keatingm1998boek.htm
Keating,
M. (1998), The New Regionalism in Western Europe: Territorial Restructuring and
Political Change,
Cheltenham and Northhampton: Edward Elgar:
The New Regionalism in Western Europe
Territory
is important in understanding politics and economics, but has surprisingly
often been neglected as a factor in social science. It was argued that territoriality
was something historical, but with integration and homogenization it would no
longer matter. In the 1990’s this idea was modern again due to the rise of the
telecommunications and strengthening globalization. Keating disagrees.
Territory
has been ill treated because scholars have not looked well at scale, the
reshaping instead of disappearing of territory, the territorial effect of
public policy and the problem not only of territorial scale, but also the
problem of research at the correct scale level.
Territoriality
is not seen as part of the explanation for politics, instead it is treated as a
residual for explaining what can not be explained. The problem with this is
that territory is ubiquitous, and is part of the social context for explaining
voting. Another problem is ecological fallacy.
Territoriality
is complex and dynamic, it is not an independent variable, but a mediating
factor. Territory can structure economic, social and political life in several
ways. It can give a frame of perception, give a cohesive identity and define
the limits of public and private domains. Control of space also has a high
symbolic content.
Territory
is more than physical space. It is a construction of social, political and
economic relations. Institutions, state and other are also important.
Territories are a complex interaction of external influences and internal life,
they have fluctuating boundaries, are not self-contained, yet often keep a
sense of place.
Six levels
of territory are recognized: global, cotinental, state, regional,
local/urban/metropolitan, and neighbourhood.
Besides
size, the word region has many meanings. It can be functional (economic links,
social interactions), historic, cultural, institutional. These different
meanings may coincide, overlap of conflict. This can be seen in fig 1.1.
Regions are elements with weaker or stronger cohesion. Because of this regions
do affect the state, but regionalism is not an alternative to the state.
Regions
have a long history in Europe, from before the nation state. With the
reconfiguring of state levels regions are seen as a new phenomenon, or are
looked at in a reductionist way. In the following chapters regions will be
studied as fragile social constructs within territorial boundaries. Modernity
forces regions to look into their identity to be able to compete for resources
within the state, and within the market.
Na het toespitsen op regionale activiteiten in de jaren ’70
kwam er een periode van stabilisatie in de jaren ’80, waarna men zich in de
jaren ’90 weer meer ging toeleggen op de regio’s.
Dit gebeurde omdat de macht van de staat afnam door:
1e de
internationalisatie/ globalisatie.
2e de regionale bewegingen.
3e de marktwerking en burgerbewegingen.
4e het mobieler worden van het kapitaal en de
vergroting van het aantal internationale bedrijven.
De regio’s werden ook ondermijnd door subsidievermindering
en het zich meer richten, van de overheid, op economische centra in het land
die weer bedrijven aantrokken en waarbij er een bepaalde spanning kon ontstaan
tussen verschillende gebieden.
Men is nu op zoek naar methoden om de regio’s niet achterop
te laten komen.
De nadruk wordt minder gelegd op investeringen vanuit de
staat en meer op groei van binnenuit en het aantrekken van investeringen
gericht op de specialiteit van de regio zelf die hierbij ook hun concurrentie
positie moeten zien te verbeteren.
Hierbij is een belangrijke rol weggelegd voor de constructie
van de identiteit van de regio.
Ook institutioneel is de staat veranderd:
1e de staat deelt nu zijn krachten met andere
regimes, speciaal de Europese Unie.
2e de macht van de regionale overheden (en
nationalistische groepen) neemt toe.
Deze verschillende contexten hebben als resultaat dat de
regio’s ook in verschillende richtingen gevormd worden.
Aan de ene kant zijn het politieke arena’s met vastomlijnde
plannen die een toegewezen hoeveelheid grondstoffen krijgen, waar over beleid
wordt gedebatteerd en beslissingen worden genomen. Aan de andere kant, de
competitie van investeringen, markten en mogelijkheden kan leiden tot het
vervangen van intra regionale politieke competitie tot een interregionale
competitie.
Regio’s kunnen aangeduid worden als ruimtelijke territoriums
maar ze kunnen ook functionele, politieke, sociale of institutionele functies
hebben.
Een manier om een regio te benoemen kan zowel negatief als
positief zijn. Soms zijn het overgangsgebieden tussen stad en staat en soms
overblijfselen van geconstrueerde naburige gebieden. Zelfs per land zijn er nog
verschillen in aanduiding per regio. Er is eigenlijk geen algemene aanduiding
voor een regio.
Eén van de sterke krachten achter regionalisering is de
economische hervorming.
Technologische wisselingen veranderden de benodigde
grondstoffen/ infrastructuur en arbeidspotentieel.
De politiek moet hierbij inspringen maar kan niet zonder de
regionale connecties.
De regio heeft een intermediaire functie zowel op
territoriaal als op functioneel gebied en fungeert als plaats waar de centrale
en plaatselijke overheden elkaar kunnen ontmoeten.
Regio’s kunnen ook gebieden zijn ter bescherming van cultuur
en taal.
Modernisatie en nationalisatie gaan samen op en regionale
cultuur werd als provinciaal beschouwd. Tegenwoordig is dit anders. Nu is er
een boom in regionale historie met thema parken en landelijk leven als
sleutelelementen. Het regionalisme herleeft in al zijn facetten.
De regionale identiteit is het belangrijkste element in de
constructie van regio’s als sociale en politieke ruimte.
De grootste bronnen van het gezamenlijke identiteitsgevoel
zijn geloof en taal.
Er zijn drie elementen om de regiobewoner en zijn politieke
relaties te identificeren:
1e de cognitieve manier: de mensen moeten zich
bewust zijn van hun regio en de geografische grenzen (hiervoor is wel kennis
van andere regio’s vereist).
2e de affectie met de regio (gezamenlijke
gevoelens voor de regio en solidariteit).
3e de manier waarop in een regio de identiteit
wordt gecreëerd en in stand gehouden door regionale conservatieven of de
moderne regionalisten (die zijn geïnteresseerd in het samengaan van de regio
met Europa).
In zuidelijk Europa identificeert men zich meer met de staat
terwijl men er toch niet zo’n vertrouwen in heeft en tevens zijn deze staten
ook het zwakst in de globalisatie met de rest van Europa.
Behalve enkele regio’s zoals Schotland, Wales, Catalonië en
Baskenland kan men zeggen dat de regio identiteit niet sterk aanwezig is.
Regionale identiteit is zeer contextueel en gevormd door
evenementen en politieke strategieën. De moderne natie staat is vaak te zwak om
regionale ideeën tegen te houden.
![]()
Michael Keating, The New Regionalism
in Western Europa
Economic Restructuring
Economische herstructurering en snelle veranderingen in de “mode of production” zijn de drijvende krachten achter de nieuwe regionalisering. Deze ontwikkeling herbergt een paradox. Kapitalisme is zichzelf aan het reconstrueren op wereldschaal en breekt daarmee juist de banden af die bestaan tussen regio en productie.
Er is door marxisten en neo-liberalen veel geschreven over de overgang van het Fordisme, gekarakteriseerd door grootschalige productie van standaard producten voor de nationale markt, naar het post-fordisme, gekarakteriseerd door flexibele productie, specialisatie en arbeidsverdeling. Het is waar dat de economische productie veranderd is, maar dit verschilt erg per land en per sector. Sommige regio’s gebonden productie factoren zijn minder belangrijk geworden doordat bedrijven meer vrijheid hebben gekregen om regio’s te keizen. Paradoxaal genoeg zijn juist vele kritieke productiefactoren nu juist regiospecifiek, daarom kunnen we nu spreken over een toenemend belang van de regionale economie. In navolging hiervan zijn er ook vele nieuwe ideeën ontwikkeld met betrekking tot regionale groei. Veel van deze ideeën gaan over het belang van netwerken, agglomeratievoordelen en de institutionele werking van een regio. Er zijn ook nieuwe ideeën over de externe context van de regio als productie systeem. Met de concentratie van kapitaal in grote multinationals, het vrij bewegen van kapitaal en investeringen, en groter geworden keuzevrijheid van investeerders, wordt het aantrekken van kapitaal steeds belangrijker. He idee van de comparative advantage kan dan ook worden vervangen door een nieuw idee: dat van de competitive advantage, gebaseerd op absolute voordelen tussen de verschillende regio’s. Regio’s concurreren in smalle niches op de wereldmarkt met de hoop veel kapitaal aan te kunnen trekken.
Deze nieuwe visie op regio’s heeft ook gevolgen voor het beleid en de politiek.
Regional
Development Policies, The New Paradigm
Sinds de jaren 90 is er een verandering zichtbaar in het beleid voor regionale ontwikkeling. Het oude paradigma ( dit was gebaseerd op directe staats interventie, macro economisch beleid, en een heel scale aan interventie instrumenten) werd vervangen door een nieuw paradigma van fijn en meer gedetailleerde interventie. Aandacht werd gevestigd: op endogene groei in plaats van op mobiel kapitaal, op Research en Development en op innovatie en ondernemerschap. ( Enkele sleutel woorden: ppp’s, netwerken, institutionalisering, liberalisatie) Dit nieuwe type beleid werd gedecentraliseerd, er was namelijk specifieke kennis van de regio nodig.
The
contruction of a development model
Sommige leggen de aandacht bij de externe context waaraan een regio onderhevig is: structural contingency theorie. Anderen hebben meer aandacht voor interne factoren: bijv. de padafhankelijk theorie. Een goed ontwikkelingsmodel moet natuurlijk aandacht hebben voor interne en externe factoren!! (dus…..) en hun relatieve zwaarte!
En hoe ziet dit er nu allemaal uit:
Development coalities
Regio’s bestaan uit een complexiteit van actoren en netwerken waarin regionale overheden vaak maar een bescheiden rol hebben. Regio’s zelf zijn vaak ook actoren in een grotere context. Om een regio als een acterend systeem te kunnen begrijpen heb je niks aan een vaag concept als: governance. Een beter concept is de “ontwikkelingscoalitie” (development coalition). Een ontwikkelingscoalitie is een “cross-class” en plaats specifieke alliantie tussen sociale en politieke actoren met als doel regionale economische groei. Ontwikkelingsbeleid dat hieruit volgt is een combinatie tussen externe en interne factoren welke wordt geleid door de ontwikkelingscoalitie, de institutionele structuur en culturele factoren.
Meer specifiek bevat een ontwikkelingscoalitie de volgende elementen: territory, institutions, leiderschap, sociale en culturele elementen en interne en externe “linkages”.
Territory
Een functionele regio is niet hetzelfde als een economische regio. Net zo min als een culturele regio of een historische regio samenvalt met een economische regio of een functionele regio. Eigenlijk elk soort regio kan de basis zijn voor een ontwikkelingscoalitie. Maar als meerdere type regio’s samenvallen is de basis voor het vormen van een ontwikkelingscoalitie het sterkst.
Institutions
Goed geïnstitutionaliseerde regio’s zijn van groot belang voor de ontwikkelingscoalities. Goed geïnstitutionaliseerde regio’s zijn de basis voor goed sociale communicatie, geven snel signalen en incentives voor samenwerking en de voortbrenging van publieke goederen. Een karakteristieke vorm van institutionalisering zijn de speciale regionale ontwikkelingsbureaus. Deze zijn van groot belang omdat ze vaak snel worden geaccepteerd in de prive sector. “Institutional thickness” is dus een erg belangrijke factor in regionale ontwikkeling. Hoe hoger de graad van institutional thickness, hoe beter.
Leadership
Politiek leiderschap is een belangrijke factor in het vormen van een ontwikkelingscoalitie. Het belang ligt in het promoten van samenwerken, communiceren en het mobiliseren van de verschillende actoren. Soms komt het leiderschap van een enkele persoon uit de overheid (bijvoorbeeld een burgemeester) maar het kan ook vanuit het bedrijfsleven komen.
Social composition
Een belangrijke factor in het creëren van een ontwikkelingscoalitie is belang dat kapitaal en arbeid hebben in de regio. Met de huidige globalisatie en het openstellen van de Europese markten is de aandacht verschoven van arbeid naar kapitaal. Desalniettemin zijn bijvoorbeeld vakbonden belangrijk in een ontwikkelingscoalitie.
Culture
Waarden, normen en gewoonten van de regionale cultuur
bepalen de behoefte aan bijvoorbeeld samenwerken of productie van publieke goederen. In die zin bepaald het type
cultuur ook het soort ontwikkelingscoalitie. Belangrijke verschillen in “the new order” van regionale ontwikkeling:
individual vs collective; the outward vs the inward looking; the future vs the
past oriëntation.
External Linkages
Als laatste wordt een ontwikkelingscoalitie gevormd door de banden die de regio heeft met de rest van de wereld en door wie hierbij de macht heeft.
Development strategies
Door de combinatie van een regio’s positie in de wereld en haar interne politieke en sociale constructie ontstaat een bepaalde ontwikkelingsstrategie.
Keating geeft vier ideaal type ontwikkelingsstrategien:
1) “bourgeois regionalism”: sterke economische regio’s, samenwerking tussen de lokale bedrijfselite, regionale overheid en “agencies”.
2) “sweatshop economy”: een goede concurrentie positie wordt bereikt door lage lonen/belasting; Er is een gebrek aan een goede arbeidsmarkt en milieuregulering.
3) Social democratic project: high-cost ontwikkelingsmodel waarin ook de sociale aspecten een belangrijke rol spelen. Samenwerking tussen overheid, bedrijfsleven en vakbonden.
4) Nation building project: regio’s streven naar autonomie en onafhankelijkheid en zien regionale ontwikkeling niet alleen als ontwikkeling op zich, maar gebruiken het om een sterke actor te worden in het nieuwe Europa.
8
Conclusie
Do
regions matter?
Staten zijn nooit alleen de basis geweest voor politieke
autoriteit en actie.
Er zijn steeds meer veranderingen. Steeds meer macht gaat
naar de regio’s. Regio’s zijn in opkomst.
Hierbij zijn twee krachten van belang:
Probleem bij het vergelijken van regio’s: iedere regio is
uniek, de combinatie van effecten is overal anders.
Regio’s doen er toe maar staten veranderen niet.
Het oude systeem van territoriale accommodatie verandert
langzaam. Er is steeds minder nationale integratie en meer competitie tussen
regio‘s, zowel binnen staten als binnen Europa. Rigide hiërarchische systemen
van regionaal bestuur veranderen. Er komen steeds meer onderlinge relaties
tussen gebieden. Regio’s zijn ook politiek relevant. Ze zorgen voor identiteit
en er is steeds meer regionaal bestuur.
Hangt af van ontwikkelingen binnen systeem van staten.
Staten zijn steeds meer afhankelijk van het wereldsysteem en de EU. Sterke
regio’s zullen zich in de toekomst misschien willen afscheiden (kan alleen
binnen een zwakke staat). Door de monetaire en economische unie hebben
individuele staten steeds minder instrumenten om hun invloed te doen gelden.
(veel is hier al achterhaald, er wordt gespeculeerd over een
monetaire unie die er u al lang is)
Er is een trend naar decentralisatie en regionale besturen,
een federaal Europa. Een Europa van: Europa-staat-regio. Maar regio’s niet
overal even duidelijk aanwezig. Een Europees model op deze drie niveaus lijkt
moeilijk. Wel is er steeds meer politieke macht bij regio’s. Dit maakt het voor
de overzichtelijkheid van de EU wel lastiger. Het kan ook gevaar opleveren.
Sterke regio’s kunnen politiek beter georganiseerd zijn wat weer ten nadele van
armere regio’s zou kunnen zijn.