Samenvatting "Milieuproblemen in ontwikkelingslanden" – Kleinpenning

Door: Danny Nobel

*Hoofdstuk 1; Inleiding – Kleinpenning, J.M.G.

De fysieke omgeving vervult voor de mens meerdere functies, zoals de consumptie- en productiefunctie. Hierbij moet worden gezorgd dat er zo mijn mogelijk milieudegradatie ontstaat. De afgelopen jaren is onder invloed van de mondiaal toenemende zorg over het milieu, ook meer aandacht gekomen voor milieuproblematiek in de ontwikkelingslanden.

I.t.t. milieuproblemen in het Westen hebben die van ontwikkelingslanden meer te maken met bedreiging en vernietiging van natuurlijke hulpbronnen. Het is daar vooral een uiting van:

a) Onderontwikkeling: Omdat er armoede heerst onder brede lagen van de bevolking worden vele mensen gedwongen marginale gronden in gebruik te nemen, te ontginnen en te ontbossen, om zo te overleven. Ook is er te weinig geld voor investeringen in goede behuizing en voorzieningen. De zwakke economie zorgt voor onvoldoende werkgelegenheid en voor weinig overheidsinkomsten. Tenslotte groeit de bevolking snel wat een extra milieubelasting betekent.

b) Het gevolgde nationale ontwikkelingsbeleid: Dit beleid was/is vaak te veel gericht op economische groei en inkomsten op de korte termijn. Gevolg is niet-duurzame exploitatie. Verder was het beleid vaak gericht op (middel)grote producenten zodat tal van kleine producenten buiten boord vielen en arm bleven. Bereidheid om lange termijn problemen (milieu) op te lossen ontbreekt vaak.

Omdat de complexe problematiek van onderontwikkeling niet op korte termijn is op te lossen, zullen ook milieuproblemen nog lang niet tot het verleden behoren. Ook de druk vanuit de welvarende landen op het milieu in de derde wereld zal voorlopig nog blijven bestaan.

Milieuproblemen doen zich zowel voor in rurale als in urbane gebieden. In de komende hoofdstukken zal hieraan aandacht worden besteed.

*Hoofdstuk 2; Rurale milieuproblemen in vochtig-tropische gebieden.

De ontbossing van tropische regenwoud wordt wereldwijd als een van de meest zorgwekkende problemen beschouwd. Met het bos verdwijnen de vele functies die het vervult voor mens en dier. Deze functies omvatten o.a de intrinsieke waarde als zijnde een uniek en indien vernietigd, niet te herstellen ecosysteem. De soortenrijkdom biedt medicijnen en kan fungeren als genetisch reservoir. Daarnaast heeft het een regulerende functie; het is een reservoir van koolstof en zorgt voor terugkaatsing van zonnestraling. Het speelt eveneens een belangrijke rol bij het behoud van de bodem en het voorkomen van erosie. Een volgende functie is die van leefgebied van mensen en zeer veel diersoorten. Tenslotte heeft het een productiefunctie. Zowel hout, voedsel als planten zijn belangrijke goederen uit het tropisch bos. De economische betekenis is dan ook groot.

Voor de ontbossing van het regenwoud zijn verschillende oorzaken aan te wijzen die nogal verschillen tussen gebieden met een hoge bevolkingsdruk (Z-O Azië) en een lage bevolkingsdruk (Amazone):

1) Zwerflandbouw: Bij deze vorm van landbouw ontginnen boeren steeds een stuk bos via de slash-and-burn methode en bebouwen dat voor enkele jaren. Daarna ontginnen ze een nieuw stuk bos en laten de oude akker voor langere tijd (8-20 jaar) braak liggen. Deze vorm van landbouw is alleen geschikt voor gebieden met een zeer lage bevolkingsdichtheid. Als door bevolkingsgroei de braak tijden te kort worden kan zwerflandbouw echter een serieuze bedreiging voor het regenwoud gaan vormen. De bevolkingstoenames zijn in veel gevallen te wijten aan de migratie van landloze boeren naar het woud. In sommige landen (zoal Brazilië) is deze beweging door de overheid gestimuleerd. Omdat de bodems van het regenwoud zeer onvruchtbaar zijn tezamen met slechte infrastructuur en onderwijs is deze migratie voor veel boeren zeer nadelig uitgevallen. Om toch voor oogst te zorgen ontgint men steeds nieuwe stukken woud met alle gevolgen van dien.
2) Plantages
: Grootschalige, door MNO’s beheerste landbouwplantages zijn vooral een oorzaak van ontbossing in Maleisië en Indonesië

3) Infrastructuur en mijnbouw: In verschillende landen heeft de regering bewust gekozen voor ontsluiting van het regenwoud door wegen om zo o.a. voor nieuwe landbouwgronden te zorgen, het exploiteren van zaken als hardhout en delfstoffen te stimuleren en de deelstaten meer te integreren in het land. Ook de aanleg van stuwdammen en mijnen heeft voor ontbossing gezorgd.

4) Grootschalige veeteelt: Met name in Latijns-Amerika is veel oerwoud omgezet in weidegrond. In Brazilië is de vestiging van veeteeltbedrijven ook lange tijd met belangvoordelen en subsidies aangemoedigd. Zowel vanuit sociaal-economisch als ecologisch oogpunt bieden deze bedrijven meer voor dan nadelen. Ze zorgen nauwelijks voor werkgelegenheid, zijn niet duurzaam en zorgen voor grondconflicten. Van de hamburgerconnectie uit de VS is eveneens geen sprake.

5) Commerciële houtexploitatie: Hoewel houtkap selectief is leidt het toch vaak door verwoesting van het woud omdat er onvoldoende maatregelen worden getroffen om schade aan de overblijvende vegetatie te beperken. Zou dit wel gebeuren dan hoeft houtkap op zich niet onduurzaam te zijn.

Bij het bestrijden van ontbossing in de vochtige tropen zal men zich moeten realiseren dat er verschillende diepere factoren ten grondslag aan liggen zoals de armoede en bevolkingsdruk, de externe vraag naar hout en landbouwproducten en de zware buitenlandse schuldenlast van ontwikkelingsoverheden. Maatregelen zullen dus voor een deel buiten het bos moeten liggen. In de regenwouden zelf is planning van landgebruik in samenspraak met de lokale bevolking belangrijk. Steun aan kleine boeren, afschaffing van financiële prikkels voor niet duurzame activiteiten, zorgvuldige houtkap en het steunen van lokale en NGO-initiatieven zijn eveneens essentieel.

*H3: Rurale milieuproblemen in Indonesië – Van Naerssen

In Indonesië is er een groot verschil tussen het dichtbevolkte en onder cultuur gebrachte Java, en de buiteneilanden die nog voor een groot deel bebost zijn. Op Java is nu nog maar minder 10% bebost; de groeiende bevolking zorgde ervoor dat steeds meer land ontgonnen werd. Daarnaast vindt er aantasting plaats door houtkap t.b.v. woningbouw en brandstof. Het kappen van bossen op Java heeft gezorgd voor versnelde erosie en veel wateroverlast. Omdat de plattelandsbevolking een noodsituatie verkeerd hebben simpele kapverboden e.d. geen zin. Erosiebeperkende vormen van grondgebruik (zoals agro-forestry waarbij akker- en bosbouw worden gecombineerd) bieden betere oplossingen.

Op de buiteneilanden van Indonesië zoals Kalimantan en Irian Jaya, zijn momenteel nog de meeste uitgestrekte bosarsenalen te vinden. Hier worden de bossen bedreigt door:

a)Geplande en spontane transmigratie en kolonisatie: De inheemse bevolking die aan zwerflandbouw doet, verkort onder druk van bevolkingstoename alsmaar de braak. Een andere bedreiging vormen de grote aantallen migranten die zich permanent in het bos vestigen om landbouw te beoefenen.

b)Commerciële houtkap:In Indonesië komen de grootste arsenalen tropisch hardhout voor. Wanneer het oorspronkelijk bos wordt gekapt, ontstaat er secundair bos wat niet voor exploitatie geschikt is. Als dit secundair bos ook nog wordt aangetast ontstaat er een vegetatie gedomineerd door hard gras, die verder nutteloos is. Na de staatsgreep in 1965 wordt er door de Nieuwe Orde voor een kapitalistische ontwikkelingsstrategie gekozen waarbij houtkap een belangrijke plaats innam. Tot de eind jaren 70 treed er dan ook een enorme boom op van commerciële houtkap, om zich daarna min of meer te stabiliseren. Omdat de vraag op de wereldmarkt groot is, is bosexploitatie big business geworden. Aanvankelijk waren er vooral buitenlandse ondernemingen actief, nu wordt de sector (o.i.v. het concessiebeleid) gedomineerd door binnenlandse bedrijven. Omdat tropisch woud zich niet op korte termijn herstelt heeft kap meestal desastreuze gevolgen. Selectieve kap kan dit voorkomen, maar omdat de beschermingsmaatregels van de overheid vrijwel niet nageleefd worden, gebeurt dit meestal niet. Verder worden concessies afgegeven voor een termijn van 20 jaar, wat de bedrijven niet aanzet tot duurzaam gebruik van de bossen. Het gevolg is een systematische vernietiging van het woud. Wel vindt er herbebossing plaats met snel groeiende boomsoorten om negatieve effecten als versnelde erosie op te vangen. Er zijn plannen om deze herbebossing te verbinden met de productie van papier en pulp, maar hierop is nogal kritiek geuit. De fabrieken kunnen voor vervuiling gaan zorgen en bovendien ligt het voor de hand dat houtexploitatie van de oorspronkelijke bossen door zal gaan omdat de plantages wellicht te klein zullen zijn.

Commerciële houtkap zorgt er verder voor dat inheemse bevolkingen uit hun woongebied worden verdreven. Commerciële houtkap vernietigt de bossen velen malen sneller dan met zwerflandbouw gebeurt. Toch wordt de schuld van ontbossing en daarmee gepaard gaande milieudegradatie vaak afgeschoven op de inheemsen.

*H4 De milieuproblematiek in semi-aride gebieden: het voorbeeld van de Sahel – Harts-Broekhuis.

Het natuurlijk milieu in de droge gebieden legt sterke beperkingen op aan de bestaansactiviteiten van de mens. Het evenwicht tussen mens en milieu is in deze gebieden zeer kwetsbaar. Een voorbeeld van de problemen in droge gebieden is de Sahelproblematiek. De Sahelzone in Afrika is een overgangsgebied tussen de woestijn en savanne, waar in de zomer soms nog wat regen valt. Het begin en de verdeling van de regens wisselt per jaar enorm. De problematiek in de Sahel hangt samen met o.a. aanhoudende droogte en bevolkingsgroei. Hierdoor worden de traditionele bestaanbronnen ((semi-)nomadische en niet-kapitaalintensieve veeteelt en regen afhankelijke akkerbouw) beïnvloed met milieudegradatie als uiteindelijk gevolg. De intensiteit van de problematiek wordt vergroot door de armoede van de Sahellanden waardoor men m.b.t. de bestrijding van problemen afhankelijk is van buitenlandse hulp.

In de Sahel wordt zowel aan veeteelt als aan akkerbouw gedaan. Deze veeteelt heeft vaak een nomadisch karakter en is gebaseerd op minimalisering van de risico’s. Zo bouwt door vergroting van de kuddes in gunstige jaren een reserve op en houdt veel verschillende soorten vee. Akkerbouw wordt alleen beoefent in de regentijd en in sommige vloedvlakten en irrigatiegebieden. Tenslotte is visserij een belangrijke bestaansbron; men vist in de permanente meren en rivieren.

Vanwege het onregelmatig karakter van het Sahelklimaat, zijn de gebruiksgrenzen van het ecosysteem zeer nauw. Als deze worden overschreden treden er onherroepelijk problemen op. Eén van de grootste problemen is landdegradatie; hiertoe behoort het verdwijnen van vegetatie en verandering van de soortensamenstelling, verandering in het grondwaterniveau, bodemverzilting, de reactivering van zanden en het versneld voorkomen van erosie. Het is niet precies duidelijk in hoeverre de problemen in de Sahel te wijten zijn aan menselijk ingrijpen of natuurlijke oorzaken. Duidelijk is wel dat onderontwikkeling de problematiek alleen versterkt en dat de volgende factoren zeker aan de milieuproblemen hebben bijgedragen:

*Politiek-economische veranderingen ten tijde van het kolonialisme: Door de verschuiving van het economisch centrum naar de kustgebieden kwam de Sahel in de periferie te liggen, wat de aanzet was voor de hedendaagse achterstand. De traditionele bestaanswijzen van de veehoudende nomadische bevolkingsgroepen werd onder het koloniaal bestuur bemoeilijkt door territoriale herindelingen, en de zich uitbreidende exportgerichte akkerbouw die door de koloniale overheden gestimuleerd werd. Tenslotte kreeg de lokale bevolking minder zeggenschap over het beheer van de lokale hulpbronnen en kwam alle grond officieel in handen van de staat. De weidegronden werden daarna verklaart tot vrij te exploiteren gronden, waardoor de veehouders’ oorspronkelijke eigendomsafspraken ongeldig werden. Hierdoor verdween ook gelijk het belangrijkste argument om de exploitatie van de weidegronden te reguleren.

*Het postkoloniale ontwikkelingsbeleid t.a.v. de agrarische sector: Dit beleid bleef voorrang geven aan moderne exportgerichte landbouw ten koste van de traditionele akkerbouw en veeteelt.

*Toegenomen druk op natuurlijke hulpbronnen door bevolkingsgroei: Ook de bevolkingsgroei heeft de milieuproblemen verergert. Zo werd het akkerbouw arsenaal steeds maar uitgebreid; ook op marginale gronden en werd de braaktijd verkort. Het gevolg was bodemverarming, wind en watererosie dat op hun beurt weer zorgt voor opbrengstdaling.

De actieradius van de veehouders werd door allerlei ontwikkelingen verminderd terwijl tegelijkertijd de veestapel toenam. Dit was het gevolg van o.a. verbeterde veterinaire zorg en risicominimalisering. Daarnaast gingen steeds meer akkerbouwers en de stedelijke elite ook investeren in grote kuddes. De uitbreidingen zorgde in de natte jaren 50 en 60 voor weinig problemen, maar toen eind jaren ’60 een periode van droogte begon, manifesteerde het verstoorde evenwicht tussen veestapelomvang en weideterreinen zich opeens. Overbegrazing en massale veesterfte was het gevolg.

*Houtkap en de vernietiging van de natuurlijke vegetatie: Dit is o.a. het gevolg van uitbreidende bewoning, de aanleg van nieuwe akkers, de kap voor brandhout en de grote geitenkuddes. Plattelandsvouwen moeten nu steeds een grotere afstand afleggen om het nodige hout bijeen te sprokkelen.

De degradatie in de semi-aride gebieden is reeds lang als probleem erkend; er zijn in de loop der tijd dan ook talrijke oplossingen gesuggereerd. Veel oplossingen lagen in de sfeer van de veehouderij. Sommige oplossingen hadden betrekking op het streven naar minder, maar beter vee. Andere projecten beoogden de productiviteit te verhogen d.m.v de aanleg van ranches. Naarmate meer projecten werden uitgevoerd en geëvalueerd kwam men tot de conclusie dat een project niet alleen ecologisch maar ook economisch duurzaam moet zijn. Gebruikers moeten zelf verantwoordelijk zijn voor de te verrichten werkzaamheden en het beheer van de natuurlijke hulpbronnen. Verder moeten weiden worden beschermt tegen overbegrazing.

De ontwikkelingsprojecten binnen de akkerbouwsector waren aanvankelijk net als bij de veeteelt in de eerste instantie gericht op productieverhoging en niet op de ontwikkeling van duurzame landbouw. Ook zijn er verschillende projecten opgezet met het doel de bodem te verbeteren of degradatie te voorkomen door o.a. verhoging van organische bemesting en voorkoming van erosie door de aanleg van wallen, stroken met vegetatie en windsingels. Met deze maatregelen zijn aanzienlijke verbeteringen geboekt, alleen hebben veel arme boeren hier niet van geprofiteerd omdat de noodzakelijke investeringen niet konden worden opgebracht. Ook het feit dat de uitvoering van de maatregelen vaak vele jaren duurt, ontmoedigd veel boeren.

Maatregelen gericht op het herstel en behoud van vegetatie omvatten o.a. het verminderen van de brandhout consumptie door de introductie van zuinigere houtoventjes en de aanplant van arealen bos. De exploitatiekosten van deze bosarealen zijn echter hoog en wordt vaak niet ondersteund door de plattelandsbevolking. Dit hangt samen met het ontbreken van het besef dat hout schaars is; het hout werd immers altijd ‘gratis’ gesprokkeld. Dergelijke herbebossingprojecten zullen echter meer kans van slagen hebben als ze worden geïntegreerd in algemene landbouw- en dorpsontwikkelingsprogrammas. Het verhogen van de houtprijs is moeilijk, omdat het dan noodzakelijk is de houtkap en handel streng te controleren, waartoe overheden vaak niet in staat zijn.

Het opzetten van uitgebreide informatie en monitoringssystemen m.b.t rampenbestrijding is goede maar kostbare aangelegenheid. Financiële hulp is daarom nodig. Ontwikkelingshulp word nu nog te vaak besteed aan grootschalige, kapitaalintensieve prestigeprojecten als de aanleg van dammen. In de toekomst zal de hulp zich meer moeten richten op zowel de milieudegradatie als de allerarmsten.

Via een vicieuze cirkel hangen armoede, gebrek aan bestaanszekerheid, bevolkingsgroei, druk op de natuurlijke hulpbronnen en milieuproblemen samen. Ontwikkeling is daarom niet mogelijk zonder milieubeheer en omgekeerd. Belangrijk hierbij is onder andere: Diversificatie van de economie, het toekennen van reële waarde aan de natuurlijke hulpbronnen, afremmen van bevolkingsgroei, het opstellen van goede wettelijke kaders waarin rechten en plichten van de verschillende gebruikers van natuurlijke hulpbronnen in worden vastgelegd en het betrekken van de lokale bevolking bij het opstellen en uitvoeren van projecten.

*H5: Milieuproblemen in berggebieden – Lentjes

In veel gebergten in ontwikkelingslanden hebben milieuproblemen dramatische vormen aangenomen. De noodzaak tot het bevredigen van basisbehoeften brengt boeren ertoe ongeschikte hellingen in gebruik te nemen en roofbouw te plegen om de bossen in de bergen. Versnelde erosie en wateroverlast is het gevolg. Deze milieuproblemen hangen samen met armoede en onderontwikkeling.

*Het Marokkaanse rifgebergte: Dit gebergte heeft eeuwenlang als uitwijkplaats gedwongen voor het Islamitische gezag. Uiteindelijk was de bevolkingsdichtheid in dit gebergte dan ook heel groot. Toen er in de 20e eeuw verbeteringen in de medische en sanitaire omstandigheden kwamen begon dit gebied in toenemende mate sporen van overbevolking te vertonen. Dit blijkt uit het feit dat wegtrekken voor seizoensarbeid gebruikelijk is en de lokale hulpbronnen steeds minder toereikend worden. Ook zorgde het erfrecht voor een voortgaande versnippering en verkleining van landeigendom. Vanaf de jaren ’60 kwam er ook dan ook een massale uittocht op gang als gastarbeider naar Europa. Tegenwoordig probeert men vaak illegaal Europa binnen te komen. Ook intern heeft men getracht uitwegen te vinden; het land werd steeds intensiever gebruikt en het akkerareaal steeds uitgebreid. Hierdoor zijn de beweidingmogelijkheden wel verminderd en hebben veel gemeenschappen de veestapel moeten inkrimpen. Toch is er ook sprake van overbeweiding. Samen met verdergaande ontbossing zorgde dit voor degradatie en erosie.

*De Andes (Zuid-Amerika); In dit gebied wonen van oudsher veel Indianen. De Spanjaarden introduceerden hier het grootgrondbezit wat zorgde voor extreme scheve verhoudingen m.b.t. landeigendom. Toen de bevolking begon te groeien ontstond er al snel toenemende druk op de nog overgebleven grond van de traditionele boerensector. Samen met gebrekkige technieken en onvoldoende technische en financiële ondersteuning zorgde dit voor een grote aanslag op het kwetsbare bergmilieu. Het gevolg was een massale uittocht naar de steden of naar het tropisch laagland. Binnen de Andes gaat men uit nood steeds steilere hellingen bebouwen en braakperioden verkorten. Het gevolg is verwoestende bodemerosie, overstromingen en opbrengststagnatie. In veel landen werd dan ook uiteindelijk getracht via landhervormingen de grootgrondbedrijven te verdelen onder de arme boerenbevolking. Maar voorlichting en ondersteuning over landbouwmethoden bleven achterwegen. De intensificatie van grondgebruik op de grootgrondbedrijven leidde zo in veel gevallen tot nieuwe gedegradeerde gebieden.

*De Himalaya (nepal) :Ook hier heeft de groeiende bevolking gezorgd voor druk op de landbouwgrond.Door ontginningen en kap is veel bos verdwenen, en ook steeds hoger op de hellingen. Met name rond dorpen is ook overbeweiding een probleem. Het ecologische evenwicht werd zo verstoord wat zorgde voor enorme afspoeling en een daling van het grondwaterpeil. Velen zijn gemigreerd naar het moerassige laagland. Maar daar zorgt de erosie in de bergen voor ophoping van sediment en frequente overstromingen.

In veel berggebieden is de natuurlijke situatie zo dat erosie en bodemtoevoeging in evenwicht zijn. Menselijk handelen verstoort dit evenwicht. Dit komt o.a. door het verwijderen van vegetatie (die een buffer en opslagfunctie hebben) en daarmee samenhangend het veranderen van de bodemstructuur en textuur wat kan zorgen voor verminderde opslagcapaciteit. Bestrijding van de landdegradatie is in veel gebieden noodzakelijk geworden. Een eerste mogelijk hierbij is het verminderen van de bevolkingsdruk door het stimuleren van emigratie of family planning. Ook kan de druk op de landbouwgrond verminderd worden door andere economische sectoren de ontplooien. Bovengenoemde oplossingen zijn echter alle moeilijk op gang te brengen en bieden geen oplossingen op de korte termijn. Veel directer zijn oplossingen binnen de landbouw als veranderingen in gewaskeuze en steeds zorgen voor gehele bodembedekking door gewassen dichter opeen te zetten of de grond af te dekken met stro. Ook het telen evenwijdig aan de hoogtelijnen (strip-cropping), het ploegen langs hoogtelijnen, terrassering en het maken van afvoergeulen kunnen zijn mogelijkheden. Tenslotte kan de bodem geconserveerd worden; door in gullies muurtjes te bouwen om verder erosie tegen te gaan, de aanleg van bossen en het selectief belasten van vee om overbeweiding tegen te gaan. Belangrijk is zeker dat bestrijdingsmogelijkheden altijd worden toegepast op de regionale sociale en ecologische omstandigheden, en dat er gezorgd wordt voor een evenwicht tussen lange en korte termijnmaatregelen. Bij dit alles moet de plaatselijk bevolking zoveel mogelijk betrokken worden.

*H6: Milieuproblemen in stroomgebieden, overstromingsvlakten en kustgebieden – Van Wetten

Over de hele wereld komen wetlands voor; dit zijn gebieden waar een aanzienlijk oppervlak tijdelijk of permanent bedekt zijn water, zoals vloedvlakten, delta’s en kustgebieden. Wetlands zijn meestal zeer rijk aan planten en diersoorten en het heeft zodoende ook vele functies die lopen van voortplantingsgebied tot voedsel en houtproductiefunctie. Met name deze economische functie heeft er voor gezorgd dat wetlands vaak gekenmerkt worden door hoge bevolkingsconcentraties.

Al vanouds her worden in de Westerse landen wetlands ontgonnen om zo de productiviteit van het gebied te verhogen. Ook in de ontwikkelingslanden werden door de koloniale machthebbers zulke grootschalige interventies noodzakelijk geacht. Onvoldoende kennis van het gebruik van de natuurlijke hulpbronnen en van het belang die deze hadden voor de lokale economie en de voedselvoorziening leidde tot de misvatting, de natte gebieden als wastelands te zien. Pas de laatste jaren begint men de functies en waarden van wetlands en de nadelen van de interventies in te zien. Zo bestaat er bij rivieren altijd een belangrijke relatie tussen de toestand bovenstrooms, het wetland, en de toestand benedenstrooms. Dit betekent dus dat ingrepen in de waterhuishouding van rivieren en kustgebieden altijd duidelijke on-site en off-site effecten hebben. Bij de introductie van zaken als irrigatie, dammen en vloedcontrolesystemen is voorbij gegaan aan goede sociale, politieke en culturele inbedding.

Bij milieuproblemen is men snel geneigd de lokale bevolking als hoofdschuldige aan te wijzen; de rol van de overheid en machtige buitenstaanders wordt over het hoofd gezien. Vernietiging van Filippijnse mangroven, koraalriffen en vispopulaties is niet alleen de schuld van lokale kustbevolking. Zij handelen in een bepaald krachtenveld, waardoor ze vaak gedwongen worden hun impact op de lokale hulpbronnen te vergoten. In het Filippijnse geval dupeerden de commerciële garnaalteelt bedrijven die concessie kregen van de overheid, tezamen met het inadequate optreden van de overheid bij de aanpak van problemen, de lokale bevolking op die wijze dat ook zij onduurzaam gebruik gaan maken van het kustgebied.

Naast ecologische problemen zorgt de aanleg van grote dammen ook voor negatieve effecten m.b.t. de lokale bevolking. De belangen van de bepaalde bevolkingsgroepen (zoals urbane) worden zo tegen die van andere afgewogen dat de laatste groep te maken krijgt met veel problemen als gevolg van de kunstmatige ingreep. Vooral marginale groepen die juist sterk van het lokale milieu afhankelijk zijn, zijn vaak de dupe en krijgen zo nog minder ontwikkelingskansen.De overheid moet goede structuren opstellen waarbij negatieve effecten zoveel mogelijk voorkomen, beperkt of gecompenseerd moeten worden. Anders kunnen ingrepen zorgen voor een verdere toename van de rurale armoede; die dan weer kan zorgen voor een extra aanslag op het lokale milieu.

Een belangrijke doelstelling bij wetlandinterventies is vaak irrigatielandbouw tot ontwikkeling te brengen. Dit heeft vaak negatieve gevolgen voor de gezondheidstoestand in het gebied. Omdat geïrrigeerde landbouw vaak plaats vindt in de vorm van monocultures, neemt de het risico op plagen toe, hetgeen landbouwers er toe dwingt veel chemicaliën te gebruiken, die dan de kwaliteit van het drinkwater weer kunnen beïnvloeden. Slecht onderhouden aan en afvoerkanalen van irrigatiesysteem zijn tevens vaak broedplaatsen van dieren als de malariamug.

Waterstaatkundige ingrepen hebben vaak ook gevolgen voor gebieden verder weg; de off-site effecten. De aanleg van een dam kan bijvoorbeeld benedenstrooms zorgen degradatie van weideterreinen en achteruitgang van de visstand door het uitblijven van vruchtbare overstromingen. Toekomstige interventies moeten daarom niet sectoraal maar multidimensionaal worden bekeken. In de Senegalvallei zorgde het uitblijven van overstromingen voor verarming van landbouwgronden, teruggang van het areaal weidegronden voor de trekkende veetelers en een daling van de regeneratie van hulpbronnen als hout, vis en wild. De teruggang van het areaal weiden heeft gezorgd voor extra druk op de overige weiden, wat soms heeft geleid tot overbegrazing en verwoestijning. De akkers die door de aanleg van een ingreep geïrrigeerd worden zorgen echter ook voor problemen; omdat het water snel verdampt moet er veel gepompt worden wat zorgt voor hoge kosten. Tenslotte zijn er aanpassingsproblemen van de traditionele landbouwers.

Ondanks de bedreiging van wetlands wereldwijd, hecht de internationale gemeenschap aan het voortbestaan van wetlands. Hierover werd o.a. het RAMSAR-verdrag gesloten. Hierin wordt gesteld dat ingrepen in wetlands alleen plaats moeten hebben als ze binnen de milieugebruiksruimte blijven. Bij nieuwe projecten moet gekeken worden naar alle effecten van de ingreep, en moet naast de directe ook de indirecte rentabiliteit verrekend worden plus de kosten om negatieve effecten te compenseren. Alleen als zo’n kosten-baten analyse uitvalt in het voordeel van een ingreep, moet het project doorgang van vinden.

*H7: De Milieuproblematiek in de steden – Muller & Naerssen.

Urbanisatie neemt in ontwikkelingslanden fenomenaal toe. De aard en omvang van de milieuproblemen in de stedelijke gebieden aldaar wordt bepaald door de fysisch-geografische omgeving, het inwonertal, het welvaartsniveau, het type stedelijke activiteiten en sociaal-culturele en politieke ontwikkelingen. Dit alles leidt tot een grote diversiteit aan stedelijke milieuproblemen.

De energievoorziening in de steden komt voor het grootste deel uit niet-vernieuwbare hulpbronnen. In de ontwikkelingssteden maakt men bovendien erg intensief en verspillend gebruik van hulpbronnen die, in principe, ook duurzaam zouden kunnen worden gebruikt, zoals hout. Het hout wordt meestal verzameld in het ommeland, vaak door individuele ondernemers. Soms moet het zelfs van erg ver worden gehaald. Ook wordt mest en stro uit het ommeland gehaald als brandstof; dit betekent dat organische stoffen en mineralen die nodig zijn voor de landbouw uit het omliggende platteland worden ontrokken. Ook water wordt vaak van elders gehaald. De stad onttrekt dus veel het omliggende land; als de hulpbronnen ook nog eens niet duurzaam worden gebruikt spreekt men van milieuparasitisme.

Ontwikkelingen in de omgeving van de stad kunnen ook nadelige gevolgen voor stedelijke voorzieningen. Zo heeft ontbossing bij Jakarta gezorgd voor een veel onregelmatigere waterafvoer; zodat de rivier in de stad in de natte tijd zorgt voor grote overstromingen. De schaal van de overstromingen wordt nog versterkt door de bodemdaling in Jakarta als gevolg van het overvloedig onttrekken van grondwater. Omdat de grondwaterspiegel daalt de zee meer binnendringen en treed er verzilting op. Dergelijke verstoringen in de waterhuishouding zijn moeilijk te herstellen en maken dure en ingrijpende maatregelen noodzakelijk.

Verder kampen vrijwel alle ontwikkelingssteden met ernstige luchtvervuiling, als gevolg van de zware industrie, het verkeer en het (huishoudelijk) gebruik van vervuilende brandstoffen als steenkool. Een ligging bij bergen (zoals Mexico-stad) kan vrije circulatie van de lucht tegenhouden, zodat vervuilde lucht langer blijft hangen. Watervervuiling is daarnaast vooral het gevolg van slechte leidingenstelsels en ontoereikende afvalophaaldiensten. Goede rioleringssystemen ontbreken ook, terwijl waterzuivering onbekend is. Het gevolg is het wijdverbreid zijn van allerlei ziekten.

Bovenstaande milieuproblematiek doet zich het sterkst voor in de zogenaamde volksbuurten. In de wijken zijn de woningen meestal van slechte kwaliteit en is er een gebrek aan openbare voorzieningen. Waar waterleiding ontbreekt is men aangewezen op dure waterverkopers of op (vervuild) oppervlaktewater. Vaak wijkverbetering heeft plaatsgevonden is onderhoud van de voorzieningen meestal een probleem. Het rondslingerend afval zorgt voor veel overlast. Tenslotte zijn deze wijken nog vaak gebouwd op de slechtste en kwetsbaarste plekken van de stad. Veel ziekten in deze volksbuurten hangen samen met ondervoeding, het slechte milieu en het tekort aan schoon water en sanitaire voorzieningen. Door de hoge woondichtheid en vochtige en tochtige woonomstandigheden kunnen makkelijk infectieziekten uitbreken. Ook draagt de nabijheid van vervuilende industrie bij aan de slechte gezondheid net als de riskante mix van wonen en werken in de volksbuurten.

Het beleid ten aanzien van volkshuisvesting is in de loop der tijd aanzienlijk veranderd; van laissez-faire in de 40s en 50s, tot slum-clearing en sociale woningbouw in de 60s en self-help en slum-upgrading strategieën vanaf de jaren ’70. Veel elitaire overheden vinden het moeilijk zich ten dienste te stellen van arme bevolking, omdat ze daar altijd op neer hebben gekeken. Zodoende is zelfbouw zelden de kern van het nationale woningbeleid. Ook de bevolking zelf blijft haperen; er is vaak sprake van interne belangentegenstellingen welke vaak te maken hebben met etniciteit en godsdienst. Momenteel probeert men de mensen er steeds bewuster van te maken dat ze zelf iets aan hun situatie kunnen doen (empowerment). Samenwerking tussen de buurtbewoners, de lokale overheid en NGO’s is hierbij belangrijk.

Oplossing voor de milieuproblematiek is moeilijk omdat ze vaak samen hangen met armoede en socio-economische ongelijkheid. Nodig is in ieder geval een grondige ruimtelijke planning, goede wettelijke kaders en implementatie van duurzaam beleid. Om dit teweeg te brengen zijn maatschappelijke en mentaliteitsveranderingen nodig. Nog te vaak staan belangenverstrengelingen en gebrek aan kennis duurzame ontwikkeling in de weg.

 

 

Hosted by www.Geocities.ws

1