Door: Merijn Versteegen

Belangrijke mededeling vooraf:

Ten eerste; sorry voor het rijkelijk laat inleveren, maar ik hoop dat jullie er toch iets aan hebben.

Ten tweede; dit is een vrij ingewikkelde tekst met een zeer hoge informatiedichtheid. Omdat het boek al bijna een samenvatting is, is het moeilijk een perfecte samenvatting te maken. Het is dus aan te bevelen het boek zelf ook te lezen. Gelukkig zijn veel van de genoemde processen vrij logisch (hoewel dat soms door het taalgebruik niet zo lijkt!) en hoeven dan ook, naar mijn bescheiden mening, niet uit het hoofd geleerd te hebben.

 

Hoofdstuk 3:  Veranderend ruimtelijk gedrag

 

Veranderingen niet alleen sociaal en/of cultureel bepaald.

 

Ruimtelijk gedrag:

-         Ruimtebeslag

-         Locatiegedrag (plaats v. wonen, werken, vrije tijd)

-         Verplaatsingsgedrag (wijze waarop activiteiten in ruimte worden gecombineerd)

 

3.1: Arbeid

Werkzame beroepsbevolking is enorm toegenomen. (omvang potentiele beroepsbevolking, toegenomen participatie (deeltijdbanen en vrouwen)

Relatief laag werkloosheidscijfer

Hoewel groei, participatie relatief laag

Het ruimtebeslag zal niet evenredig toenemen met economische groei door intensivering.

De werkgelegenheid in Nederland verandert van karakter (Afbrokkeling landbouw, groei dienstverlening.

De omvang van de bedrijvigheid verandert. Groei MKB, vaak op niet-werklocatie.

Het animo onder allochtonen om een eigen bedrijf te starten in probleemwijken is relatief hoog.

Ondanks dat de schaal van het gemiddelde bedrijfsgebouw afneemt, blijven er in de toekomst bedrijfsgebouwen nodig. Vooral voor identiteit en representatief zijn.

 

Het merendeel van de bedrijfsverplaatsingen vindt binnen de eigen gemeente plaats.

 

Het bedrijfsleven richt zich door de schaalvergroting minimaal op de nationale markt.

De arbeidsorganisatie van menig bedrijf verandert naar kleinere eenheden. Werknemers met zelfde disciplinaire achtergrond en zelfde kennisniveau worden bij elkaar gezet. (Van bureaucratisch naar adhocratisch organisatieprincipe)

 

3.2: Vrije tijd

 Er zijn veranderingen te constateren in de aard en omvang van vrijetijdsbestedingen.

Directe ruimtelijke effecten vooral door uithuizige vrijetijdsbesteding.

 

Consumptie als expressie van leefstijl en daarmee sociale identificatie speelt belangrijke rol in vrijetijdsgedrag. Zo zijn er verschillen in tijdsbudget.

 

Door toegenomen welvaart vrijetijdsbesteding over grotere afstand en met sneller/hoogwaardiger vervoer.

 

3.2: Woonvoorkeuren en woonmogelijkheden

Het ruimtebeslag in Nederland door wonen is aanzienlijk.

De benodigde toevoegingen aan de woningvoorraad zijn zeer beperkt.

De forse groei van het aantal huishoudens in de jaren ’80 en ’90 was niet alleen gevolg volwassen worden baby-boomers, maar ook het verlaten van paarvorming en kinderen krijgen. Hierdoor, en door de verandering van de welvaartsdeling, vindt er een verschuiving in de vraag naar woningen plaats. Vraag naar duurdere koopwoningen.

 

Er is dus eigenlijk sprake van een kwalitatief tekort in plaats van een kwantitatief tekort. Dat tekort, in tegenstelling tot het kwantitatieve tekort, heeft zelden een rol gespeeld in het beleid.

De locatievoorkeuren volgen in grote lijnen de woningvoorkeuren. Er is geen sprake meer van massale trek uit de steden. De huidige trek uit de steden is nu vaak zelfs gedwongen omdat er in de stad geen woningen meer te vinden zijn.

Ten aanzien van het verplaatsingsgedrag zijn het vooral de tweeverdieners die sterk bijdragen aan het woon-werkverkeer.

 

3.4: Verkeer en vervoer: dynamiek en wetmatigheden

We zijn steeds meer onderweg vergeleken met vroeger. Achterliggende oorzaken hiervoor zijn o.a.:

-         Demografische ontwikkelingen (groei bevolking en huishoudens)

-         Sociaal-culturele ,, (individualisering en arbeidsparticipatie vrouwen)

-         Sociaal-economische ,, (toename besteedbaar inkomen)

 

De effectiviteit van verkeer- en vervoerbeleid blift achter. Dit komt door gebrek aan inzicht in gedragskeuzen. Belangrijk hierbij is vast te stellen hoe de factor tijd doorwerkt in het dagelijks leven.

Het zijn individuen die aan verplaatsing deelnemen. De individuele tijdsdruk is ook toegenomen.

De Wet van Behoud van REistijd en VERplaatsingen (Hupkes (1977), De BREVER-wet)  zegt dat over een zekere periode de gemiddelde verplaatsingen per persoon constant zijn over de hele wereld! Wel kunnen ze verschillen naar bevolkingscategorie.

Doordat het reisbudget constant blijft stijgen de snelheden van het vervoer. Het aandeel high-speedtransport (vliegtuigen enz.) stijgt dan ook sterk.

Ook zijn de reistijden in het woon-werkverkeer vrij constant. Er gaat relatief meer tijd in zitten dan naar vrijetijdsvoorzieningen.

Het gaat dus vooral om de tijdsdimensie. Het gaat dus om de tijd die besteed moet worden aan het vervoer niet zozeer om de fysieke afstand!

 

 

Hoofdstuk 4: Ruimtelijke configuraties en ruimtelijk gedrag

 

Het gaat hier om de ruimtelijke concentratie en/of spreiding van de woningvoorraad, de bevolking, de werkgelegenheid en de vrijetijdsvoorzieningen.

 

4.1: Werken in Nederland

Door de technologisering en globalisering veranderen de kwaliteit en ruimtelijke spreiding van de werkgelegenheid. Er is sprake van een upgrading, waar helaas niet iedereen (zoals lager opgeleiden) van profiteert.

Onderwijssteden (als Utrecht), vormen door de jonge, hooggeschoolde beroepskrachten een aantrekkelijke vestigingsplaats voor hoogwaardige werkgelegenheid

Ook in groeikernen (als Almere) groeit de werkgelegenheid sterk.

Door het polycentrische karakter van de stedelijke structuur weinig zin om ruimtelijke verdeling alleen op lokaal niveau te bekijken. Er is tegenwoordig namelijk sprake van de opkomst van de netwerkstad (Castells, 1996 ‘network society’) met gespecialiseerde centra en goede onderlinge verbondenheid. Kennisactieve activiteiten zullen vrij willekeurig, random verdeeld zijn.

Door de structuur worden ook woon-werkrelaties complexer. Het is niet noodzakelijk de stadscentra die geschikte woonlocaties vormen, maar vooral stadsranden en omliggende gemeenten.

 

De kenniseconomie brengt weer ongelijkheden om de arbeidsmarkt.

Vooral in de steden is dan ook behoefte aan meer kansen op werk voor laag geschoolden. Voor eenvoudig administratief werk zal er een ruimtelijke scheiding ontstaan tussen front-offices in de steden en back-offices daarbuiten.

 

Indirecte beleidslijnen liggen op het vlak van het stimuleren van aantrekken van ook lager geschoolden. Bijvoorbeeld door interne scholingstrajecten, learning-by-doing.

 

4.2: Vrije tijd in Nederland

Hoogwaardige vrijetijdsvoorzieningen blijven geconcentreerd in de stad. Er kan uitgegaan worden, gefunshopt enz.

Vooral door de kunst en cultuur hebben veel steden een ‘postmodern’aanzien gekregen.

Een nieuwe trend is het ontstaan van voorzieningen buiten de binnenstad, dit door gebrek aan ruimte en bereikbaarheid.

 

De afstand tussen wonen en buiten-recreatie is voor veel stedelingen gestegen.

Buiten de steden is natuurlijk ook veel kunst en cultuur te vinden als ook pretparken e.d.

Perifere provincies trekken in de zomer veel toeristen aan.

 

De ruimtelijke verschillen in vrijetijdsbesteding zijn minder groot dan de sociale verschillen. De besteding is zeer ruimtelijk divers geworden, toch speelt afstand nog wel een belangrijke rol.

 

4.3: Wonen in Nederland

Steden hebben veel van hun oorspronkelijke woonlocatievoordelen verloren.

 

De steden hebben echter wel veel locatienadelen behouden.

Zo bestaan in de steden grote tekortkomingen in het leefmilieu.

De polarisatie tussen stad en ommeland zal dan naar verwachting ook verder groeien.

De kans bestaat op een uitsortering van de bevolking. Huishoudens die de mogelijkheid hebben uit de stad weg te gaan, zullen gaan. Minder kansrijken zullen achterblijven.

 

In de steden is er geen sprake van een afnemende segregatie tussen autochtonen en allochtonen.

 

De vraag of en in hoeverre herstructurering van de bestaande woningvoorraad de uitsortering naar kansarmoede kan voorkomen, is nog niet afdoende beantwoord. Herstructurering moet daarom ook goed gebeuren en niet bijv. huizen in achterstandsbuurten slopen en daar alleen maar dure koopwoningen voor terugzetten.

 

Het is niet duidelijk in hoeverre de negatieve effecten van etnische concentraties ook voor Nederland gelden.

 

Hoofdstuk 5: Conclusies: kennisleemten

 

De inzichten uit de vorige hoofstukken zijn grotendeels hypothetisch. Dit hoofdstuk gaat daar verder op in.

 

5.1: Arbeidsmarkt

De eerste vraag die beantwoord moet worden is waar de groeiende werkgelegenheid in de kennisintensieve bedrijvigheid gaat neerslaan en of dit binnen het beleid past.

Tweede vraag is waar de klappen zullen gaan vallen van de inkrimpende sectoren.

Een derde vraag is welke gebieden mogelijke geschikte locaties zijn voor startende bedrijvigheid.

Vierde vraag is waar de generatie van arbeidsplaatsen voor laag opgeleiden mee samenhangt.

 

Ruimtelijke verschillen in deelname aan het arbeidsproces:

De rol van ruimtelijke omgevingsfactoren op de (omvang van de) participatie naar opleiding, huishoudenspositie, geslacht, leeftijd en etniciteit.

-         Verandering in arbeidsdeelname

-         Resterende verschillen en de samenhang met ruimtelijke omgevingsfactoren

 

5.2: Vrije tijd

Vragen die beantwoord moeten worden:

-         De verschillen in afstandgevoeligheden van voorzieningen en de effecten daarvan

-         Beschikbaarheid/bereikbaarheid en effecten daarvan.

-         Welke groepen kennen veel verplaatsingen en hoe kan dit verklaard worden?

-         In hoeverre is er een relatie tussen monetair en cultureel kapitaal en de vestigingsplaats in buurt van voorzieningen.

 

5.3 Woningmarkt

-         Wat zijn de gevolgen van segregatie en concentratie?

-         Hoe hebben woningmarktprocessen hier invloed op?

 

Het toekomstig beleid en marktontwikkelingen zijn belangrijk om te volgen.

 

5.4 Afstemming en verplaatsing

-         Bestaan er ruimtelijke onevenwichtigheden in vraag en aanbod?

-         Welke afstandsoverbrugging is nodig om werk en werkzoekenden te matchen?

-         Leidt verdere specialisatie tot makkelijker vinden van arbeidskrachten voor werkgevers?

-         Zijn voldoende woningen bij werk?

 

Voor het beleid kan bijvoorbeeld gedacht worden aan koppeling van bestemmingen.

 

5.5: Tot slot

Veel van deze onderzoeksvragen zijn door de Rijksplanologische dienst opgepikt en worden onderzocht.

 

 

 

Hosted by www.Geocities.ws

1