Investment in Housing in Ten Northwest European
Countries, 1950-1985.
Adam Feddes & Frans Dieleman.
(Het onderzoek betreft de landen: Nederland, België, Duitsland,
Denemarken, Finland, Frankrijk, Groot-Brittannië, Zweden, Noorwegen en
Zwitserland). Allen democratische en kapitalistische welvaartsstaten.
Dit artikel belicht het verschil tussen 10 Europese landen wat betreft
uitbreiding van het aantal woningen en de investeringen in woningen. Daarbij
wordt erop gewezen dat alle afzonderlijke overheden (nationaal) een groot
aantal instrumenten hebben ontwikkeld, en in de tijd regelmatig aangepast, om
hun doelen te bereiken. Dit heeft dan
vooral betrekking op de samenstelling van de woningvoorraad. In 1950 was 92%
van de voorraad particulier bezit, in 1985 was dit gedaald tot 81%. Niet alleen
de politiek heeft invloed op de woningmarkt. Demografische ontwikkeling en
marktwerking blijken het belangrijkst. Bevolkingsgroei leidt tot uitbreiding
woningvoorraad. Economische groei beïnvloedt de investeringen in woningen
(levensstandaard stijgt).
Population Growth and the Expansion of the
Housing Stock.
Er bestaan grote verschillen tussen de landen wat betreft de
uitbreiding van de woningvoorraad. Van 1950-1985 overtrof de toename van het
aantal woningen per 1000 de toename van volwassen bevolking per 1000. (tabel 1,
blz. 74). Grootste deel (60%) van nieuwe huishoudens is het gevolg van kleinere
huishoudens ( 3.8 personen in 1950 en 2.4 in 1985). Maar in Nederland was meer
dan 50% van de toename toe te schrijven aan bevolkingsgroei. Mede door snelle
bevolkingsgroei heeft Nederland, samen met GB, een relatief lagere woningvoorraad dan de andere 8 landen.
Affluence and Investment in Housing.
We mogen aannemen dat de landen niet verschillen in de behoefte aan
investeringen in woningen, ondanks de verschillen in bevolkingsgroei. Als
eenmaal de kwantitatieve behoefte aan woningen is bereikt, kan de wens voor
kwalitatieve verbeteringen tot investeringen lijden. Hier zijn echter wel
macro-economische beperkingen.
Macro-Economic Developments.
Alle landen waren in staat om in de periode 1950-1985 een deel van de
enorme economische groei te gebruiken voor hoge investeringen in woningen. Er
zijn grote variaties in ontwikkeling van BNP tussen de landen, maar de ‘level
of affluence’ voor 1985 is in elk land ongeveer hetzelfde. De
levensstandaard verschilt ook weinig tussen de landen (nog minder dan in 1950),
met uitzondering van Zwitserland en Noorwegen, waar deze beduidend hoger ligt.
Het totaal van investeringen in vastgoed van een land reflecteert het
volume van ‘gross national savings’ (GNS) (Zie blz. 76 laatste kolom voor
betekenis)
In 7 van de tien landen betreffen de investeringen in woningen meer dan
25% van het GNS.
Alleen NL, GB, en N hebben minder dan 25% van GNP in woningen geïnvesteerd. In Noorwegen is de oorzaak hiervan vooral zelfbouw, wat vaak niet in statistieken voorkomt. In NL en GB kwam het vooral door de politiek dat de investeringen in woningen lager waren dan economisch haalbaar zou zijn geweest.
Lees de Conclusie op blz 78 door en het hele verhaal wordt je
duidelijk. Er wordt in dit stuk nogal met cijfers gesmeten. Bekijk de tabellen
goed dan wordt het misschien iets duidelijker.