Fristi Kijk eens aan, daar zit ik nog eens op café de verveling weg te zuipen. Maar niet zoals vroeger hoor, ik zit hier braafjes met een Fristi voor mijn neus en een tandenstoker in mijn bek. Door omstandigheden heb ik mijn residentie trouwens weer wat naar het Westen moeten verplaatsen. Maar dat kan jullie weinig schelen natuurlijk. Wat natuurlijk wel interessant is, is de jongedame die tegenover mij zit. En echt goed nieuws is dat natuurlijk niet. Want hoe zoek je toenadering tot zoiets? De enige ervaring die ik heb, is uit mijn gloriejaren. Nou, toen had ik het pas gemakkelijk! Het enige wat ik moest doen, was Auschwitzgewijs de wegwerpproducten scheiden van wat ik nog wat wilde houden, en vrijen maar. Tot het kind na een week of drie mijn afschuwelijke karakter zo kotsbeu was dat ze op een ander haar tijd ging liggen verdoen. Mooi ben je. En wat is deze hier een moeilijke brok! Geen enkel kastje trekt ze open voor mij! Nou, erg goed voor je zelfvertrouwen is het niet. Maar niet getreurd, ik zal haar hart veroveren met mijn wereldberoemde originaliteit en spitsvondigheid. Lieve schat, zo begin ik, ik zal een jaar de wereld rondtrekken, alleen voor jou. Ik zal alle gevaren uit allerlei vieze landen trotseren, om dan terug te komen en mij voor je prinsessenvoetjes te werpen als jouw dappere veldmaarschalk die je liefde meer dan verdiend heeft. En ik dat café uit, godverdomme. Denkt die koe werkelijk dat ik nog één minuut op haar toot zal blijven kijken, als het maar is om aan mijn kluiten te zitten en mij op capillaire wijze aan mijn niet zo fris verleden te herinneren? Ik steek de straat over en stap een tabaksgelegenheid binnen. Ik koop een Mars, een blik cola, een doosje Läkerol, een aansteker en een pakje Marlboro. Ik tover een exemplaar tevoorschijn, stop hem tussen mijn lippen en leg hem het vuur aan de schenen, hoewel ik eigenlijk al een jaar gestopt ben met roken. Gelukkig heb ik mijn caligae aan. Al rokend wandel ik naar mijn auto, gooi er mijn jasje in en doe mijn leren exemplaar aan, een artefact uit de tijd dat die dingen nog in de mode waren. Mooi, denk ik, en nu gaan we zuipen! Om dame Fortuna nog eens wat bezigheidstherapie te gunnen, wandel ik het eerste het beste café binnen, hijs mij op een kruk en bestel een dubbele whisky. In één teug sla ik het goedje naar binnen. Enkele lodderogige en bezwete dikzakken naast me kijken me aan, maar slaan algauw hun blik neer als ik onverschillig in hun smoel staar. Na mijn derde whisky begin ik al wat gewaar te worden. Mijn oren voelen lekker warm aan, mijn hoofd tintelt en danst en ik krijg zin om iedereen te vertellen hoe fantastisch ze wel zijn. Om de besluitvorming nog wat eenvoudiger en efficiënter te laten verlopen, neem ik nog een drietal Duvels tot mij, en ten slotte een glaasje wijn, dat goddelijke vocht van de antieken. Ondertussen begint die barkruk mij te hinderen. Ik denk dat ik eens een andere gelegenheid zal aandoen, want ik wil bewegen! De lichte vrolijkheid in mijn kop heeft plaats gemaakt voor een stille verdwazing en de neiging om afschuwelijk veel lawaai te maken. Gelukkig verkoopt het vette barmens sigaretten, want mijn pak is alweer op. Rokend en walmend strompel ik naar buiten, flink gehinderd door het zwierelen en zwalpen van de bodem. Omdat ik vrees dat ik ergens tegen een muur aan klets als ik hier nog langer rondwandel, sla ik de deur open van het eerste café dat ik zie. Zo zat als een Zwitser gooi ik mij neer naast een welgevormde blondine die alleen aan een tafeltje zit. Heb jeen lief, fschat? Fluister ik in haar oor. Euh.. zegt ze. Nou goed, antwoord ik, dan zallie eventjes zmoeten wachten. En ik leg mijn hand op haar been, en ik steek haar haar achter haar oren en draai haar daar godverdomme een tong om één mee dood te slaan. Ik open mijn ogen en wil me even oriënteren om haar truitje uit te doen, tot ik tot mijn dodelijke afschuw merk dat ik bovengenoemd vrouwmens in mijn armen heb, dat daarnet bij me zat toen ik mijn Fristi aan het drinken was. Ik weet niet goed waarom, maar ik begin te gillen als een varken. Onmiddellijk komt een kale dikkerd op mij afgestormd, die aan zijn zwarte kledij en zijn poepejoekele domme kop te zien duidelijk de portier is. De vent grijpt mij bij mijn nekvel en gooit me prompt de kroeg uit. Ik kan nog opmaken dat ik twee enorme mokerslagen tegen mijn kop krijg. Ik denk dat ik daarna in coma gevallen ben.