Samenvatting B2VAK
Omwenteling sociale huursector op handen?
De Woningwet in 1901 stelde het wonen onder rijksverantwoordelijkheid.
Dit kwam door toenemend besef van de erbarmelijke woontoestanden aan het eind
van de 19e eeuw. Door urbanisatie – wat na de Vestingwet in 1874
steeds grotere vormen aannam – verergerde dit. De gemeente en de markt zouden
de problemen niet kunnen oplossen. De Woningwet kreeg draagvlak door de
toenemende steun voor progressieve politieke stromingen.
In en vlak na oorlogstijd, toen er te weinig en slechte woningen waren,
is de Woningwet het sterkst geweest. Nu is er vertrouwen in de markt, maar
heeft de Woningwet alsnog voordelen:
1.
zorg voor kwetsbare groepen
2.
bevordering van innovatie en dynamiek
3.
wegnemen van schadelijke effecten van slecht wonen
4.
harmonisatie met Europese regelgeving
5.
behoefte aan verticale (schaalniveaus) en horizontale (sectoren)
coördinatie.
Gemeenten hielden toezicht in woningbouw, waardoor er tussen gemeenten
grote verschillen waren. In 1989 (Nota Heerma) werd bouwregelgeving
gecentraliseerd. Dat houdt in dat er gelet werd op:
1.
gezondheid
2.
veiligheid
3.
energiezuinigheid
4.
milieu
5.
bruikbaarheid
Als aan deze voorwaarden voldaan werd, kreeg men een bouwvergunning.
Dit Bouwbesluit werd zo opgesteld vanwege:
1.
afstemming op Europese regelgeving
2.
prestatie-eisen zijn beter te controleren dan technische oplossingen
3.
bevordering van marktwerking (grensoverschrijdende regels)
Gemeenten klaagden over dit besluit omdat zijn macht moesten inleveren,
ontwerpers en bouwers omdat het te ingewikkeld was. Voorlopig is het echter de
beste oplossing.
De eerste woningcorporaties bestonden al voor de Woningwet. Door de
Woningwet kregen woningcorporaties een publieke (non-profit) functie.
Nederlandse corporaties hadden aan het eind van de 20e eeuw 42% van
de woningvoorraad in handen, het hoogste percentage in de EU. De laatste jaren
daalt het echter.
Andere partijen in het corporatie-stelsel:
1.
Centraal Fonds Volkshuisvesting (publiekrechtelijk orgaan met
saneringsfunctie)
2.
Waarborgfonds Sociale Woningbouw (publiekrechtelijk orgaan met
garantiefunctie)
3.
Commissie Sluitend Stelsel (ziet toe op vervulling van verplichte
taken)
Sinds 1995 hebben woningcorporaties geen publieke steun meer, omdat
staatssecretaris Remkes eigen-woning-bezit wilde stimuleren. Zij verdienen nu
veel aan het verkopen van woningen, wat vanaf toen mogelijk werd.
Door een brede, gedifferentieerde functie van woningcorporaties,
ondersteund door een effectieve huursubsidiëring, gericht op vraagversterking
van lage-inkomensgroepen, worden stigmatisering en gettovorming op de
woningmarkt voorkomen.
In slechte tijden kon het woningprobleem niet door de markt worden
opgelost. Er kwam toen steun in de vorm van wetten (Huursubsidiewet en Wet
ISV), terwijl het Rijk ook daarbuiten geld beschikbaar kon stellen. Een fout
van de Woningwet is het bevoordelen van bewoner-eigenaars en hoge inkomens. Ook
van eigendomsneutraliteit in het woonuitgavenbeleid voor huurders en kopers is
geen sprake. Dat doorkruist het beginsel van consumentensoevereiniteit, dat in
de Woningwet centraal hoort te staan.
De Woningwet heeft veel goeds maar is op twee punten aan herziening
toe:
1.
Consumentensoevereiniteit: meer aanbod- i.p.v. vraaggerichtheid,
waardoor overheid en marktpartijen de transparantie op de woningmarkt moeten
vergroten
2.
Eigendomsneutraal volkshuisvestingbeleid: de keuze voor huren of kopen
moet bij de klant liggen en bij lage inkomens moet steun voor huurders en
bewoner-eigenaars gelijk zijn, terwijl bewoner-eigenaars met hoge inkomens
zouden geen steun moeten krijgen
De herziene Woningwet zou nog eeuwen meekunnen. Het is ook noodzakelijk
om andere wetten, die te maken hebben met de Woningwet, kritisch te
onderwerpen.