Williams, R.H. (1996), EuropeanUnion
Spatial Policy and Planning, Hst 3 The institutions and
powers of the EU. PP 30-45. London: Paul Chapman
Door: Herjo Koffijberg
Deze tekst beschrijft de belangrijkste instituties van de EU.
De commissie doet wetsvoorstellen die voorgelegd moet worden aan de raad van ministers en implementeert het. Ze zorgt er ook voor dat verdragen die gesloten zijn nageleefd worden. De commissie kan op twee manieren bekeken worden: 1 als lichaam van commissionarissen, 2 de commissie als administratieve structuur
1. De leden van de commissie (commissioners) worden aangesteld door de lidstaten, 2 door elke grote staat (Frankrijk, Duitsland, Italië, Spanje en het Verengd Koninkrijk) en 1 door de andere. Ieder commissielid krijgt een eigen portfolio (zie figuur 3.1). De commissie heeft een zittingstijd van 5 jaar. Hoe meer lidstaten hoe moeilijker wordt het om de taken evenwichtig te verdelen. Er zijn immers niet genoeg functies (portfolio’s). De uitbreiding zorgt dus zo voor problemen. Ieder commissie lid heeft zijn eigen staf van medewerkers (kabinet).
2. De commissie is onderverdeeld in 24 directoraten-generaal. De totale staf heeft ongeveer 15000 medewerkers (voor onderverdeling zie figuur 3.2). De commissie als geheel moet er voor zorgen dat er zowel naar de belangen van regeringen als van belangengroepen geluisterd wordt.
De ministerraad
Europese wetgeving wordt gemaakt door de ministerraad (de wetgevende macht). 1 minister uit iedere lidstaat voor een bepaald onderwerp.
De raad heeft drie soorten van stemprocedures: unanimiteit (iedereen heeft een veto) en gekwalificeerde meerderheid (meerderheid van 70 %, het ene land heeft hierbij meer stemmen dan het andere, zie blz.14) voor beslissingen over wetgeving en meerderheid voor vergaderingen zelf.
De president zit de vergaderingen van de raad voor. Hij zit er voor 6 maanden waarna iemand uit een andere lidstaat aan de beurt is. Wanneer een minister aan de beurt is heeft hij veel invloed op de onderwerpen die aan de orde gesteld worden.
De Europese raad
EU topontmoetingen worden voorgezeten door de hoofden van regeringen en ministers van buitenlandse zaken van de lidstaten.
Voordat de Ministerraad kan handelen na een voorstel van de commissie moet er eerst gekeken worden naar de meningen van raadgevende instituties, deze worden nu besproken:
De raad van permanente representanten
(coreper)
Iedere lidstaat heeft een permanente representant in Brussel, een soort van ambassade. Zij zorgen ervoor dat voorstellen technisch in orde zijn en kijken naar de belangen van alle lidstaten en instituties.
Het Europese Parlement
Het Europese Parlement wordt direct gekozen en krijgt steeds meer bevoegdheden. Elke 5 jaar worden hiervoor verkiezingen gehouden. Voor de verdeling van het aantal zetels: zie blz. 16. Het Europese Parlement zetelt in Straatsburg. Binnen het parlement zijn verschillende comités die zich bezig houden met verschillende zaken, zij hebben een grote invloed op de meningsvorming van het parlement.
Economische
en sociale comité (Ecosoc)
Zij vertegenwoordigen de sociale partners van werkgevers en werknemers en andere instituties. Voorstellen van de commissie aangaande de onderwerpen waar Ecosoc over gaat moeten eerst aan Ecosoc voorgelegd worden alvorens ze naar de Raad van Ministers gaan.
Comité van regio’s
Zij representeren het subnationale niveau binnen de EU. Hierbinnen opereren verschillende commissies (zie figuur 3.3).
Andere instituties en EU lichamen:
Europese gerechtshof
Staat boven de nationale gerechtshoven.
Financiële instituties
Europese Centrale Bank, Europese Investeringsbank (zorgt voor de financiering van Europese projecten).
Court
of auditors, European Foundation for living and Working Conditions, European
Environment Agency, Committee of
Spatial Development
Wetgevingsprocedure, verrichtingen en
instrumenten
Hoe de Europese Unie werkt, zie blz. 20.