John Rennie Short

Hoofdstuk 9

The Housing Market.

 

·        The housing stock.

Change in the housing stock.

Verlies door slopen en gewin door nieuwbouw. Zowel kwaliteit als kwantiteit van de woningvoorraad is de afgelopen eeuw enorm toegenomen. Vooral dankzij private en publieke investeringen. De neerwaartse spiraal van ‘housing deterioration’ kan een ‘self-fulfilling prophecy’ worden, doordat woningen verloederen minder waard worden, prijzen dalen, wijk verloedert, iedereen trekt weg. Bij grootschalige overheidsslooppartijen zijn het vooral de armen die de dupe worden.

 

·        Models of the housing stock.

The Burgess model.

De socioloog E.W.Burgess zag de stad als een sociaal organisme, te bestuderen via biologische analogieën, een vorm van sociaal Darwinisme, een model gebaseerd op Chicago van 1925. Burgess ging uit van een serie stedelijke zones. Migranten die voor het eerst zich in de stad vestigden hadden weinig geld en beperkte middelen. Zij vestigden zich in eerste instantie in de ‘innercity’ waar de goedkoopste woningen gevonden konden worden. En bij inkomenstoename verhuisden zij verder weg van het “goedkope centrum”. Burgess conceptualiseerde dit proces als ‘invasion and succession’, omdat verschillende bevolkingsgroepen het centrum verlieten voor de opvolgende wijk. Dit model bleek niet bepaald toepasbaar op andere landen van de wereld en andere tijden, geen universeel model. Echter een verband tussen woningen, lengte van verblijf per sociale groep kan wel in andere steden worden teruggevonden.

 

The Hoyt model.

De economist Homer Hoyt beargumenteerde een patroon van sectoren in plaats van zones. Hij identificeerde een sectoraal patroon van ‘hogehuurgebieden’ en suggereerde dat de ‘hogestatussectoren’  gevonden konden worden langs routes het centrum uit naar de huizen van de community leaders. Hierbij komt een proces van filtering kijken. Er worden nieuwe huizen gebouwd voor de hoge inkomens, hetgeen de achterblijvende woningen vrij doet komen, die gevuld worden door de opvolgende inkomensgroep. Na verloop van tijd filtert de woningvoorraad neerwaarts op de ladder van de sociale hiërarchie. Hoyt was een liberalist en ging uit van de private markt. Als kritiek op dit model kwam in 1945 Walter Firey die de rol van cultuur en sociale waarde benadrukte in plaats van uit te gaan van rationeel economische gedrag. Namenlijk dat de elite ook wel eens ergens bleef wonen omdat zij hier aan gehecht was, of deze plek sociale status had.

 

The rent gap theory.

Deze theorie is van de jaren ’80, probeert de gentrification te verklaren. Dit is en proces waarbij de woningvoorraad opwaart filtert in plaats van neerwaarts. De hogere inkomensgroepen verhuisden terug de binnenstad in en verdrongen de lagere inkomensgroepen.

Neil Smith’s basisargument is dat er een effectieve desinvestering in veel binnenstadswijken. Kapitaal wordt geďnvesteerd in sub-urbane locaties. Dit creëert een rent gap, het verschil tussen landwaarde en de potentiële landwaarde van een toegankelijke binnenstadslocatie. Deze theorie zal minder relevantie hebben als er minder kapitaal wegtrekt uit de centrale stad. Bovendien worden lokale variaties en culturele verschillen genegeerd.

 

 

·        The Housing Market.

The production of housing.

Vier soorten woningproductie:

1.      Self-produced housing:

De woning wordt geproduceerd door de daadwerkelijke gebruikers. Vanuit de geschiedenis en in de ontwikkelende landen is dit de dominante vorm van woning provisie.

 

2.      Individual contract production:

Relatief rijke consumenten huren bouwvakkers in om accommodatie te maken. Deze woningen zijn niet alleen ter accommodatie maar ook een teken van rijkdom en status, vertrouwen en goede smaak (‘aesthetic sensibility’).

 

3.      Large-scale/Institutional contract production:

Individuen of instituties huren bouwers om meerdere woningen te bouwen (bv. fabrieksdorpen). Deze grootschalige productie impliceert een sophisticated market system. In de 20e eeuw was er ook sprake van schaalvergroting met deze mode of production. De overheid krijg meer invloed, en door de grote hoeveelheid woningen die geproduceerd moesten worden was er sprake van geiindustriële vorm van woningproductie.

 

4.      Speculative production:

Constructie van woningen door private ondernemers ter aansluiting op de algemene vraag. Deze woningen zijn speculatief omdat ze vaak gebouwd worden voordat wie dan ook een woning gekocht heeft. Aan dit systeem vast zit een enorm systeem van financiering. Waarbij de overheid door het verhogen en verlagen van de hypotheekrente de gehele economie kan stimuleren of matigen.

In een iedere stad kun je alle vier de systemen tegelijk aantreffen.

 

The supply of housing.

De laatste ‘drie modes of production’ kenmerken zich door het realization problem. Onmiddellijke aanschaf van een woning is alleen weggelegd voor de rijksten. Verschillende huurmogelijkheden zijn een oplossing voor dit probleem:

1.      Private renting:

Een huurder huurt een accommodatie van een huisbaas. Er is een basis conflict in de private huursector. Huisbazen willen het liefst de huur maximaliseren en de onderhoudskosten minimaliseren. Terwijl de huurders het liefst de huur minimaliseren en het onderhoud maximaliseren.

 

2.      Owner-occupation:

De eigenaar van de woning woont ook in de woning. I.v.b. het realization problem heeft men voor grootschalige ‘owner-occupation’ een extensief kredietsysteem nodig voor zowel producenten als consumenten. Een ‘owner-occupied’ huis is meer dan een woning; het is een eigendom een bron van inkomsten voor de toekomst. Woningeigenaren zijn dus ook zeer kien op veranderingen in de lokale omgeving die de waarde van het eigendom aan kunnen tasten.


 

3.      Public housing:

Nu wordt het realization problem opgelost doordat de overheid woningen bouwt, bemachtigd en verhuurt. Woningen in de sociale sector is een resultaat van het falen van de markt en publieke druk. NB: in de VS beslaan de woningen in de sociale sector slechts 8% van de totale woningvoorraad! (the projects).

 

q       Urban managerialism: studies the role of housing managers as public housing officials, realators, planners, local state officials, bureaucrats, banks, and lending institutions. De regels en procedures van deze managers structureren de woningkeuzes en de beperkingen van huishoudens. Bureaucratische procedures hebben een belangrijke invloed in het vertalen van woningvraag naar woningmarkt consequenties.

 

The demand for housing.

De noodzaak voor een dak boven je hoofd is nog geen vraag. ‘Need is a human attribute but demand is a function of economic and political power’.

 

Drie principiële bronnen van vraag:

1.      Inkomen.

Meer geld, mooier/groter/luxer huis.

2.      Stadium in de levenscyclus.

Zes stadia die verschillende woningbehoeften kenmerken.

3.      Etnische status.

Wanneer er significante verschillen bestaan tussen de meerderheidscultuur en de minderheidscultuur kan er een residential mosaic ontstaan. Minderheden clusteren samen, door eigen keuze of door opgelegde beperkingen. Extreme vormen zijn de apertheid zoals in Zuid-Afrika. Massey noemt de Noord-Amerikaanse minderheidsclusters hypersegregation.

 

The consumption of housing.

Een huis is meer dan alleen een dak boven je hoofd; het is een sociale omgeving.

 

The residential mosaic.

De drie bovengenoemde vraagfactoren kennen ieder een kenmerkend ruimtelijk patroon; inkomen heeft een sectoraal patroon, etniciteit kent een ‘clumpy’ patroon, en stadia van de levenscyclus kent een ringenpatroon (fig. 9.8, blz. 199). Verschillen in de residential mosaic treden op ten allen tijden.

 

Neighborhood typologies.

Hoe groter de stad, hoe groter de  variaties in soorten wijken. Het komt er op neer dat een verschillend doel een verschillende typologie kent.

 

Banham (1971) studeerde LA en kerkende 4 hoofdgebieden:

-         surfurbia;

-         foothills;

-         plains of id;

-         autopia;


 

Marcuse (1989):

-         luxury city, housing the very rich;

-         gentrified city, young professionals;

-         suburban city, main location of the middle class;

-         tenement city, housing lower-paid urban workers and their families;

-         ghetto, the location of the very poor;

 

Residential areas and social life.

‘Residential areas’ hebben een belangrijke rol in de constructie van communities. Uit studies blijkt dat mensen van dezelfde status in verschillende wijken er ander opvattingen en gedrag op nahouden.

 

Hosted by www.Geocities.ws

1