Ten eerste; sorry voor het rijkelijk laat inleveren, maar ik hoop dat jullie er toch iets aan hebben.
Ten tweede; dit is een vrij ingewikkelde tekst met een zeer hoge informatiedichtheid. Omdat het boek al bijna een samenvatting is, is het moeilijk een perfecte samenvatting te maken. Het is dus aan te bevelen het boek zelf ook te lezen. Gelukkig zijn veel van de genoemde processen vrij logisch (hoewel dat soms door het taalgebruik niet zo lijkt!) en hoeven dan ook, naar mijn bescheiden mening, niet uit het hoofd geleerd te hebben.
Veranderingen niet alleen sociaal en/of cultureel bepaald.
Ruimtelijk gedrag:
-
Ruimtebeslag
-
Locatiegedrag (plaats v. wonen, werken, vrije tijd)
-
Verplaatsingsgedrag (wijze waarop activiteiten in ruimte worden
gecombineerd)
3.1: Arbeid
Werkzame beroepsbevolking is enorm toegenomen. (omvang potentiele
beroepsbevolking, toegenomen participatie (deeltijdbanen en vrouwen)
Relatief laag werkloosheidscijfer
Hoewel groei, participatie relatief laag
Het ruimtebeslag zal niet evenredig toenemen met economische groei door
intensivering.
De werkgelegenheid in Nederland verandert van karakter (Afbrokkeling
landbouw, groei dienstverlening.
De omvang van de bedrijvigheid verandert. Groei MKB, vaak op
niet-werklocatie.
Het animo onder allochtonen om een eigen bedrijf te starten in
probleemwijken is relatief hoog.
Ondanks dat de schaal van het gemiddelde bedrijfsgebouw afneemt,
blijven er in de toekomst bedrijfsgebouwen nodig. Vooral voor identiteit en
representatief zijn.
Het merendeel van de bedrijfsverplaatsingen vindt binnen de eigen
gemeente plaats.
Het bedrijfsleven richt zich door de schaalvergroting minimaal op de
nationale markt.
De arbeidsorganisatie van menig bedrijf verandert naar kleinere
eenheden. Werknemers met zelfde disciplinaire achtergrond en zelfde
kennisniveau worden bij elkaar gezet. (Van bureaucratisch naar adhocratisch
organisatieprincipe)
3.2: Vrije tijd
Er zijn veranderingen te
constateren in de aard en omvang van vrijetijdsbestedingen.
Directe ruimtelijke effecten vooral door uithuizige
vrijetijdsbesteding.
Consumptie als expressie van leefstijl en daarmee sociale identificatie
speelt belangrijke rol in vrijetijdsgedrag. Zo zijn er verschillen in
tijdsbudget.
Door toegenomen welvaart vrijetijdsbesteding over grotere afstand en
met sneller/hoogwaardiger vervoer.
3.2: Woonvoorkeuren en woonmogelijkheden
Het ruimtebeslag in Nederland door wonen is aanzienlijk.
De benodigde toevoegingen aan de woningvoorraad zijn zeer beperkt.
De forse groei van het aantal huishoudens in de jaren ’80 en ’90 was
niet alleen gevolg volwassen worden baby-boomers, maar ook het verlaten van
paarvorming en kinderen krijgen. Hierdoor, en door de verandering van de
welvaartsdeling, vindt er een verschuiving in de vraag naar woningen plaats.
Vraag naar duurdere koopwoningen.
Er is dus eigenlijk sprake van een kwalitatief tekort in plaats van een
kwantitatief tekort. Dat tekort, in tegenstelling tot het kwantitatieve tekort,
heeft zelden een rol gespeeld in het beleid.
De locatievoorkeuren volgen in grote lijnen de woningvoorkeuren. Er is
geen sprake meer van massale trek uit de steden. De huidige trek uit de steden
is nu vaak zelfs gedwongen omdat er in de stad geen woningen meer te vinden
zijn.
Ten aanzien van het verplaatsingsgedrag zijn het vooral de
tweeverdieners die sterk bijdragen aan het woon-werkverkeer.
3.4: Verkeer en vervoer: dynamiek en wetmatigheden
We zijn steeds meer onderweg vergeleken met vroeger. Achterliggende
oorzaken hiervoor zijn o.a.:
-
Demografische ontwikkelingen (groei bevolking en huishoudens)
-
Sociaal-culturele ,, (individualisering en arbeidsparticipatie vrouwen)
-
Sociaal-economische ,, (toename besteedbaar inkomen)
De effectiviteit van verkeer- en vervoerbeleid blift achter. Dit komt door gebrek aan inzicht in gedragskeuzen. Belangrijk hierbij is vast te stellen hoe de factor tijd doorwerkt in het dagelijks leven.
Het zijn individuen die aan verplaatsing deelnemen. De individuele
tijdsdruk is ook toegenomen.
De Wet van Behoud van REistijd en VERplaatsingen (Hupkes (1977), De BREVER-wet) zegt dat over een zekere periode de
gemiddelde verplaatsingen per persoon constant zijn over de hele wereld! Wel
kunnen ze verschillen naar bevolkingscategorie.
Doordat het reisbudget constant blijft stijgen de snelheden van het
vervoer. Het aandeel high-speedtransport (vliegtuigen enz.) stijgt dan ook
sterk.
Ook zijn de reistijden in het woon-werkverkeer vrij constant. Er gaat relatief meer tijd in zitten dan naar vrijetijdsvoorzieningen.
Het gaat dus vooral om de tijdsdimensie. Het gaat dus om de tijd die
besteed moet worden aan het vervoer niet zozeer om de fysieke afstand!
Het gaat hier om de ruimtelijke concentratie en/of spreiding van de
woningvoorraad, de bevolking, de werkgelegenheid en de vrijetijdsvoorzieningen.
4.1: Werken in Nederland
Door de technologisering en globalisering veranderen de kwaliteit en
ruimtelijke spreiding van de werkgelegenheid. Er is sprake van een upgrading,
waar helaas niet iedereen (zoals lager opgeleiden) van profiteert.
Onderwijssteden (als Utrecht), vormen door de jonge, hooggeschoolde
beroepskrachten een aantrekkelijke vestigingsplaats voor hoogwaardige
werkgelegenheid
Ook in groeikernen (als Almere) groeit de werkgelegenheid sterk.
Door het polycentrische karakter van de stedelijke structuur weinig zin
om ruimtelijke verdeling alleen op lokaal niveau te bekijken. Er is
tegenwoordig namelijk sprake van de opkomst van de netwerkstad (Castells, 1996
‘network society’) met gespecialiseerde centra en goede onderlinge
verbondenheid. Kennisactieve activiteiten zullen vrij willekeurig, random
verdeeld zijn.
Door de structuur worden ook woon-werkrelaties complexer. Het is niet
noodzakelijk de stadscentra die geschikte woonlocaties vormen, maar vooral
stadsranden en omliggende gemeenten.
De kenniseconomie brengt weer ongelijkheden om de arbeidsmarkt.
Vooral in de steden is dan ook behoefte aan meer kansen op werk voor
laag geschoolden. Voor eenvoudig administratief werk zal er een ruimtelijke
scheiding ontstaan tussen front-offices in de steden en back-offices
daarbuiten.
Indirecte beleidslijnen liggen op het vlak van het stimuleren van
aantrekken van ook lager geschoolden. Bijvoorbeeld door interne
scholingstrajecten, learning-by-doing.
4.2: Vrije tijd in Nederland
Hoogwaardige vrijetijdsvoorzieningen blijven geconcentreerd in de stad. Er kan uitgegaan worden, gefunshopt enz.
Vooral door de kunst en cultuur hebben veel steden een
‘postmodern’aanzien gekregen.
Een nieuwe trend is het ontstaan van voorzieningen buiten de
binnenstad, dit door gebrek aan ruimte en bereikbaarheid.
De afstand tussen wonen en buiten-recreatie is voor veel stedelingen
gestegen.
Buiten de steden is natuurlijk ook veel kunst en cultuur te vinden als
ook pretparken e.d.
Perifere provincies trekken in de zomer veel toeristen aan.
De ruimtelijke verschillen in vrijetijdsbesteding zijn minder groot dan
de sociale verschillen. De besteding is zeer ruimtelijk divers geworden, toch
speelt afstand nog wel een belangrijke rol.
4.3: Wonen in Nederland
Steden hebben veel van hun oorspronkelijke woonlocatievoordelen verloren.
De steden hebben echter wel veel locatienadelen behouden.
Zo bestaan in de steden grote tekortkomingen in het leefmilieu.
De polarisatie tussen stad en ommeland zal dan naar verwachting ook
verder groeien.
De kans bestaat op een uitsortering van de bevolking. Huishoudens die
de mogelijkheid hebben uit de stad weg te gaan, zullen gaan. Minder kansrijken
zullen achterblijven.
In de steden is er geen sprake van een afnemende segregatie tussen
autochtonen en allochtonen.
De vraag of en in hoeverre herstructurering van de bestaande
woningvoorraad de uitsortering naar kansarmoede kan voorkomen, is nog niet
afdoende beantwoord. Herstructurering moet daarom ook goed gebeuren en niet
bijv. huizen in achterstandsbuurten slopen en daar alleen maar dure
koopwoningen voor terugzetten.
Het is niet duidelijk in hoeverre de negatieve effecten van etnische
concentraties ook voor Nederland gelden.
De inzichten uit de vorige hoofstukken zijn grotendeels hypothetisch. Dit hoofdstuk gaat daar verder op in.
5.1: Arbeidsmarkt
De eerste vraag die beantwoord moet worden is waar de groeiende werkgelegenheid in de kennisintensieve bedrijvigheid gaat neerslaan en of dit binnen het beleid past.
Tweede vraag is waar de klappen zullen gaan vallen van de inkrimpende
sectoren.
Een derde vraag is welke gebieden mogelijke geschikte locaties zijn
voor startende bedrijvigheid.
Vierde vraag is waar de generatie van arbeidsplaatsen voor laag
opgeleiden mee samenhangt.
Ruimtelijke verschillen in deelname aan het arbeidsproces:
De rol van ruimtelijke omgevingsfactoren op de (omvang van de)
participatie naar opleiding, huishoudenspositie, geslacht, leeftijd en
etniciteit.
-
Verandering in arbeidsdeelname
-
Resterende verschillen en de samenhang met ruimtelijke
omgevingsfactoren
5.2: Vrije tijd
Vragen die beantwoord moeten worden:
-
De verschillen in afstandgevoeligheden van voorzieningen en de effecten
daarvan
-
Beschikbaarheid/bereikbaarheid en effecten daarvan.
-
Welke groepen kennen veel verplaatsingen en hoe kan dit verklaard
worden?
-
In hoeverre is er een relatie tussen monetair en cultureel kapitaal en
de vestigingsplaats in buurt van voorzieningen.
5.3 Woningmarkt
-
Wat zijn de gevolgen van segregatie en concentratie?
-
Hoe hebben woningmarktprocessen hier invloed op?
Het toekomstig beleid en marktontwikkelingen zijn belangrijk om te
volgen.
5.4 Afstemming en verplaatsing
- Bestaan er ruimtelijke onevenwichtigheden in vraag en aanbod?
-
Welke afstandsoverbrugging is nodig om werk en werkzoekenden te
matchen?
-
Leidt verdere specialisatie tot makkelijker vinden van arbeidskrachten
voor werkgevers?
-
Zijn voldoende woningen bij werk?
Voor het beleid kan bijvoorbeeld gedacht worden aan koppeling van
bestemmingen.
5.5: Tot slot
Veel van deze onderzoeksvragen zijn door de Rijksplanologische dienst
opgepikt en worden onderzocht.