Van Kempen, Hooimeijer, Atzema, Dijst en Verhoef:
Sociale en culturele ontwikkelingen en ruimtelijke configuraties
hoofdstuk 1 t/m 4
Hoofdstuk 1: Inleiding en doelstelling
Sociale en culturele ontwikkelingen (op macro niveau) hebben invloed op de doelen en hulpbronnen (tijd, geld en sociaal, cultureel en politiek kapitaal) van individuen en deze hebben weer invloed op het ruimtelijke gedrag. Ruimtelijke configuraties (bijvoorbeeld typen woon- en werkgelegenheid) zijn het resultaat van het ruimtelijk gedrag, maar ruimtelijke configuraties beïnvloeden ook het ruimtelijke gedrag.
Sociale en culturele veranderingen (hs. 2) bepalen, via individueel gedrag (hs. 3), voor een deel de ruimtelijke configuraties (hs. 4) van de samenleving, welke op hun beurt weer invloed hebben op mogelijkheden voor ruimtegebruik door individuen en daarmee op sociale en culturele ontwikkelingen.
De centrale vraag in dit boek is:
Welke sociale en culturele ontwikkelingen zijn belang voor de Nederlandse samenleving in de komende decennia en wat zijn de te verwachte invloeden van deze ontwikkelingen op ruimtelijk gedrag van individuen en op ruimtelijke configuraties?
Hoofdstuk 2: Sociale en culturele ontwikkelingen in Nederland
De huidige samenleving wordt gekenmerkt door een toenemende keuzeruimte van vele individuen en huishoudens, verschillende waarden en normen en het feit dat de middelen (zie 2.4) om doelen te bereiken aan verandering onderhevig zijn.
2.1 verschuivende waarden en normen
Het belang van traditionele waarden is in Nederland in snel tempo teloor gegaan. Het gaat nu om individuele zelfontplooiing. Dit betekent een verzwakking van traditionele verbindingen. Daarvoor in de plaats komen losse netwerken (toenemende rol tweede woning, lees-, tuin- en eetclubs etc.), maar dat betekent niet dat mensen footloose worden (woning blijft ankerpunt van alle drukte). Ondanks deze veranderde waarden en normen hechten mensen nog wel veel waarde aan arbeid in hun leven. Arbeid levert niet alleen geld op, maar ook macht, aanzien, sociale contacten en plezier. Hierbij moet niet het belang van vrije tijd in het leven van velen worden onderschat. De vrij besteedbare tijd verschilt tussen bevolkingsgroepen. Ouderen hebben relatief royale tijdsbudgetten i.t.t. werkenden met kinderen, die er beiden een druk bezette agenda hebben (hierdoor afstemmingsproblemen). Deze drukke agenda kan dan wel een zwaar beslag leggen op de keuzemogelijkheden van individuen, toch is er in Nederland een toenemende keuzevrijheid (meer gedragsalternatieven), mede als gevolg van toenemende mobiliteit op verschillende ruimtelijke schaalniveaus. In hoeverre leidt de keuzevrijheid en daarmee gepaard gaande mobiliteit tot ongewenste ontwikkelingen?
2.2 demografische ontwikkelingen
De bevolking verandert als gevolg van geboorte, sterfte en migratie. De huishoudensvorming en –ontwikkkeling is veel ingewikkelder wordt o.a. bepaald door scheiden, het krijgen van kinderen, vertrek naar tehuizen, het uitvliegen van kinderen, alleen- of samenwonen etc. Sociale en culturele ontwikkelingen zijn hierbij belangrijk. Dit wordt uitgelegd met ontwikkelingen die zich hebben voorgedaan bij de daling van het aantal geboortes en bij samenwonen. Het feit dat deze ontwikkelingen in vruchtbaarheid en paarvorming achteraf vooral een kwestie van uitstel i.p.v. afstel bleken te zijn, geeft aan dat centrale waarden als relatievorming en moeder worden, niet wezenlijk zijn veranderd tussen de opeenvolgende naoorlogse cohorten. Toch zijn de gevolgen van deze ontwikkelingen van grote betekenis.
Een forse afname van het aantal twintigers en sterke groei van het aantal 55-64 jarigen tekenen de demografische ontwikkelingen. Bij vergrijzing is het belangrijk welke veranderingen zich op lokaal niveau voordoen (er ontstaat namelijk een steeds verdergaande convergentie in vergrijzing tussen de verschillende typen gemeenten). Hiermee gaat een sociaal-economische divergentie gepaard.
Met migratie wordt altijd een ander doel gediend dan de verhuizing op zich. De Randstad wordt wel getypeerd als een roltrapregio. Hierbij is het betrekken van een andere (betere) baan het motief van verhuizing.
2.3 etnisch-culturele diversiteit
De toenemende etnisch-culturele diversiteit is een van de belangrijkste ontwikkelingen in Nederland, vooral in de steden. Er kunnen twee definities worden gebruikt: de beperkte en de ruime definitie. Volgens de beperkte definitie worden 1,8 miljoen mensen tot de allochtonen gerekend. Allochtonen wonen vaak in verstedelijkte gemeenten (gemiddeld ongeveer 68%), en moeten zien rond te komen met een laag tot zeer laag inkomen.
2.4 welvaartsontwikkelingen en menselijk kapitaal
Het welvaartspeil in Nederland is relatief laag, omdat het aantal gewerkte uren per hoofd van de bevolking gering is. Verschillende omstandigheden dragen bij aan het herstel van de welvaartsontwikkeling, de belangrijkste daarvan is de gematigde loonontwikkeling.
De economische groei in Nederland is voor driekwart gebaseerd op consumptieve bestedingen. Deze zijn gestegen door het toenemend tweeverdienerschap. Hierdoor is er sprake van een toenemende inkomensongelijkheid. Deze zijn sterk bepaald door verschillen in human capital. Dit begrip bestaat uit:
De vraag naar arbeid in de hogere segmenten van de arbeidsmarkt neemt toe, echter meer vraag dan aanbod → werknemers hebben meer mogelijkheden om eisen te stellen.
2.5 Conclusies
Hoofdstuk 3: veranderd ruimtelijk gedrag
In dit hoofdstuk staan arbeid, vrije tijd en wonen centraal. Het ruimtelijk gedrag wordt daarbij onderscheiden in: ruimtebeslag, locatiegedrag en verplaatsingsgedrag.
3.1 arbeid
De groei van de werkgelegenheid en de stijgende arbeidsparticipatie van de beroepsbevolking geven aan dat steeds meer mensen de weg naar de arbeidsmarkt hebben gevonden, toch is er in internationaal verband sprake van geringe participatie. De groei van het aantal banen gaat niet gepaard met evenredige toename van het ruimtebeslag. De sterke groei van de dienstverlening leidt tot een relatief geringer ruimtebeslag voor het werken. Deze sterke groei zorgt er mede voor dat de werkgelegenheid in Nederland van karakter verandert (kwalitatieve verschuiving → gevolgen voor spreiding van werkgelegenheid en daarmee voor de locatie van de werkplek). Ook wijzigt de omvang van de bedrijvigheid.
De schaal van de gemiddelde bedrijfsbouw neemt in de toekomst af, maar voor het merendeel van de bedrijven blijft een bedrijfsgebouw noodzakelijk om hun organisatie te huisvesten en hun identiteit tot uitdrukking te laten komen. Ook oriënteren bedrijven zich steeds meer op het buitenland, maar niettemin vindt het merendeel van de bedrijfsverplaatsingen binnen de gemeente zelf plaats.
Door schaalvergroting opereren de meeste bedrijven minimaal op de nationale markt. Afstemming op de werkplek is dan minder relevant omdat men minder gebonden is aan een vaste werkplek. Een andere tendens is ook mogelijk: dat de arbeidsorganisatie in menig bedrijf verandert naar kleinere eenheden waar mensen met een verschillende disciplinaire achtergrond en een verschillend kennisniveau samenwerken. Daarnaast moet gewezen worden op een toenemend zelfstandig ondernemerschap.
3.2 vrije tijd
De afgelopen decennia hebben sociale en culturele veranderingen in de aard en omvang van vrijetijdsbestedingen. Als het gaat om directe ruimtelijke effecten van vrijetijdsbesteding, dan moet de aandacht zich concentreren op uithuizige vrijetijdsbesteding (openluchtrecreatie, uitgaan, sport). Veel vrijetijdsvoorzieningen strijden met elkaar als het gaat om een consumentengroep die weliswaar groeit, maar zeer moeilijk te vatten is. In vrijetijdsgedrag speelt naast consumptie als expressie van leefstijl en daarmee sociale identificatie, ook het tijdsbudget (zie 3.4) een belangrijke rol.
3.3 woonvoorkeuren en woonmogelijkheden
Het ruimtebeslag van het wonen is aanzienlijk. De forse groei van het aantal huishoudens in de jaren ’70 en ’80 bleek niet alleen het gevolg van het volwassen worden van de baby-boom, maar ook van de veranderingen in timing van de paarvorming en kinderen krijgen. In combinatie met een welvaartsverdeling leidt dit tot een verschuiving in de vraag naar woningen. De vraag naar betere woningen is toegenomen (grote eengezinswoningen in huur en koopwoningen). Ook is een continue trend zichtbaar richting eigen-woningbezit en verschuiven binnen de koopsector de voorkeuren naar vrijstaande woningen en twee-onder-een-kap woningen.
De locatievoorkeuren van huishoudens volgen in grote lijnen hun woningvoorkeuren. Ten aanzien van het verplaatsingsgedrag lijkt het vooral de groei van het aantal tweeverdieners te zijn die sterk bijdraagt aan het aantal kilometers dat wordt afgelegd voor het woon-werkverkeer.
3.4 verkeer en vervoer: dynamiek en wetmatigheden
De geschiedenis laat zien dat we steeds meer onderweg zijn. Achterliggende oorzaken van de kwalitatieve en kwantitatieve groei zijn demografische, sociaal-culturele en sociaal-economische ontwikkelingen. Het verkeer- en vervoerbeleid van de overheid blijft achter, doordat de overheid te weinig inzicht heeft in de gedragskeuzen die individuen en hun huishoudens maken. Ook heeft het beleid te weinig rekening gehouden met de tijdsdimensie.
Individuen maken verplaatsingen, daarbij is de individuele tijdsdruk toegenomen. De mogelijkheden om activiteiten in tijd en ruimte op elkaar af te stemmen, lopen tussen individuen, de gebruikte vervoerwijzen, maar ook tussen woonmilieus sterk uiteen. Daarnaast is het van belang dat individuen primair geïnteresseerd zijn in de tijd die ze kwijt zijn aan het verplaatsen. Het aantal kilometers dat met een gemotoriseerd voertuig wordt afgelegd, neemt toe met het gemiddelde inkomen.
Er lijkt niet alleen sprake te zijn van een constant reistijdbudget, maar ook van constante reistijden in het woon-werkverkeer.
3.5 Conclusies
Wat zijn de gevolgen van de sociale en culturele ontwikkelingen op het ruimtelijk gedrag? Bij beantwoording van deze vraag doen zich een drietal paradoxen voor:
Een belangrijke ontwikkeling is ook de afnemende gebondenheid aan een vaste werkplek. Dat maakt dat de nabijheid tot het werk steeds minder van betekenis is voor de keuze van de woonlocatie. De woning is in toenemende mate een uitvalsbasis.
Hoofdstuk 4: ruimtelijke configuraties en ruimtelijk gedrag
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de ruimtelijke concentratie (en spreiding) van de woningvoorraad en de bevolking, de werkgelegenheid en de vrijetijdsvoorzieningen.
4.1 werken in Nederland
Onder invloed van technologisering en globalisering veranderen de kwaliteit en ruimtelijke spreiding van de werkgelegenheid. Kwaliteit: mensen die aansluiting vinden met de dominante kenniseconomie en mensen die deze aansluiting missen. Spreiding: onderwijssteden, deze komen in Nederland verspreid over het land voor, met in kwantitatieve zin een concentratie in de Noordvleugel van de Randstad. Het heeft weinig zin gezien het polycentrisch karakter van de stedelijke cultuur om enkel en alleen te kijken op lokaal niveau. Men spreekt ook wel van een netwerkstad, maar het ziet er naar uit dat de kennisintensieve activiteiten random verdeeld zijn over de Nederlandse nederzettingen. Dit polycentrische voor karakter geldt ook voor de woon-werkrelaties, die steeds gecompliceerder worden in ruimtelijke zin.
De kenniseconomie reproduceert ongelijkheden op de arbeidsmarkt. Binnen de steden is behoefte aan het bieden van meer kansen op werk voor laag geschoolden. Het gaat hierbij om directe beleidslijnen (gericht op het bieden van ruimte voor groei van laagwaardig werk in de stad) en indirecte beleidslijnen (stimuleren van hoogwaardige werkgelegenheid). Bij een toenemende krapte in het middensegment zullen werkgevers eerder bereid zijn interne scholingstrajecten in te zetten en zodoende laag geschoolden aan te nemen.
4.2 vrije tijd in Nederland
Hoogwaardige vrijetijdsvoorzieningen zijn vooral gesitueerd in de binnenstad, hierdoor is er een verschil tussen stad en land. Maar ook buiten de binnenstad ontstaan nieuwe vrijetijdsvoorzieningen (Showbizz City, megabioscopen etc.) en is veel kunst en cultuur te vinden. Schaalvergrotingsprocessen hebben er wel voor gezorgd dat de afstand tussen wonen en buiten-recreatie voor veel stedelingen enorm is vergroot. Over het algemeen wordt geconstateerd dat de ruimtelijke verschillen in vrijetijdsbesteding minder groot zijn dan de sociale verschillen, maar toch blijft afstand in vrijetijdsgedrag als restrictie van kracht. Het overgrote deel van de verplaatsingen vindt plaats binnen een afstand van vijf kilometer.
4.3 wonen in Nederland
De verschillen tussen stad en suburb zijn op veel terreinen minder geworden: bedrijvigheid (deconcentratie), winkelvoorzieningen en vrijetijdscentra. Hierdoor hebben steden hun oorspronkelijke woonlocatievoordelen verloren en hebben veel van hun locatienadelen behouden (bijvoorbeeld dat de gemiddelde woonoppervlakte in de steden van de Randstad nauwelijks is toegenomen). Ook zijn de tekortkomingen in het leefmilieu in de steden veel groter dan daarbuiten. De polarisatie tussen stad en land zal nog verder groeien.
Kleine verschillen in de woningmarkt in de stad kunnen grote gevolgen hebben voor de uitsortering van de bevolking. Binnen de steden is er geen sprake van afnemende segregatie tussen autochtonen en allochtonen. Oorzaken hiervoor zijn: slechte perspectieven op de arbeidsmarkt, gecombineerd met een slechte toegankelijkheid van aantrekkelijke woonmilieus.
De vraag of en in hoeverre herstructurering van de bestaande woonvoorraad de verwachte processen van verdere uitstorting naar kansarmoede kan voorkomen, is nog niet afdoende beantwoord.
4.4 conclusies
De veranderingen die zich aftekenen in de ruimtelijke configuraties weerspiegelen de klassieke spanning tussen vorm (compacte stad, netwerkstad) en functie.
Uit dit hoofdstuk is gebleken dat oude vormen in hoge mate bepalend zijn voor het verschil in toegang tot hulpbronnen op het gebied van werken, vrije tijd en wonen.
De opbouw van de bestaande woningvoorraad en de zeer dynamische processen die zich daarin afspelen, dragen verder bij aan de ruimtelijke ongelijkheid.