemiddeling lukt, wordt de vrijwillige hulpverlening door het comité voor bijzondere jeugdzorg opnieuw in gang gezet;
  2. Als de bemiddeling mislukt, kan de commissie de zaak zonder gevolg rangschikken;
  3. Als de bemiddeling mislukt, kan de commissie de zaak doorverwijzen naar het openbaar ministerie.

2.3 De gedwongen hulpverlening

Inleiding

De gedwongen hulpverlening of de gerechtelijke hulpverlening vindt plaats binnen het kader van de jeugdrechtbank. Voorheen had de jeugdrechtbank een tweevoudige taak, namelijk inzake burgerrechtelijke dossiers als inzake strafrechtelijke dossiers. Sinds januari 1998 is het burgerlijk recht tot het bevoegdheidsdomein van de federale overheid gaan behoren. Het gevolg hiervan was dat de opdrachten binnen burgerlijke dossiers niet langer werden opgevolgd door de consulenten van de sociale dienst van de Vlaamse Gemeenschap bij de jeugdrechtbank maar door de (federale) justitieassistenten.

2.3.1 De gerechtelijke hulpverlening van de jeugdrechtbank

De bevoegdheid van de jeugdrechtbank kadert niet binnen een repressief strafrecht maar het actiegebied van de jeugdrechtbank kadert binnen een maatregelenrecht. Hierbij dient de maatregel ervoor te zorgen dat de minderjarige kan opgroeien, overeenkomstig de normen, die door zijn omgeving of door een bepaald deel van zijn omgeving worden bepaald.

De jeugdrechtbank kan in drie verschillende gevallen maatregelen opleggen:

  1. Maatregelen bij problematische opvoedingssituaties.
  2. Maatregelen ten aanzien van de ouders.
  3. Maatregelen ten aanzien van minderjarigen die een als misdrijf omschreven pleegden.

1. Maatregelen bij een problematische opvoedingssituatie

Een problematische opvoedingssituatie komt op tweeërlei wijze bij de jeugdrechtbank terecht:

Een maatregel genomen door de jeugdrechtbank nadat de bemiddelingscommissie het dossier van de minderjarige doorverwees, zijn maatregelen van bepaalde duur. Dit houdt in dat de hulpverleners het opgestelde hulpverleningsplan en het handelingsplan of begeleidingsplan tegen het verstrijken van de vastgestelde termijn dienen te evalueren zodat de maatregel al dan niet kan verlengd worden wanneer binnen de gestelde termijn de doelstellingen niet verwezenlijkt werden.

Een maatregel genomen door de jeugdrechtbank omdat het openbaar ministerie het noodzakelijk acht, zijn maatregelen in de tijd beperkt, namelijk 45 dagen. Deze maatregelen verlopen wanneer voor het verstrijken van de termijn vrijwillige hulp en bijstand werden georganiseerd, wanneer door de bemiddelingscommissie een minnelijke schikking werd bereikt of wanneer de bemiddelingscommissie de zaak uit handen heeft gegeven.

De jeugdrechtbank kan negen maatregelen nemen ten aanzien van minderjarigen in een problematische opvoedingssituatie:

  1. De personen, die de minderjarige onder hun bewaring hebben, een pedagogische richtlijn verstrekken.
  2. De minderjarige onder toezicht stellen van de sociale dienst van de Vlaamse Gemeenschap bij de jeugdrechtbank.
  3. Gezinsbegeleiding opleggen.
  4. De minderjarige een opvoedend project opleggen of de minderjarige (al dan niet samen met de personen die de minderjarige onder hun bewaring hebben) toevertrouwen aan een project. Het betreft hier een leerproject, een werkproject, …
  5. De minderjarige een semi-residentiële voorziening of een dagcentrum doen bezoeken.
  6. Wanneer de minderjarige minstens 17 jaar oud is en over voldoende financiële inkomsten kan beschikken, de minderjarige onder begeleiding zelfstandig laten wonen.
  7. Wanneer de minderjarige minstens 17 jaar oud is, de minderjarige op kamer laten wonen. Hierbij krijgt de minderjarige training in zelfredzaamheid waardoor de zelfstandigheid verhoogt.
  8. De minderjarige onder begeleiding stellen van een opvang- en oriëntatiecentrum.
  9. De minderjarige onder begeleiding stellen van een observatiecentrum.

De jeugdrechtbank beschikt over vier plaatsingsmaatregelen, die subsidiair zijn ten aanzien van de vorige maatregelen :

  1. De minderjarige toevertrouwen aan een betrouwbaar persoon of gezin.
  2. De minderjarige toevertrouwen aan een geschikte open inrichting.
  3. Wanneer de minderjarige minstens 14 jaar oud is, de minderjarige toevertrouwen aan een gesloten gemeenschapsinstelling.
  4. De minderjarige toevertrouwen aan een psychiatrische inrichting.

Wanneer de jeugdrechter een minderjarige (vanaf 14 jaar) wil toevertrouwen aan een gesloten gemeenschapsinstelling, dan dient aangetoond te worden dat:

2. Maatregelen ten aanzien van de ouders

Wanneer blijkt dat een minderjarige opgevoed wordt in nefaste omstandigheden op het gebied van voeding, huisvesting en hygiëne en wanneer blijkt dat het bedrag van een sociale uitkering niet gebruikt wordt in het belang van de minderjarige, kan de jeugdrechtbank een derde persoon aanwijzen om de sociale uitkeringen te innen en voor de minderjarige te gebruiken.

De meest ingrijpende maatregel die een jeugdrechtbank kan nemen ten aanzien van de ouders betreft de gehele of gedeeltelijke ontzetting uit het ouderlijk gezag en dit enkel wanneer de gezondheid, de veiligheid en de zedelijkheid van minderjarigen in gevaar is.

3. Maatregelen ten aanzien van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit pleegden

Daar er in België geen jeugdsanctierecht bestaat, kunnen minderjarigen zich niet schuldig maken aan strafbare feiten. Hierdoor spreekt men van minderjarigen die ‘een als misdrijf omschreven feit’ pleegden.

Een als misdrijf omschreven feit komt bij de jeugdrechtbank terecht nadat het openbaar ministerie de zaak heeft doorverwezen. De jeugdrechtbank kan aan deze minderjarigen maatregelen van bewaring, behoeding en opvoeding opleggen.

Een jeugdrechtbank kan volgende maatregelen opleggen :

2.3.2 De gerechtelijke hulpverlening van de sociale dienst van de Vlaamse Gemeenschap bij de jeugdrechtbank

De sociale dienst van de Vlaamse Gemeenschap bij de jeugdrechtbank dient de kwaliteit te bewaken van de hulpverlening.
Zij oefent toezicht uit over de uitvoering van de afdwingbare pedagogische maatregelen inzake een problematische opvoedingssituatie als inzake een als misdrijf omschreven feit.

Artikel 42, van de decreten inzake bijzondere jeugdbijstand, gecoördineerd op vier april 1990, stelt ‘( ) de sociale diensten waken erover dat de uitvoering ( ) van de pedagogische maatregelen die door de jeugdrechtbank worden opgelegd, verloopt volgens een handelingsplan dat, in samenspraak met de betrokken partijen en voorzieningen, op hun aanvraag wordt opgesteld.’

Besluit

De bijzondere jeugdbijstand bestaat uit twee luiken, namelijk de vrijwillige hulpverlening en de gedwongen hulpverlening.

De vrijwillige hulpverlening wordt verleend door de comités voor bijzondere jeugdzorg. Deze comités staan in voor de individuele hulpverlening aan minderjarige in een problematische opvoedingssituatie en voor de algemene preventie.

De bemiddelingscommissies treden op als verzoeningsinstantie. Zij zullen zelf geen hulp verlenen maar dienen de vrijwillige hulpverlening mogelijk te maken door middel van bemiddeling.

Wanneer de vrijwillige hulpverlening geen soelaas meer biedt bij problematische opvoedingssituaties en wanneer minderjarigen een als misdrijf omschreven feit plegen, zal beroep gedaan worden op de gedwongen of gerechtelijke hulpverlening. Hier worden de jeugdrechtbanken en de sociale diensten van de Vlaamse Gemeenschap gesitueerd.

De jeugdrechtbank kan bij drie verschillende gevallen maatregelen opleggen, namelijk bij problematische opvoedingssituaties, ten aanzien van ouders en ten aanzien van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd.

De sociale dienst van de Vlaamse Gemeenschap bij de jeugdrechtbank oefent toezicht uit over de uitvoering van de afdwingbare pedagogische maatregelen.

Hoofdstuk 3: De consulent van de sociale dienst van de Vlaamse Gemeenschap bij de jeugdrechtbank

Inleiding

Bij herstelbemiddeling is de eerste persoon waardoor een minderjarige (die een als misdrijf omschreven feit pleegde) ingelicht wordt de consulent van de sociale dienst. Het leek mij interessant om eens na te gaan wie deze consulent nu eigenlijk juist is, welke zijn doelgroep is en met welke thema’s hij in aanraking komt. Vervolgens wilde ik meer te weten komen over de diverse taken die een consulent uitvoert. Alles wat ik hierover te weten kwam, leest u in dit hoofdstuk.

3.1 Wie is de consulent van de sociale dienst bij de jeugdrechtbank?

Het profiel waarover een persoon dient te beschikken om aangeworven te worden als consulent wordt duidelijk omschreven in de gecoördineerde decreten, namelijk artikel 41.

‘Artikel 41.
§1. De in artikel 40 bedoelde sociale diensten bestaan uit consulenten die door de Executieve werden benoemd. Zij moeten houder zijn van een diploma van maatschappelijk assistent of van een diploma dat een voldoende pedagogische of sociale kennis doet blijken.’

Een maatschappelijk werker lijkt mij uiterst aangewezen daar deze personen via hun opleiding getraind worden in allerlei vaardigheden en wetenschappen, die de consulent in staat stelt zijn functie naar behoren te vervullen, zoals communicatiewetenschappen, agogische wetenschappen, psychologie, … Een maatschappelijk werker die de functie van consulent ambieert, dient volgens mij zich in zijn vrije tijd bij te scholen inzake de betrokken wetgeving en inzake criminologie. Een consulent dient te beschikken over een visie met betrekking tot het ontstaan van delinquentie, tot de externe invloeden op delinquentie en tevens tot zijn eigen rol en invloed op het voortbestaan van delinquentie bij zijn cliënten. Het lijkt aangewezen voor een consulent om zich blijvend te scholen inzake nieuwe werkmethoden en nieuwe technieken zodat het risico om vast te roesten in één bepaalde werkmethode vermeden kan worden. Een consulent dient te beschikken over een ruime kijk op mens en samenleving en dient in staat te zijn om zijn eigen functioneren te evalueren en indien nodig bij te schaven.

De consulent van de sociale dienst bij de jeugdrechtbank is de persoon die wordt toegewezen aan een minderjarige, wanneer er voor die minderjarige een dossier werd geopend bij de jeugdrechtbank.
Het lijkt mij belangrijk dat de consulent iemand is die zichzelf weet te relativeren en die ten alle tijden de rechten van minderjarigen probeert te vrijwaren. Tevens lijkt het belangrijk dat de consulent vanuit zijn positie alert blijft inzake evoluties binnen zijn sector en dat de consulent hierbij zijn signaalfunctie benut. Op deze wijze kunnen wantoestanden op het werkveld, inzake relatie tot de jeugdrechtbank of aangaande de leeftoestand van de cliënten aan het beleid (of aan beleidsinstanties) worden overgebracht.

3.2 Doelgroep waarmee de consulent werkt

De consulent van de sociale dienst van de Vlaamse gemeenschap bij de jeugdrechtbank begeleidt iedere minderjarige tussen 0 en 18 jaar, die in aanraking komt met de jeugdrechtbank.

3.3 Thematieken waarmee de consulent in aanraking komt

Bij de sociale dienst van de Vlaamse Gemeenschap bij de jeugdrechtbank zijn er voornamelijk twee thematieken waarrond gewerkt wordt.

Als eerste thematiek is er de ‘Problematische OpvoedingsSituatie’ (POS). Deze terminologie hanteert men wanneer de ontplooiingskansen van een minderjarige op affectief, moreel, intellectueel of op sociaal gebied ernstig in het gedrang komen. Het gaat meestal om complexe situaties, veelvuldige moeilijkheden of opeenvolgende en/of langdurige conflicten.
De term problematische opvoedingssituatie is ontleend aan de orthopedagogiek. De gebruikte omschrijving verwijst naar een feitelijke toestand waarbij elk schuldbegrip afwezig is.
Een voorbeeld van jongeren die onder deze terminologie worden ondergebracht, zijn jongeren die thuis mishandelt werden en die door de Jeugdrechter geplaatst zijn of jongeren die door problemen thuis weggelopen zijn of jongeren die thuis zware communicatiestoornissen hebben met hun ouders, … Uiteindelijk gaat het hier om jongeren waar de vrijwillige hulpverlening geen resultaat meer opleverde, zij worden dan doorverwezen naar de gedwongen hulpverlening.

De tweede thematiek is het ‘als Misdrijf Omschreven Feit’ (MOF). Een voorbeeld van jongeren die onder deze terminologie vallen, zijn jongeren die een diefstal of een inbraak hebben gepleegd, jongeren die graffiti hebben gezet, jongeren die stenen van bruggen gooiden, jongeren die drugs gebruiken, … Het gaat om jongeren die een strafbare daad hebben gesteld. Via een maatregel worden zij geconfronteerd met hun verantwoordelijkheid ten aanzien van de maatschappij en ten aanzien van hun eventuele slachtoffers.

3.4 Takenpakket van de consulent

De consulenten oefenen toezicht uit over de uitvoering van de afdwingbare pedagogische maatregelen in een problematische opvoedingssituatie als bij een als misdrijf omschreven feit.

Bij het uitoefenen van de taken dienen de consulenten te werk te gaan volgens twee belangrijke principes. Ten eerste dient de hulpverlening cliëntgericht te zijn, d.w.z. op maat van de cliënt. Ten tweede dient de hulpverlening kwaliteitsgericht te zijn, d.w.z. een doelmatige hulpverlening gericht op het bereiken van een maximaal effect.

Op het werkterrein worden deze twee principes vertaald in vijf concrete opdrachten.
In totaal zijn er een vijftal opdrachten waarmee een consulent van de sociale dienst bij de jeugdrechtbank in aanraking komt:

  1. Navorsingopdrachten;
  2. Opdrachten van sociale aard,
  3. De bewaking van de uitvoering van de opgelegde pedagogische maatregelen,
  4. De overbrenging van jongeren,
  5. De uitvoering van de opdrachten.

3.4.1 Navorsingopdrachten

In opdracht van het parket of van de jeugdrechter kan de sociale dienst belast worden met een navorsingopdracht. Deze opdracht wordt uitgevoerd in het kader van de hulp- en bijstandregeling. Op het werkterrein wordt doorgaans gesproken in termen van een sociaal onderzoek in plaats van een navorsingsopdracht.

Wanneer een consulent het dossier van een minderjarige toegewezen krijgt dan dient de consulent eerst en vooral te weten te komen wie de minderjarige en zijn familie is. Er wordt nagegaan welk de probleemsituatie is en er worden reeds hypotheses geformuleerd rond de aangewezen hulpverlening. Dit gebeurt aan de hand van diverse gesprekken ten huize van de minderjarige of op de sociale dienst.
Tijdens de gesprekken dient de consulent uitleg te verschaffen over wat de jeugdrechtbank doet en over de rol van de consulent in het dossier. Uiteindelijk is de consulent dé contactpersoon met betrekking tot de jeugdrechtbank voor de minderjarige en diens familie.
De consulent dient zijn hulpverleningsvoorstel naar de jeugdrechter toe, toe te lichten aan de minderjarige en zijn familie. De consulent probeert in het mate van het mogelijke rekening te houden met de bezwaren en wensen van zijn cliënt. Cliënten zijn het niet altijd eens met de voorstellen van de consulent en dan dient de consulent de cliënt te motiveren. Wanneer dit niet lukt zal de consulent uitleg verschaffen aan de jeugdrechter over het mislukken van sommige voorstellen.

De consulent maakt van alle gesprekken een verslag en dient deze over te maken aan de jeugdrechter. Voor de jeugdrechter is de consulent de informatiebron bij uitstek, betreffende de situatie van de minderjarige.
De jeugdrechter zal bij zijn of haar beslissingen rekening houden met het advies en de voorstellen van de consulent. De jeugdrechter is niet gebonden aan het advies van de consulent. Hij of zij kan beslissen om een andere uitspraak te vellen.

De concrete uitvoering van de sociale onderzoeken dienen steevast te resulteren in verslaggeving naar de opdrachtgever toe. Welk is nu de verplichte inhoud van een navorsingsverslag?

Na het afronden van het sociaal onderzoek wordt de minderjarige en zijn familie uitgenodigd op de zitting. Hier zal de jeugdrechter een beslissing nemen betreffende de maatregel die zal worden getroffen. Deze maatregel wordt minstens om het jaar herzien of wanneer de situatie erom vraagt (d.w.z. dat er wordt nagegaan of de maatregel aangepast, verder gezet of stopgezet dient te worden).

3.4.2 Opdrachten van sociale aard

Naast een navorsingopdracht kan de sociale dienst belast worden met de uitwerking van een voorstel tot pedagogische maatregel. Tijdens de uitwerking van dit voorstel dient de consulent rekening te houden met volgende aspecten:

Naast de uitwerking van een voorstel tot pedagogische maatregel kan de consulent van de sociale dienst belast worden met het opstellen van een hulpverleningsprogramma. Dit hulpverleningsprogramma kan naargelang de noden van het moment steeds bijgestuurd worden.
Het hulpverleningsprogramma moet steeds het volgende bevatten:

Wanneer de jongere wordt toevertrouwd aan een betrouwbare persoon of aan een gezin of aan een voorziening. Dan moet de met het dossier belaste consulent aan de voorziening een handelingsplan, dat de inhoudelijke uitwerking van de maatregel betreft, vragen.

Wanneer de sociale dienst belast wordt met een gezinsbegeleiding en de jongere werd toevertrouwd aan een betrouwbare persoon/gezin en er werd geen voorziening belast met de begeleiding van die persoon of gezin, dan wordt er in samenspraak met de betrokken partijen een begeleidingsplan opgesteld.
Een begeleidingsplan bevat steeds:

3.4.3 Bewaking van de uitvoering van de opgelegde pedagogische maatregelen

De sociale dienst is belast met het toezicht over de uitwerking van de maatregelen, opgelegd door de jeugdrechtbank.
Voor dit toezicht dient de consulent zich aan volgende regels te houden:

3.4.4 Overbrenging van minderjarigen

Wanneer een minderjarige geplaatst dient te worden, zal er een kennismakingsgesprek plaatsvinden in de geschikte voorziening. Hierbij is zowel de consulent als de minderjarige aanwezig. Dit kennismakingsgesprek kan samenvallen met de intake. Maar in sommige instellingen wensen ze eerst een bijeenkomst te organiseren, die dient als kennismaking en nadien wensen ze een tweede gesprek te organiseren die dient als intake.
Wanneer de instelling akkoord gaat dan kan het zijn dat de minderjarige meteen wordt opgenomen.
Het kan dat er nog geen plaats is in de instelling en dan dient de consulent de minderjarige thuis of naar een andere instelling te brengen of na de zitting op te halen. Hierbij staat de consulent in voor de overbrenging van de minderjarige naar de geschikte voorziening.

Besluit

De consulent van de sociale dienst van de Vlaamse Gemeenschap bij de jeugdrechtbank dient te beschikken over een diploma van maatschappelijk assistent of een diploma dat voldoende pedagogische of sociale kennis doet blijken. Met dit diploma op zak komt de consulent in contact met minderjarigen tussen de 0 jaar tot de meerderjarigheid, namelijk 18 jaar. Deze minderjarigen verkeren ofwel in een problematische opvoedingssituaties ofwel pleegden ze een als misdrijf omschreven feit.

De taken die een consulent dient te volbrengen zijn navorsingsopdrachten, opdrachten van sociale aard, overbrenging van minderjarigen en de bewaking van de uitvoering van de pedagogische maatregelen.

Bij het voorgaande wil ik een opmerking formuleren. Wanneer een minderjarige geplaatst moet worden, moet er steeds gezocht worden naar een voorziening niet te ver verwijderd van het natuurlijke milieu van de minderjarige zodat een gezinsgerichte werking mogelijk blijft. De realiteit is echter dat vele voorzieningen te kampen hebben met lange wachtlijsten. Hierdoor dient een consulent van de sociale dienst bij de jeugdrechtbank meestal voldoening te nemen met de eerste voorziening die zich bereidt acht om de minderjarige op te nemen. Het gevolg hiervan kan zijn dat een minderjarige in een instelling belandt die via het openbaar vervoer moeilijk toegankelijk is en die redelijk ver verwijderd is van zijn natuurlijk milieu, waardoor een gezinsgerichte werking op de helling komt te staan. De Vlaamse Gemeenschap beseft dat deze problemen binnen de voorzieningen van de bijzondere jeugdbijstand leven. Maar tot op heden merkten de betrokken voorzieningen en de consulenten van de sociale dienst bitter weinig verbetering van de problematiek.
Mijn inziens dienen er ofwel méér residentiële voorzieningen geopend te worden ofwel dient de Vlaamse Gemeenschap een visieverandering te bewerkstelligen waardoor minder minderjarigen dienen geplaatst te worden. Het is überhaupt wel gek dat in 1990 beslist werd dat het aantal plaatsingen drastisch diende te verminderen en om dit te bewerkstelligen verminderde het aantal residentiële voorzieningen in Vlaanderen. Aan de andere kant bleef de nood om jongeren tijdelijk te verwijderen uit hun milieu bestaan, ondanks de lovenswaardige bedoelingen inzake bijzondere jeugdbijstand van de betrokken Vlaamse ministers. Misschien ben ik te idealistisch en hierdoor te irrealistisch ingesteld maar waarom is het niet mogelijk om via een aangepast beleid geleidelijk aan een mentaliteitsverandering te bewerkstelligen? Na reeds twaalf jaar (sinds de gecoördineerde decreten van de Vlaamse Gemeenschap inzake bijzondere jeugdbijstand) blijft men op het werkterrein merken dat er problemen blijven bestaan (op meer gebieden dan enkel ellenlange wachtlijsten). Misschien zouden onze beleidsmensen eens meer moeten gaan nadenken over een heroriëntering van het jeugdrecht.

Hosted by www.Geocities.ws

1