Hoofdstuk 8.
Communication networks:
patterns, forces and effects.
Vier netwerk-kenmerken.
1. Network deviousness (dwaling, afwijking).
Ø
Netwerk afwijking is het eigendom, waarbij de lengtes van de
individuele verbindingen in een communicatie netwerk verschillen van de
rechtelijn afstanden tussen de plaatsen onderling met elkaar verbonden.
Meestal meet men de afwijking aan de hand van het concept van de route factor; dit is de ratio van de
geobserveerde routeafstand tot de rechtelijn afstand.
Welke factoren beïnvloeden de waarde van de route factor?
-
Urban size; de route factor is
vaak lager tussen de grote steden, dan de verbinding tussen de kleine steden
(attractiveness factor!).
-
Barriers; men moet de weg om
een berg heen bouwen, en de route factor is gelijk hoger. Er kan ook sprake
zijn van een bottleneck; bijv. een tunnel die maar zoveel aantal auto’s kan
hebben in een beperkte tijd.
-
Initial land division; wegen die in eerste
instantie op een bepaalde richting aangelegd zijn.
-
giridon pattern.
2. Network density.
Ø
De dichtheid van route netwerken is gedefinieerd als de lengte van het
route netwerk per eenheid gebied (km2, Ha).
Deze maat is van belang omdat zij een ruwe aanduiding geeft van de
hoofdtoegankelijkheid tot een transportatieroute.
·
Een belangrijke factor in het verklaren van verschillen in
netwerkdichtheid is the medium involved
(soort vervoermiddel).
·
Als we andere factoren van invloed willen vinden is het belangrijk dat
we kijken naar de schaal van de
vergelijking. Wanneer we bijvoorbeeld naties met elkaar vergelijken lijkt
de netwerkdichtheid sterk gerelateerd aan het niveau van economische ontwikkeling.
·
Echter over het algemeen zijn bevolkingsdichtheid
en distributie een belangrijke toevoegende factor in het vergelijken van
verschillen in netwerkdichtheid tussen naties op ongeveer hetzelfde niveau van
economische ontwikkeling.
·
Echter ook hierop bestaan uitzonderingen, zoals India, Pakistan en
Burma, waar de hoge netwerkdichtheid hoogstwaarschijnlijk is toe te schrijven
aan de voormalige wens van de kolonisatoren om alle uithoeken van het land
onder controle te houden, een politieke
factor dus.
·
De laatste factor van belang in de verschillen tussen netwerkdichtheid
is gebiedsgrootte. Immers sommige
vervoersmiddelen hebben nu eenmaal langere afstanden nodig om te kunnen
concurreren met andere vervoersmiddelen.
Netwerkdichtheid varieert ook van regio tot regio binnen een land. Vaak
is er ook bij de grenzen sprake van ‘barrier effects’ en/of ‘halo effect’. In
steden lijkt de bevolkingsdichtheid de belangrijkste beslissende factor te zijn
voor de netwerkdichtheid.
3. Network connectivity.
Ø
De mate van verbinding van een netwerk: de mate waarin de directe
routes paren steden verbinden in een netwerk gemaximaliseerd worden.
De netwerken met een hogere verbindingsgraad bestaan vaak uit circuit networks waarbij er meer dan een
pad of route is tussen tenminste twee plaatsen.
Bij minder verbonden netwerken worden vaak gedomineerd door branching networks waarbij er slechts
een mogelijk pad bestaat tussen elk paar plaatsen.
Branching networks hebben het kenmerk dat het aantal verbindingen
kleiner is dan het aantal plaatsen (nodes). Bij circuitnetworks is het aantal verbindingen gelijk of groter dan het
aantal verbonden plaatsen.
Ø
De beta-index is de ratio
tussen het aantal verbindingen en het aantal ‘nodes’ in een netwerk, en meet
bovendien de mate van verbinding in een netwerk.
Bij deze index
worden absolute of relatieve afstanden genegeerd, alleen de topologische
afstand. En niet verbonden plaatsen zitten niet inbegrepen in deze index, zo
kan een gebied een positief cijfer hebben ondanks vele geïsoleerde dorpjes.
We kunnen ook de mate van verbinding van een bepaalde plaats in het
totale netwerk definiëren.
Wanneer een netwerk centralized
is, vertoont een netwerk sterke ongelijkheden in mate van verbinding van de
individuele ‘nodes’. Verbonden city-pairs
kunnen uiteindelijk leiden tot een ‘hub and spoke’ systeem.
4. Network hierarchy.
Er zijn natuurlijk gradaties in de kwaliteit van de verbindingen. Er is
vaak sprake van een hierarchical ordering.
Grotere ‘nodes’ hebben vele verbindingen, en worden verbonden door ‘high-order
routes’. Terwijl smallere kleiner verbindingen van de grote ‘node’ naar de
kleinere ‘node’ lopen. Hoge kwaliteitsroutes liggen dus verder van elkaar dan
kleinere onbelangrijke routes, er lijkt zodoende dus een verband te bestaan
tussen ‘route and nodal hierarchies’.
Locational forces in network
construction.
The
economics of route construction.
Ø
Desire lines zijn rechtelijn
verbindingen tussen een paar van plaatsen, die de intensiteit van de vraag voor
beweging tussen de twee plaatsen aangeeft.
Ø
Bouwen of samensmelten van stromen treden op als stromen tussen
verschillende paren plaatsen gedeeltelijk bewogen worden over een normale
transportatielijn.
Economische en vraag factoren zijn doorslaggevend bij de aanleg of
uitbreiding van een transportatielijn.
Threshold combinations.
Ø
Threshold demand: Het kritieke
minimale vraagniveau waarbij wordt besloten dat de aan te leggen verbinding
niet winstgevend genoeg is.
‘Thresholds’
staan in relatie tot stedelijke grootte.
Specific locational
considerations: costs and benefits.
De totale
kosten om een transportatiedienst aan te leggen bestaat uit twee componenten:
·
De fixed costs; kosten die
bovenkomen tijdens de aanleg.
·
De running costs; heeft te
maken met de hoeveelheid gebruik van de transport, zoals olie, onderhoud, etc.
Ø
Vervoersmiddelen waarbij de fixed-cost/running-cost
ratio is relatief hoog, neigen richting de minste fixed-cost route;
middelen waarvoor de ratio relatief laag is, neigen richting de minste
running-cost route.
1. For the single route between two places.
a) Comparing media.
b) For a specific transportation medium.
-
Over longer periods of time.
-
At one point in time.
2.
In a network connecting 3
places or more, zal er bij een toenemend volume gebruikers een ander soort
netwerktransformatie optreden. Er kan gekozen voor een least-cost-to-builder oplossing met bundling or merging of flows, of een least-cost-to-user oplossing (running costs).
3.
Between costs and benefits.
-
Bypass effects.
-
Environmental issues.
The
politics of route construction.
Politieke factoren spelen op 2 vlakken mee:
·
Door middel van subsidie kan de ‘treshold’ voor een bepaalde
route verhoogt worden.
·
Politiek heeft invloed op de specifieke locatie van het netwerk.
The locational implications
of communication networks.
The concept of
accessibility.
Ø
De toegankelijkheid van een plek naar een ander hangt af van twee
factoren:
-
Of ze wel of niet verbonden zijn door een route.
-
De hoogte van de movement cost nodig om van de ene naar de andere
plaats te komen.
Twee belangrijke concepten:
·
Network accessibility; waarbij een laag
cijfer voor de ‘network distance matrix’ een goede toegankelijkheid inhoudt.
·
Population potential; beperkt zich niet
tot de mate van toegankelijkheid tot locaties, maar tot de bevolking van die
locaties. Men kan hiermee bijvoorbeeld de grootte van de markt bepalen.
Population
potential encompasses the influence of all points on a particular one. Geeft de
relatie tussen afstand en de bevolkingsomvang; efficiente locatie.
Accessibility and location:
causal relationships.
Toegankelijkheid
laat de kosten voor uitvoerende activiteiten afnemen. We snappen dus dat de
toegankelijkheid van behoorlijke invloed is op de ruimte/locatie. Locale
veranderingen in toegankelijkheid blijven echter vaak niet bij lokale gevolgen.
Er kunnen in meerdere landen relaties tussen toegankelijkheid en het geheel van
andere lokale patronen van sociale en economische kenmerken.
Accessibility and location:
mutual relationships and selective network upgrading.
Het is mogelijk te herkennen dat toegankelijkheidsvoordelen voorafgaan
aan toenemende economische activiteit en constructie van woonwijken die hun
voordeel halen uit de toegenomen toegankelijkheid. Aan de andere kant is het
ook plausibel dat de verschillen in toegankelijkheid een resultaat zijn van
verschillen in de vraag van plaats tot plaats. Mede dankzij het onderzoek in
Brazilië van Gauthier kunnen we suggereren dat toegankelijkheid en andere ruimtelijke
patronen sterke mutual effects
vertonen naar elkaar: ruimtelijke patronen (bevolkingsgroei) beïnvloeden de
mate van investeringen in transport en dus de mate van toegankelijkheid, echter
de veranderingen in toegankelijkheid kunnen nieuwe ruimtelijke patronen
stimuleren, zoals bv. industriële activiteiten.
Wanneer we kijken naar een voorbeeldnetwerk van verbindingen zien we
dat sommige steden kunnen starten met een initial
advantage (hogere toegankelijkheid en population potential). Verschil in aantrekkelijkheid
zal in eerste instantie de bevolking in desbetreffende plaatsen doen toenemen.
Zodoende zal de vraag naar ‘movement’ toenemen, wat een ‘upgrading’ van
bestaande verbindingen tot gevolg heeft. Er onstaat een situatie met differential quality of links. Door dit
verschil in de verbindingen, en verschil in bevolkingsgrootte zien we een
toename in het verschil in population
potential. Er ontstaat een verschillend patroon in aantrekkelijkheid voor
de ‘locators’. Resultaat is een verdere gedifferentieerde groei van stedelijke
economieën en bevolking met een toenemende concentratie in de aantrekkelijkste
steden. Dit is een voorbeeld van Myrdal’s
cumulative causation,
sneeuwbal-effect van de regionale economische ontwikkeling. Men zal verder
selectief door ‘upgraden’, mede door the
economics of transportation innovations, en de vraag naar ‘movement’.
Selective network upgrading:
transportation innovations and mainports.
Voor innovatie
van transport moeten stromen altijd gebundeld en/of samengesmolten worden, om
de vraag boven het ‘threshold level’ te krijgen binnen een beperkt netwerk.
q
Zo zien we bij het luchtverkeer dat er een ‘hub and spokes’ systeem is ontstaan. Het biedt economische
voordelen voor goederen- en personenverkeer. Er kan met grotere vliegtuigen
gevlogen worden, en meer mensen in slecht bereikbaardere plaatsen kunnen via de
‘spokes’ ook beter van het netwerk gebruik maken, en ook de goederenladingen
hebben kunnen toenemen. Echter in de ‘hub’ kunnen congestieproblemen optreden,
bovendien is er ook de milieudiscussie.
q
Bij container verkeer is een soortgelijke selectieve
ontwikkeling zichtbaar. Na de exponentiele groei van de jaren ’60, ontstond er
in de jaren ’70 een intermodaal ‘hub and spoke’ systeem. Het verkeer werd via
grote mainports vervoert om via de ‘spokes’; trein, snelweg, etc, verder
vervoerd te worden. In enkele gevallen is dit systeem nog eens versterkt door
geïntegreerde land-bridge operations waarbij
een coördinerende ‘carrier’ opereert op continentale schaal.
Implications of selective
network upgrading.
q
Een initial network raakt
door de tijd resistant to change
q
Movement patterns are very
similar van een periode naar een andere, met de frequent gebruikte routes
steeds belangrijker wordend.
q
The locational variations of
economic activity and of population tend to intensify over time.
Spatially unbalanced growth
and time-space map.
Ø
Time-space convergence (convergentie)
beschrijft de afname in frictie van afstand als resultaat van
transportatie-innovatie. Wordt gemeten als het gemiddelde ratio waarbij
reistijd tussen plaatsen afneemt over tijd.
De geografisch selectieve ontwikkeling van transportatie-innovatie en
netwerk ‘upgrading’ resulteert in een hoog vervormde ‘time-space map’, en in
veel gevallen past/gelijkt de time-space
convergence dan de time-space
divergence.
Over het algemeen; succeeding
transportation innovations have increasingly emphasized limited access to the
facility.