§4.1 Meten
De te meten factoren en hun eventuele deelaspecten moeten gedefinieerd worden.
Bij gestandaardiseerd meten wordt de waarde van een variabele voor elk element op dezlefde wijze verkregen.
Bij reactief meten antwoord men op gestelde vragen.
Informatie-intensieve variabele krijgen een waarde toegewezen uit kwalitatieve gegevens.
Het meten is het geheel van procedures en activiteiten waardoor de waarde van een variabele voor een onderzoekselement wordt bepaald.
Twee vormen van meten zijn:
Er zijn 4 verschillende meetniveaus:
Indiceren is het aanwijzen van een empirisch verschijnsel als representant voor een theoretische eigenschap of variabele. Zo’n verschijnsel heet dan een indicator. Operationalisering is de instructie hoe zo’n indicator wordt waargenomen en hoe de waardebepaling van de variabele zal plaatsvinden.
Bij een enkelvoudige variabele wordt 1 indicator gebruikt om de waarde van een variabele te bepalen. Bij een samengestelde variabele worden er meer gebruikt.
Bij collectief meten wordt niet de variabele, maar het onderzoekselement uiteengelegd in zijn samenstellende delen. Dit gebeurt in 3 stappen:
De collectieve variabele kan van een ander meetniveau zijn dan de variabelen van de onderdelen.
Bij unitair meten wordt de variabele aan het onderzoekselement zelf vastgelegd.
Een samenhang tussen variabelen op het ene niveau impliceert geen samenhang tussen variabelen op een ander niveau. Dit is een ecologische fout (hoofdstuk 2). (bijv. als een ’zwarte’ wijk crimineel is mag men niet concluderen dat de negers daar crimineel zijn.) Bij contextuele variabelen kent men aan het onderzoekselement de waarde toe van een variabele van een hoger niveau. Zo kan bijvoorbeeld een gebiedskenmerk aan een individu worden toegekend.
Galtung heeft 2 matriksen gemaakt (zie matrix blz. 156 en tabel 4.2). Het volgende slaat op deze 2 matrixen.
Bij systematische stimuli worden alle onderzoekselementen aan dezelfde stimuli blootgesteld. Bij onsystematische stimuli is dit niet het geval. Bij systematische reacties ligt de reeks reactiealternatieven bij voorbaat vast. Bij onsystematische reacties is dit niet het geval.
Jingle-jangle fallacy = het er onterecht van uit gaan dat 2 meetinstrumenten met dezelfde naam hetzelfde theoretische concept meten of dat 2 meetinstrumenten met een andere naam niet hetzelfde theoretische concept meten.
§4.2 De geldigheid en betrouwbaarheid
van meetprocedures
Een meting van de waarde van een variabele is geldig (valide) als de gemeten waarde identiek is aan de werkelijke waarde van die variabele bij het onderzoekselement. Hiervoor moet de overstap van empirische variabele naar theoretische variabele gelegitimeerd worden.
Een meting is betrouwbaar als de variaties in de metingen van die variabele overeenkomen met systematische variaties op het onderliggende kenmerk, de theoretische variabele. Het meetinstrument moet bij herhaalde toepassing op dezelfde onderzoekselementen dezelfde waardebepaling van de variabele opleveren. Een meting moet dus aan de volgende punten voldoen:
Een systematische fout geld voor alle onderzochte elementen. Dit heeft niets met betrouwbaarheid te maken. Een onsystematische fout is een toevallige afwijking die niet bij alle onderzochte elementen hetzelfde is of dezelfde waarde heeft. Deze fout zorgt voor onbetrouwbaarheid. De betrouwbaarheid van een meetinstrument kan geschat worden door het berekenen van de samenhang (correlatie) tussen 2 in principe identieke vormen van het instrument. Hier zijn verschillende methoden voor, maar deze worden niet gevraagd op yhet tentamen (college 5 maart).
Er zijn 3 vormen van geldigheid:
Face-validiteit is het naar hun manifeste inhoud beoordelen van indicatoren als representant voor een theoretisch begrip of dimensie.