wipplerr1996college
Art. 26
Theoretische sociologie: balans van een werkprogramma
Reinhard Wippler, 1996
afscheidrede voor de Universiteit Utrecht
Inleiding: dit artikel is de tekst van het afscheidscollege voor de UU van Wippler (1996). Hij vergelijkt de situatie van de Utrechtse sociologie-beoefening van 25 jaar geleden met die van nu. Ook de toenmalige voornemens worden besproken en wat ervan terecht is gekomen. Daarnaast behandelt hij het werkprogramma van de jaren 70 en evalueert dit met toevoeging van suggesties voor de toekomst.
Hoofdlijnen van het werkprogramma (jaren 70): Uitgangspunt van het werkprogramma was de klacht dat sociologie zich in een crisis bevond. Wippler was het daar niet helemaal mee eens, want de onderzoeksmethodologie was sterk verbeterd en de computer bood veel nieuwe mogelijkheden. Wel was het zo dat de theorievorming in de sociologie zich in een crisis bevond door de richtingenstrijd. Wippler richtte zijn werkprogramma daarom op de oorzaken en gevolgen van de stagnatie in de theoretische sociologie. Op drie verschillende niveaus bestaan er oorzaken van deze stagnatie:
Niveau 1) wetenschapstheoretische oorzaken: W laat zich leiden door Poppers evolutionaire kennistheorie (3 stappen + evt. aanpassing): kennisverwerving = probleem stellen > theorie vormen > bekritiseren mbv onderzoeksresultaten > mogelijk aanpassen. Stap 1: W zegt dat het stellen van een probleem voor de volgende stagnatie zorgt: centrale problemen van de sociologie worden niet voldoende onderscheiden van afgeleide problemen (teveel aandacht voor afgeleide problemen) en theoretische uitspraken worden gedaan voordat problemen gesteld zijn. Stap 2: W zegt dat het ontwikkelen van theoretische oplossingen voor de volgende stagnatie zorgt: meer oriënterende uitspraken dan weerlegbare hypothesen en verklarende theorieën. Stap 3: W zegt dat het kritiseren van theoretische probleemoplossingen voor de volgende stagnatie zorgt: empirische onderzoeksresultaten waren vooral beschrijvend-inventariserend.
Niveau 2) institutionele en organisatorische aspecten: Er bestond een gebrek aan differentiatie van werkgebieden (globale taakverdeling binnen sociale wetenschappen) en een gebrek aan coördinatie van specialistische activiteiten (nauwelijks samenwerking over disciplinegrenzen heen).
Niveau 3) relatie wetenschap en samenleving: Vermenging van de rol van socioloog met die van de rol van staatsburger. Ook te groot publiek bij de uitvoering van een onderzoek, waardoor stagnatie optrad omdat iedereen mocht meebeslissen.
De stagnatie in de theoretische sociologie werd behalve de factoren op de drie behandelde niveaus nog groter door een verkeerde verspreiding van de resultaten van sociologisch onderzoek. Onaangename waarheden werden vermeden en dat wat gepubliceerd werd, was vaak te ingewikkeld voor een breed publiek. Wippler maakte naar aanleiding van deze punten een werkprogramma in de vorm van 10 aanbevelingen met het doel om de onvrede over de situatie van het vak sociologie weg te nemen en de stagnatie in de sociologie te verbreken.
Balans een kwart eeuw later: 3 van de 10 aanbevelingen staan bij de Vakgroep Sociologie nog steeds op de agenda. Deze zijn: het opstellen van informatieve theorieën en de integratie van theorie en empirisch onderzoek (samen: theoretisch gestuurd empirisch onderzoek). De derde aanbeveling die nu nog actueel is, was: interdisciplinaire samenwerking. Deze drie punten zijn inmiddels geïnstitutionaliseerd door de Vakgroep Sociologie. Als gevolg daarvan werden 2 andere aanbevelingen als vanzelfsprekend meegenomen in de nieuwe aanpak van theoretische sociologie. 3 aanbevelingen van W zijn in de loop van de tijd achterhaald. 1 aanbeveling is in gewijzigde vorm toegepast en de laatste van de 10 is niet realiseerbaar in het kader van een lokale vakgroep, namelijk: teamvorming op landelijk niveau. Andere (landelijke) instanties hebben dit gerealiseerd.
Gebeurtenissen die tot het verschil tussen toen en nu hebben geleid: Externe en interne factoren worden in het volgende gedeelte onderzocht dmv een analyse van institutionele, structurele en cognitieve ontwikkelingen in contexten waarmee wetenschappers zich geconfronteerd zien en waarop zij met hun handelingen reageren.
De sociale en cognitieve context:
De sociale context op landelijk niveau: Vraag en aanbod reguleerden het gedrag van kennisproducenten en kennisconsumenten. Er ontstonden afzonderlijke deelmarkten zonder concurrentie. Slechte kwaliteit werd daardoor niet geëlimineerd. Tegenwoordig bestaan er nog slechts twee deelmarkten: een primair wetenschapsinterne deelmarkt en een maatschappelijke actualiteit gerichte deelmarkt voor breed publiek. De overheid heeft ingegrepen met reorganisaties, vakgroepen (ipv autonome leerstoelen), internationalisering, samenbundeling van onderzoek en ondersteuning van zowel sterke als zwakke onderzoekers.
De sociale context op lokaal niveau: De kloof tussen theoretisch werk en empirisch onderzoek werd overbrugd. Een informele landelijke werkgroep van geïnteresseerde sociologen ontstond. Zij hadden genoeg van praten over sociologie ten koste van constructief werk in de sociologie. De onderzoeksschool ICS is daaruit ontstaan.
De sociale context op het niveau van de directe werkomgeving: Op de werkvloer vormen wetenschappers hun sociale netwerken, spiegelen zij zich aan collega´s en worden ideeën uitgewisseld. De directe werkomgeving wordt gekarakteriseerd door structuur, cultuur en groepssamenstelling. Structuur: deskundigheid en argumenten winnen het van staan op bevoegdheden op grond van formele posities. De organisatievorm is flexibel. Vakgroep en onderzoeksschool moeten vanwege veelvuldige communicatie vlakbij elkaar gevestigd zijn. Cultuur: Sfeer is routine en ongeschreven regels met speelruimte voor individuele vormgeving. De sfeer op de werkvloer verschilt per instituut; het is een groepsproduct; liftersgedrag bedreigt de sfeer. Samenstelling van de groep: diversiteit (in achtergrond, interesse, specialisatie) van collega´s is wenselijk, dan kan men van elkaar leren. Bereidheid om naar elkaars ideeën en bevindingen te luisteren moet wel aanwezig zijn voor succes.
De cognitieve context: De stand van kennis op een gegeven tijdstip vormt de objectief gegeven cognitieve context voor het handelen van wetenschappers. De cognitieve context in de sociale wetenschappen is veranderd in de afgelopen 25 jaar. De meest opmerkelijke ontwikkeling is het proces ´herintegratie van verschillende maatschappijwetenschappelijke disciplines´. Wetenschappers uit verschillende disciplines werken vaak aan dezelfde problemen en hebben een gemeenschappelijke kern van probleem oplossen en theorievorming. Daarom bestaat er nu ook een faculteit ´Algemene Sociale Wetenschappen´. In iedere discipline krijgt met te maken met een mensbeeld dat omschreven kan worden als: een actief en vindingrijk individu met vrije keuzemogelijkheden. Hierdoor heeft elke discipline tenminste een raakvlak met alle andere disciplines. Een tweede ontwikkeling van de cognitieve context betreft de segmentering van de sociologie in richtingen. De vele –ismen zijn grotendeels verdwenen en daarvoor in de plaats bestaan er nu een veel kleiner aantal door de cognitieve context geconstrueerde richtingen binnen de sociologie. De laatste ontwikkeling in de cognitieve context heeft betrekking op ´individualistische sociologie´. Er is in het verleden beweerd dat de gedragstheoretische kern van sociologische verklaringen zonder meer ontleend kan worden aan de behavioristische psychologie. Tegenwoordig zijn de grenzen van deze stelling zichtbaar geworden.
De actoren: Sociale noch cognitieve contexten kunnen handelen, maar alleen actoren zijn in staat tussen gedragsalternatieven te kiezen (beperkt door contexten). De actoren zijn de leden van de Vakgroep Sociologie en de deelnemers van de onderzoeksschool ICS in Utrecht. van de Vakgroep Sociologie en het ICS. Ook wel genoemd ‘kritisch rationalisme’: alle kennis is voorlopig en voor kritiek vatbaar; van kritiek kan geleerd worden; verbeteringen veranderen uiteindelijk de werkelijkheid.
Strategie voor theorievorming: tweede gemeenschappelijke oriëntatie betreft strategie voor theorievorming, ook wel genoemd: struktureel individualistische benadering. De strategie houdt in: deductief verklaren, expliciete aandacht voor macro-micro en micro-macro relaties, theoretische modelbouw en i9nterdisciplinaire oriëntatie.
Belangrijke probleembebieden: het onderzoeken op welke wijze actoren hun samenwerking in duurzame relaties zelf organiseren. het onderzoeken van sociale net werken. het onderzoeken van de vraag naar de oorzaken en gevolgen van sociale ongelijkheid. het onderzoeken van organisaties en de arbeidsmarkt. het onderzoeken van relaties tussen verschillende generaties in deze maatschappij met aandacht voor trendbreuken in de tijd, zoals oorlog, crisis, cultuurveranderingen.
Mogelijke consequenties voor onderzoeksmanagement: begaafde, gemotiveerde en innovatieve mensen zijn nodig voor het succes van de sociologie; meer nog dan management en toekenning van middelen. Selectie van creatieve talenten is noodzakelijk; spontane ontwikkelingen oeten gestimuleerd worden.