INTRODUCTION TO SOCIAL HOUSING, Paul Balchin                                       B2THE 2002

 

Sociale woningsector is in NL qua omvang groter dan elders in West-Europa. (In 1994 bedroeg de omvang van deze sector 36 procent op het totaal aan woningen in NL, tegenover 18 procent op het EU-totaal.)

 

Een algehele ontwikkeling die zich voordoet in de EU sinds de afloop van de WO II is een groei van de koopsector en de sociale huursector, gepaard gaande met een afname van de private huursector.

De koopsector is de snelst groeiende woningsector in de EU. Bedroeg deze in 1961 39 procent van het totaal, in 1994 was deze toegenomen tot 54 procent. Vanuit de overheden wordt deze groei gestimuleerd door het verstrekken van subsidies, het geven van korting en het bieden van hypotheekvoordelen.

 

Met betrekking tot de sociale huursector kent men in de EU twee typen ‘huisbazen’: de private woningcoöperaties en gemeentelijke woningcoöperaties. In de private huursector bestaan er eveneens twee typen, namelijk de individuele verhuurders en de private instanties.

 

Hieronder volgt een aantal kenmerken (en ontwikkelingen) die betrekking hebben op de woningbouw in verschillende Europese landen.

 

Zweden

Dit land kent eveneens een omvangrijke sociale huursector: 22 procent op nationaal niveau tegenover de eerder genoemde 18 procent als gemiddelde binnen de EU.

De gemeentelijke woningcoöperaties ontstonden rond 1935 als non-profit organisaties, gesubsidieerd door de overheid. Een wet op de maximale hoogte van de huur, die aangenomen werd in 1942, deed de omvang van de private huursector afnemen.

Rond deze tijd ontstonden er in Europa, met uitzondering van NL, coöperaties die bestonden uit de huurders zelf. In Zweden werd met betrekking tot dit deel van de huursector in 1972 een wet geïntroduceerd. Hierin werd vastgelegd dat de huurders verplicht zijn hun geldelijke bijdrage te leveren, zelf verantwoordelijk zijn voor de onderhoudskosten. Maar bij verkoop van de huurrechten mogen zij de marktwaarde hiervoor vragen en de opbrengst in eigen zak steken.

 

Oostenrijk

Opvallend in dit land is de relatief omvangrijke private huursector. De ontwikkelingen die zich, sinds de val van het IJzeren Gordijn voordoen in de voormalige Oostblok-landen, deed het aantal migranten in Oostenrijk enorm toenemen. Als gevolg van de economisch slechte situatie waar deze mensen in verkeren, is de sociale huursector sinds 1989 aanzienlijk gegroeid. (Hoewel deze qua omvang klein is in vergelijking met de situatie in de overige landen binnen de EU.)

De koopsector is het grootst (zo’n 55 procent) als gevolg van het subsidiebeleid wat de overheid sinds tijden voert. Mogelijk speelt hier ook het rurale karakter van het land een rol.

 

Frankrijk

De situatie in dit land komt nauw overeen met het EU-gemiddelde:

 

1994                             Frankrijk                      EU-gemiddelde

private huursector                    21                                21       

sociale huursector                    18                                17

koopsector                                56                                54

 

HOUSEBUILDING

 

De huizenbouw heeft een enorme vlucht genomen in de periode na de WO II. Zo bestaat in NL 75 procent van het huidig woningenbestand uit na-oorlogse woningen. Zweden staat op nummer twee met ongeveer 70 procent. In beide landen is de bouw met pieken en dalen gepaard gegaan, afhankelijk van de regeringspolitiek en de economische situatie. In Oostenrijk is de bouw opvallend gelijkmatig verlopen. (Een mogelijke oorzaak is niet bekend, althans wordt niet genoemd in dit artikel.) In Frankrijk werd gestart met het bouwen via de particuliere sector, later (eind jaren ’50) maakte men de overstap naar de sociale woningbouw.

 

HOUSING INVESTMENT, FINANCE AND SUBSIDIES

 

Nederland

De situatie in NL is als volgt: de private sector staat duidelijk onder controle van de overheid, subsidies zijn onmisbaar om de sociale woningbouw in stand te houden en de koopsector wordt op dit moment enorm gestimuleerd vanuit de overheid. De huisvestingspolitiek in NL is een kostbare aangelegenheid. Het grootste deel van het geld wordt besteed aan subsidies en het verstrekken van leningen.

 

Zweden

Ook in Zweden was overheidsgeld nodig om de publieke coöperaties te doen draaien. De sociale sector is vanwege het bestaan van de nodige wetgeving lange tijd de marktleider geweest wat betreft huurhoogte en dergelijke. Sinds de jaren ’90 is de private sector echter van deze wetgeving ontheven.

 

Oostenrijk

In dit land in meer dan 60 procent van de naoorlogse woningen gebouwd met behulp van overheidsgelden. Ondanks deze steun is het de overheid niet gelukt om de gehele bevolking van goede huisvesting te voorzien.

 

Frankrijk

De wetgeving op de huurhoogte werd in 1948 versoepeld. Sindsdien doet zich een dualistische structuur voor in de huursectoren. De koopsector ontvangt eveneens subsidie, hoewel de overheidsinvesteringen in de woningbouw duidelijk afnemen.

 

DEVELOPMENTS IN HOUSING POLICY

 

Nederland

In 1989 werd de Nota Heerema gepresenteerd. Hierin werd aangegeven dat als gevolg van de toenemende kosten  1. de controle over de huurhoogte in de private sector versoepeld moet

worden

2. subsidies meer gericht moeten worden op hen die ze werkelijk nodig hebben

3. een privatisering van de huursector stimuleren, inclusief de verkoop van huurwoningen

4. een decentralisatie uitvoering wat betreft het verantwoordelijkheidsniveau

 

Zweden

Sinds 1980 deed zich een economische neergang voor, bezuinigingen waren het gevolg. Ondanks de economische vooruitgang van de laatste jaren van de 20e eeuw, bleef de overheidsinvestering van afnemend belang. Wel blijft hoog in het vaandel staan: het voorkomen van segregatie in de woongebieden.

 

Oostenrijk

Meer en meer vormt de WBSF, een organisatie gevestigd in Vienna, de bepalende factor in bouwkwesties. Als gevolg van de grootte hoeveelheid land die deze organisatie in bezit heeft, is zij instaat in grote delen van het land invloed uit te oefen op ondermeer de landprijzen.

 

Frankrijk

Sinds 1970 doet zich een privatisering voor, waarbij bijvoorbeeld een overstap gemaakt wordt van object- naar subjectsubsidies. De uitvoer van dit beleid heeft enorme, negatieve gevolgen: het land kent ruim 200.000 daklozen en ongeveer 600.000 mensen die in tijdelijke woningen (vb. caravans) bivakeren.

 

CONCLUSIONS

 

Wat betreft de omvang en de aard van de subsidies komt de situatie in NL overeen met die in Zweden. In Zweden is echter wel meer aandacht voor het behoeden van een extreme groei van de private huursector. De Heerema Commissie heeft aangegeven dat bezuinigingen nodig zijn en subsidies opgeheven moeten worden. De bestaande schuld kan ter compensatie kwijtgescholden worden. Deze ontwikkeling doet zich ook voor in Zweden, hoewel hier specifieke aandacht blijft voor de ‘minderbedeelden’ op de woningmarkt.

In Oostenrijk neemt de sociale woningbouw nog steeds toe, met als gevolg van de genoemde  migrantenstroom. Tegelijkertijd neemt de druk op de nationale, economische balans toe.

De Franse situatie vraagt dringend om uitbreiding van de woningmarkt, zodat ruimte vrij komt voor de daklozen en de nu nog ‘mobiele’ mensen. Deze uitbreiding zal vooral plaats moeten vinden in de koopsector, om de doorstroming te stimuleren en in de sociale huursector.

In elk land is er sprake van een macro-economische druk die leidt tot bezuinigingen en gerichter subsidiëren.

 

 

Mensen, veel succes gewenst met het leren!

 

Groet,

 

Maryse

 

 

Hosted by www.Geocities.ws

1