Cor van Eesterenmanifestatie 1997 – Een perspectief voor de stad.

Door Professor Kreukels.

Blz. 16 t/m Blz. 28.

 

q       Erupties aan het eind van een eeuw.

·        Binnen- of buitenwereld als vertrekpunt?

Kreukels spreekt van een ‘erosie van de vakdiensten met een verschuiving naar een bredere en meer geschakeerde inzet vanuit uiteenlopende diensten en specialismen’. Ofwel er wordt tegenwoordig van meerdere vakgebieden gebruik gemaakt om een probleem op te lossen of een nieuw project te beginnen (integratiebeleid).

De vakwereld sluit zich af van de buitenwereld, er is geen overeenstemming tussen het zelfbeeld van de vakwereld en de status van de buitenwacht. Vakfiguren zien zichzelf anders dan hoe de buitenwereld de vakmensen ziet. 

De werkwijze is van binnen naar buiten, in plaats van buiten naar binnen: het vakgebied vormt het vertrekpunt. Door deze interne gerichtheid van met ruimtelijke inrichting verbonden disciplines is het besef van relatieve isolatie beperkt.

 

De stedelijke wereld raakt steeds meer gevarieerd en gedifferentieerd. De ruimtelijke ordening en stadsontwikkeling zijn qua opdracht en functioneren nog steeds grotendeels verbonden aan de overheid, die vrij afgeschermd werkt, hetzij vanuit vastgoedsector of vanuit de overheid. Daardoor is de verbinding met de geschakeerde realiteit vanuit de vakgebieden moeilijk. De vakdisciplines kunnen alleen optimaal functioneren als ze met open vizier verbonden zijn met de samenleving. Dat komt neer op de noodzaak van verbindingen met allerlei groeperingen van die samenleving en een nauwe samenspraak met betrokken vakgebieden.

De binnenkring is niet een duidelijk aangegeven vakexpertise, maar om een aantal kerndisciplines, die allemaal vinden dat ze de centrale positie innemen aangaande het werk van de ruimtelijke inrichting en stedelijke ontwikkeling, of het nu gaat om architectuur, stedenbouw of andere disciplines die zich op deze markt hebben begeven (civiele techniek, planologie, recht). Naargelang de maatschappelijke en economische context en overheersende culturele visies wijzigt de relatieve erkenning voor elk van de kernberoepen steeds, maar een duidelijke koningsrol (eerste positie) is voor geen van alle over een langere periode weggelegd.

 

Gold (1976): ‘gesloten vakcultuur’

1.      Vakcultuur afgesloten van de buitenwereld.

2.      Vakcultuur bestaande uit afzonderlijke subgroepen, die elk voor zich steeds opnieuw de kernpositie opeisen.

 

·        Pleidooi voor een meer open stedenbouw en planologie.

Verschillende disciplines moeten samenwerken, bruggen slaan tussen de binnen(vak)wereld en de buitenwereld. Volgens Kreukels moeten de stedenbouwkundigen en de planologen hun relatieve isolement verbreken en niet alleen rekening houden met de economische en technische realiteit, maar ook met cultuur, politieke en maatschappelijk debat. Een grotere openheid en een verbinding tussen stedenbouw/planologie en de praktijk is noodzakelijk.

 

 

 

 

 

q       Perspectieven bij de eeuwwisseling.

·        Actuele verstedelijking nader beschouwt.

Opvallend in ruimer historisch perspectief:

1.      Versnelde verstedelijking en een verschuiving af in stedelijke zwaartepunten.

2.      Diffusie van verstedelijking komt neer op een bevolkingstoename in steden, in metropolen en in verstedelijkte gebieden (bv. suburbanisatie). Het landelijk gebied raakt op onderdelen bij het stedelijk gebied betrokken, direct of indirect (ex-urbanisatie).

 

·        Stadsregio’s.

Stedelijke centra worden steeds meer onderdeel van verstedelijkte zones. Nieuwe centra of stedelijke complexen komen tot stand in sub-urbane gebieden. De oorspronkelijke stedelijke hoofdcentra groeien als het ware verder over een omvangrijk stedelijk bebouwd gebied. De kernstad raakt hierdoor opgenomen in een ruimer geheel van overwegend groen of agrarisch gebied met een verspreide bebouwing, waarin nieuwe concentraties van bebouwing voor wonen, bedrijvigheid, en voorzieningen met nieuwe lijn- en knooppuntinfrastructuur geleidelijk een nieuw patroon van verstedelijking zichtbaar maken: de stadsregio.

Reurbanisatie: de kernstad groeit licht, stadsregio stabiel of niet.

Door de huidige schaalvergroting van veel stedelijke functies en markten verschuift de stedelijke eenheid van vroeger op stadsniveau naar een stedelijke eenheid op stadsregionaalniveau.

 

·        Een intermezzo: stadsregionaal bestuur.

Met de optie van de stadsprovincie denkt men aan de bestuurlijke kaders voor de stadsprovincies. Hetgeen neerkomt op het nastreven van government (bestuurlijke kaders op stadsregionaal niveau) in plaats van governance (beleidsregimes, aansluitend bij de nieuwe verbindingen en samenhangen op stadsregionaal niveau). Met governance is het mogelijk mee te groeien met de schaalvergrotingen. Bovendien maakt de governance het mogelijk de verbindingen naar hoger en lager schaalniveau recht te blijven doen binnen het stelsel van bestaande bestuurlijke verhoudingen. In Nederland wordt nu nog geroepen om government, echter we moeten zo snel mogelijk naar de governance-varianten, zoals nu al het waardevolle gebiedsgericht beleid in ons land.

 

·        Stedelijke hoofdregio’s in nationaal verband.

De clustering naar landsdelen: stedelijke hoofdregio’s in nationaal verband – zoals de Franse superregio’s, is er in eerste instantie één van economische en infrastructurele eenheden, maar ze verbindt zich nogal eens met de belangrijkste historisch-culturele indelingen van het betreffende land. Schaal van deze gebiedseenheden wordt in belangrijke mate bepaald door de grootte van het land, en historisch-culturele en geopolitieke factoren. In Nederland wordt deze koppeling van verstedelijking op twee schaalniveaus het best teruggevonden in de stadsregionale ontwikkeling rondom de vier grote steden en het aanvulsel daarvan in de hoofdregio Westelijk Nederland: de Randstad met uitschieters naar overig Nederland.

 

·        West-Europese stedelijke zones.

De schaalvergroting stopt niet bij de nationale grenzen. Ze zet zich voort in steeds omvangrijkere internationale clusteringen tot op wereldniveau: bijv. Pacific-Rim, en de Atlantische as. Steden en regio’s zijn steeds meer over de grenzen verbonden met stedelijke gebieden elders in de wereld. Maar de meeste en intensiefste (handels)relaties zijn nog steeds die binnen landen en met de omringende landen. De hoofdregio’s zetten zich in enkele gevallen voort in West-Europese stedelijke zones.

Uiteindelijk zal men bij de verstedelijking zicht moeten hebben op de feitelijke clustering. Er bestaat clustering op drie schaalniveaus, die in elk land zijn eigen vorm aanneemt:

1.      Regionaal.

2.      Hoofdregionaal in nationaal verband.

3.      Hoofdregionaal in internationaal verband.

 

·        Een hoofdagenda in het kader van de huidige verstedelijking.

De drie belangrijkste thema’s bij de huidige verstedelijking:

1.      Op de eerste plaats van de stedelijke ontwikkeling staat de economische en technologische sterkte van steden en regio’s.

Managed Growth:

-         Het vertrekpunt in de gegeven competitie tussen stedelijke gebieden en regio’s is de economische en de technologische ontwikkeling. Andere belangen en waarden worden in rondes van beleidsprogrammering bepaald.

-         In het beleidsprogramma worden de verschillende belangen gewogen om te beslissen over prioriteiten bij ruimtelijke vernieuwing, herschikking en uitbreiding.

-         Er zijn meerdere rondes van onderhandelingen op stadsregionaal niveau.

-         Het publieke en politieke karakter van de managed growth blijkt uit ede nadruk op het vastleggen en bepalen van wie de kosten en lasten draagt van nieuwe ontwikkelingen en wie ervan profiteert of de vruchten ervan plukt. In dit opzicht zijn het overleg en de onderhandelingen financieel bindend.

2.      Aandacht voor infrastructuur.

3.      Nieuwe segmentatie in uiteenlopende milieus in stadsregionaal en landsdeelverband.

Meer oog voor de middenmoot, dan de extremen.

 

·        Naar een eigentijdse meer-niveau-aanpak.

Een ideaaltypische ordening van de inzet van respectievelijk lokaal, provinciaal, en nationaal beleid ten aanzien van de steden en regio’s.

1.      Stedelijke gemeenten bepalen zelf hun ontwikkeling in samenspraak met de andere bestuurlijke schaalniveaus.

2.      Provincie en Rijk steunen het ontwikkelingsbeleid op lokaal en stadsregionaal niveau, mede door juridische en financiële autonomie.

3.      Provincie en Rijk zullen selectief ingrijpen waar het nationale of internationale belangen betreft.

Frankrijk staat in deze ontwikkeling voorop.

 

Deze kanttekeningen dwingen tot een grotere terughoudendheid in voorstellen voor een overkoepelende ruimtelijke ordening in Europees verband.

 

q       Sleutels voor ruimtelijke inrichting en stadsontwikkeling.

·        Publiek domein en de georganiseerde stad.

Men moet behalve rekening houden met de huidige schaalvergroting, ook goed rekening houden met de schaalverkleining. Het betreft de inzet voor onderscheiden woon-, werk-, en voorzieningenmilieu’s. Daarbij dwingt meer dan voorheen de afstemming op de specifieke plaatselijke gegevenheden en onderscheiden vraag en aanbod tot een aanpak op maat.

Vinex-locaties zijn verledentijd. Dergelijke projecten verschuiven naar ‘consortia’ vanuit de particuliere sector waarbij de betrokkenheid van de publieke sector de vorm aanneemt van een belangrijke complementaire partner, representant van algemene en bijzondere belangen. De stedenbouw en de planologie kunnen hier volop tot hun recht komen wanneer ze zich aanpassen aan deze differentiatie van opdrachtgeversschap achter een rijkgeschakeerde vraag en aanbod vanuit de samenleving zelf in plaats van uit de overheid.

 

Alles verwijst naar een veranderd bestel waarbij de belangrijkste wijziging is dat het monopolie van de overheid bij bouw, infrastructuur en ruimtelijke inrichting geleidelijk verschuift naar een situatie waarbij het opdrachtgeversschap bij ruimtelijke inrichting en stadsontwikkeling meer geschakeerd is en verbonden met een veelvoud van particuliere opdrachtgevers, van een veelvoud van organisaties en instellingen (waaronder overheid). Kenmerkend bij een evolutie in deze richting is juist de variatie in het opdrachtgeversschap (‘liberalisering van de woningbouw’), met een eigen verantwoordelijkheid van de overheid, waarbij een gedifferentieerde markt zich kan doen gelden. Stedenbouw en planologie moeten bevrijd worden van hun automatische associatie met de overheid.

 

Belangrijk in Nederland voor de komende periode wordt de capaciteitplanning in plaats van de te ver doorgeschoten nationale bestemmingsplanning. De capaciteitsplanning gaat uit van het punt waarbij schaarste wat betreft grond of gewilde locaties, de markt de waarde bepaald, en waarbij e planning dient om fricties tussen uiteenlopende belangen en externe kosten in die markt te verrekenen.

 

Stedenbouw en planologie zijn meer dan voorheen verbonden met de ideologische en culturele debatten in die samenleving en met de economische en technologische drijfveren.

 

 

 

Hosted by www.Geocities.ws

1