Trein °°°°° Godverdomme, is het alweer zo lang geleden dat ik nog iets geschreven heb? Ik zal dan maar eens een nieuwe column ineen prutsen, anders zeggen ze nog dat ik niet meer kan schrijven. En het is de laatste tijd sowieso al povertjes, want gedichten schrijf ik ook al niet meer. Dat komt omdat ik een dame in mijn leven nodig heb om inspiratie te krijgen, en ik juist alle vrouwen mijn leven uitgegooid heb omdat ze me niet genoeg inspireren. Dus dat kan nog een tijdje duren. Ik zit nu trouwens op kot in Leuven, kennen jullie dat? Ik begon het nog maar net gewend te worden dat ik elke dag in het Westen rondliep, woon ik alweer ergens anders. En het is telkens weer een hele opgave mijn levenswijze te handhaven zonder door allerlei zeiksmoelen in de weg gelopen te worden. Vrijdag zat ik bijvoorbeeld in de trein naar huis, want ik heb geen wasmachine. Kies ik me zo’n lekker eenzaam tweezitje uit waar ik rustig een beetje kan lezen en naar mp3’s luisteren, want Cd’s zijn alweer verouderd. En zo’n trendy knul als ik moet toch een beetje de mode volgen hé. De trein is lang en nagenoeg leeg, en als er nieuwe passagiers instappen zoeken ze steevast een plaatsje in de vierpersoonscompartimenten. Je weet wel, twee tweepersoonszetels die tegenover elkaar staan. Maar uiteindelijk kom je langs Brussel en stapt er dan toch een half werelddeel mensen in, die op dit uur van de dag nochtans aan het werk zouden moeten zijn of ergens op een afgelegen plekje hun lief aan het binnendraaien zouden moeten zijn. Als de rest van de trein echt propvol zit heb ik er natuurlijk niets op tegen dat er iemand naast me plaatsneemt, vooral niet als het zo’n lekkere jonge poes is. Maar nee hoor, komt er godverdomme wel zo’n gigantische vetzak naast me zitten. Hulpeloos word ik tegen het venster gedrukt. En uiteraard blijft de man zitten tot aan het eindstation. Zelfs eventjes mijn GSM uithalen om te kijken of ik toevallig geen berichten ontvangen heb is al een hele opgave, want mijn ellebogen zijn helemaal tegen elkaar aan geklemd. Ik trommel dan maar wat met mijn vingers op mijn knieën en kijk door het raam naar buiten. Bomen, huizen en boerderijen flitsen voorbij, maar desondanks is het nog een flink uur rijden. Met de grootste moeite peuter ik mijn mp3-speler en koptelefoon, die ik een eindje geleden weggestopt heb, weer uit mijn boekentas en leg een deuntje op. Heel zachtjes natuurlijk, want ik heb zelf een pishekel aan zulke puberale mormels die doorgaans de hele wagon ervan laten meegenieten hoe ze hun gehoor naar de knoppen aan het helpen zijn. Ik schaam me helemààl kapot als de dikkerd in slaap valt en langzaam en luid ronkend zijn hoofd op mijn schouder laat zakken. Eerst word ik zo rood als een tomaat en durf niet te reageren, maar uiteindelijk duw ik het hoofd weer een beetje naar de andere kant. Het enorme lijf is echter in mijn richting gezakt, waardoor het hoofd telkens weer naar me toe kantelt. Ik zet mezelf af tegen de wand van de trein en probeer uit alle macht het dikke lichaam naar de andere kant te laten overhellen. Maar hoe ik ook blaas en puf en zweet, er is geen beweging in te krijgen. Geërgerd neem ik dan maar weer een wat normalere houding aan. Ik schakel mijn mp3-speler uit en probeer hem in de mate van het mogelijke weer in mijn boekentas te stoppen, want door het gesnurk van de man hoor ik zelfs met de volumeknop helemaal open mijn eigen muziek niet meer. Na een schier eindeloze rit komen we aan en kan ik eindelijk overstappen. Ik slaak een zucht van verlichting als ik eraan denk hoeveel ruimte voor mezelf ik dit keer zal hebben op de trein die me naar mijn eindbestemming zal voeren. Mijn hoop wordt echter lichtjes gemilderd als ik op het betreffende perron letterlijk honderden scholieren opeengepakt zie. Helemààl lachen wordt het als er een treintje aan komt puffen met exact twee wagons, dat dan nog eens reeds half vol reizigers is. Vraag me niet hoe, maar ik slaag er toch in me tussen de pakweg twintig mensen te wringen die de staanplaatsen bij de deuren bezetten. Langzaam trekt de trein zich in gang. Hierbinnen is het benauwd en snikheet en ik heb het gevoel dat ik helemaal samengedrukt word. Hier en daar zie ik een hand en een been uit de vormeloze klomp mensen steken. Ik denk dat mijn boekentas nog aan mijn rug hangt en ik hoop dat het ding dat tegen mijn achterste duwt het handvat van mijn koffer is. Plotsklaps merk ik dat ik tegen een prachtige jongedame aan gedrukt ben. Onmiddellijk tover ik een ondeugende glimlach op mijn gezicht en probeer de geur van haar shampoo op te snuiven. De tijd lijkt veel te snel te verstrijken, want net als ik haar engelengezichtje nog wat nader wil bestuderen stopt de trein en vliegen de deuren open. Door het aflaten van de enorme druk spoelen tientallen mensen hulpeloos naar buiten. Ik probeer mijn boekentas en koffer bij me te houden en land gelukkig een beetje anatomisch verantwoord op de tegels van het perron. Als ik van de verwarring bekomen ben, kijk ik even rond me en zie dat het meisje weer op de trein gestapt is, want ze moet blijkbaar nog een halte verder. Sissend sluiten de deuren weer, de trein vertrekt en beteuterd zie ik het meisje verdwijnen. Zo, ik ben weer thuis. Jeroen Pollentier 23 november 2008