I. Ruimtelijke ordening: Een bijzonder werkterrein en een bijzondere wetenschap

 

1.1 Ruimtelijke planning en planologie: praktijk en wetenschap

Het boek probeert de vraag te beantwoorden: “Kunnen we als mens of als organisatie onze ruimtelijke omgeving beďnvloeden en zo ja, hoe werkt dat dan?”

Er zijn drie kernbegrippen: planologie (het wetenschapsgebied), ruimtelijke ordening (het vakgebied), ruimtelijke planning (het werkterrein).  Er bestaat een innige relatie tussen ontwikkelingen in de maatschappij en de manier waarop de ruimtelijke ordening probeert ruimtelijke ontwikkelingen te sturen of te geleiden: de ruimtelijke ordening is contextgebonden. Kreukels stelde het nog duidelijker door planning te zien als een spiegel van ontwikkelingen in de samenleving. Het is logisch als gekeken wordt naar jaar van uitgave van dit stuk: 1986. Er was sprake van recessie. In tijden van economische tegenspoed is er minder behoefte aan geleiding van ruimtelijke ontwikkelingen, omdat er simpelweg minder ruimtelijke ontwikkeling voorzien wordt. In tijden van economische voorspoed geldt het omgekeerde. Toch wordt de ruimtelijke ordening met deze uitspraak van Kreukels tekort gedaan, omdat zij zich per definitie doorlopend tracht te ontworstelen aan deze val door zich met de (verre) toekomst bezig te houden.

Het is goed te realiseren dat niet alleen vanuit de ruimtelijke ordening of de planologie gereageerd wordt op ontwikkelingen in de maatschappij. In feite doen bijna alle overheden, instellingen en bedrijven dat in meer of mindere mate.

De definitie van ruimtelijke ordening is: Het omvat het zoekproces van de ruimtelijke inrichting van een veranderende samenleving door het maken van keuzes hoe en waar functies tot hun recht komen, vooral met het oog op lange(re) termijn ontwikkeling, inclusief de reflectie daarop. Er zijn twee belangrijke beperkingen:

1.    De ruimtelijke ordening houdt zich bezig met de ruimtelijke consequenties van planmatig handelen van partijen. Het criterium ruimte moet gebruikt worden.

2.    De tweede inperking betreft de actoren. De ruimtelijke ordening wordt gedefinieerd als een overheidsactiviteit. Uiteindelijk hebben overheden te maken met alle (of tenminste de meeste) vormen van ruimtelijke planning van derden.

 

In het verleden is wel eens geprobeerd het begrip “planning” nader te definiëren vanuit verschillende invalshoeken. Het is echter maar de vraag of het verstandig is dit te doen. Latere definities volstaan derhalve veelal met een bredere omschrijving. Voogd omschrijft ruimtelijke planning als “.. een systematische voorbereiding van beleidsvormende- en uitvoerende handelingen, die gericht zijn op het bewust interveniëren in de ruimtelijke orde, en op de organisatie van deze interventies, ten einde ruimtelijke kwaliteiten te behouden en waar mogelijk te verbeteren.”

Belangrijk in deze definitie zijn de volgende begrippen:

·       systematisch verwijst naar het planmatige of het rationele van het beleidsmatig handelen.

·       bewust interveniëren verwijst naar de actie (proces) die volgt op het voorgestelde beleid, waarbij ervan uitgegaan wordt dat de voorgestelde interventie gewenst is.

·       De afbakening door middel van het criterium ruimte is reeds eerder aan de orde geweest.

·       Het streven naar handhaven of verbeteren van ruimtelijke kwaliteit moet beschouwd worden als normatief doel. Dit is moeilijk te beoordelen. Vandaar dat in de definitie van het boek dit achterwege is gelaten.

De definitie van het boek van ruimtelijke planning luidt: De systematische voorbereiding van beleidsvormende en uitvoerende handelingen, die gericht zijn op het bewust interveniëren in de ruimtelijke orde en op het organiseren van deze interventies.

 

De woorden planologie, ruimtelijke ordening en ruimtelijke planning worden vaak als een geheel beschouwd en ook door elkaar gebruikt.

 

 

1.2 Het werkveld in de praktijk: de ruimtelijke planning

 

1.2.1 Inleiding

Het werkveld van de planoloog is de ruimtelijke ordening in theorie en praktijk. Deze paragraaf behandelt het werkveld in de praktijk: de ruimtelijke planning. Er zijn drie componenten die het werkveld van de planoloog structureren. Dit zijn: object, proces en context. Deze worden aangeduid als de planningsdriehoek. Het object is de inhoud van het vraagstuk waarmee de planoloog zich bezighoudt. (bijv. volkshuisvestingvraagstuk). De proceskant selecteert actoren en middelen en biedt zich op termijnen en organisatie. Vanuit de context worden de randvoorwaarden meegegeven waarmee de inhoudelijke (object) en procedurele (proces) doelstellingen kunnen worden gerealiseerd. In alle planningsactiviteiten komen deze drie componenten in wisselende mate worden teruggevonden. In analytisch opzicht kunnen ook de variabelen aan de hand van deze componenten gegroepeerd worden:

·       objectvariabelen hebben te maken met ‘wat’ (hoeveelheid, locatie, kwaliteit, etc.)

·       procesvariabelen hebben te maken met ‘hoe’ (hebben betrekking op actoren, belangen, middelen en doorlooptijd).

·       contextvariabelen komen voort uit institutionele setting (planningstelsel) sociale en culturele trends en economische ontwikkelingen.

 

Ruimtelijke ordening heeft per definitie te maken met de toekomst. Het is verbonden met onzekerheden en het omgaan hiermee. De hoeveelheid van deze onzekerheden wordt groter naarmate de planningshorizon verder weg ligt. Een van de opgaven van een planoloog in de ruimtelijke ordening is de onzekerheden te reduceren en hanteerbaar te maken. Een van de manieren om toekomstbeelden te creëren is te werken met toekomstverkenningen. De verschillende toekomstbeelden die dan ontstaan worden scenario’s genoemd. Er zijn verschillende elementen in deze scenario’s:

·       the past component of the future: In de toekomst zal er veel van de huidige inrichting van ons land nog bestaan. Van alles dat nu al bestaat, zal dan ook nog veel aanwezig zijn.

·       the present component of the future: De toekomst is vergelijkbaar met het heden, dan zonder de thans bekende (bestaande en voorziene) problemen. Ook huidige ontwikkelingen geven zicht op de toekomst.

·       the future component of the future: In de toekomst zijn er onbekende ontwikkelingen: De toekomst is niet voorspelbaar.

 

Deze werkwijze kan in beeld gebracht worden. Planning geschiedt op feiten van gisteren. De gegevens die gebruikt worden voor planning zijn vaak al 1 of 2 jaar oud. De nabije toekomst is nauwelijks beďnvloedbaar. Op basis van analyses van ontwikkelingen van afgelopen jaren en vooruitberekeningen kan zo langs de projectieve weg een toekomstbeeld geschetst worden voor een moment in de toekomst. Via een andere insteek wordt daarna prospectieve toekomstbeelden geschetst. Het gaat dan om normatieve beelden. Daarbij wordt met verschillende scenario’s gewerkt. In zo’n toekomstbeeld wordt dan beredeneerd hoe de toekomst er over bijvoorbeeld dertig jaar uitziet, als de vergrijzing doorzet.

 

De combinatie van denkbaar en beďnvloedbaar schept mogelijkheden voor ruimtelijke planning.

 

1.2.2 Planning en planvorming

De eigen kracht van ruimtelijke planning is vooral de uitstraling van een visie die lijnen doortrekt naar een (meer gewenste) toekomst. Dit laatste komt, doordat de horizon van de gemiddelde ruimtelijke planningsopgave verder ligt dan de horizon van de gemiddelde handelende actor. Er geld een beperking: De ruimtelijke planning is zo sterk als de omgeving (het totaal van alle betrokken actoren) toestaat.

 

Om de relatie te verduidelijken tussen de verschillende beleidsvelden, ontwikkelde de Commissie de Wolf in 1970 het onderscheid tussen sectorplanning en facetplanning. (figuur 1.3) Sectorplanning omhelst de concrete programmering van een tak van overheidsdiensten, gericht op een zo effectief en efficiënt mogelijk verloop van die diensten. Meestal vallen die diensten op rijksniveau samen met een departement of onderdeel daarvan. Facetplanning probeert tot een integratie te komen van alle overheidsactiviteiten vanuit een gezichtspunt, bijvoorbeeld economisch of ruimtelijk beleid. Het is lange tijd van grote betekenis geweest voor de ruimtelijke ordening, maar heeft langzamerhand betekenis verloren. De verschillende typen beleid zijn door elkaar heen gaan lopen.

 

De roep om integrale planning wordt vanaf 1970 steeds sterker. Dit beoogt tot een synthese te komen van verschillende van facetplanning en sectorplanning.

 

Planvorming kan onderscheiden worden in een inhoudelijke component (planontwerp of inrichtingsopgave) en een procedurele component (procesontwerp of organisatie of sturingsopgave), welke in een bepaalde context moet worden ontwikkeld. Hiermee wordt de planningsdriehoek opnieuw getypeerd. Het planproces omvat de planningsfase en de realisatiefase kan zelfs ook de fase na de uitvoering omvatten. Voor deze planvormingsfase ligt dan nog de onderzoeksfase, welke leidt tot een programma van eisen. Zo’n programma formuleert de problemen welke moeten worden opgelost en de randvoorwaarden waarbinnen dat moet worden opgelost (vanuit een bepaald (theoretisch) idee via conceptontwikkeling of via het doen van onderzoek wordt ingegaan op het planvormingsproces).

 

Het werkveld van de ruimtelijke planning is onder te verdelen in drie deelvelden: dat van de meer theoretische beoefenaars, dat van de beleidsplanologen en dat van degenen die in de fase naar realisatie bezig zijn.

 

1.2.3 Planning en instrumenten

Bij een planvormingsproces gaat het om doelbereik: de uiteindelijke (her)inrichting van de ruimte. Om deze doelen te bereiken worden dus instrumenten ingezet:

·       het klassieke beleidsinstrumentarium: betreft voorschriften en sancties ‘met de zwaardmacht’ (wet- en regelgeving)

·       de moderne instrumenten: liggen op economisch vlak (d.m.v. financiële prikkels)

·       de postmoderne instrumenten: het contract, immateriële prikkels en sturing via leren. Het gaat hierbij om vnl. om, informatieoverdracht.

In de ruimtelijke planning wordt veel gebruik gemaakt van deze instrumenten, bijvoorbeeld in het ruimtelijke planconcept. Deze ontleent zijn waarde aan een geboden perspectief en aan de mogelijkheid om doelstelling en maatregelen met elkaar te verbinden, zowel in planningsfase als in de beleidsfase. Een ruimtelijk planconcept is visionair en tegelijkertijd pragmatisch.

 

Ruimtelijke planning is een vorm van sturing. Soms kunnen echter ook door niet te sturen doeleinden worden bereikt.

 

1.2.4 Ontwikkelingen in ruimtelijk beleid

Er zijn verschillende niveaus waarop planning bedreven wordt. Afgezien van internationale (Benelux en Europese) ruimtelijke planning zijn dat de volgende:

·       nationaal niveau: rijksnota’s, worden deels op niveau van een regio nader zijn uitgewerkt en soms zelfs op lokaal projectniveau.

·       Vierde Nota Extra: dit is een kadernota voor gemeenten en vooral voor provincies.

·       Structuurschema’s: nota’s waarin hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid op nationaal niveau zijn weergegeven voor een bepaalde sector.

·       NB. Zowel Vinex als structuurschema’s doorlopen als planologische kernbeslissing een aparte procedure: de pkb-procedure

·       Het karakter van een rijksplan kan worden getypeerd door de woorden kaderplanning en strategisch belang. Een kaderplan geeft zowel een raamwerk als een richting aan, en dient tevens als toetsingskader voor plannen van de provincie.

·       provinciaal niveau: streekplan, dit is ook een strategisch kaderplan, dat geldt voor een groot deel of de gehele provincie.

·       regionaal niveau: regiovisie, verschillende gemeenten maken tezamen op vrijwillige basis een strategisch kaderplan, zonder wettelijk kader.

·       gemeentelijk niveau: structuurschets of -visie, deze kunnen via een vaste procedure extra kracht meekrijgen om tot een structuurplan (wettelijke term) te komen

bestemmingsplannen: dit zijn de enige plannen die voor burgers bindend zijn

·       locatie niveau: postzegelplannen, het plannen voor enkele woningen of zelf voor één kavel

 

De praktijk van de ruimtelijke ordening kenmerkt zich door een toenemende dynamiek en complexiteit. Deze trend lijkt structureel van aard. Afzonderlijke overheden zijn meer afhankelijk van elkaar als gevolg van toenemende mobiliteit van burgers en bedrijven. Dit stelt hoge eisen aan de procedurele kwaliteit van het planningsstelsel en deze kwaliteit is niet hoog. Vandaar dat er vaak belangrijke ruimtelijke afwegingen buiten het bestuurlijk-juridisch kader van het ruimtelijke planningstelsel genomen worden. Vaak zijn dat politieke beslissingen die het Kabinet en Tweede Kamer nemen (Betuweroute e.d.).

 

De centrale opgave voor de ruimtelijke ordening als tak van overheidsbeleid is het, om de huidige en toekomstige ruimtelijke claims met elkaar in verband te brengen en tegen elkaar af te wegen, teneinde te bewerkstelligen dat, bij alle dynamiek in het gebruik en de inrichting van de fysieke ruimte, de ruimtelijke kwaliteit, in termen van gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde zo goed mogelijk is gewaarborgd. Om deze doelstellingen te verwezenlijken is het Nederlandse planningssysteem steeds opener geworden. Dit wordt positief gewaardeerd. Toch heeft OH-beleid heeft slechts voor een deel bijgedragen aan de ruimtelijke inrichting en hebben andere ontwikkelingen hier tevens een stempel opgedrukt. Een ander belangrijk gegeven in het ruimtelijke inrichtingsproces is de publieke agenda. Deze veranderd constant en dus ook het ruimtelijk beleid. Gelet op de toekomstige ontwikkeling van Nederland, komt als belangrijkste vraag naar voren in hoeverre men in de stedelijke gebieden in staat is de specifieke problemen van nu en de uitdagingen voor de naaste toekomst in het betreffende gebied weet aan te pakken.

 

1.2.5 Historisch overzicht

Al van oudsher is ruimtelijke planning aanwezig geweest in het Nederlandse beleid (bijvoorbeeld de waterhuishouding, stedelijke ontwikkeling e.d.). Wanneer men het Nederlandse planningsbeleid wil typeren vanaf het vroegste begin vanaf 17e eeuw zijn de volgende elementen van belang:

·       Een opvallende zorg voor de ruimtelijke omgeving, in het begin gestimuleerd vanuit defensie en strijd tegen het water.

·       De betrokkenheid was van oudsher lokaal gericht, pas in de loop van de 19e eeuw verschoof deze gedecentraliseerde zelfregulatie geleidelijk naar het provinciale en nationale niveau.

·       Na WOII een overweldigende impact van de nationale overheid op de ruimtelijke inrichting.

Er moet in ogenschouw worden genomen dat ruimtelijk beleid in Nederland is ingebed in een breder institutioneel karakter. De OHbemoeienis paste goed in de zeer gecentraliseerde Nederlandse OHstructuur. Nederland stond aan het begin van de tweede helft van de vorige eeuw immers voor de moeilijke opgave in het betrekkelijk kleine, maar wel dichtbevolkte land een dusdanige politieke en maatschappelijke structuur te ontwikkelen, waarmee aan de opvallende variëteit van de nogal verschillende belangengroepen tegemoet werd gekomen. Er was een sterk geloof in een planmatige, geleide ontwikkeling door de OH, ingegeven door het maakbaarheidsdenken (=de overtuiging dat allerlei vormen van het beleid gerealiseerd konden worden).

Het overheidshandelen op het gebied van de R.O., werd na WOII sterk gedomineerd door de wederopbouw. Het accent lag op het op korte termijn realiseren van grote projecten om de achterstand ten aanzien van de ruimtelijke inrichting in te halen en de oorlogsschade te herstellen. Juist deze wederopbouw leidde tot rationalisatie en schaalvergroting van de landbouw. Dit leidde tot uitstoot van agrarische arbeid.

Intussen profiteerden de steden (Randstad) van nieuwe technologische ontwikkeling, de industrialisatie en de groei van de dienstverlening. Door de traditionele functieverdeling tussen de steden, was er sprake van een eenheid in verscheidenheid in het westen van Nederland en dientengevolge was de (arbeids)migratie groot.

Door verwachte en aanwezige woningbehoefte waren er uitbreidingsprojecten in steden, ten kostte van het landbouwarreaal. De compacte steden dreigden uit elkaar te vallen in de toenemende suburbanisatie (de uiteengelegde stad). De OH reageerde in de 50 en 60-er jaren met spreidingsbeleid (eerst spreiding van de bevolking, later spreiding van de werkgelegenheid) als kern van de R.O. Men wilde de groei van bevolking en industrie in stedelijke gebieden beheersten, omdat men angst had voor verdergaande congestie. Tegelijkertijd moesten perifere delen van het land economisch versterkt worden.

Rond 1960 verkeerde het ruimtelijk beleid in een expansiefase en had men er in Nederland alle vertrouwen in dat bijvoorbeeld de regionale ongelijkheid door krachtig overheidsbeleid kon worden weggewerkt. In die periode ontstond voor het verstedelijkte westen ook de Randstadconceptie: een gelede verstedelijking rond een niet exact begrensde centraal open ruimte en met bufferzones tussen de steden. De in de jaren ’60 uitgebrachte nota’s inzake de R.O. in Nederland, waarin de belangrijkste ruimtelijke inrichtingsproblemen in  een nationaal perspectief werden geplaatst, voorziet deze Randstadconceptie in een houvast voor westelijk Nederland. Deze ontwikkeling is overigen ook elders waargenomen.

Het gebundelde deconcentratiebeleid uit de Tweede Nota (=het concentreren van de overloop uit de grote steden) was succesvol en effectiever dan vorig Ruimtelijk beleid, mede doordat dit (facet)beleid gesteund werd door geldstromen vanuit de (sector) volkshuisvesting.

In het facet en sectorbeleid kreeg de ruimtelijke planning een centrale rol toebedacht als het ging om de afwegeng t.a.v. de omgeving. De jaren zeventig worden ook wel eens de bloeiperiode van planning genoemd. Geleidelijk vervaagde het ideaal van een door de OH maakbare samenleving. Er kwam steeds meer aandacht voor de negatieve aspecten van het spreidingsbeleid en het daaraan gekoppelde deconcentratiebeleid, nl. het verval (econ. en soc.) van de vier grote steden.

Het nationale Robeleid tussen 1960 en 1980 faalde voor een deel, hoewel het succesvol was om de groei te concentreren in bepaalde geselecteerde locaties.

 

Het politiek bestuur interesseerde zich in de jaren ’70 weinig voor het Randstadconcept. Het Groene Hart kwam na ’66 steeds meer onder druk te staan. Met de 3e Nota RO ontstaat er een meer stadsvriendelijk klimaat. Het wonen in de stad moet weer aantrekkelijk worden, om zo suburbanisatie af te remmen. Er werd in de 3e Nota een nieuwe omschrijving van de hoofddoelen van de RO gegeven. De verbetering van de kwaliteit van de leefomstandigheden, de zelfontplooiing van de individuele mens in een leefbaar milieu eb emancipatie van kansarme groepen werden op de agenda gezet. Een ander verschil van de 3e Nota met z’n voorganger is dat eindplanning procesplanning diende te worden. Democratisering door participatie werd doel čn middel van planning. Er werden kleinschalige plannen gemaakt voor de korte termijn en grootschalige voor de lange termijn.

Vanaf ’85 is er een kentering waarneembaar in de ontwikkeling van steden čn in beleid. Met de Structuur-schets voor de Stedelijke Gebieden wordt afscheid genomen van het spreidingsbeleid en wordt het concept van de compacte stad het nieuwe streefbeeld. De OH was niet langer de regisseur, maar slechts een van de actoren.

De 4e Nota kan gezien worden als een verdere omslag, naast de continuďteit van de reguliere doeleinden (Randstadconcept). Het accent van de 4e Nota wordt gelegd op de ontwikkeling van de Randstad als motor van de Nederlandse economie en een versterking van de twee mainports. Om verder suburbanisatie te geleiden, is er in de tweede versie v/d 4e Nota in de omgeving van de grote steden een aantal bouwlocaties aangewezen.

In de grote steden in de Randstad wordt het compacte stad beleid uitgewerkt. In de 4e Nota komt meer de nadruk te liggen op het economische aspect. Verder wordt er een pleidooi gehouden voor participatie van marktpartijen en terugtreding van de OH. Ook wordt er voor het eerst een Europese dimensie toegevoegd. Verder is er ook veel aandacht voor verkeers- en vervoersinfrastructuur. (1. Versterken concurrentiepositie mainports 2. Verbeteren interstedelijke verbindingen). Een ander speerpunt in de 4e Nota is de Dagelijkse Leefomgeving (Dalo = (her)inrichting en beheer van bestaand stedelijk gebied).

Blz. 19 kort samengevat het ruimtelijk beleid sinds ca. 1880

 

1.2.6 Ruimtelijke planning en bestuur: veranderingen en bestuur

Na WOII had in Ned. de nationale OH de leidende rol in de organisatie van de verzorgingsstaat op zich genomen. Begin jaren 80 zag men in dat dit beleid aan verandering toe was: Het traditionele, institutionele patroon mest gewijzigd worden. Er kwam een bestuurlijke herindeling en de bestuursstructuur van grote gemeenten werd versterkt.

Tot diep in de jaren 60 konden de grootstedelijke gebieden worden beschouwd als de vanzelfsprekende zenuwcentra van de nationale samenleving. Deze positie is tegenwoordig niet meer vanzelfsprekend, maar wordt eerder als een opgave of ervaring ervaren. (Men moet proberen de centrale positie terug te winnen, door goed om te gaan met specifieke problemen in het gebied).

Om de bestaande problemen, die vooral te maken hebben met sturing en ordening, op te lossen en nieuwe ontwikkelingen in stedelijke gebieden te genereren, is het noodzakelijk te komen tot een sterker en slagvaardiger bestuur in de vier grootstedelijke agglomeraties. Jarenlang is getracht met samenwerkings-verbanden gemeentegrensoverschrijdende problemen op te lossen. Dit bleek niet te goed te werken en men wilde d.m.v. de vorming van regionale besturen het bestuur in grootstedelijke gebieden te versterken. (vorming stadsprovincieŕ via referendum tegengestemd in R’dam en A’dam).

Het ruimtelijke ordeningsbeleid volgt a.h.w. de maatschappelijke ontwikkeling (actie-reactie patroon van het ruimtelijk beleid). Tot jaren 70 was groei een probleem en spreiding de oplossing. Midden jaren 70 was groeiende interesse voor steden. In de loop van de jaren 80 is beleid ontwikkeld waarbij het vooral gaat om de econ. ontwikkelingsfunctie van steden. (geen spreiding, maar compacte stad (VINO)

De levenscyclus van ruimtelijke planconcepten blijkt hiermee een grillig en onvoorspelbaar karakter te vertonen. Datgene wat in de ene periode als een probleem wordt gezien, kan politiek-bestuurlijk in een andere periode juist als een uitdaging worden beschouwd.

De werkelijke ruimtelijke planning vindt vooral op gemeentelijk niveau plaats en wel in tamelijk grote beleidsvrijheid. Dit komt doordat de OH in tegenstelling tot op andere beleidsvelden geen invloed op lagere OH probeert uit te oefenen via geldstromen. Het investeren in de RO gebeurd door gemeenten en private partijen. Sturing wordt gegeven via concepten, maar dit heeft de status van indicatieve planning, hetgeen een hoge mate van vrijblijvendheid impliceert. Er is echter sprake van een paradox. Tegenover de beleidsvrijheid staan vele beperkingen door de bestaande situatie.

De mogelijkheid om RO en daarop gebaseerde ruimtelijke planning zoveel mogelijk een geheel te laten zijn, hangt niet alleen af van de mogelijkheden om te sturen, maar ook van de visie van het bestuur. 4 visies zijn:

·       laissez faire, laissez aller. Als het bestuur goed op koers ligt en/of de sturingsmogelijkheden gering worden geacht en/of er een zekere angst bestaat om in te grijpen wegens mogelijke weerstand, kan gekozen worden voor business as usual. Er wordt bij nieuwe ontwikkelingen ad hoc gereageerd.

·       communicatie & beďnvloeding. Door het werken aan een optimale communicatie met de relevante actoren wordt enige sturing gerealiseerd (relatie-beďnvloedingsmodel / coördinatiemodel).

·       competitie. Economische ontwikkelingen worden benut om eigen doelen te realiseren. (marktgerichte benadering) Met de stroom mee worden vanuit eigen visie kansen gecreëerd.

·       identiteit als richtsnoer. De sturingsnoodzaak gaat verder dan de vorige, omdat bepaalde ontwikkelingen ook tegen de stroom in gerealiseerd moet worden of juist ontwikkelingen uit de markt sterk bijgestuurd meten worden om de eigen identiteit te behouden.

Er zijn verschillende maten van sturing bij deze scenario’s.

 

1.3 Planologie als wetenschapsbeoefening.

 

1.3.1 Planologie en de samenleving

Uit de planologie (wetenschap) put naast theorien, methoden en technieken de ruimtelijke planning haar reflectie. Er ontstaat hier een spanningsveld: Aan de ene kant wordt de agenda voor de wetenschapsbeoefening voor een belangrijk deel bepaald door de actualiteit en wetenschappelijk onderzoek wordt gebruikt om de beleidspraktijk te ondersteunen. Aan de andere kant heeft wetenschappelijk onderzoek behoefte aan afstand, om op een onafhankelijke wijze de gewenste reflectie te kunnen verrichten en een oordeel te kunnen vormen.

Faludi maakte ooit onderscheid tussen twee typen theorie:

1. theorieën in de planning geven een verklaring van ontwikkelingen waarop de planologie zich richt

2. theorieën van planning verschaften inzichten in het planningsproces zelf en richt zich op de inrichting ervan.

Het onderscheidt loopt min of meer parallel aan het onderscheid van object en proces van planning.

De relatie tussen wetenschapsgebied en samenleving is toch iets complexer. Er is sprake van grote verschillen tussen bestuurslagen en in de tijd.

 

1.3.2 De planologie veranderd

De planologie is veranderd in de blauwdruk of eindtoestand planning van de jaren zestig, via de

systeemfunctionele planning tot de procesplanning. In de blauwdrukplanning werd verondersteld dat de samenleving zich volgens bepaalde wetmatigheden ontwikkelde. Op basis van kengetallen werd een masterplan gemaakt. Door de dynamiek van de planning ging met over tot systeemfunctionele (SF) planning. Dit was het begin van de procesplanning. De OH werd een grotere rol toebedacht. De planning veranderde van een technisch proces in een rationeel proces. Er werd weliswaar een nieuwe dimensie toegevoegd aan de ruimtelijke planning, maar qua karakter veranderde weinig. De SF planning is eigenlijk ook meer een uitwerking van de blauwdrukplanning.

Frissen stelde in 996 dat planning uit de gratie was en planningtheorie al helemaal, omdat deze werd geassocieerd met SF opvatting van planning. De kritiek was in feite tweeledig. Het werd ambitieniveau werd drastisch verlaagd. Het takenpakket van de OH werd verkleind.

De relatie tussen de OH en samenleving was toe aan een ingrijpende voorziening. Als oplossing voor de gefragementeerde vraagstuk werd het netwerkperspectief als sturingsmodel aangedragen. De OH kan gezien worden als een knoop in een netwerk van relaties.

 

1.3.3 en 1.3.4 goed doorlezen.


H2:Het object van ruimtelijk planning: Het ruimtegebruik

 

2.1. Land use en ruimtelijke planning

De Amerikaanse term land-use slaat zowel op feitelijk ruimtegebruik als op de planning ervan. Het is lastig te vertalen. De term land-use heeft twee betekenissen: het feitelijk gebruik en de planning van het landgebruik. De enge opvatting van ruimtelijke planning is dat het inhoudelijk dicht kan aansluiten bij het feitelijk gebruik. Ruimtelijke planning is in deze opvatting niet veel meer dan haar eigen object. Tegenover de enge opvatting staat de ruimte opvatting van ruimtelijke planning.. Er is hierbij sprake van een meer integrale planning op stedelijk  en op regionaal niveau.

Uit registreren van feitelijk ruimtegebruik ontstaan kengetallen, te zien als kwalitatieve en kwantitatieve kenmerken. Deze kengetallen krijgen, hoewel niet de bedoeling, vaak een normatief karakter. Dit wordt versterkt, doordat er deels sprake is van beleidsmatig voorgeschreven cijfers en van gegevens met een beleidstoetsend karakter. Verder is er een probleem van netto en bruto getallen. Er bestaan ook kengetallen voor afstanden tussen functies en daarmee ontstaan richtlijnen voor locaties.

De planning van het ruimtegebruik is in Nederland sterk gejuridiseerd, op niveau van het bestemmingsplan.

In het algemeen kan worden gesteld dat de ruimtebehoefte eerst per functie wordt vastgesteld naar huidige normen en naar toekomstige normen wordt vertaald. Bij planning wordt voor de vaststelling van het totale ruimtebehoefte voor een plan gemaakt van de volgende indeling in hoofdcategorieën, welke indeling tevens een stappenplan inhoudt:

1.    open ruimte creëren of handhaven

2.    elke ruimte heeft al een functie, wordt bezien welke elementen behouden moeten of kunnen worden.

3.    ruimtevragende functies van een boven-plan-niveau.

4.    planniveau-elementen

 

Planning en ruimtegebruik kent twee kanten: het ruimtegebruik en de locatie. Er zijn in de praktijk verschillende vormen van planning te onderscheiden. Dit zijn:

a)    Planning voor ontwikkeling. Hierbij staat centraal dat nieuwe ontwikkelingen een kans moet worden gegeven door het scheppen van nieuwe mogelijkheden. Er wordt niet alleen gebruik gemaakt van het bestaande, maar ook worden er nieuwe initiatieven genomen voor volgende fases. Binnen deze component zijn twee vormen te onderscheiden:

·       Expansion: ruimte bieden aan een groep van gerelateerde ruimtegebruikers

·       Conversion: gecontroleerde kansen bieden voor verdringing van functies

b)    Planning voor conservering. Hierbij gaat het primair om het handhaven van het bestaande. Binnen deze component zijn er ook twee vormen:

·       Contraction: afkalving van de kwaliteit stoppen door regelgeving en verandering zo mogelijk keren door actieve inzet.

·       Conservation: bestaand (vaak historische) kwaliteiten beschermen.

c)    Planning voor herstructurering (reorganisation). Hierbij gaat het om een planmatig sterk ingrijpen in de ruimtelijke inrichting op buurt- of wijkniveau om achterstandssituaties te voorkomen. Deze tamelijk recente vorm kan worden gezien als een ingreep om een situatie van contraction te voorkomen. Nu alleen staat niet het behoud, maar de wens tot verandering centraal.

 

De planning van het ruimtegebruik is de inhoudelijke kern van de planvorming: het ruimtelijk ontwerp.

Het gaat hierbij om vanuit doeleinden, uitgangspunten en randvoorwaarden tot bestemmingen en locaties te komen. Dit zal altijd parallel lopen aan het andere aspect van planvorming: het procesontwerp. Een ander begrip is het ruimtelijk schetsontwerp. Dit is een zuiver planologische activiteit, liggend in het overlapgebied met de stedebouw. Een ontwerpend (heeft niets met design te maken) planoloog is bezig een ruimtelijk plan te maken. Daarin wordt gewerkt met relatieschema’s en met ordeningsprincipes en er wordt een conceptuele structuur opgezet.

 

Er spelen voor het ontwerp drie vragen: wat, waar en hoeveel.

1.    De functie: de vraag naar wat mondt uit in het programma van eisen. De hoeveelheid onderzoek die er aan ten grondslag ligt kan sterk variëren.

2.    De locatie: de vraag waar? Heeft betrekking op relatiepatronen. Het betreft dan nabijheid i.v.m. bereikbaarheid, scheiding i.v.m. hinder en verdringing.

3.    De benodigde ruimte: deze vraag betreft niet alleen de behoefte van nu, maar ook de ruimte die nodig is voor nieuwe ontwikkelingen.

De vraag naar ruimte voor specifieke functies staat altijd onder neerwaartse druk door: ruimtegebrek, concurrentie, het kostenplaatje, als gevolg van een mogelijk onvoldoende kapitaalkrachtige vraag.

 

2.2 Land use en kengetallen

 

2.2.1 Planologische kengetallen

Planologische kengetallen zijn: vereenvoudigde geschematiseerde regels m.b.t. aspecten van kwalitatieve en kwantitatieve aard inzake de ruimtelijke organisatie van de samenleving (plubicatie Planologische kengetallen). Door de snel toenemende complexiteit van de planningsopgave, ontstond er een groeiende behoefte aan kengetallen. Er is hierdoor snel en gemakkelijk beschikbaar vergelijkingsmateriaal. (kwalitatief en kwantitatief). Vaak zijn kengetallen niet meer dan achtergrondinformatie. Als het goed is moeten echter kengetallen die worden gebruikt voor nieuwe plannen een afspiegeling zijn van wat maatschappelijk wenselijk is. Er zijn voordelen en nadelen aan kengetallen. Zie blz. 42.

 

2.2.2 Land use en planvormen

Op rijksniveau wordt primair een poging gedaan om te sturen in de ontwikkeling van de hoofdstructuur van Nederland. In het algemeen geldt hierbij, dat alleen bij het inzetten van belangrijke financiële middelen ook de ideeën van het rijk m.b.t. locaties en ruimtebehoefte gehonoreerd worden. Buiten beleid dat is gekoppeld aan geldstromen, zijn er ruimtelijke nota’s ( Vijfde nota RO) die als doelstellingsnota’s getypeerd kunnen worden en een mogelijk ontwikkelingsperspectief voor een aantal items heeft. In deze nota’s is de directe invloed op locatie en ruimtegebruik gering.

De Provinciale OH beschikt op het gebied van RO over relatief geringe geldstromen, zodat ook de invloed op locaties en ruimtegebruik gering is, met uitzondering van het groeiklassenbeleid (verdelen van groei van woningvoorraad per provincie).

Op gemeentelijk niveau bestaat het bestemmingsplan. Deze is bindend voor burgers en overheden. Elke gemeente is verplicht een bestemmingsplan te hebben, voor buiten de bebouwde kom. Het bestemmingsplan is een toetsingsnorm en heeft hierdoor ook een functie als beleidsinstument verkregen: het is dan een statuut dat burgers, bedrijven en overheden duidelijkheid biedt wat wel en niet is toegestaan. Het biedt rechtszekerheid en rechtsbescherming. Door kaarten in combinatie met gedetailleerde voorschriften wordt in het bestemmingsplan de ruimtelijke inrichting feitelijk vastgelegd.

 

2.2.3 Analyse van ‘land use’ in verschillende planvormen

De volgende typering van de toepassing van ‘land use’ in de diverse wettelijke planvormen kan nu worden opgesteld:

·       in rijksnota’s gaat het vnl. om locatieprincipes en om ruimtegebruiksprincipes. Soms worden concrete locaties genoemd, doch dan is er nog sprake van zekere zoekruimte.

·       in streekplannen wordt bij de principes uit rijksdocumenten aangesloten en worden voor bijzondere functies locatie ‘met zoekruimte’ aangewezen

·       in structuurplannen vindt de afweging plaats tussen de principes en de praktijk. De wezenlijke vragen met betrekking tot functies, locatie en omvang worden hier gesteld en beantwoord

·       op niveau van bestemmingsplan is slechts de locatie binnen de marges van het plan nog in geding.

·       op niveau van de intergemeentelijke structuurplannen worden de belangrijkste keuzes gemaakt en de belangrijkste aanwijzingen gegeven voor ruimtegebruik.

FIGUUR 2.6 goed bekijken!!!

 

2.3 Een uitwerking: de planning van bedrijvigheid en bedrijventerreinen

 

2.3.1 Inleiding: rijksbeleid en provinciaal beleid

De politieke mogelijkheden om het gemeentelijk economisch beleid vorm te geven worden ingekaderd door nationale- en provinciale beleidsvoornemens. Hieronder worden de beleidsvoornemens van verschillende departementen aan de hand van de belangrijkste documenten:

·       Ruimte voor Economische activiteit: Dit is het belangrijkste document voor gemeente


H3: Het planningproces

 

3.1 Inleiding

Ieder planningproces is uniek, de vorm en inhoud ervan worden in eerste instantie bepaald door de problematiek die daarin aan de orde komt (het object) in combinatie met de randvoorwaarden waaronder het plaats moet vinden (context). Er zijn ook ander factoren die een planningproces bepalen. Deze factoren zijn vnl. gekoppeld aan de betrokken actoren. Object en context zijn niet determinerend voor het planningsproces, de procesvariabelen beďnvloeden de vormgeving van het planningproces.

 

Planningprocessen zijn ook in andere beleidsvelden waarneembaar. Planningprocessen in de RO hebben een bijzondere betekenis, vooral te herleiden naar haar maatschappelijke betekenis. Het veranderen van bestemming en gebruik van grond kan maatschappelijk ingrijpend ervaren worden. De Wet en het Besluit op de RO voorziet derhalve in een stelsel van formele regels (procedures) voor belangrijke planfiguren.

Toch kennen de meeste planfiguren niet een dergelijke juridische verankering. Toch wordt ook voor deze planprocessen zorgvuldig voorbereid en uitgevoerd.

 

Planprocessen worden gedefinieerd als het totaal van de voorbereiding van plannen, de beleids- of planbepaling welke tot het vaststellen van beleidsproducten leidt de uitvoering ervan en een evaluatie van het gevoerde beleid. Voor de RO zijn er enkele planprocessen van bijzondere betekenis: Planvormings-processen (waarbij het gaat om het inventariseren, analyseren, conceptualiseren en operationaliseren an planelementen of componenten) en planvoorbereiding. Veel beleidsinitiatieven strandden al in de eerste fase: de planvoorbereiding. In de planvoorbereiding kan duidelijk worden dat:

·       het probleem geen probleem meer is

·       de RO niet de aangewezen weg is om het probleem op te losen

·       het opstellen van een Ruimtelijk plan niet de meest effectieve of efficiente oplossing is voor het probleem

·       het probleem niet oplosbaar lijkt (ontembare problemen)

 

3.2 Planning (proces, planvorming en planvoorbereiding

 

3.2.1 Planningprocessen

In elk planningproces zijn de actoren van groot belang. Deze bepalen de wijze waarop het proces verloopt met de gegeven problematiek (object) en de randvoorwaarden (context). Er wordt vanuit de OJ een onderscheidt gemaakt tussen drie verschillende actoren: shareholders (degenen die een (direct of indirect) belang hebben bij een kwestie), stakeholders (degenen die een direct (meestal zakelijk) belang hebben bij een kwestie) en de stockholders (degenen die een direct zakelijk belang hebben bij de oplossing van een probleem of kwestie). Het onderscheidt tussen de betrokken actoren is van belang, omdat in het planningproces op een gegeven moment besloten moet worden welke actoren moeten worden betrokken in het proces. Met een zo compact mogelijk planningsproces zullen alleen de stockholders actoren zijn. Bij een open en interactief planningsproces zullen alle betrokken op hun manier in het proces een rol spelen.

 

Elk planningsproces is te onderscheiden in een aantal planningsfases, die in de praktijk niet altijd even makkelijk te herkennen zijn. In de praktijk lopen dee fases door en langs elkaar heen: elk planningsproces is een cylisch-iteratief proces, waarbij dezelfde fase meerdere keren worden doorlopen. De fases zijn:

1.    Probleemidentificatie: De vraag of het probleem ook echt een ruimtelijk probleem is wordt in deze fase gesteld. De meeste problemen vallen in deze fase af.

2.    Probleemanalyse: Het geďdentificeerde probleem wordt in deze fase geanalyseerd. Uit welke componenten bestaat het probleem en hoe zijn de relaties daartussen te waarderen. Deze fase vormt de belangrijkste input voor de rest van het planningsproces.

3.    Doelstellingen: Op basis van de analyse kunne aanknopingspunten gevonden worden om doelstellingen te formuleren. De randvoorwaarden bepalen in dit geval vaak de baanbreedte waarbinnen de betrokkenen de doelstellingen kunnen vaststellen.

4.    Generatie: Het ruimtelijk beleidsproduct wordt in deze fase opgesteld. Dit kan een ruimtelijk plan zijn. Het plan is te zien als een momentopname in een continue (planning) proces.

5.    Evaluatie (ex ante): Tegen de achtergrond van een snel veranderende samenleving is de vraag relevant of het voorgestelde plan nog steeds een oplossing biedt voor het probleem. Het gaat niet zo zeer om het oordelen, maar meer om het bijsturen gedurende het planning- of beleidsproces. Ook kan de ex ante evaluatie betrekking hebben op de vraag of het plan effectief en efficiënt is.

6.    Uitvoering: Als een beleidsproduct ( plan, programma of beleidsdocument) goedgekeurt is door het bevoegd gezag kan de planuitvoering ter hand worden genomen. De planvorming wordt in deze fase letterlijk georganiseerd.

7.    Evaluatie (ex post): Deze evaluatie is geen instrument binnen het planningproces (ex ante), maar velt een oordeel tegen de achtergrond van de maatschappelijke en materiële randvoorwaarden waaronder het planningproces heeft plaatsgevonden.

 

3.2.2 Bijzondere verschijningsvormen van planningprocessen

1.    Het planvormingsproces omvat  alleen het deel van uitvoering. Soms wordt de evaluatie gerekend tot de planvorming. Bij planvorming wordt onderscheidt gemaakt tussen de planvoorbereiding en het planontwerp. In praktijk is de grens niet scherp en er wordt ook van een cyclisch-iteratief proces: er wordt herhaaldelijk teruggekeerd naar een vorige stap.

2.    Bij de planvoorbereiding worden drie fases doorlopen: een typering van de situatie (probleem-beschrijving), een beoordeling daarvan (probleemanalyse) en de aanbevelingen (programma van eisen). Deze drie fases lopen in elkaar over en worden in 6 stappen onderscheiden. Bij stap 2 en 4 ligt de overgang:

Stap 1: Het opstellen van een beschrijving van de feitelijke situatie binnen het plangebied, vaak per thema

Stap 2: Het formuleren van een typering van het plangebied op basis van de kenmerken van de locatie: de ligging t.o.v. relevante zaken.

Stap 3:Er wordt vaak een sterkte/zwakte analyse gemaakt in de vorm van een SWOT. Interne factoren worden daarbij als sterkte of zwakte aangemerkt en externe factoren als kans of bedreiging.

Stap 4:Zoveel mogelijk dient nu een afstemming te worden gerealiseerd van de vele aspecten van de SWOT met als feitelijk doel uiteindelijk een zekere integratie

Stap 5:De SWOT wordt voor zover mogelijk in een bredere context geplaatst. Dit is nodig omdat gebieden per definitie in een groter verband functioneren.

Stap 6:Het programma van eisen wordt nu opgesteld en daarbinnen worden prioriteiten gesteld. Uiteraard moet het programma van eisen inhoudelijk op elkaar afgestemd zijn: het is een integraal pakket, waarbij echter wel onderscheid moet worden gemaakt tussen het pakket voor het feitelijke plangebied en de overige aanbevelingen voor aangrenzende gebieden of op hoge schaalniveau.

3.    Bij een planontwerp wordt eerst het doel geformuleerd. Dit betekend dat het ambitieniveau een rol speelt. Er worden oplossingen gegenereerd. Dit leidt tot een schetsontwerp. De beoordelingscriteria kunnen rechtstreeks voortkomen uit het programma van eisen of de ex ante evaluatie. Ook beoordelingscriteria als politieke of financiële haalbaarheid spelen een rol. Vervolgens wordt het voorkeursalternatief gekozen. Hiermee is het ruimtelijk plan klaar.

 

3.3 Denken over planningprocessen

De in §3.2 geschilderde werkwijze is een ideaaltype uit de periode van ‘45-’60. De Ruimtelijke planning stond in het teken van wederopbouw. Dit proces stond bekend als blauwdrukplanning (= door de presentatie van een eindbeeld, waarvan verwacht werd dat het automatisch uitgevoerd zou worden en dus realiteit zou worden.. De stappen moesten volgens dit proces chronologisch verlopen, iets dat in niet zo gaat. In feite verlopen planningsprocessen veel interactiever. In de loop van de jaren zestig deed de procesplanning zijn intrede. De Strategische Keuzebenadering ontpopte zich tot de dominante zienswijze. Deze benadering bleek op veel problemen te stuiten in de praktijk. Toch is een belangrijke verdienste van deze benadering dat deze op een systematische manier liet zien dat complexe planning- en planvormingsprocessen  wel degelijk te structureren waren, met inbegrip van de terugkoppelingscycli.

Toch ontstond steeds meer het besef dat planning- en planvormingsprocessen niet in een vacuüm plaats vonden, maar werden beďnvloed door ontwikkelingen in de omgeving. Planning was volgens de strategische keuzebenadering een overheidstaak. Met de publicatie Planning als Onderneming (1983) wordt planning langzamerhand niet meer uitsluitend als OH-opgave gezien, maar worden deuren geopend voor derden te participeren. Publiek-private samenwerkingsvorming hebben echter de neiging zich te concentreren op de latere fasen in het proces, met name het concrete planvormingsgedeelte en vooral de planuitvoering. Het voortraject wordt gedomineerd door publieke partijen. In de jaren ’90 wordt steeds meer geëxperimenteerd met open planning processen ( ideaaltypisch bestaat het uit de stappen op blz. 82). Een wezenlijk punt in deze benadering van de ruimtelijke planning is de overtuiging dat van de werkelijkheid kan geschieden door directe beďnvloeding van de maatschappelijke stakeholders en niet of althans niet alleen via een plan.

 

Kenmerkend voor de open planning is  dat niet de OH alleen het plan maakt, doch dat dit in samenspel gebeurt van OH en maatschappelijke partners. De OH werkt niet primair door government (=handelen op basis van wettelijke macht), maar ook het ontwikkelen van governance (=gebaseerd op het vermogen om met andere OH en private partners tot een gezamenlijk plan te komen, met commitment van alle betrokkenen). Dit laatste is van groot belang omdat  het de juiste weg lijkt om effectiviteit van en legitimiteit voor ruimtelijke planning te verkrijgen. Deze meerwaarde komt tot stand door koppeling of afstemming van (sectorale) belangen, problemen en oplossingen.(=integratie)

 

3.4 (On)mogelijkheden voor integraliteit in ruimtelijke planningprocessen

In de RO is een roep om steeds meer integratie.  De roep om meer integratie wordt versterkt door klassieke planvormen als intergratiekaders die steeds minder voldoen. De zijn te star om in de dynamiek in de verschillende sectoren recht te doen. Het wordt voor de RO steeds moeilijker om afstemming te realiseren, maar tegerlijkertijd neemt de behoefte hieraan toe.

Valkuilen bij een betere afstemming zijn:

·     Uitstel-gedrag van participanten. Onder verwijzing naar vergroting van draagvlak kunnen afstemmingsprocessen eindeloos worden uitgesteld

·     uiteindelijk zal er nauelijks onderscheid gemaakt worden tussen belangrijke en minder belangrijke dimensies van het probleem waartussen afstemming noodzakelijk is.

 

Hoe komen we uit dit geschetste dilemma? Er zal veeleer gezocht moeten worden naar nieuwe vormen van afstemming en afstemmingsmechanismen, die beter recht doen de aard van de problematiek en de positie van de betrokkenen. Er moeten oplossingen bedacht worden. Zo heeft kreukels ooit een suggestie gedaan het klassieke planningschema te verlaten en in te ruilen voor een schema waarin de verschillende OH hun belangen en ontwikkelingswensen zelf bepalen, uitgaande van hun positie en de daaraan verbonden belangen. Er ontstaan een steeds meer projectmatige benadering. Ambities worden verlaagd als het gaat om de hoeveelheid afstemmingsrelaties waardoor het realiteitsgehalte van de ruimtelijke planning stijgt.
.

Hosted by www.Geocities.ws

1