Hoofdstuk
5 (P3VAK)
5.1 Inleiding
Na WO II werd gekozen voor een decentraal systeem in Nederland. De basis van de ruimtelijke planning werd door de Wet op de Ruimtelijke Ordening gelegd in het bestemmingsplan en daarmee bij de gemeente. Provincie en Rijk kregen slechts de mogelijkheid om in te grijpen. De wet kreeg echter een andere werking dan bedoeld was:
- De ingrepen door provincie en rijk zijn niet of nauwelijks toegepast
- Regelgeving kreeg de overhand ā vrijheid voor gemeenten
Ruimtelijke Ordening in Nederland = een resultante van een veelheid grote en kleine beslissingen over bestemming, inrichting en beheer van grond, met alles wat zich daarop bevindt.
Ruimtelijk planningsstelsel = een bestuursstructuur voor georganiseerde ruimtelijke besluitsvorming over meer bestuurslagen, bestaande uit organen, bevoegdheden, instrumenten en procedures.
Functies van het ruimelijk planningsstelsel:
Deze functies kenschetsen de eisen die vanuit het stelsel aan de vormgeving en inrichjting van ruimtelijke beleidsprocessen worden gesteld.
Er zijn 5 tegenstrijdigheden waar te nemen tussen deze functies:
1. Flexibiliteit vs. Rechtszekerheid. Door de langere doorlooptijd van de meeste plannen, projecten en beleidsvoornemens groeit de behoefte zich aan te kunnen passen aan de veranderende omstandigheden. Rechtszekerheid is belangrijk omdat dit de grondslag vormt voor de zakelijke rechten van belanghebbenden.
2. Eigendomsrecht vs. Overheidsregulering.
3. Slagvaardigheid vs. Inspraak en rechtsbescherming. Uitgebreide inspraakprocedures en procedures voor belanghebbenden vertragen het besluitvormingsproces.
4. Centraal vs. Decentraal.
5.
Facetplanning vs. Sectorplanning.
De hierboven geformuleerde functies en tegenstrijdighedenzijn weliswaar karakteristiek voor het planningsstelsel in de ruimtelijke ordening, maar herbergen het gevaar dat er in te statische termen gedacht wordt over het planningsstelsel. In essentie is het planningsstelsel een open (op procedures gericht) systeem waarvan de inhoud (en daarmee de waarde) bepaald wordt door degenen die ermee werken.
5.2 Verschuivingen in de positie van het planningsstelsel
5.2.1
Vrijheid van handelen
5.2.2
Doorwerking
Doorwerking/performance (binnen het ruimtelijk beleid) = Het al dan niet letterlijk- overnemen van beleid in de top-down lijn, via rijk, naar provincies en vervolgens naar gemeenten.)
Horizontale doorwerking = invloed van het rijksbeleid op het sectorbeleid van andere sectoren.
Vertikale doorwerking = Invloed op het beleid van provincies en gemeenten
Doorwerking kan onderverdeeld worden in:
Tezamen wordt hiermee de invloed van het rijksbeleid bij de besluitvorming inzake daadwerkelijke uitvoering van beleid en bij de uiteindelijke inrichting van ruimte bepaald.
Overheden hebben de keuze uit 3 opties bij het overnemen van beleid:
1. formele doorwerking/conformiteit = In beleidsnotas en plannen opnemen. (doorwerking in meest beperkte definitie) ā papieren output van organisaties, vaak culminerend in een formulering van een omvattende beleidsopgave.
2. gebruik en conformiteit = in beleidskeuzes meewegen. (doorwerking in ruimere zin) ā handelen van organisaties.
3. gebruik, conformiteit en communicatie = in doelbereiking te meten. (doorwerking in de ruimste zin) Het resultaat is merkbaar door veranderingen in feitelijke inrichting.
5.3 communicatie
5.3.1
Beleidsimplementatie
Met de komst van de Vino en de Vinex:
- Wijzigt de manier van denken: spreiding ā selectie
- Ontstaat een actieve opstelling van het rijk om de hoofdlijnen van de structuur op cruciale punten ook gerealiseerd te krijgen.
Uitvoeringsgerichte karakter van het beleid = het belang van de uitvoerbaarheid van ruimtelijke plannen van de overheden vanaf de 1e concept- en planvorming.
Tot de Vino/Vinex beschikte de Rijksplanologische Dienst slechts over 1 instrument: Het wettelijke kader voor beleidsimplementatie zoals dat is vastgelegd in de Wet en het Besluit Ruimtelijke Ordening. Daarna kreeg het 2 nieuwe instrumenten:
- Het financieel instrument
- Het communicatie-instrument
5.3.2
Discusssie
2 principiële problemen:
- De mate van centrale sturing in combinatie met de coördinatieproblematiek
- De maatschappelijke ontwikkeling die soms anders uitpakt dan aanvankelijk was voorzien.
5.4 stedelijke knooppunten (dit is vooral als voorbeeld bedoeld)
5.4.1
Het profiel
5.4.2. Instrumentarium
5.4.3 Discussie
Binnen het beleidsveld van de ruimtelijke odening is centraal ingrijpen lastig. Het wettelijk instrumentarium, de bestuurlijke- en ambtelijke cultuur en het financieel instrumentarium zijn namelijk niet voorhanden.