Hoofdstuk 2 Jo Segers De componenten van het conceptueel model: elementen, variabelen, relaties
2.1 Onderzoekselementen
Het onderzoekselement (case) in het conceptueel model is het onderwerp van het onderzoek (bv. personen of organisaties), ofwel de dragers van eigenschappen/variabelen. Mede bepalend voor de vorm van het onderzoek is het aantal en de aard (individu, groep, etc.) van onderzoekselementen. Deze bepalen ook het bereik van het onderzoek.
Op basis van de uitkomsten van het onderzoek, kan men generaliseren naar de concrete populatie (populatie, waaruit men de onderzoekselementen heeft geselecteerd) en naar de abstracte populatie (vanuit breder perspectief: bv. onderzoeksresultaten over Rotterdammers generaliseren naar heel Nederland). Deze abstracte populatie noemt men het algemeen universum, de concrete populatie is het speciaal universum (zie Schema 2.1, p. 85).
Theoretische definitie: omschrijven wat wordt bedoeld met bv. ‘organisatie’ of ‘werknemer’.
Empirische definitie: vastleggen hoe men vaststelt of iets of iemand tot de verzameling onderzoekselementen behoort of niet. In praktijk wordt vaak alleen de empirische definitie gebruikt, want iedereen kent de definitie van ‘organisatie’ of ‘werknemer’. Om misverstanden te voorkomen heeft het nut om onderzoekselementen expliciet te betrekken in bv. hypothesen.
Bij het formuleren van het onderzoeksprobleem moet goed worden gerealiseerd wie/wat de drager van het probleem (=onderzoekselement) is, want dat heeft consequenties voor de selectie van variabelen.
Stel dat niveau N het huishouden is, dan is N-1 het individu, N+1 een buurt en N+2 een regio of samenleving. Soms is een hiërarchische verbinding tussen onderzoekselement echter vaag.
Men maakt een ecologische fout, wanneer bevindingen op een bepaald niveau rechtstreeks van toepassing worden verklaard op een ander niveau. Bv: in buurt met veel allochtonen is veel criminaliteit => de allochtonen in die buurt zijn crimineel (van buurt- naar indiv. niveau).
=het ontwarren van complexe samenhangen en het uitzoeken in welke mate zo’n samenhang kan worden verklaard deels door variabelen op niveau N en deels door variabelen op niveau N+1 of op nog hoger niveau (dit zijn de contextuele variabelen). Bv: de samenhang intelligentie leerling en zijn schoolprestaties kan worden beïnvloed door de grootte van de klas of aanpak leraar (klasniveau) of door de grootte van de school (schoolniveau).
Onderscheid tussen onderzoekselement en waarnemingseenheid. Deze laatste is de bron waar men de informatie over de variabelen (die betrekking hebben op de elementen) verkrijgt. De termen kunnen samen vallen, maar dat hoeft niet.
Zie paragraaf 9.3, p. 287 e.v. De datamatrix beschrijft de onderzoekselementen aan de hand van de waarde van de onderzochte variabelen.
2.2
Variabelen
De empirische wetenschapsbeoefening speelt zich op twee niveau’s af, dat van de theoretische concepten en dat van de waarneembare data. Het maken van een verbinding tussen deze twee niveau’s is niet altijd een gemakkelijke opgave.
Meten is het verwijzen naar waarnemingen, 2 aspecten in dit meten:
-Indiceren: empirische verschijnselen (=indicatoren) aanwijzen die indicatief worden geacht voor de theoretisch bedoelde variabele.
-Operationaliseren: instructie opstellen die aangeeft hoe de beoogde waarnemingen moeten worden gedaan en vastgelegd. Indicatoren zijn reeds aangewezen en worden uitgewerkt.
Een variabele is een empirisch kenmerk (eigenschap) dat de onderzoekselementen al dan niet of in verschillende mate kunnen bezitten en kan dus in waarde variëren over de verschillende onderzoekselementen. Soorten variabelen: een afhankelijke variabele is een te verklaren variabele, een onafhankelijke variabele is een verklarende variabele, ook wel voorspellende variabele genoemd: op grond van informatie over de onafhankelijke variabele kan men de waarden van de afhankelijke variabele (beter) voorspellen.
Een interveniërende variabele is een tussenvariabele die onafh. en afh. variabelen met elkaar verbindt. De beïnvloeding verloopt dan van de antecedente variabele via de interveniërende naar de afhankelijke variabele.
Een variabele is niet voor eens en altijd afh., onafh. of interveniërend. Dat kan veranderen.
Hierbij onderzoekt men niet zozeer oorzaken als wel gevolgen van verschijnselen.
Een complexe variabele kan men als het ware uiteenleggen in twee of meer afzonderlijke variabelen, waarvan bepaalde waardencombinaties tezamen het complexe begrip karakteriseren.
=een klassificatieschema waarin verschillende dimensies van een complex begrip worden gecombineerd. Hierbij kan een onderzoekselement gezien worden als een punt in deze ruimte. Bij complexe variabelen kunnen onderzoekselementen van elkaar verschillen per dimensie.
1. Een variabele is enkelvoudig wanneer slechts één indicator wordt gebruikt om de empirische waarde van een variabele vast te stellen en samengestelde als er meerdere indicatoren tezamen worden gebruikt voor de waardebepaling van een variabele.
2. Bij een unitaire variabele vindt de waarneming plaats op het niveau van het onderzoekselement, bij een collectieve variabele wordt de waarde van die variabele op een lager niveau dan het onderzoekselement vastgesteld en vervolgens geaggregeerd tot een waardebepaling van de variabele en een contextuele variabele is een kenmerk van een element van een hoger niveau dan het eigenlijke onderzoekselement.
3. Men spreekt van kwantitatieve variabelen als de waarden van die variabelen echte getallen zijn en van kwalitatieve variabelen als het gaat om nominale categorieën.
2.3
Soorten variabelen
Het begrip relatie is algemener van aard dan het begrip samenhang. Het omvat ook de situatie van ‘geen samenhang’. Aspecten van samenhang: richting (kan bovendien positief en negatief zijn) en intensiteit (sterk of zwak).
In een theoretische relatie worden variabelen met elkaar in verband gebracht, zonder dat daarbij reeds in operationele zin is aangegeven hoe die relatie wordt vastgesteld. Een empirische relatie is een uitspraak, die gedaan wordt aan de hand van een uitgebreide analyse, over de in feite gevonden samenhang bij de concrete onderzoeksgegevens.
Een hypothese is een theoretische uitspraak, waarvan de aanvaardbaarheid nog nader onderzocht moet worden, en formuleert verwachte uitkomsten of veronderstellingen. Assumpties zijn ook veronderstellingen, maar worden niet onderzocht: het zijn aannamen, die worden gemaakt over zaken die met het onderzoek samenhangen.
Causale relatie: oorzaak (variabelen) => gevolg (verschijnsel). Vier redeneermethoden (Mill):
1. methode van de overeenkomst
2. methode van verschil
3. methode van de residuen
4. methode van de samengaande variaties
X is oorzaak van Y als er (1) een samenhang is tussen X en Y, als (2) X in de tijd vooraf gaat aan Y en (3) als er geen andere variabelen zijn waarmee de samenhang tussen X en Y kan worden ‘wegverklaard’. Vooral dit laatste is lastig te bepalen.
Een indirecte relatie is een niet rechtstreekse relatie (maar via interveniërende variabele) (i.t.t. een directe relatie) en van een conditionele relatie is sprake als een relatie tussen twee variabelen slechts optreedt als er voldaan is aan een bepaalde voorwaarde/conditie. Met interactie wordt bedoeld dat de samenhang tussen twee variabelen afhankelijk is van de waarde van een derde variabele (complexe relatie).
Relaties tussen verbanden niet altijd oorzaak-gevolg, soms ook schijnsamenhang. Bv. Meer brandweerauto’s => meer schade. Schijnverband, want komt door derde onafhankelijke variabele: omvang van de brand