Samenvatting methoden voor de maatschappijwetenschappen (Jo Segers)

 

Hoofdstuk 5: de Vragenlijst

 

De gestructureerde vragenlijst: vragen als systematische stimuli aan respondenten; beantwoording ondergebracht in vooraf geformuleerde categorieën.

 

Gebruik: gegevens die betrekking hebben op de oriëntatie van respondenten. Oriëntatie: subjectieve fenomenen.

 

de vraag als meetinstrument

 

Inventarisatie:      1) doelpopulatie omschrijven

                               2) welk type informatie?

                               3) over welke aspecten?

Vervolgens:          4) welk vraagtype?

                               5) vraagformulering:           eenvoudig           

                                                                              begrijpelijk

                                                                              duidelijk

                               (rekening houdende met doelgroep en methode van dataverzameling)

                               6) structuur aanbrengen

                               7) uittesten

criteria

 

TAP-paradigma:

 

Topic: goede definitie                        * begrijpelijk (geen ongebruikelijke termen/afk.)

                                                               * termen eenduidig

                                                               * zinsbouw (kort)

                                                               * woordstructuur (kort)

                                                               * samengestelde woorden vermijden: kernwoorden

Applicability: toepasbaarheid          * geen veronderstellingen: filtervragen (tweetrapsvragen)

Perspective: interpretatiekader         * geen onbedoeld referentiekader geven door formulering van de vraag

* antwoordcategorieën beïnvloeden ook het referentiekader. (Hoogste en laagste waarde worden als norm voor eigen gedrag gebruikt)

* Vraagvolgorde

* Gebruik zo veel mogelijk ‘officiële’ vraagformuleringen en antwoordcategorieën.

 

soorten vragen en specifieke vraagvormen

 

Feitelijke informatie: gedrag, ervaringen, attributen

Subjectieve informatie: attitudes, houdingen, opinies, meningen

 

Aandacht voor type informatie

1)       toetsen aan probleemstelling

2)       beter in staat tot juiste vraagformulering

3)       verschillende vragen: verschillende problemen. (feiten: geheugen; subjectieve info: gevoelig voor formulering en context.)

Méér dan één vraag per thema is vaak zinvol, behalve bij attributen.

 

open vragen

 

arbeidsintensieve & specialistische taak

* Algemene, vrij brede open vragen: kleinschalig, exploratief onderzoek

* Korte, concrete open vragen: “zo ja, …” = gesloten vraag in vermomming

 

gesloten vragen met geordende antwoordcategorieën

 

* gradaties instemming/ van toepassing zijn (antwoorddimensie (enkele) is duidelijk)

 

gesloten vragen met ongeordende antwoordcategorieën

 

* nominale variabelen

1)       één antwoord mogelijk

2)       meer antwoorden mogelijk

3)       checklist: ja/ nee vragen

4)       paarsgewijze vergelijking (2 thema’s: welke variabele heeft meer gewicht?)

 

Structuur van de antwoordmogelijkheden bepaalt het meetniveau (ordinaal, interval-, nominaal) van de variabele. Bij samengestelde variabele is de wijze van combinatie tot één score bepalend voor het meetniveau.

 

è eenduidige registratie, snelle verwerking

 

combinatievragen

 

“anders, namelijk…” dient een uitzonderingscategorie te zijn

 

vraagverwoording

 

 

antwoordcategorieën

 

 

de opbouw van de vragenlijst

 

1)       Beginvraag: aansprekend. Gebruik eventueel een instrumentele vraag (die niet erg relevant is maar wel aansprekend). Een ontspanningsvraag (die eenvoudig en leuk is, na een emotioneel zware vraag) is ook een instrumentele vraag.

2)       Beginvraag: eenvoudig te beantwoorden. (Absoluut geen ‘niet van toepassing’ vragen.

3)       Vragenlijst logisch van opbouw (psychologische kosten laag houden + kwaliteit antwoorden bevorderen)

4)       Moeilijke en ‘bedreigende’ vragen achterin de enquête.

5)       Let op contexteffecten! Vraagvolgorde van ‘specifiek’ naar ‘algemeen’ is meestal foute volgorde.

6)       Eindig met een algemene open vraag voor commentaar of kritiek van de respondent.

 

dataverzamelingsmethode

 

1)       de schriftelijke enquête (postenquête)

 

2)       het bezoek (face-to-face enquête)

 

3)       telefonische enquête

Belangrijkste verschil: wijze waarop informatie wordt overgedragen. (‘channel capacity’)

 

 

onderzochte groep

 

Soms dient de vragenlijst van tevoren aangepast te worden aan de onderzochte groep (taalgebruik en structuur of zelfs antwoordmogelijkheden beperken).

 

onderwerp van onderzoek

 

Bij gevoelige vragen:

1)       Een meer vertrouwelijke of geanonimiseerde wijze van dataverzameling.

2)       (Of:) Antwoordcategorieën manipuleren om ‘sociaal wenselijk antwoorden’ tegen te gaan.

 

computergestuurde vragenlijsten

 

Dataverzameling, data-invoer, controle en correctie zijn in één stap te combineren.

 

drie vormen van computergestuurde ondervraging:

1)       computergestuurd mondeling interviewen (interviewer met laptop)

2)       computergestuurd telefonisch interviewen (computer ‘stuurt’ gesprek)

3)       computergestuurd schriftelijk interviewen (diskette, e-mail)

 

Nog wat lossen puntjes:

 

foutenbronnen

 

Model voor het vraag- en antwoordproces van Tourangeau en Rasinsky (1988):

 

Begrijpen è Ophalen informatie è Evaluatie è Communicatie

 

Cognitieve taken respondent na lezen van de vraag en mogelijke fouten bij elke stap:

1)       begrijpen van de vraag

 

Informatie kan uit de context gehaald worden, of uit de vraag zelf: contexteffecten en antwoordtendenties. Als de interviewer ingrijpt: interviewereffecten.

 

2)       ophalen uit geheugen van relevante informatie

 

Belangrijke gebeurtenissen worden als recenter ervaren dan onbelangrijke gebeurtenissen, die zelfs vergeten worden. Respondenten passen hun antwoorden aan de antwoordcategorieën aan (contexteffecten). Voorafgaande vragen kunnen van invloed zijn.

 

3)       evaluatie van vraag en beantwoording

·         formuleren voorlopig antwoord

·         antwoordmogelijkheid uitkiezen passend bij dat antwoord

·         eventueel aanpassen van het antwoord

Als er geen antwoordcategorie aansluit bij het antwoord: vluchten in ‘weet niet’ antwoord, overslaan van vraag, vervallen in een antwoordtendentie, het laatst gehoorde antwoord kiezen of een sociaal geaccepteerd antwoord kiezen. Interventies interviewer: interviewereffecten.

4)       het geven van het uiteindelijke antwoord

bestrijden van fouten

 

Pretest

1)       beoordeling door deskundigen

Vragenlijst voorleggen aan experts (collegae, leden van belangengroeperingen, sleutelfiguren in het veld)

2)       testen m.b.v. kwalitatieve, cognitieve methoden

(vaak in combinatie)

 

Pretest: Vragen voorleggen aan proefrespondenten. (Uit elke belangrijke subgroep ten minste 1 vertegenwoordiger).

Keuze criteria: externe validiteit.

Juiste instructie: duidelijk moet naar voren komen dat de onderzoekers commentaar willen.

Pretest is geen vervanging van een veldtest of pilot-onderzoek.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hosted by www.Geocities.ws

1