Samenvatting hoofdstuk 5 Denken over Regio’s: De regio in de economische geografie
Wouter van Leeuwen
Het hoofdstuk begint met een voorbeeld waarom regio’s in de economische geografie belangrijk zijn. Wat zegt het nou als de werkloosheid in Frankrijk daalt? Politieke eenheden zijn nog geen economische eenheden. Belangrijker zijn regio’s met sterke en/of zwakke punten. Het hoofdstuk concentreert zich op vier concepten, nl.: netwerken, clusters, lerende regio’s en industriële districten. We beginnen met een beknopte behandeling over het begrip regio in de economie.
5.1 Economie en Regio
Economen hebben vaak de neiging om regio’s een beetje te verwaarlozen (zie voorbeeld begin samenvatting). Dit werd versterkt door de opkomst van de globalisering, waarin wordt verondersteld dat het niet uitmaakt waar je zit, er is immers een onbeperkt vervoer van goederen en mensen mogelijk?
Tegenwoordig beseffen ook economen dat niet de juiste zienswijze is. Het verschil tussen rijke en arme regio’s blijft en ook het verschil tussen de kwaliteit van regio’s is nog steeds aanwezig (zie Figuur 5.1). Ook de globalisering is maar beperkt van invloed op spreiding van bedrijven en het wegvallen van verschillen in regio’s. Multinationale bedrijven concentreren zich meestal op kerngebieden zoals Noord-Amerika, Europa en Japan, en daarbinnen weer op bepaalde regio’s.
Het is echter heel moeilijk om sommige dingen te meten die een regio kenmerken zoals de institutionele structuur en cultuur, en ook interactie tussen bedrijven. Daarom gebruiken economen altijd vereenvoudigde modellen en regio’s waarin meer gegevens beschikbaar zijn (COROP bijvoorbeeld)
5.2 Netwerken: tegenwoordig een bedrijfsorganisatorisch begrip
Het begrip ‘netwerk’ werd al in de jaren ’60 en ’70 gebruikt door geografen. Het werd toen echt geografisch gebruikt (bijvoorbeeld in een proefschrift naar verzorgingsgebieden van Nederlandse centrale steden). Vanaf de jaren ’80 verschuift dit naar een meer bedrijfsorganisatorische inhoud van het begrip ‘netwerk’ (bijvoorbeeld samenwerking tussen bedrijfseenheden van verschillende bedrijven of samenwerking tussen toeleveranciers enz.). actoren in een netwerk beschouwen elkaar meer als partner dan als concurrenten.
In de geografie is maar weinig onderzoek naar netwerken gedaan. Netwerken hebben nl. geen geografische notie. Netwerken kunnen zich wereldwijd uitspreiden (en daarin verschillen ze ook van clusters (zie par 5.3)
5.3 Clusters als regionale concentraties
Het begrip cluster is al oud, al in 1919 komen we het tegen. Een Cluster is (volgens Marshall) een groep bedrijven die op dezelfde markt opereren en die gezamenlijk gebruik maken van aanwezige voorzieningen (water, energie, (gespecialiseerde) arbeidskrachten, grond, riolering). Zolang het gezamenlijk gebruik maken van deze voorzieningen (external economies) groter is dan de efficiëntie van het bedrijf zelf (internal economies ) zullen bedrijven bij elkaar gaan zitten om meer winst te kunnen maken (zie voor een model blz 111, onderaan, linkerplaatje). Halverwege de vorige eeuw (rond 1950 dus) beleefde deze ideeën een revival. Onder meer in ideeën die toepasbaar op bijvoorbeeld de petrochemie, Schiphol en horeca.
Perroux legde meer nadruk op de rol van sleutelbedrijven. Een sleutelbedrijf stimuleert de hele omgeving door aankopen van producten en diensten. Deze theorie zorgde in de jaren ’50 en ’60 dat veel overheden eigen bedrijven gingen vestigen in achtergebleven gebieden om zo een groeipool te creëren Myrdal heeft in navolging van Perroux de theorie van de cumulatieve causatie de wereld in gebracht. Hij gaat er vanuit dat een groeiende regio blijft groeien vanwege een betere geschoolde beroepsbevolking, een hoger besteedbaar inkomen. Dit zou weer bedrijven trekken enz.
De laatste echte verkondiger van clusters is Porter (1998). Het verschil met de ‘oude’ clusters is dat het gaat om opbrengstvoordelen en meer innovaties. Daarmee draait het minder om kostenbesparing.
5.4 Lerende regio’s en innovatiesystemen
Geen regionale economie kan zonder innovaties. Daarom pleitten velen er voor innovaties in regio’s te stimuleren. Samenvoegen van kennis van bedrijven kan lijden tot een leerproces. Ook een overheid kan dit stimuleren door publieke universiteiten onderzoek te laten doen in opdracht van bedrijven. Vier actoren die een belangrijke rol spelen bij innovaties zijn: de bedrijven, kennis-instellingen, de overheid en financiële organisaties (zie blz 118, figuur 5.5). De overheid is vaak essentieel op de achtergrond aanwezig. Bijvoorbeeld zijn financiële instellingen niet echt happig op het investeren in risicovolle nieuwe bedrijven. De overheid kan helpen dmv subsidies.
Wat is hierbij het belang van regio’s? Ten eerste zijn de duurzame specialisaties van een regio belangrijk. Ten tweede vergemakkelijkt de geografische nabijheid samenwerking. Vertrouwen en face-to-face contacten zijn hierbij belangrijk. Ten derde vergroten de korte afstanden de kans op een zelfde (regionale) cultuur tussen actoren. In Silicon Valley was het niet gewoon dat iemand na 3 jaar van baan wisselde. In Brabant vind men het niet netjes om elkaars personeel ‘af te pikken’.
Dit laatste leert ons dat het niet noodzakelijk is dat alle relaties tussen de vier actoren (overheid, kennisinstellingen, bedrijven en financiële organisaties) 100% bij het leerproces betrokken zijn. In Brabant is de lokale overheid belangrijk geweest en in Silicon Valley de universiteit en aanwezigheid van risicokapitaal belangrijk geweest. Toepassen van een theorie op elke willekeurige regio betekend geen succes en is eerder toch mislukken gedoemd.
5.5 Het industrieel district als overkoepelend concept
In dit laatste concept komen netwerken, clusters en lerende regio’s samen. Bedenk overigens dat ‘industrieel’ in het Engels staat voor bedrijvigheid (dus breder als in het Nederlands).
Het begin van de theorie van het industrieel district begint in Italië, rond 1980. In Midden-Italië zijn heel veel kleine ambachtbedrijven, bijna allemaal in de keramiekbedrijvigheid. De wereldexport was tussen de 50 en 60 procent. Ook de machines om keramiek te maken bepaalde de wereldexport en bevorderde natuurlijk de lokale nijverheid. Maar hoe kon dit? Een grote groei van kleine, geclusterde ambachtbedrijven? Ze waren niet technologisch (geen geld) en hadden geen schaalvoordelen (te lage omzet). Het succes lag in de netwerken, cultuur, kennis en de geografische nabijheid van de bedrijven. Maar het meeste succes lag nog in het feit dat alle aparte bedrijfjes zich hadden gespecialiseerd in een onderdeel van het productieproces. Dit levert enorme externe schaalvoordelen op.
In een industrieel district bestaat dus voor economen de paradoxale situatie van concurrentie en samenwerking. Om dit in stand te houden is een bepaalde regionale cultuur nodig van vertrouwen. Ondanks dat je elkaars concurrent bent, waardeer je elkaar en verlopen betalingen zonder problemen.
5.6 de regio terug van weggeweest
Het is duidelijk dat in de afgelopen jaren een grote verandering heeft plaatsgevonden. Er is meer aandacht voor het karakter van de regio, terwijl daarvoor de regio vooral diende als hulpmiddel bij het meten van bepaalde statistieken. Wetenschappelijk gezien erg moeilijk, maar ook erg boeiend.