Vos, Sjoerd de (1997) De omgeving telt; compositionele effecten in de geografie (dissertatie UVA). Hieruit: hoofdstuk 2: theoretische aspecten, pp. 33-54

voss1997dissertatie

Sjoerd de Vos – Theoretische aspecten.

Vooraf: Deze tekst gebruikt zeer veel voorbeelden om allerlei begrippen toe te lichten. Om het dus overzichtelijk te krijgen is het zeker aan te raden de tekst zelf ook door te lezen.

2.1 Inleiding

Bij contextuele aspecten spelen meerdere niveaus van analyse een rol. Het zijn er minstens twee. Op lagere niveau treffen we eenheden aan die door de context worden beïnvloedt, bijv. mensen. Op hogere niveau vinden we eenheden die als context optreden, bijv. woonomgevingen.

Bij onderzoek naar contextuele effecten wordt vaak aangenomen dat kenmerken van deze context van belang kunnen zijn voor eenheden die in die context verblijven.

Wat voor soort kenmerken kunnen worden onderscheiden?

à Typologie van Lazarsfeld en Menzel (1961). Zie paragraaf 2.3.

2.2 Niveaus van analyse

Op het lagere niveau treffen we eenheden aan waarvan we de houdingen en gedragingen willen begrijpen. Het heeft vaak betrekking op individuele mensen.

Op het hogere niveau treffen we vaak de contexten waartoe de eenheden behoren, zoals verenigingen, dorpen of steden, provincies enz. Kenmerken van het hogere niveau worden vaak gezien als verklaring voor houdingen en gedragingen die op het lagere niveau worden aangetroffen.

In geografie vormt individu het laagste analyseniveau en niet de sociale rollen die het individu kan aannemen (zoals in de sociologie het geval is).

Een eenheid op hoger niveau ontstaat in principe door het samenvoegen van eenheden van lager niveau. Maar toch is zo’n ‘supereenheid’ veel meer dan alleen maar een verzameling van lagere niveaus. In veel gevallen vindt tussen de subeenheden van de supereenheid interactie plaats, waardoor structuur ontstaat binnen de supereenheid. Bovendien zijn veel ruimtelijke omgevingen vaak meer dan de verzameling subeenheden waar het in eerste instantie om gaat.

Let wel er kunnen ook meer dan twee analyse niveaus zijn!!! Wanneer dat het geval is, is het overigens niet noodzakelijk dat er een hiërarchische ordening tussen de niveaus aanwezig is.

Bij contextuele analyses moet steeds gekozen worden uit een ruim aanbod aan mogelijke contexten. Bij sommige onderzoeken ligt de nadruk op het achterhalen van welke omgeving de meeste invloed heeft, bij andere gaat de interesse juist uit naar de vraag of een bepaalde omgeving van invloed is of niet.

2.3 Kenmerken van de context

Lazarsfeld en Menzel hebben een artikel gepubliceerd over het verband tussen individuele en collectieve eigenschappen. Daarin beschrijven zij op systematische wijze op welke manieren individuen en verzamelingen van individuen kunnen worden gekenmerkt. (schema zie pagina 157 bundel!!!)

In het schema worden de typen kenmerken door middel van twee criteria van elkaar onderscheiden:

  1. Bij het eerste criterium gaat het om de niveaus van analyse die bij het vaststellen van het kenmerk van de eenheid van belang zijn.
  2. Bij het tweede criterium gaat het er om of bij de typering andere eenheden een rol spelen of niet.

Typeringen met behulp van hetzelfde niveau

Absoluut kenmerk à eenheid wordt getypeerd via een eigenschap die louter en alleen met die eenheid zelf te maken heeft.

Comparatief kenmerk à eenheid krijgt zijn score na vergelijking met andere eenheden van dezelfde soort.

Relationeel kenmerk à eenheid wordt getypeerd via zijn relaties met andere eenheden van dezelfde soort.

Typeringen met behulp van een lager niveau

Analytisch kenmerk à eenheid wordt getypeerd via een maat waarin de kenmerken van de subeenheden worden samengevat.

Structureel kenmerk à eenheid wordt getypeerd via kenmerken van de interacties tussen de subeenheden.

Typeringen met behulp van een hoger niveau

Contextueel kenmerk à eenheid wordt getypeerd via een eigenschap van een

supereenheid.

Alle effecten die voortvloeien uit kenmerken van de context worden contextuele

effecten genoemd. De term compositionele effecten wordt gereserveerd voor

een deel daar van.

2.4

In geografie veel onderzoek gedaan naar de rol van kenmerken van de woonomgeving die los staan van de bewoners. Vrijwel altijd gaat het daarbij om absolute kenmerken, zoals aspecten van het fysisch milieu enz. Aan de rol van kenmerken die met bewoners te maken hebben is in geografie veel minder aandacht besteed. Bij onderzoek waarin dergelijke kenmerken wel werden gebruikt bleek het om analytische kenmerken te gaan, zelden om structurele. Dit komt ongetwijfeld doordat analytische kenmerken makkelijker beschikbaar komen. Maar toch dient e keuze tussen analytische en structurele kenmerken in principe op inhoudelijke gronden tot stand te komen.

Analytische kenmerken richten zich vooral op culturele aspecten van de context.

      1. voorbeelden zelf lezen in combinatie met 2.4.1

2.5

Als er sprake is van discrepantie tussen mensen en omgeving zijn drie reacties mogelijk: verhuizen, verzetten of aanpassen. Bij de tweede mogelijkheid blijft de discrepantie bestaan.

Bij de twee andere mogelijkheden wordt de discrepantie op geheven of in ieder geval verkleind.

Altijd als gezocht wordt naar verklaringen voor verschijnselen, is het mogelijk dat belangrijke kenmerken over het hoofd worden gezien. De vraag is of het gevaar daarvoor bij onderzoek naar compositionele effecten groot is. Dat zal het geval zijn als het vaak voorkomt dat het relevante analytische kenmerk van de context samenhangt met allerlei belangrijke individuele kenmerken, of met andere kenmerken van de context. Al eerder is erop gewezen dat ruimtelijke eenheden meestal veel meer zijn dan een verzameling van bewoners, al dan niet met structuur.

Verklaringen voor aanpassing, twee vormen.

  1. Mensen kiezen een andere woonomgeving.
  2. Mensen passen zich, bewust of onbewust, aan aan hun omgeving.

Bij het aanpassingsproces spelen verschillende mechanismen een rol. Zo zijn er sociale contacten met bijv buren, normen en waarden van de omgeving enz.

Vormt omgeving referentiekader van mensen?

Mensen die op zoek zijn naar hun relatieve positie vergelijken zich met anderen, maar alleen met mensen uit een aansluitende deelverzameling, bijv mensen uit hun omgeving. (comperative reference group theorie).

De vraag is op welke wijze mensen reageren als hun positie laag is. Als ze het er niet bij laten zitten kunnen ze op twee manieren hun positie verbeteren. Ten eerste kunnen ze proberen hun plaats in de rangorde binnen de omgeving te verhogen. Ten tweede kunnen ze een andere omgeving uitkiezen, waar het niveau lager is, en de waardering navenant hoger.

Het gaat er dus om dat niet de absolute positie, maar de relatieve positie ten opzichte van de omgeving telt.

Hosted by www.Geocities.ws

1