Ministerie VROM, Volkshuisvesting in Nederland, pp. 5-30
Het bouwen vindt grondslag in grondwet waarin staat dat de overheid voor voldoende woongelegenheid moet zorgen. Hierbij is vooral de woningwet van 1901 van belang die het Rijk de mogelijkheden gaf subsidies te verstekken voor sociale woningbouw. De woningbouwcorporaties zorgden hierbij voor de bouw. Ook zorgde de woningwet voor kwaliteitseisen aan woningen. Gemeenten moesten hierbij toezicht houden. De mogelijkheden van de woningwet zijn met name na de 2e WO benut met de massale bouw van sociale huurwoningen.
In jaren 80 steeds duidelijker dat centrale sturing niet meer noodzakelijk en gewenst is. Steeds meer vraag naar betere kwaliteit van woning. Burger wil beter uitgeruste en/of grotere woning. Invloed marktwerking steeds groter. Steeds minder bouw in gesubsidieerde sector en meer in duurdere vrije sector. Zo ook minder kosten voor overheid.
Rijksoverheid vervult steeds meer voorwaardenscheppende rol. Concrete invulling op gemeentelijk en regionaal niveau. Regels zijn vereenvoudigd voor gemeenten en corporaties. Rijksoverheid nog wel verantwoordelijk maar is meer bewaker. Blijft ook basis leggen voor huisvesting van groepen die het moeilijk hebben op woningmarkt dmv subsidies.
Volkshuisvesting in Nederland sterk verweven met het beleid van ruimtelijke ordening. Ruimtegebruik in Nederland strak gepland. Uitbreidingen van woningvoorraad met name rondom steden (compacte stad) met nadruk op de Randstad. Hierdoor versterken van steden en terugdringen automobiliteit. Ook veel aandacht voor milieu (duurzaam bouwen).
Het speelveld en de spelers
Decentralisatie slaat op de relatie tussen hogere en lagere overheden. Lagere overheden hebben beter zicht op de woningmarkt in eigen regio daarom kunnen zij het beleid beter afstemmen op plaatselijke omstandigheden. Daarom meer bevoegdheden voor lagere overheden. Meer verzelfstandiging van verhuurders en consumenten. Minder financiële bindingen tussen het rijk en corporaties (minder subsidies en leningen en kwijtschelden van schulden). Hierdoor private karakter benadrukt. De deregulering heeft zijn uitwerking in het eenvoudiger worden van regelingen. Bijvoorbeeld die van bouwvoorschriften. Overal in het land bepaalde minimumeisen.
De financiële positie van corporaties zijn over het algemeen goed. Hierbij gekeken naar solvabiliteit (welk deel van vermogen is van henzelf en welk deel geleend?). Ze hebben zelf geld om onderhoud te plegen aan woningen. Overheidssubsidies zouden verder teruggedrongen kunnen worden. Corporaties hebben wel bepaalde verantwoordelijkheden. Ze hebben sociale taken. Er zijn 5 verantwoordingsvelden:
Ook moeten overschotten aangewend worden in het belang van volkshuisvesting en mogen ze niet overwegend dure koopwoningen bouwen.
Financiering
Minder rol overheid
Bij de toezicht staat de verantwoording van het resultaat centraal. Corporatie moet inzicht kunnen geven in maatschappelijk rendement. Wordt bepaald in overleg met gemeente. Er is ook intern toezicht binnen corporaties. Externe controle vanaf 1998 weer door rijksoverheid door belangenverstrengeling tussen gemeente en corporatie.
Van gemeenten wordt steeds meer verwacht dat zij een beleid vastleggen in een volkshuisvestingsplan. In het verlengde hiervan zijn gemeenten ook verantwoordelijk voor de woonruimteverdeling binnen hun grondgebied. De grotere gemeenten beschikken over subsidies van de overheid die zij naar eigen inzicht kunnen inzetten. Een aanvullend instrument is het grondbeleid die gemeenten in staat stelt als eerste stukken grond aan te kopen. Een groot deel van de taken ligt op het vlak van vergunning naleving an toezicht houden op de bouwvoorschriften.
Provincies hebben een bescheiden rol in volkshuisvesting. De rol van provincies ligt vooral op het vlak van de ruimtelijke ordening. Regio’s hebben geen formele bevoegdheden.
Belangrijke doelstelling huisvestingsbeleid is de verbetering van de positie van de huurders. Op landelijk niveau is dat de Nederlandse woonbond. Corporaties zijn verplicht huurderorganisaties te betrekken bij kwesties van beheer en beleid.
Wat is nu de rol van de rijksoverheid precies?
De rijksoverheid is eindverantwoordelijk in het toezicht op corporaties verder stuurt het Rijk in het volkshuisvestingsbeleid maar alleen op hoofdlijnen. Concrete invulling wordt gedaan door partners op lokaal niveau. Het Rijk stimuleert samenwerking. Bij het sturen op hoofdlijnen zijn er een paar doelstellingen:
· Beschikbaarheid van voldoende goedkope woningen voor armeren en ouderen en het bevorderen van het eigen woningbezit
· Betaalbaarheid: het beheersen van woonlasten en de stijging ervan voor lager betaalden
· Kwaliteit: Het verbeteren van de sociale structuur
· Leefbaarheid
· Zorgen voor duurzame woonmilieus
Deze thema’s worden in de volgende hoofdstukken behandeld.
Een van de doelstellingen van het Nederlandse volkshuisvestingsbeleid is het zorgen voor voldoende woningen voor de doelgroepen (lager betaalden en bijzondere groepen als ouderen en gehandicapten). Hierbij wordt een onderscheidt gemaakt tussen alleenstaanden en meerpersoonshuishoudens en tussen huishoudens jonger en ouder dan 65 jaar. Door de groei in het aantal sociale huurwoningen is het aanbod van woningen voor deze groepen groter geworden. De omvang van de doelgroepen neemt echter af door gunstige economische ontwikkelingen. Door het groeiende aanbod en de afnemende vraag naar goedkope huurwoningen zijn er voldoende huurwoningen. Er is een stijgende vraag naar koopwoningen op de Nederlandse woningmarkt. Met name gezinnen willen hierbij in suburbane gebieden wonen. Hoe de woningvraag zich in de toekomst ontwikkelt is afhankelijk van economische en demografische ontwikkelingen (stijgende welvaart, toename van ouderen, afname gemiddelde huishoudensgrootte).
Stijging aantal huishoudens zorgt voor noodzaak van uitbreiding van woningvoorraad. Hierbij worden in de toekomst ook nog steeds sociale huurwoningen gebouwd. Dit om op nieuwbouwlocaties een betere menging van woningen tot stand te brengen. In nieuwe wijken mag er geen segregatie komen van huishoudens naar inkomen. Een deel van de nieuwbouw is bedoeld als vervanging van gesloopte woningen. De bouwopgave is niet gelijk in elke regio en elk land. Nieuwe woningen worden vooral gebouwd op VINEX-locaties.
Eigen woningsector in Nederland groeit snel. De overheid probeert dit te bevorderen door aftrek van de hypotheekrente en overgangssubsidie voor mensen die een huurwoning gaan kopen. Het aantal verkochte huurwoningen neemt toe. Dit leidt tevens tot een hechtere structuur in buurten en dragen bij aan het voorkomen van leegstand. De verkoop levert corporaties geld op. Om er voor te zorgen dat ook mensen met een laag inkomen een huis kunnen kopen is er een Waarborgfonds Eigen Woningen. Hier kan men goedkoop een hypotheek afsluiten.
Woonruimteverdeling
De verdeling van de woningen valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeenten. Het Rijk heeft bepaalde instrumenten in het leven geroepen waarvan de gemeenten gebruik kunnen maken. Het belangrijkste instrument is een woonvergunning. De voorwaarden hiervoor zijn dat het inkomen en huishoudensgrootte van de bewoners moet passen bij de woning. Er mogen geen bindingseisen gesteld worden. Er geldt overal vrije vestiging behalve in gemeenten waar weinig gebouwd mag worden.Eigen verantwoordelijkheid van woningzoekenden staat steeds meer voorop. Gemeenten wijzen de leeggekomen woningen niet alleen toe op grond van de wachtlijsten met woningzoekenden. Woningcorporaties moeten goedkope huurwoningen bij voorrang toewijzen aan woningzoekenden uit de doelgroepen.
Ook ouderen maken onderdeel uit van het doelgroepenbeleid. Het Rijk streeft ernaar dat ouderen zo lang mogelijk zelfstandig wonen. Ouderen willen dit zelf en ook kost het minder in verzorging. Het Rijk stelt subsidies beschikbaar voor bijvoorbeeld liften en aangepaste woningen.
Vluchtelingen: Leeggekomen huurwoningen, woonwagenbewoners: Rijk streeft naar opheffen van grote kampen ten behoeve van integratie, gehandicapten: aparte subsidieregeling, kamerbewoners, dak- en thuislozen.