Het Geografisch Huis, B. de Pater & H. van der Wusten
Hoofdstuk 7 Nieuwe
maatschappelijke draagvlakken
Dit hoofstuk is voornamelijk gericht op de ontwikkeling van de geografie in NL gedurende de twintigste eeuw.
p. 130 Externalisme in de geografie is een visie waarin “de wetenschap bezien wordt als een open systeem dat beïnvloed of wellicht zelfs bepaald wordt door maatschappelijke ontwikkelingen”.
De wereld veranderde na ongeveer 1950 enorm en dat heeft zijn sporen nagelaten in de geografiebeoefening.
p. 131 Vooral de opkomst van de welvaartstaat (er wordt meer geld uitgegeven aan luxe consumptiegoederen dan aan voedsel) en de verzorgingsstaat (de sociale en ruimtelijke ongelijkheid die het onvermijdelijke gevolg zijn van een kapitalistisch productiesysteem worden genivelleerd door de staat) zijn van invloed geweest.
De betrokkenheid van de overheid nam toe, ook buiten NL.
In de VS werd bijvoorbeeld het integrale ontwikkelingsproject Tenessee Valley Authority-project opgesteld, in 1933 overigens al.
p. 132 In Groot-Britannië ontstond er aandacht voor de zgn. depressed areas. De ruimtelijke plannen die het gevolg waren vroegen om CBS-achtige organisaties die de benodigde data konden verstrekken.
p. 133 De geografie ontwikkelde zich tot een toe te passen, praktische wetenschap.
p. 134 In NL werd, onder Duits regime, in 1941 de Rijksdienst voor het Nationale Plan opgesteld (de voorloper van de Rijksplanologische Dienst).
Het eerste doel van deze dienst was het stimuleren van achtergebleven, agrarische gebieden.
p. 135 Aan de universiteit in A’dam ontstond onder H. ter Veen (de opvolger van Steinmetz) de sociografie. Positief aan de sociografie was de aandacht voor de toegepaste regionale geografie en het brede, sociale karakter van de studie.
Nadelig was de geringe theorie-ontwikkeling en het encyclopedisch karakter
p. 136 de studie (dit onder meer vanwege het ontbreken van een probleemstelling bij de scripties).
Geografiestudenten vonden door bovengenoemde ontwikkelingen een bredere werkveld, naast het docentschap was er een toekomst als functionaris, veelal bij een overheidsinstantie.
p. 136 De planningscyclus
p. 137 De klassieke geografie bestond uit: beschrijven, verklaren en mogelijk het doen van voorspellingen.
De applied geography vulde dit aan met het kunnen toepassen van wetenschap op/ in de praktijk, waardoor inzicht ontstond in het beheren van de ruimte.
p. 138 Figuur 7.1 De planningscyclus: er is sprake van een maatschappelijk probleem, een diagnose wordt gesteld, een plan van aanpak opgesteld, uitgevoerd en tenslotte vindt een evaluatie plaats.
p. 139 Een liason dangereusse
In 1921 werden de studierichtingen sociale en fysische geografie van elkaar losgekoppeld.
In de navolgende periode deden zich vier ontwikkelingen voor: een boom aan
p. 141 eerstejaars, uitbreiding van het aantal studieplaatsen, specialisatie
p. 142 mogelijkheden vermeerderen en er doet zich een internationalisering voor die uiteindelijk gedomineerd wordt door Engelstalige literatuur.
Eender en anders
Emancipatie van de vrouwen, vanuit mondiaal perspectief niet slecht. Maar deelname (nog ?) geen 50-50, voornamelijk vanwege de double burden.
De instituten zijn in NL groter dan elders, bovendien verder geïnternationaliseerd (wellicht vanwege de ‘kleine’ positie van NL).
p. 145 NL kenmerkt zich door precies, detaillistisch, empirisch onderzoek.
Wetenschap wordt bepaald door a) haar empirische precisie
b) de reikwijdte van het resultaat
c) de theoretische vorming.
p. 146 Zuiver, toegepast en kritisch onderzoek
Zuiver wetenschappelijk onderzoek wil onafhankelijk en objectief zijn. Er wordt hierbij onder meer gebruik gemaakt van het peer review system (dwz. dat collega’s anonieme artikelen beoordelen).
Toegepast en kritisch onderzoek kenmerkt zich in tegenstelling tot zuiver wetenschappelijk onderzoek door maatschappelijke betrokkenheid.
p. 147 Wat het kritisch onderzoek betreft: hier geldt zelfs dat beoordeling van maatschappelijke verhoudingen een principe is.
p. 148 Ook in de naoorlogse 20e eeuw vindt zij plaats, bijvoorbeeld het marxisme (jaren ’70), feminisme (jaren ’80) en tenslotte de political ecology.