Blotevogel, H.H. (1996), Auf dem Wege zu einer “Theorie der Regionalität”; Die Region als Forschungsobjekt der Geographie. In: G. Brunn (Hg.), Region und regionsbildung in Europa. Baden-Baden: Nomos. (Schriftenreihe d. Inst. F. Europ. Regionalforschungen 1).

 

blotevogelhh1996artikel

 

Artikel: literatuurbundel gebiedsstudies 2002 ; geschreven 1996

Auteur: Hans Heinrich Blotevogel;

 

1.         Inleiding

 

Regionale geografie geldt als de harde kern van de geografische wetenschap.

 

In de traditionele geografie had het begrip regio nog enigszins een duidelijke betekenis: een regio werd opgevat als een werkelijk bestaande ruimtelijke eenheid van middelmatige grootte. De weten-schappelijke geografie wilde deze ruimtelijke eenheid beschrijven, begrijpen en volgens een bepaalde methodologie, het ontstaan verklaren of met behulp van een theorie verklaren. Dit in de kern positi-vistisch regiobegrip is tegenwoordig vergaand verouderd.

 

In onderstaande tekst wordt geprobeerd te laten zien hoe uit de kritiek op zo’n regioconcept een bundel uitgebreide, gedifferentieerde regiobegrippen ontwikkeld kan worden, die in de moderne sociale geografie gebruikt worden.

Voor deze uitdieping spelen veelzijdige en zeer verschillende maatschappelijke theorieën, motivatie - en maatschappijpraktische toepassingssamenhangen van het regioconcept een belangrijke rol.

 

2.         De tijdsomstandigheden van het begrip regio

 

In de jaren zestig was het begrip regio primair een vakterm van geografen en planologen. In de jaren zeventig veranderde dit door bestuurlijke hervormingen en de discussie over regionalisme in politieke gesprekken. In de jaren tachtig en negentig werd het begrip regio een modewoord in de openbaarheid en politiek, maar ook in de vele wetenschappen.

Het begrip regio is meer dimensionaal:

 

·         Politiek dimensie:

 

Op politiek – administratief gebied wordt het begrip regio vooral op het niveau van de samenwerking en concurrentie tussen gemeenten maar ook op het niveau van de deelstaat van een federale staat ( bv. Zwitserland en BRD ) relevant.

De toenemende betekenis van het regio niveau blijkt uit verschillende aanwijzingen. In veel staten en zelfs in staten met een sterk nationaal gevoel ( bv. Frankrijk en Spanje ) bestaan plannen tot een verdere regionalisering van de staatsopbouw. Maar ook door de opbouw van de EU, waarbij het regionale gebied wordt opgewaardeerd door het subsidiariteits-principe en de invoering van een Europese Regio-commissie. Een drietraps opbouw van de EU volgens het model van een “Europa der Regio’s” werd nog verwezenlijkt.

 

·         Economisch dimensie:

 

Ook in de economie wordt de regio belangrijker. Dit is des te opmerkelijker, omdat er in een toenemende mate eerder sprake is van supranationale verkeers -, handels en kapitaalsverwikkelingen en globale marktintegratie.

Maar de globalisering van de economie leidt tot een dramatisch versterkte concurrentiestrijd, waarin de lokaal / regionale vestiging van bedrijven een nieuwe strategische betekenis krijgt. (Charles Sabel 1989 “re-emergence of regional ecnomies”)

De regio wordt op een drietal manieren relevant:

1.       Regio’s als productie – cluster: een ruimte waarin bedrijven d.m.v. netwerkstructuren samenwerkingseffecten benutten

2.       Regio’s die fungeren als milieus voor vernieuwingsprocessen

Nieuw onderzoek wijst op de betekenis van de regionale sociale en culturele omgeving van bedrijven voor de geschiktheid en bereidwilligheid tot vernieuwing.

3.       De toenemende betekenis van de regio in de bovenregionale, toenemende  concurrentie om een vestigingsplaats wordt onderstreept. Globalisering van de economie !!

 

Of deze argumenten werkelijk voldoende zijn om van een re-regionalisering van de economie te spreken is binnen de wetenschap uitermate omstreden.

 

·         Sociaal – culturele dimensie

 

De sociaal–culturele wedergeboorte van de regio kan ook op drie manieren worden aangetoond.

1.         Jaren tachtig een herontdekking en nieuwe waardering van het begrip “Heimat” ( vaderland ). Dit begrip betekent een emotionele regionale verbondenheid.

2.         Wedergeboorte van de regionale cultuur

De herontdekking van de interesse voor “Heimat” en regionale geschiedenis, de sociale opwaardering van regionale dialecten en culturele bijzonderheden.

3.         Regionalisering van de media

 

De vraag naar een her - regionalisering van de sociale – cultuur is paradoxaal. Van de ene kant beleven we het vervagen van de grenzen, een ruimtelijke ontkoppeling van sociale communicatie en van de andere kant groeit klaarblijkelijk het verlangen naar duidelijk regio’s en regio’s waarmee men zich kan identificeren als leefwereld.

 

·         Ecologische dimensie

 

Terwijl de landschapsecologische wetenschap al lang de regionale dimensie op het oog had, concen-treerde de ecologische inrichting en politiek zich vooral op kleinschalige  bescherming van biotopen enerzijds en op mondiale milieuproblemen anderzijds.

 

1.         Natuurbescherming en landschapsinrichting hebben de beperkingen van de bescherming van kleine biotopen al lang opgegeven ten gunste van de oprichting van regionale biotoop – systemen.

2.         Politiek doel: Het creëren van een regionale kringloop van stoffen op de voorgrond.

 

De regio is daardoor niet alleen, zoals in de traditionele economie, een reservoir van natuurlijke bronnen, maar een ecologisch - economische vormingsruimte.

 

·         Planologische dimensie

 

1.  Toename noodzaak tot samenwerking tussen gemeenten. ( problemen: regionaal verkeer, afvalver-werking )

2.   Regionalisering van “boven”. Ruimtelijke ordening en regionale economische politiek zijn 

      op de eerste plaats nationale overheidsopgaven.

 

Tegen dit centralistische beleid op het gebied van de ruimtelijke ordening en regionale beleid kunnen twee wezenlijke argumenten worden aangevoerd:

1.         Regionaal beleid is twijfelachtig, omdat men met algemene instrumenten specifieke regionale problemen wil oplossen.

2.         Is een duidelijke trend zichtbaar, die de opwaardering van de functie van regio als politieke handelingscentrum toont.

 

Door regionale conferenties, regionale ontwikkelingsconcepten moet geprobeerd worden op het gebied van de regio een overeenstemming te krijgen over doelen, strategieën en maatregelen van de regionale ontwikkeling.

 

 

 

 

3.         Regio en maatschappelijke theorie

 

Stelling 1:

 

In onze tijd van internationalisering van de economie, media cultuur enz. verliezen ruimtelijke differentiaties aan betekenis. Regio’s zijn alleen nog maar verbleekte historische herinneringen in vergelijking tot de werkelijk overheersende trends in de wereldeconomie, wereldcultuur en wereldpolitiek. Postmoderne maatschappijen zijn ruimtelijk losgekoppeld, dit in tegenstelling tot vroeg moderne maatschappijen.

De alsmaar verdergaande globalisering leidt tot een objectief verlies van regionale en nationale autonomie en besturingsmogelijkheden. In deze situatie grijpen regionale actoren van de politiek en bestuur tot een versterkte regionale retoriek, om hun machteloosheid te compenseren. Op het gebied van de leefbare wereld leidt het objectief verlies van ruimte tot een sociaal culturele tegenbeweging.

 

Stelling 2:

 

Het globale en lokaal / regionale niveau staan in een dialectische  wederzijdse verhouding. Regio’s zijn politieke handelings- en vormingsruimtes, maar daarnaast vertonen ze ook bovenregionale, globale verwikkelingen en daarmee hebben ze maar een relatieve autonomie.

 

Deze stelling kan door twee argumenten worden uitgelegd.

 

1.         Staats – respectievelijk organisatorisch theoretisch

 

Grote sterk centralistisch geleide staten bereiken toenemend de grenzen van hun capaciteit, terwijl decentraal bestuurde systemen een grotere flexibiliteit hebben.

 

2.         Sociaal – economische argument, verwijst naar het toenemend aantal onderzoeken, die de verschillende economische successen van regio’s niet alleen maar verklaren vanuit economisch perspectief, maar ook door de betekenis van territoriale vestiging naar voren te brengen.

 

Er wordt gepleit voor de tweede stelling en wel om de volgende argumenten:

 

De onbetwistbare verrijkende globalisering - en homogeniseringsprocessen vormen slechts één kant van de medaille, de daardoor ontstane re-regionalisering en lokalisering de andere.

 

1.         Doordat moderne concepten, zoals nationale staat, EU enz. geen verrijkende integratiekracht meer te bieden hebben, behoudt de regio als symbolisch medium van sociale integratie een nieuwe functie.

2.         Op de tweede plaats heeft de 2e stelling de voorkeur, omdat ze niet alleen met meer of minder overtuigende argumenten waarschijnlijker overkomt, maar ook een verrijkend maatschappij-theoretisch argument aandraagt en bovendien  kan bouwen op een sociaal geografische interpretatie.

 

Het begrip ruimte mag niet alleen opgevat worden als een fysieke voorstelling noch als puur structuurprincipe, maar het is meer bedoeld als maatschappelijke ruimte in de zin van een materiële en tegelijk sociale categorie.

Omdat de ruimtelijke betrokkenheid behoort tot de opbouwende elementen van de sociale wereld, laat de ruimtelijke herstructurering en de maatschappelijke herstructurering zich alleen in z’n wederzijdse afsluiting behoorlijk begrijpen en interpreteren.

 

De wedergeboorte van de regio is een gevolg van de crisis van het strakke fordistische op-een-stapelings-regime (economische regionalisering) en het regulatiesysteem van de welvaartsstaat (politiek regionalisering).

Een aspect van deze overgang van fordisme naar postfordisme is het betekenisverlies op het nationale vlak, met daarbij inbegrepen het verlies van besturingsmogelijkheden door de nationale politiek.

De nationale staat raakt hierdoor ingesloten tussen supra-nationalisatie aan de ene kant en regionalisering aan de andere kant.

 

Fürst: men moet het regionale niveau niet onderschatten en ze vooral altijd in een nauwe verwikkeling met andere niveaus zien.

 

4.         Regio als open begrip

 

Het begrip regio kent niet alleen meerdere betekenissen, maar ook meerdere dimensies (verschillende vakken en inhoudelijke samenhang).

 

Definitie van regio volgens Klaus Lange (1970):

 

“Een regio is een geografisch afgebakende ruimte van middelmatige grootte, die als één geheel wordt gezien”.

 

De definitie betreft de gebruikelijke begripsomschrijving in de geografie en andere ruimtelijke wetenschappen. De definitie bevat drie centrale begrippen:

 

a.                  ruimtelijk

b.                  schaalniveau

c.                  inhoudelijk

 

De geciteerde definitie van K. Lange is zo algemeen, dat ze ook verrijkend de wetenschappelijk geografische taal afdekt.

De traditionele regio – opvatting hebben bv. Whitlesey 1954, Juillard 1962 en Lehmann 1973 opgesteld. De regio werd volgens hen in eerste instantie opgevat als een werkelijk bestaande ruimtelijk individu.

De opgave van de geografie werd vooral daarin gezien het unieke van afzonderlijke regio’s te begrijpen en te schetsen, door een juiste ruimtelijke begrenzing en geleding.

 

Duitsland ® Landes – und Länderkunde

Frankrijk ® géographie régionale

Engeland ® regional geography

 

Uit het traditionele regioconcept ontwikkelden zich twee uiteenlopende richtingen; aan de ene kant de ideografische “Landes – und Länderkunde” geografie, die zich oriënteerde op het programma van de individualiserende cultuurwetenschappen en probeert regio’s te omschrijven als complete enkelvou-dige werkelijk bestaande eenheden.

Aan de andere kant ontwikkelde zich een regionaal systeemonderzoek, die nauw contact hield met de natuurwetenschap, die niet alleen feiten verzamelen en ordenen, maar vooral netwerken probeerden te ontdekken.

In de jaren zestig probeerde men in het kader van de theoretisch – kwantitatieve revolutie het regiobegrip een preciezere omschrijving te geven, om zowel de traditionele vaagheid als ook de holistische omschrijving te overwinnen.

In het middelpunt van de toenmalige methodologische debatten stonden de vragen, of regio’s uniek zijn, of ze werkelijk bestaan en of het regiobegrip klassenlogisch (??) gepreciseerd en gesystematiseerd kan worden.

Binnen de oude Landes – en Länderkunde was samen met het individualiteits argument het denkbeeld, dat regio’s werkelijk bestaande eenheden waren.

In de jaren ’60 en ’70 overheerste de nominalistische benadering dat regio’s als analytische constructies voor de ruimtelijke ordening van objecten zijn op te vatten.

Als gevolg hiervan werd het oude begrip naar de werkelijke bestaande natuurlijke regio verworpen en daarvoor in de plaats kwam het argument, dat deze vorming van regio’s afhangt van de doelen en de daarvan afhankelijke regionale kenmerken.

 

De definitie van Lange is tegenwoordig nog steeds geldig als algemene formule.

 

M. Sinz:            regio is een door bepaalde kenmerken gekarakteriseerd samenhangend deelgebied van middelmatige grootte in een groter geheel.

 

5.                     Ruimtelijk aspect

 

De begripsomschrijvingen van Lange en Sinz, die een regio karakteriseren als een deelgebied, sluiten wel aan bij het vakperspectief van de geografie, maar zijn ontoereikend, wanneer onder regio enkel de fysieke ruimte van het aardoppervlak wordt verstaan.

In de traditionele geografie verstond men onder ruimte een gedeelte van het door de mens ingerichte aardoppervlak.

In de nieuwe cultuur -, economische en sociale geografie wordt het bovenstaande ruimtebegrip uitgebreid met subjectieve en sociaal ruimtelijke concepten en inhouden: politieke ruimte; economische ruimte, verkeersruimte, sociale ruimte, cultuurruimte..

De fixatie op de fysische ruimte van het aardoppervlak in de oudere geografie enerzijds, als het buiten beschouwing laten van de ruimte uit de puur economische en sociologische theorievorming anderzijds, hadden in de 19e eeuw nog relatief nauwe verbindingen tussen geografie en maatschappijwetenschappen sterk losgemaakt. Pas vanaf de jaren 70 en bijzonder intensief in de jaren 80 ontstond een nieuwe vruchtbare discussie over de verhouding tussen de fysieke  ruimte en de maatschappelijke ruimte. In de maatschappijwetenschappen ontstond een regelrechte wederontdekking van de ruimte, waarbij de belangrijkste impulsen uit drie richtingen kwamen:

  1. de neofemenologisch kwalitatief onderzoek van de leefwereld;
  2. de kritische maatschappijtheorie;
  3. de kritische ecologie

Hiermee werd de ruimte niet alleen weer ontdekt als sociale categorie, maar tegelijk ontstond een convergentie van sociaal wetenschappelijke en geografische theorievorming ( o.a. door Johnston, Hauer en Hoekveld, 1990 ).

Daarmee is echter een probleem nog niet opgelost, wat betekent de formulering van “ geografisch bepaalde ruimte” in de definitie van von Lang. Deze formulering dient vooral als volgt opgevat te worden: het begrip regio is altijd ook qua aardoppervlak te lokaliseren. Het begrip regio is voor geografen altijd een ruimtelijke categorie. Deze opvatting van regio als ruimtelijke categorie wil niet zeggen, dat regio’s altijd door middel van een vlak, homogeen en lineair te begrenzen zijn.

Het is misschien een karakteristiek van de moderne regionaliseringen, dat de gevormde regio’s eerder discontinu, heterogeen en moeilijk te begrenzen zijn.

 

6.                     Schaalniveau

 

Een tweede kenmerk in de definitie van von Lang is: een ruimte van gemiddelde grootte. Bedoeld wordt een gebied boven het niveau van de plaatselijke / gemeentelijke grootte en beneden het staats / nationale niveau.

 

Deze middelste positie is vooral ruimtelijk formeel, ze bevat echter ook enkele belangrijke inhoudelijke implicaties.

a.         politiek: regio is een politiek spanningsveld tussen gemeente en staat.

b.         sociaal: een vertrouwde, bekende ruimte met veel interne relaties.

c.         cultureel: in vergelijking tot de directe ruimte van de mens ( face to face communicatie ) zijn binnen een regio sociale contacten via media zijn nodig.

 

Binnen deze middenruimte ( regio ) overlappen zich vaak meerdere regiosconstructies. Bijvoorbeeld in het Ruhrgebied bestaan tussen het gemeentelijk niveau en het quasi niveau van de deelstaat Nordrhein-Westfalen minstens vier overlappende regionaliseringen boven elkaar. ( een voorbeeld: der Kommunalverband Ruhrgebiet KVR ). Waar ligt de beslissingsbevoegdheid ? Veel conflicten !

 

Naast dit middelste schaalniveau wordt het regiobegrip in de economie, politieke wetenschap en de geografie tegenwoordig toenemend ook in een totaal andere betekenis gebruikt: als samenvatting van meerdere staten op het continentale schaalniveau (bv. EU, NAFTA).

7.         Inhoudelijke aspecten

 

Als derde kenmerk in de regiodefinitie van von Lang formuleert Lange tenslotte:” een samen-hangende ruimte”. Deze formulering bevat twee centrale vragen:

a.                  op grond van welke inhoudelijke criteria wordt een ruimte als samenhangend beschouwd.

b.                  Wie beschouwt een ruimte als samenhangend?

(interessen, doelen en uitwerking)

 

De eerste vraag is al eerder uitgelegd en wordt hier dus niet nader uitgelegd.

 

( Zie afbeelding 2 in het artikel van Blotevogel + de uitleg met schema in de literatuurbundel van Terlouw ).

 

De tweede vraag verwijst naar het constructie – karakter van regio’s. Regio’s zijn niet zomaar geografische gegevenheden, maar in een dubbele zin constructies.

Op de eerste plaats is het een gereedschap voor wetenschappers om hun onderzoeksobjecten te ordenen ® gedachteconstructies van de wetenschap.

Op de tweede plaats zijn regio’s voor een aanzienlijk deel een resultaat respectievelijk een gevolg van menselijk handelen en dus een historische en maatschappelijke constructie.

 

“Realregionen” ®     constructies van wetenschappers om de werkelijkheid te ordenen. Ze

(analytsich)                   dienen voor de vorming van een wetenschappelijk begrip en hypothese. Regiovorming is altijd een theorie – respectievelijk doelgerichte constructie.

 

“Aktivitätsregionen” ®        worden zowel door menselijk handelen als door

( handeling )                             maatschappelijke organisaties gevormd.

“Tätigkeitsregionen” ® door H. Klüter (1986) “Programmregio” genaamd. Mensen bestaan en handelen net als organisaties in tijd en ruimte, vormen veelvuldig regio’s, die niet een mooi af-gebakend gebied omvatten, maar ingewikkelde overlappende gebieden.

 

“Wahrnehmungs- und Identitätsregionen® worden door “sociale” communicatie ( face to-facecommunicatie, massamedia, politiek en cultuur ) geconstrueerd.

 

Hier zien we een verschil met de traditionele geografie, waarop vooral Klüter wees, namelijk de sociale communicatie is geen element van de ruimte, maar de ruimte is een element van de sociale communicatie.

In eerste instantie is de regio hier een mentale en sociale constructie een aspect van personele en sociale identiteitsvorming. Aan de andere kant vindt sociale communicatie nooit in het luchtledige plaats. Het landschap van een bepaalde regio speelt een belangrijke rol bij de vorming van een regionale identiteit.

 

8.         Een theorie van de regio

 

Deze typologie van regiobegrippen is natuurlijk nog geen regiotheorie. Tussen de verschillende regioconcepten, die op totaal verschillende niveaus liggen, bestaan  zeer complexe samenhangen en wisselwerkingen. We moeten wel waakzaam zijn voor geodeterminisme door af te stappen van het niveau van de werkelijke ruimte en te kiezen voor het niveau van de symbolische ruimte.

Het bestaan van verwikkelingen tussen centrale gebieden met regionale organisaties en communi-catiemedia is nog geen toereikende voorwaarde voor het ontstaan van een  identiteits-regio’s..

 

Volgens de Amerikaanse geograaf Soja (1991) wordt de achterstelling van de ruimte in de moderne sociale wetenschappen veroorzaakt, doordat de maatgevende “Narrativen ( = verhalen / verslagen ) van de moderne tijd” ( ??), namelijk in het marxisme / structuralisme even als het naturalisme/ positivisme werd de geografie niet als “gemaakte” geografie, als sociaal gevormde ruimte, opgevat, maar alleen als fysieke achtergrond, die met de afwijzing van het geodeterminisme vergaand on- interessant werd.

 

De centrale stelling is echter, dat regio’s mentale en sociale constructies zijn, weliswaar belangrijk voor de verbreding van het traditionele regiobegrip, maar het wordt meestal gebruikt als uitgangspunt voor open vragen.

 

Post – positivistische theorie van de regio van A. Paasi

 

Hij wijst op het verrijkende verschil tussen het traditionele begrip van regio als concrete ruimte op aarde en reservoir of ruimtelijk kader voor verschillende zaken ( stenen, planten, mensen, ideologieën    etc ) aan de ene kant. Aan de andere kant de nieuwe opvatting over regio als plaats voor onderling samenhangende sociale structuren en menselijk handelen.

 

Terwijl de term “Ort: ( plaats ) betrekking heeft op het individuele handelen, heeft “regio” betrekking op het collectieve vlak van institutionele praktijken en  boven het individu bestaande geschiedenis. Regio’s zin als zodanig symbolische structuren, waarvan de betekenis weliswaar individueel ontsloten en verklaard wordt, maar boven het individu overgedragen en historisch bepaald wordt. In contrast met de concreet aanwezige “plaats” verwijst “regio” naar een institutionele sfeer van “lange duur”, waarin het menselijk handelen is ingebed.

 

Paasi onderscheidt vier opbouwende en met elkaar verbonden trappen van de sociaal – ruimtelijke regioconstructie:

 

1.                  territoriaal

2.                  conceptueel / symbolisch                verder besproken in

3.                  institutioneel                                   artikel Paasi

4.                  regionaal bewustzijn

 

Bij de ontwikkeling van het regionaal bewustzijn wijst Paasi op het dubbelzinnige van het begrip regionale identiteit, want dit betekent enerzijds de identiteit van de regio, de zakelijke verschillen en anderzijds regionaal bewustzijn in de betekenis van regionale identiteit van de bevolking.

 

Een andere definitie van regio geeft Ann Markusen. Met betrekking tot de specifieke situatie in de VS ontwerpt Ann Markusen een politiek-economische theorie van de regionalisering, die ervan uitgaat, dat regionaliseringen op economische tegenwerkingen berusten, en beargumenteert dit, dat door de sterke territorialisering van de politieke macht in de VS conflicten, die in andere systemen klassenconflicten zijn, tot interregionale conflicten worden. Zolang economische onrechtvaar-digheden alleen minderheden betreffen, leidt dit zelden tot regionale solidariteit, als wanneer hele regio’s betrokken zouden zijn.

 

Ook A. Murphy vat regio’s op als delen van maatschappelijke constructies op.

 

9.         Kunnen regio’s “geproduceerd” worden ?

 

Wanneer regio’s opgevat worden als maatschappelijke constructies, dat doet zich de vraag voor van “ Hoe verlopen de regio vormende processen ? Zijn het reeds bestaande, zelfgestuurde processen, of spelen bepaalde actoren met bepaalde interesses en macht een beslissende rol ? Kunnen regio’s achter een bureau geconstrueerd worden en dan in de sociale realiteit geïnstitutionaliseerd worden ? Welke betekenis hebben de reeds aanwezige concrete vormen zoals een ruimtelijke homogeniteit, ruimtelijke verwikkelingen etc ? Zijn er bepaalde geografische en historische voorwaarden ? Voorbeelden van dit soort geconstrueerde regio’s zijn er legio. In het verleden zijn ze veelvuldig gehanteerd in de toerisme sector in het kader van marketing.  Regio – marketing is een belangrijk thema in de actuele regionale politiek.

Het bestaan van een uitgesproken “regionale identiteit” is een belangrijke voorwaarde voor een succesvolle regionale ontwikkelingspolitiek.

 

10.       Tenslotte

 

Een positivistische fysische geograaf assosieert met regio een zakelijk vervulde ruimtelijke eenheid; een sociaal geograaf denkt veel eerder aan sociale systemen met een ruimtelijke component, aan sociaal – culturele regioconstructies enz.

 

 

Hosted by www.Geocities.ws

1