In
het decennium 18-70-1880 verkeerde de geografie in een stroomversnelling. Deze
veranderingen zijn niet toe te schrijven aan een overweldigende progressie van
de geografische wetenschappelijke kennis of inhoudelijke vooruitgang. De
oorzaak moet wel worden gezocht in de maatschappelijke dynamiek. In de jaren
’60 stagneerde de geografie, wat achteraf gezien een stilte voor de storm is
geweest.
Capabele
opvolgers van Von Humboldt en Ritter, met een kleine pauze, zijn Guyot (Earth and Man) en Kapp.
De
vraag is waar de explosieve vraag naar geografische informatie vandaan kwam in
de jaren 1870. Een aantal oorzaken:
-
Er
zijn steeds meer ontdekkingsreizen over land; de Britse en Amerikaanse
krantenlezende elite volgen oa de verhalen van de arts Livingstone, die in
Afrika de slavenhandel bestrijdt, leven erg met hem mee
-
Vrijheid
en avontuur boeit de Victoriaanse burger
-
Tijd
van de reizen naar donker Afrika, poolstreken en ruimtereizen
-
De
Europese expansie leidde tot grote behoefte aan informatie over de nieuw
gekoloniseerde gebieden, geografen konden hierin voorzien
Binnen
Europa kreeg de geografie een andere functie, mede door de dienstplicht,
stemrecht en leerplicht. Regionale mentaliteit moest wijken voor nationaal
besef. Het aardrijkskunde- en geschiedenisonderwijs had een belangrijke
bijdrage aan deze natievorming.
Het
imago van de geografie in de laatste decennia van de vorige eeuw was een
praktisch vak dat kennis verzamelt waar je wat aan hebt, men kon in Europa aan
120 universiteiten geografie studeren. In Groot-Brittannië kwam geografie pas
laat op gang en de opleidingen waren voornamelijk geomorfologisch en Fysische
Geografie.
1870-1880
was voor alles het tijdvak van de nieuwe geografische genootschappen (in 1865
telt Europa 15 geografische verenigingen met 5000 leden). Leden waren mensen
(meestal mannen) die over voldoende geld en maatschappelijk aanzien beschikten
en interesse hadden voor de geografie. Niet zozeer veel professoren maar vooral
veel adel. KNAG (Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap) is in 1873
opgericht, tegenwoordig 3500 leden.
Deze
verenigingen zijn altijd verstrengeld geweest met expedities en
maatschappelijke belangen, tot ongenoegen van universitair opgeleide geografen.
De
eerste leerstoelen, vaktijdschriften, opleidingen, genootschappen en congressen
dateren dus uit de jaren na 1870. In 1881 vond in Berlijn de eerste Duitse
Geografendagen plaats.
Ondanks
het nationalistische Europa vonden ook internationale congressen plaats, eerst
Europees, later wereldwijd in 1922 door de IGU. In de loop der tijd zijn de
congressen meer het domein van professionele geografen geworden
i.p.v.militairen, kooplui, diplomaten en ontdekkingsreizigers.
Geografen
hebben van meet af aan zuiver-wetenschappelijk onderzoek verricht,
kennisvermeerdering is dan doel op zich, het onderzoek wordt gedaan ter
bevrediging van een intellectuele nieuwsgierigheid. Hier tegenover staat het toegepaste
onderzoek, dat verricht wordt om maatschappelijke behoeften te bevredigen
of bij te dragen aan het oplossen van praktische problemen die in een
samenleving bestaan. Als laatste is er de kritische wetenschap. Anders
dan bij de toegepaste wetenschap is dit niet met de maatschappelijke belangen
verbonden maar met bepaalde groepen. Kritische wetenschappers zijn vaak
zaakwaarnemers voor arbeiders, boeren, vrouwen, inheemse volken etc. Twee
kritische geografen waren Elisee Reclus (1830-1905) en de Russische prins Pjotr
Kropotkin (1842-1921), beiden hadden anarchistische idealen.(Geschiedenis zie
blz.62-64).