kobbenajf1981artikel
Art. 4
Gevraagd: geestelijke onafhankelijkheid
André.J.F.
Köbben, 1981
Uit: Ho
weet je dat? Wegen van sociaal onderzoek, p.93-98
Köbben pleit er in dit artikel voor dat onderzoekers onafhankelijk / afstandelijk zijn tijdens onderzoek. Sommige onderzoekers beweren het tegenovergestelde: de onderzoeker moet tegelijk actievoerder zijn (vb: onderzoek naar ´vrouwen en ontwikkeling´ waarvoor iemand gevraagd word die actief is binnen een vrouwenbeweging). De onderzoeker voelt zo precies aan wat de te onderzoeken groep beweegt. Als de onderzoeker geen actieve deelnemer is binnen de te onderzoeken groep, dan moet de te onderzoeken groep op z´n minst betrokken worden bij het opzetten, uitvoeren en beoordelen van het onderzoek. Dit is democratisch en solidair.
Twee voordelen van deze aanpak zijn: 1) De te onderzoeken groep heeft in de meeste gevallen baat bij het onderzoek. Veel meer dan wanneer een onderzoeker het object alleen beschouwt als ´voorwerp´ van onderzoek, zonder in het belang van de te onderzoeken groep te handelen. 2) Door participatie komt er meer inside-informatie naar buiten.
Twee tegenargumenten: 1) Wanneer we te maken hebben met niet-sympathieke groepen gelden de twee hiervoor genoemde voordelen niet meer (vb: onderzoek naar racisten of knokploegen; met hen samenwerken?). Door de te onderzoeken groep bij de opzet, uitvoer en beoordeling van een onderzoek te betrekken, zal de uitkomst veel gevoeliger zijn voor hun belangen; het risico dat de uitkomst precies is wat zij wilden horen is groot. 2) Onderzoeker en actievoerder tegelijk levert interessante informatie, maar theoretische onderbouwing (objectiviteit) en betrouwbaarheid moeten een groot deel inleveren.
Conclusie: De onderzoeker moet geheel vrij zijn en niemand naar de mond praten, want hij heeft primair de geloofwaardigheid van de wetenschap hoog te houden. Uiteraard mag een wetenschapper een bepaalde groep willen helpen met zijn onderzoek, maar altijd met geestelijke onafhankelijkheid.